׉?4ׁB! )בCט  {u׉׉	 7cassandra://s4jsWE_dGmjfwov2sKTOYd-rdhf6EkuwkI9FIxbAC5w R`׉	 7cassandra://caXC4vg8sGcLxzXgjgOF6TUIB0BsUGTIVCVNKxw8yAk_`S׉	 7cassandra://dJl3WQ7UBfXwGgkSJ6WtqJgXznhXlwTtC463Pq9QCeo"`̵ ׉	 7cassandra://j1EQia_IAfDwHV7AYjweVpeEyzLcLJPYUhw6zt5nve0 ͠cJAyμ3ט   {u׈   frJ  ׈EcJAyμ3v׉E YKoninklijk Actuarieel Genootschap
P ROGNOSETAFEL
AG 2022
Langer leven
in onzekere tijden
׉	 7cassandra://dJl3WQ7UBfXwGgkSJ6WtqJgXznhXlwTtC463Pq9QCeo"`̵ cJAyμ3wcJAyμ3v{בCט   {u׉׉	 7cassandra://2UHk72Rp4BL7RHQ0OX6E4NY9k55V0-Dv4auykqjZ-S8 M4`׉	 7cassandra://wTCp2XBAjSp_iXijZMf52i9ZELv7RVKM5L3j9rHwUAo<`S׉	 7cassandra://ab8NVrRdB8r44nkaPk8wtV5IiIkJDJLG-JlgU5Jy0rMI`̵ ׉	 7cassandra://fxvP07Jr-7FNKzGdgkcFj9fbZRpZcSK5tVVrs3Y6usUͶp͠cJAyμ3ט  {u׉׉	 7cassandra://NaptDmfYB6RjbnMjDrC7Ez9H_6dWmhegkxmUPqWIGTU `׉	 7cassandra://wCA7YN_xE6b0mkhm-0lSy3n921YL907he4oEZd4163A55`S׉	 7cassandra://DTaSJ81sqFthAUSrJHLGGA-CPGeRDh-gRwussuNmCqU}`̵ ׉	 7cassandra://uo9KqiPTy_LEg6xtNI7rgK-Li6jTd8WYXTpNVoneOok;p͠cJAyμ3׉EInhoud
Voorwoord – 5
Verantwoording – 6
Samenvatting – 8
1
COVID-19 en de impact op de sterftetafel – 14
1.1 Gebruikte datapunten in prognosemodel AG2020 - 14
1.2 Toevoegen nieuwe data: oversterfte niet gelijk verdeeld over alle leeftijden – 15
1.3 Het AG2020-prognosemodel is zonder aanpassingen niet toepasbaar – 15
1.4 Het AG2022-prognosemodel: oversterfte in Nederland apart gemodelleerd – 15
1.5 Welk scenario voor oversterfte is passend? – 16
1.6 Parameters binnen scenario ‘verdwijnend’ – 17
2
Data – 18
2.1 Data Nederland en Europa zijn input voor het prognosemodel AG2022 – 19
2.2 Europese sterftedata: geselecteerde landen – 20
2.3 Gegevensbereik – 20
2.4 Data voor jaren met COVID-19 – 21
2.5 Bronnen voor data: HMD, Eurostat, CBS en statistische bureaus uit VK – 23
3
Het prognosemodel – 24
3.1 Oversterfte als direct en indirect gevolg van COVID-19 – 26
3.2 Nieuwe sluitingsmethodiek – 32
3.3 Gevonden parameterwaarden voor leeftijdseffecten – 36
pagina 2 / 80
Prognosetafel AG2022 | Inhoud
׉	 7cassandra://ab8NVrRdB8r44nkaPk8wtV5IiIkJDJLG-JlgU5Jy0rMI`̵ cJAyμ3x׉E^4
Gevolgen voor levensverwachting, voorziening, premie en AOW-leeftijd – 39
4.1 Definities van levensverwachting – 39
4.2 Waarnemingen ten opzichte van AG2022 – 26
4.3 Van AG2020 naar AG2022 – 41
4.4 Prognose in perspectief – 44
4.5 Koppeling levensverwachting op 65 jaar in 1e en 2e pijler – 45
4.6 Effecten op voorzieningen – 47
5
Onzekerheid – 50
5.1 Soorten onzekerheid – 51
5.2 Simulaties voor de levensverwachting – 53
5.3 Simulaties voor de verplichtingen – 55
5.4 Alternatieve COVID-scenario’s – 57
Appendices – 59
Appendix A – AG2022 voor doe-het-zelvers – 60
Appendix B – Limiet sterftekans onder Kannisto per prognosejaar – 68
Appendix C – Modelportefeuilles – 70
Appendix D – Gehanteerde data en literatuur en – 74
Appendix E – Verklarende woordenlijst – 77
pagina 3 / 80
Prognosetafel AG2022 | Inhoud
׉	 7cassandra://DTaSJ81sqFthAUSrJHLGGA-CPGeRDh-gRwussuNmCqU}`̵ cJAyμ3ycJAyμ3x{בCט   {u׉׉	 7cassandra://lC4SsrpRDvKYh1uW4IRc56l16KIwi_8WHX5YyUz3Flk !`׉	 7cassandra://Q2Zl9bQC04zcTt26--7OU81pEtEh_FNtijWMgb6p1SoY`S׉	 7cassandra://vbDUu5jRjxTmJ7JEly27SJuhQNNn4_BctoYk2S_dx6I!`̵ ׉	 7cassandra://wcdZCSivvHgKnGgTjz1IXXsCxVetX6D8Zdm6kDKytPE ]:t͠cJAyμ3ט  {u׉׉	 7cassandra://XGVkGjUywQD1eiWrv6G4TknYYKAqukREhlepElMM-NE `׉	 7cassandra://H5TeD17dLo3dSE4SMbrO0yOQUgFHuYYyI4o1DzJoq4wT`S׉	 7cassandra://rLkY1ZLlgkAAl_-UAbv8zM4NO9ulstd9IUB5Clb5i7E6`̵ ׉	 7cassandra://tRXRcoaJl4AuhPWIjlZNzC3OXmxv44ZlGLUuivhtgv4+H͠cJAyμ3׉E #pagina 4 / 80
Prognosetafel AG2022
׉	 7cassandra://vbDUu5jRjxTmJ7JEly27SJuhQNNn4_BctoYk2S_dx6I!`̵ cJAyμ3z׉E
Voorwoord
Elke twee jaar publiceert het Koninklijk Actuarieel Genootschap (AG) de nieuwe
prognosetafel voor de Nederlandse levensverwachting. Sinds de publicatie AG2014 is
sprake van een stochastisch model zodat naast de bekende ‘best estimate’ sterftekansen
voor het vaststellen van voorzieningen en premies, ook rekening kan worden gehouden
met de onzekerheid in de sterftekansen. In tien jaar tijd is het model elke twee jaar
verbeterd en nu ligt de publicatie van de Prognosetafel AG2022 (of kortweg AG2022)
voor u. De levensverwachting is in 2020 en 2021 volop in het nieuws geweest vanwege
COVID-19. Dit heeft er in 2021 toe geleid dat de Commissie Sterfte Onderzoek (CSO) een
tussentijdse publicatie heeft geschreven over de mogelijke effecten van COVID-19 op de
levensverwachting. Belangrijkste conclusies toen waren dat nog veel onzeker was en dat
het koffiedik kijken was voor wat betreft de langetermijneffecten van COVID-19. Ook nu
is daar nog maar beperkt zicht op. Wel zijn er ontwikkelingen die hoopvol stemmen,
zoals een hoge vaccinatiegraad en een mildere omikronvariant.
De CSO en de Werkgroep Prognosetafels hebben een aantal mogelijke
COVID-19-scenario’s onderzocht en afgewogen. Ruim twee jaar domineerde COVID-19
het nieuws: veel besmettingen, veel ziekenhuisopnames, uitgestelde zorg en veel meer
overlijdensgevallen. De huidige realiteit roept de vraag op wat het langetermijneffect
van COVID-19 zal zijn en hoe men dit effect mee moet nemen in de prognose van de
sterftekansen en de langetermijnlevensverwachting. In deze publicatie worden de
aanpak van de modellering van COVID-19 en de visie van de commissie uitgebreid
toegelicht.
De huidige publicatie geeft een update van de prognosetafel. De CSO en de werkgroep
hebben zich niet alleen gebogen over de mogelijke effecten van COVID-19, er zijn ook
andere onderzoeken gedaan waardoor het model op een aantal punten is verbeterd. De
commissie en de werkgroep hebben daarbij goed geluisterd naar vragen vanuit de
beroepsgroep die bij bij eerdere publicaties en eerdere verdiepingssessies werden
gesteld. Niet elk onderzocht punt leidde tot een aanpassing van het model. Wel kan
worden gesteld dat een kleine wijziging in de modellering of een modelparameter kan
leiden tot substantiële veranderingen in de voorzieningen en premies.
Het bestuur van het AG spreekt zoals altijd haar dank uit aan de commissie en de
werkgroep voor hun niet aflatende inzet om tot een zo goed mogelijke prognose te
komen voor de levensverwachting. Het mag duidelijk zijn dat, gegeven de bijzondere
situatie van de afgelopen twee jaar, het AG tevreden is met het grondige onderzoek en
het tijdig publiceren van deze prognosetafel.
pagina 5 / 80
Prognosetafel AG2022 | Voorwoord
׉	 7cassandra://rLkY1ZLlgkAAl_-UAbv8zM4NO9ulstd9IUB5Clb5i7E6`̵ cJAyμ3{cJAyμ3z{בCט   {u׉׉	 7cassandra://O7CYa3hFY-u5QPAfiNy9w5ZqD8T2dj-HbhLQjQwFQ-8 `׉	 7cassandra://-X8iglebwp_05g15W8uGDxIGCzNGNbMbTL6j4RMhgCkO`S׉	 7cassandra://RD4CLN5zvLN1egiiDBV2f7A8oth-VBd1S-IX8YnBjVs`̵ ׉	 7cassandra://5hLp-Ie_kY09eY8skKrUdDuyj8-T8VRBNd8pdNBvbHY1L͠cJAyμ3ט  {u׉׉	 7cassandra://BVT6B_1zrVAb2IWoXOhIEaDHY5AnrSubxehbH04HgIM I` ׉	 7cassandra://mXpZSB7BSLcDVv-EZSNvH3OnqQQN8wm-4quQ-TEFps80`S׉	 7cassandra://MKE_TKTOdFhNPvfxgzKr5lr8_YLkpYQdlamiKI0bueM `̵ ׉	 7cassandra://mWpaeUfs42Ahs17fNikQA_AWKuGyK2ihVOgdZQBhtP0*[:͠cJAyμ3׉EVerantwoording
Het volgen van de ontwikkeling van sterfte in Nederland en het
prognosticeren hiervan, is sinds jaar en dag een belangrijke taak
van het Koninklijk Actuarieel Genootschap (AG). Dit komt tot uiting
in de lange reeks van periode- en prognosetafels die het AG sinds
2010 tweejaarlijks publiceert. Met het huidige stochastische model
dat we gebruiken sinds AG2014 kan, naast de sterfteprognose, ook
de onzekerheid daarin worden weergegeven. In de afgelopen jaren
is veel onderzoek gedaan en is het model verder verbeterd,
waardoor een robuuster model is ontstaan.
Het AG bundelt expertise uit de wetenschap en de pensioen- en
verzekeringswereld om deze sterfteprognose te kunnen maken.
Het AG-model is transparant en maakt vrijwel uitsluitend gebruik
van publiekelijk beschikbare gegevens1. Op basis van de modeldocumentatie
en de gebruikte data kan het model worden
nagebouwd en kunnen uitkomsten worden gereproduceerd.
Het AG heeft dit model ontwikkeld voor de gehele sector en daarom
draagt het model bij aan uniformiteit in de markt.
1 – Een uitzondering betreft de COVID-19-factoren omdat daarvoor gebruik gemaakt is van maatwerkdata opgevraagd bij het CBS.
pagina 6 / 80
Prognosetafel AG2022 | Verantwoording
׉	 7cassandra://RD4CLN5zvLN1egiiDBV2f7A8oth-VBd1S-IX8YnBjVs`̵ cJAyμ3|׉E'Commissie Sterfte Onderzoek
De Commissie Sterfte Onderzoek (CSO) bestaat uit leden met een wetenschappelijke
achtergrond, leden uit de pensioen- en verzekeringssector met een technische
achtergrond en leden uit deze sectoren met een beleidsmatige achtergrond. De CSO
bestaat medio 2022 uit de volgende leden:
B.L. de Boer AAG, voorzitter
drs. C.A.M. van Iersel AAG CERA, secretaris
M.J.A. Klein MSc AAG
prof. dr. B. Melenberg
drs. J. de Mik CFA AAG
drs. E.J. Slagter FRM
prof. dr. ir. M.H. Vellekoop, vicevoorzitter
ir. R.E.J.M. Waucomont AAG
M.A. van Wijk MSc AAG
ir. drs. M.R. van der Winden AAG MBA
Werkgroep Prognosetafels
De CSO heeft eind 2012 de Werkgroep Prognosetafels ingesteld met de opdracht
de CSO te ondersteunen bij het ontwikkelen van de prognosetafels. De Werkgroep
Prognosetafels bestaat medio 2022 uit de volgende leden:
F. van Berkum PhD, voorzitter
F.J. Cuijpers MSc AAG
ir. drs. J.H. Tornij
J.I. Tol MSc AAG
W. van Wel MSc AAG
K. Wittekoek MSc
De Werkgroep Prognosetafels heeft diverse ondersteunende analyses uitgevoerd om tot
de AG2022-prognose te komen. Deze analyses hebben het inzicht vergroot en tot
aanpassingen in het model geleid. Alle berekeningen zijn onafhankelijk gevalideerd om
de kwaliteit van de uitkomsten te kunnen waarborgen.
pagina 7 / 80
Prognosetafel AG2022 | Verantwoording
׉	 7cassandra://MKE_TKTOdFhNPvfxgzKr5lr8_YLkpYQdlamiKI0bueM `̵ cJAyμ3}cJAyμ3|{בCט   {u׉׉	 7cassandra://WQThJFO5HpmEz9BJ9SMa8asqJRBD5_V4xAGctwoJnnc F`׉	 7cassandra://XWLYUIF2yGVESvGqt5ZnEdh6gtDwpkOI30JAlfzPi2cLa`S׉	 7cassandra://vZFA_LANgHvReZWOOh55MW8TazXh6furXZ9rGUpjdIo`̵ ׉	 7cassandra://mMGtWu0AvJ7mVTnJM_2eXk3naefD9daisq1do3V2EK45L͠cJAyμ3ט  {u׉׉	 7cassandra://rBJLD_gqVr29Bcyhd-SYVq4HhaQf9jommjJKBqU-kIA E` ׉	 7cassandra://h5NwcVIyvxryVfaKAeXboaDaT6G4Tmw1rgpPU6Fah2gB`S׉	 7cassandra://Sdxivelvz84FsfhFOMcO7PZ5Qgie3gZFle4mrJqVsUI`̵ ׉	 7cassandra://JbmG6-gu8hmjBXFcR12ntx2rGriP_5MCmqYU79dQiD4*͠cJAyμ3׉E^Samenvatting
Met de publicatie van de Prognosetafel AG2022 presenteert het Koninklijk
Actuarieel Genootschap (AG) een inschatting van de verwachte ontwikkeling van
de overlevingskansen en de levensverwachting in Nederland. Het resultaat is
een prognose van de sterftekansen per leeftijd per toekomstig jaar voor mannen
en vrouwen. De Prognosetafel AG2022 vervangt de Prognosetafel AG2020.
Het prognosemodel is onder andere relevant voor pensioenfondsen en verzekeraars.
Het prognosemodel kan gebruikt worden om de voorzieningen die pensioenfondsen en
verzekeraars aanhouden vast te stellen, waarbij desgewenst rekening kan worden
gehouden met de fonds- of portefeuillespecifieke ervaringssterfte. Pensioenuitkeringen
zijn afhankelijk van het leven van de deelnemer en van zijn of haar partner. Voor de
waardering van deze uitkeringen is een inschatting van hun toekomstige sterftekansen
nodig.
Conclusie is dat de levensverwachting in de toekomst naar verwachting zal blijven
stijgen en zelfs iets sneller dan eerder op basis van de Prognosetafel AG2020 werd
verwacht. Dit heeft tot gevolg dat de voorzieningen en premies toenemen in vergelijking
met de Prognosetafel AG2020.
Bijzondere jaren: 2020 en 2021
De afgelopen twee jaar vormden een bijzondere periode omdat sinds begin 2020 het
coronavirus rondgaat. Dit heeft op vele gebieden invloed gehad en door de hogere
sterfte was COVID-19 voor de Commissie Sterfte Onderzoek (CSO) een belangrijk
aandachtspunt bij de vaststelling van de Prognosetafel AG2022.
Ten tijde van de publicatie van de Prognosetafel AG2020 (september 2020) doofde de
eerste coronagolf uit en na de publicatie volgden meerdere coronagolven. De eerdere
tussentijdse publicatie in juli 2021 leidde niet tot een aanpassing van de prognosetafel
vanwege de onzekerheid over het vervolg van COVID-19 die er toen was.
pagina 8 / 80
Prognosetafel AG2022 | Samenvatting
׉	 7cassandra://vZFA_LANgHvReZWOOh55MW8TazXh6furXZ9rGUpjdIo`̵ cJAyμ3~׉EIn deze tweejaarlijkse publicatie wordt veel aandacht besteed aan de impact van
COVID-19, maar daarnaast zijn ook enkele andere zaken onderzocht:
– Het landencriterium is opnieuw bekeken;
– De sluitingsmethodiek van de prognosetafel is geëvalueerd en aangepast.
Landencriterium
Het prognosemodel maakt niet alleen gebruik van Nederlandse sterftedata, maar ook
van sterftedata van een selectie van Europese landen. Dit zijn landen die, net als
Nederland, een bovengemiddelde welvaart kennen. Voor de publicatie AG2022 is
besloten dezelfde landenset te gebruiken die ook in voorgaande publicaties is gebruikt.
In voorgaande publicaties is het bovengemiddeld bruto binnenlands product (BBP) als
criterium gebruikt voor de landenselectie. De huidige cijfers komen uit op dezelfde
selectie van landen, maar mochten in de komende jaren andere landen voldoen aan
het criterium bovengemiddeld BBP dan zal dit niet automatisch leiden tot een andere
selectie van landen. Uiteraard blijven wij de ontwikkelingen in de Europese landen
volgen.
Sluitingsmethodiek
Omdat voor hogere leeftijden te weinig waarnemingen beschikbaar zijn om betrouwbare
overlevingskansen te modelleren, wordt gebruik gemaakt van een zogenaamd sluitingsmechanisme.
Sinds AG2014 is gebruik gemaakt van de sluitingsmethodiek van Kannisto
om per prognosejaar de sterftekansen te modelleren voor hoge leeftijden. Deze
toepassing is verder onderzocht, mede naar aanleiding van signalen van enkele
gebruikers van de publicatie. Bij de prognose nemen de overlijdenskansen af over de
tijd. Onze toepassing van de Kannisto-sluitingsmethode in AG2014 en daarna heeft
echter tot gevolg dat bij hoge leeftijden vanaf circa 100 jaar de sterftekansen juist
stijgen en de levensverwachting convergeert naar een (vooraf bekende) limiet. Het
gevolg is dat de onzekerheid in de projecties afneemt met de looptijd van de projectie.
Het onderzoek heeft tot een nieuwe sluitingsmethodiek geleid waarbij ook voor hoge
leeftijden sterfteverbeteringen worden verwacht.
pagina 9 / 80
Prognosetafel AG2022 | Samenvatting
׉	 7cassandra://Sdxivelvz84FsfhFOMcO7PZ5Qgie3gZFle4mrJqVsUI`̵ cJAyμ3cJAyμ3~{בCט   {u׉׉	 7cassandra://IYO7VuvFsrI0CpxYNfNbg5hvj002exMvmMZl2hC_Xqg =.` ׉	 7cassandra://XjAFyWs218l1RNYMmz49NM68AKGKa2XiDZ2ZR_lDhVoC_`S׉	 7cassandra://G_9nZp-8XihF-MARril09ATKdZo5ow3U9FLgCpi6Ck8`̵ ׉	 7cassandra://bHnyd4tFerZlX_m_SpHmlRMG4c2AYVIkXTShHFMqiGk*͠cJAyμ3ט  {u׉׉	 7cassandra://LJRAkaI0ogIRTtRJhl3t8OdZ_DEbVFZdTXiLQ3nbWqU ` ׉	 7cassandra://R4UKGwi8eN-5G2F_HeVY-I0kupf3AbFJ4rq-TuB53M4^`S׉	 7cassandra://iMwwvByELp85trhGJqLqm1M-A40pjkUjbd5UoWhZBfst`̵ ׉	 7cassandra://YmwJD6g9J2HmtBD175ORGYdEUP3zlOfBKIFmeboBCiw4͠cJByμ3׉EImpact COVID-19 in 2020 en 2021
COVID-19 heeft vooral impact gehad op de leeftijden vanaf 55 jaar en nauwelijks op
lagere leeftijden. Bij het onverkort toepassen van het AG2020-model met data uit de
COVID-19-jaren, bepalen de parameters waarmee de tijdseffecten worden geschat het
effect van COVID-19, terwijl de parameters waarmee leeftijdseffecten worden geschat,
niet of nauwelijks veranderen. Daarom zou dit onterecht ook voor lagere leeftijden tot
significante oversterfte in de prognose leiden, terwijl daar op grond van observaties voor
leeftijden tot ongeveer 55 jaar geen aanleiding voor is.
De CSO heeft besloten het Prognosemodel AG2022 aan de nieuwe werkelijkheid aan te
passen. Ten tijde van het schrijven van dit rapport wordt als volgt gedacht over
COVID-19:
– COVID-19 zal nog enige tijd impact kunnen hebben.
– De ernst van het ziektebeeld is (sinds de mutatie naar de omikronvariant) afgenomen.
– De hoge vaccinatiegraad beperkt het aantal besmettingen en de ernst van de impact
van de besmetting.
Deze ontwikkelingen hebben tot gevolg dat het COVID-19-virus relatief minder dodelijk
is geworden dan aan het begin van de pandemie.
Er zijn nog veel onzekerheden ten aanzien van COVID-19 en de impact ervan op de
levensverwachting, en er zijn veel vragen die nu nog niet goed te beantwoorden zijn:
– Welke nieuwe varianten komen er en wat is de ernst van het ziektebeeld van deze
varianten?
– Heeft de impact van COVID-19 op de ziekenhuisbezetting ook impact gehad (lees
vertraging) op de behandeling van andere ziektes waardoor op termijn meer
overlijdens zijn te verwachten?
– In hoeverre zijn sterfte door COVID-19 en griep gecorreleerd? In 2020 is er geen
griepepidemie geweest mede door de maatregelen zoals afstand houden en het
dragen van mondkapjes.
– In hoeverre is er sprake van een verbeterde weerbaarheid?
– Heeft het wel of niet doormaken van COVID-19 invloed op het ziektebeeld van
andere ziektes op de (middel)lange termijn?
pagina 10 / 80
Prognosetafel AG2022 | Samenvatting
׉	 7cassandra://G_9nZp-8XihF-MARril09ATKdZo5ow3U9FLgCpi6Ck8`̵ cJAyμ3׉EgPrognosemodel AG2022 - impact oversterfte door COVID-19 in
2020 en 2021
AG2020-model met een update van EU2019
Voor de modellering is uitgegaan van het oorspronkelijke AG2020-model tot 1 januari
2020, terwijl de periode vanaf 1 januari 2020 apart is gemodelleerd. Het
oorspronkelijke Prognosemodel AG2020 wordt wel opnieuw geschat met een toevoeging
van de Europese data van het jaar 2019 (het laatste jaar zonder COVID-19) en voor zover
van toepassing een update van alle overige datapunten2. Deze data waren ten tijde van
het vaststellen van de Prognosetafel AG2020 nog niet beschikbaar. Het toevoegen en
updaten van deze data leidt ertoe dat de levensverwachting ten opzichte van de
oorspronkelijke Prognosetafel AG2020 stijgt, omdat de sterftekansen in Europa in 2019
lager waren dan verwacht.
Impact COVID-19: oversterfte 2020 en 2021
De data van de twee COVID-19-jaren worden gebruikt om de oversterfte in 2020 en
2021 te modelleren. Het Prognosemodel AG2020 kent een Europese factor en een factor
die de Nederlandse afwijking ten opzichte van de Europese sterfte kwantificeert. Voor de
oversterfte wordt uitsluitend gekeken naar Nederlandse data. Daarvoor zijn
verschillende redenen.
– Er zijn verschillen in de aanpak van COVID-19 tussen de Europese landen. Die
verschillen leiden tot een hogere of juist lagere impact van COVID-19 in de landen
om ons heen.
– Op Europees niveau beschikken we niet over leeftijdsspecifieke sterftecijfers op
weekbasis, maar alleen over overlijdens in leeftijdsklassen van 5 jaar. Voor Nederland
beschikken we wel over leeftijdsspecifieke gegevens.
Het COVID-19-effect wordt ingeschat op basis van Nederlandse CBS-sterftedata op
weekbasis uit 2020 en 2021 gedifferentieerd naar leeftijd en geslacht. Door deze data te
corrigeren voor seizoensinvloeden - in de winter overlijden immers meer mensen dan in
de zomer - kan het effect van oversterfte worden bepaald in de vorm van een tijdseffect
(voor 2020 en 2021) dat samen met het leeftijdseffect resulteert in een opslag op de
ingeschatte sterfte. Deze leeftijdsafhankelijke oversterfte kent een geheel ander verloop
dan de leeftijdseffecten volgens het AG2020-model: in model AG2022 is alleen voor
hogere leeftijden een duidelijk leeftijdseffect aanwezig en is het leeftijdseffect voor
leeftijden onder 55 jaar gelijkgesteld aan nul. Dit is in lijn met de waargenomen sterfte
in de jaren 2020 en 2021 waarin voor deze leeftijdscategorie nauwelijks oversterfte is
geconstateerd als gevolg van COVID-19. De projecties van de overlijdenskansen voor
leeftijden onder 55 jaar worden daarom door deze modellering niet beïnvloed door
COVID-19.
2 – Het komt voor dat met terugwerkende kracht mutaties worden doorgevoerd op met name de sterftedata. Deze mutaties zijn veelal
beperkt en hebben dus een beperkte invloed op de uitkomsten. Daarom wordt in de rest van de publicatie louter gesproken over het
toevoegen van de Europese data voor het jaar 2019. Hiermee wordt dus ook een update van de eerdere jaren bedoeld voor zowel
Nederland als Europa als er met terugwerkende kracht mutaties in de data of bronnen hebben plaatsgevonden.
pagina 11 / 80
Prognosetafel AG2022 | Samenvatting
׉	 7cassandra://iMwwvByELp85trhGJqLqm1M-A40pjkUjbd5UoWhZBfst`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://p7MV9CTk7cKwbj7NsrLezf3gubgQnBRVyWooaCcROqE ?` ׉	 7cassandra://I4N_TYGrY2i9HKVcgr7-DYbgzprKUzQ3K1vL6WXwqVAP`S׉	 7cassandra://BHQcXxnxtikBQ_F4wmDdQ9ypkWu2Y7fWVclMKe9ysV84`̵ ׉	 7cassandra://TfcNTvb1lAZhYNCUgDHuqkIQo-2pyfhFmg31OXhXo4U98͠cJByμ3ט  {u׉׉	 7cassandra://jWouhCH9cmYVGeaRryVGmEYu_nXAw1PqllhsUy__HJc 
` ׉	 7cassandra://cCCdAwgsmgDg__v3fT3JZkGrOqkulKa0j-irFhYbzzg/b`S׉	 7cassandra://Mr0yuujx_5gzmzcxdfvoqi2YW6oQmKvCRCrc6JzVtxE`̵ ׉	 7cassandra://wqzFJNjYjBfcw0bTEGWV1n3ioIBOyFgzkuoPEkZ1hZw/0͠cJByμ3׉EzVerwachte ontwikkeling impact COVID-19 op de levensverwachting
Omdat sprake is van onzekerheid over de impact van COVID-19, is een aantal mogelijke
toekomstscenario’s geanalyseerd en afgewogen. De commissie heeft op basis van de
huidige informatie een specifiek scenario geselecteerd waarbij de impact van COVID-19
op de overlevingskansen op termijn verdwijnt. COVID-19 kan nog steeds een levensbedreigende
ziekte zijn, maar de commissie verwacht dat dit nagenoeg geen blijvend
effect zal hebben op de langetermijnlevensverwachting. Dit betekent dat in de
modellering de impact van COVID-19 op de levensverwachting na een aantal jaren
verdwijnt en we terugkeren naar de situatie zoals in de periode vóór COVID-19. De
gebruikte halfwaardetijd is 1 jaar zodat na elk jaar nog maar de helft van het COVID-19effect
zichtbaar is ten opzichte van het daaraan voorafgaande jaar.
Samenvatting modelaanpassingen
De aanpassingen in model en data zijn:
a. Toevoegen Europese data uit 2019 aan het Prognosemodel AG2020;
b. Verbeteren van de sluitingsmethodiek;
c. Toevoegen van een tijdelijk COVID-19-effect op basis van de oversterfte in 2020 en
2021 voor leeftijden vanaf 55 jaar.
Gevolgen voor cohortlevensverwachting, voorziening en premie
In de volgende tabel worden de effecten van de nieuwe prognosetafel getoond en is te
zien dat de levensverwachting bij geboorte voor zowel mannen als vrouwen toeneemt:
voor mannen met 0,5 jaar en voor vrouwen met 0,9 jaar. De resterende levensverwachting
voor een 65-jarige stijgt voor zowel mannen als vrouwen met 0,2 jaar.
Cohortlevensverwachting
in 2023
AG2020
Toevoegen EU2019
Sluitingsmethode
COVID-19-effect
AG2022
Bij geboorte
Mannen
89,5
0,2
0,3
0,0
90,0
Vrouwen
91,9
0,3
0,6
0,0
92,8
Tabel met (resterende) cohortlevensverwachting in 2023
Deze toename is vooral het gevolg van het toevoegen van het datapunt 2019 voor
Europa en de wijziging van de sluitingsmethode.
De impact van het toevoegen van een tijdelijk COVID-19 effect is vrijwel nihil. In
hoofdstuk 4 worden de uitkomsten nader toegelicht.
Op leeftijd 65
Mannen
20,2
0,1
0,1
0,0
20,4
Vrouwen
23,1
0,1
0,1
0,0
23,3
pagina 12 / 80
Prognosetafel AG2022 | Samenvatting
׉	 7cassandra://BHQcXxnxtikBQ_F4wmDdQ9ypkWu2Y7fWVclMKe9ysV84`̵ cJAyμ3׉EConclusie is dat de levensverwachting in de toekomst naar verwachting zal blijven
stijgen en zelfs iets sneller dan eerder op basis van de Prognosetafel AG2020 werd
verwacht.
In onderstaande tabel wordt de wijziging van de voorziening voor een gemiddeld
pensioenfonds (gemiddelde leeftijd 55 jaar) bij een rekenrente van 3% en 1% getoond.
Effect voorziening
gemiddeld fonds
Toevoegen EU2019
Sluitingsmethode
COVID
Totaal
Rekenrente 3%
Mannen
0,4%
0,2%
0,0%
0,6%
Vrouwen
0,4%
0,3%
0,0%
0,7%
Rekenrente 1%
Mannen
0,5%
0,4%
0,0%
0,9%
Vrouwen
0,5%
0,5%
0,0%
1,0%
Voor een gemiddeld pensioenfonds neemt de voorziening met circa 0,7% toe bij een
rekenrente van 3%. De toenames zijn enkele tienden van procenten groter bij een
rekenrente van 1%.
Het effect op de premie is groter dan het effect op de voorziening. Bij een rekenrente
van 3% is bij een gemiddeld fonds de toename 0,6 % tot 1,1%, afhankelijk van de
dekking van het partnerpensioen. Bij een rekenrente van 1% bedraagt deze toename
1% tot 1,5%.
pagina 13 / 80
Prognosetafel AG2022 | Samenvatting
׉	 7cassandra://Mr0yuujx_5gzmzcxdfvoqi2YW6oQmKvCRCrc6JzVtxE`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://AAxHWcfNbryZThmlD3R_Qv-Zc965EtwlyC_fZ6KnVqI `׉	 7cassandra://A8VuTssa19OWOo4G5gvtV4fCnjdAGEegf-JokH9hLE4I`S׉	 7cassandra://tc3f8EW0zAdK3Aln5x2xfXAMb0su6ikrE1CoFq_dhmIS`̵ ׉	 7cassandra://kJEimALiZR-LzL2x-aY9rFEtvI7IgZA3ktTOW5so5hsBP͠cJByμ3ט  {u׉׉	 7cassandra://CZUGZxq0tU1kQ5jboFWXxltCQ9RwcdNii5u9zANtdbU 3` ׉	 7cassandra://Nj9bLOwCbxtm3hTYmGa4DiQtAKNahotTcfK-3xU2R_Eg`S׉	 7cassandra://8rNM_OfnTW6ftS2pkA15hU6XlGWQxX_LkanOD4a6jHUn`̵ ׉	 7cassandra://UFG8TtyMGhgCnN0zL08tWgs92x7UFfsmIJkK5VK6lGo5͠cJByμ3׉E1
COVID-19 en de impact
op de sterftetafel
1.1 Gebruikte datapunten in prognosemodel AG2020
Bij de vorige publicatie (Prognosetafel AG2020) zijn de volgende overlevingscijfers
gebruikt:
- Nederland tot en met 2019;
- Europa tot en met 2018.
Dit zijn de data die op dat moment bekend waren. Het coronavirus heeft gezorgd voor
een nieuwe doodsoorzaak vanaf het begin van 2020. Zolang er geen beschermende
maatregelen waren om besmetting te voorkomen of de effecten na besmetting te
mitigeren, leidde het coronavirus voor sommige leeftijdscategorieën tot aanzienlijke
oversterfte, die deels aan COVID-19 en deels aan de indirecte gevolgen van COVID-19
kan worden toegeschreven.
In de sterftedata die gebruikt zijn voor de Prognosetafel AG2020 was nog geen sprake
van oversterfte als gevolg van COVID-19. In de publicatie Prognosetafel AG2020 zijn wel
eerste gevoeligheidsanalyses getoond van de gevolgen van COVID-19 op basis van de
oversterftecijfers in de eerste helft van 2020. Destijds is besloten de prognosetafel hier
niet op aan te passen.
Medio 2021 hebben wij als CSO een tussentijdse analyse uitgevoerd. Voor deze analyse
is de oversterfte ten opzichte van de ‘best estimate’ volgens het AG2020-prognosemodel
gemodelleerd via een extra term die we op de toen beschikbare weekdata hebben
gekalibreerd (namelijk de weken van 2020 en de eerste 10 weken van 2021). Naar
aanleiding van deze analyse concludeerde de commissie dat ook toen een tussentijdse
update niet noodzakelijk was3.
3 – Commissie Sterfte Onderzoek, 2021. AG2020 en de impact van de COVID-19-pandemie: Over- en ondersterfte sinds januari 2020.
Koninklijk Actuarieel Genootschap
pagina 14 / 80
Prognosetafel AG2022 | COVID-19 en de impact op de sterftetafel
׉	 7cassandra://tc3f8EW0zAdK3Aln5x2xfXAMb0su6ikrE1CoFq_dhmIS`̵ cJAyμ3׉E?1.2 Toevoegen nieuwe data: oversterfte niet gelijk verdeeld over
alle leeftijden
Voor de vaststelling van de Prognosetafel AG2022 zijn meer data bekend. De datapunten
die normaliter voor een prognose in 2022 toegevoegd zouden worden (jaargegevens
Europa 2019 en 2020 en Nederland 2020 en 2021) zijn, met uitzondering van Europa
2019, beïnvloed door de oversterfte als gevolg van COVID-19. Door de pandemie laten
de sterftedata over de jaren 2020 en 2021 een ander patroon zien dan de jaren
daarvoor. De oversterfte in 2020 en 2021 manifesteerde zich met name op de hogere
leeftijden. In hoofdstuk 2 wordt dit geïllustreerd in figuren 2.3.
1.3 Het AG2020-prognosemodel is zonder aanpassingen niet
toepasbaar
Het prognosemodel AG2020, dat trends uit het verleden doortrekt naar de toekomst,
kan niet zonder meer gebruikt worden voor de sterftedata uit 2020 en 2021 vanwege de
leeftijdsspecifieke gevolgen van COVID-19.
Het AG2020-prognosemodel voorspelt de sterftekansen, gebruikmakend van twee
elementen: de leeftijdsafhankelijke factoren (A-, Alpha-, B- en Bèta-parameters) en
een prognose van de ontwikkeling van de over verschillende leeftijden geaggregeerde
effecten in de tijd (K- en Kappa-tijdreeksen).
Zonder aanpassingen van het AG2020-prognosemodel komt de oversterfte in 2020 en
2021 (modelmatig) vrijwel uitsluitend terecht in de K- en Kappa-tijdreeksen, aangezien
de leeftijdsafhankelijke parameters (A-, Alpha-, B- en Bèta-parameters) na toevoeging
van de jaren 2020 en 2021 niet of nauwelijks veranderen, omdat deze twee jaren
weinig invloed hebben ten opzichte van de leeftijdseffecten van de tientallen jaren data
ervoor. Dit betekent dat in het onaangepaste model de oversterfte aangrijpt op alle
leeftijden en wel volgens de pre-COVID-leeftijdseffecten, waardoor voor alle leeftijden
een hogere sterfte wordt voorspeld in vergelijking met de prognoses uit AG2020. Ook
voor leeftijden lager dan 55 jaar zou dit tot een hogere sterfte leiden, terwijl er bij die
leeftijdsgroepen nauwelijks sprake was van oversterfte. Voor hogere leeftijden is er wel
sprake van hogere sterfte, maar deze sterfte is minder hoog dan op grond van de
waargenomen data voor de jaren 2020 en 2021 zou mogen worden verwacht. De
gemodelleerde sterfte sluit dus niet goed aan bij wat we in de data voor de jaren 2020
en 2021 observeren.
1.4 Het AG2022-prognosemodel: oversterfte in Nederland apart
gemodelleerd
Er is gekozen voor een model waarbij de oversterfte vanaf 2020 in Nederland apart
gemodelleerd is. Dit betreft de oversterfte ten opzichte van de verwachte sterfte volgens
de trend geschat op basis van data van vóór de coronaperiode (op basis van het
AG2020-prognosemodel). Deze oversterfte zal grotendeels, maar niet volledig,
veroorzaakt zijn door directe en indirecte gevolgen van COVID-19. Bij de kalibratie van
het model in 2020 hadden we als CSO nog niet de beschikking over de Europese data
van 2019. Daarover beschikken we nu wel. Daarom is het AG2020-prognosemodel
opnieuw gekalibreerd, waarbij ook de Europese data van 2019 zijn gebruikt.
pagina 15 / 80
Prognosetafel AG2022 | COVID-19 en de impact op de sterftetafel
׉	 7cassandra://8rNM_OfnTW6ftS2pkA15hU6XlGWQxX_LkanOD4a6jHUn`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://07i9HrVo_EEDpZUVDnOp_8YOHZ2fyxyyOKg-Zv07DQ4 ` ׉	 7cassandra://eAQJow184p1wYcY3rPVJzflC1px9q4J5_Ku5z2UpdAE`r`S׉	 7cassandra://hjP4qHroLYZY9w17N9ccrRdQ9Luswxb4IJzDibRD6dE`̵ ׉	 7cassandra://CZt40VHOkdyiDg6EoptIXhFHsfLB-abk5RadCH0qQ84P͠cJByμ3ט  {u׉׉	 7cassandra://-BsgrluxpM-iKF2bzzC0jL0-eSfqWloHWN0F8J91kJA ` ׉	 7cassandra://N9X9nAxbU-MG_j--TxbW4sOQuzhXLgPB1gnohTB8Eds``S׉	 7cassandra://CQoR6at5VnCwixJI1PoQdFG-Wkw1u81inxTeT2AJckI`̵ ׉	 7cassandra://Xp86tVIjM0M1JzVuDyERa4lemeyWYVySNlZi2a4vRVMM͠cJByμ3נcJCyμ3 Q	9ׁHhttps://www.cbs.nl/nlׁׁЈ׉EWVoor het kwantificeren van de oversterfte in 2020 en 2021 zijn slechts twee jaar aan
gegevens beschikbaar. Daarom hebben we eerst een model met data op weekbasis
gebruikt. Vervolgens zijn de uitkomsten op weekniveau voor zowel mannen als vrouwen
via aggregatie vertaald naar jaareffecten voor mannen en vrouwen.
Hoewel ook onderzocht is of het mogelijk was om de oversterfte in Europa en de
Nederlandse afwijking daarvan apart te modelleren, is ervoor gekozen om alleen de
oversterfte in Nederland te modelleren, omdat:
- Binnen Europa de COVID-19-golven niet gelijktijdig plaatsvonden.
- De maatregelen tegen COVID-19 niet overal gelijk waren, zowel ten aanzien van
lockdowns als het toedienen van vaccins.
- In Europa, sterftedata op weekbasis alleen voor leeftijdscohorten van 5 jaar
beschikbaar zijn, terwijl in Nederland data per leeftijd beschikbaar zijn.
De aparte “Oversterfte 20-21”-term is dus een additioneel element in het
prognosemodel.
1.5 Welk scenario voor oversterfte is passend?
Voor de prognose vanaf 2022 is aan de projectie volgens het AG2020-prognosemodel
(opnieuw gekalibreerd inclusief de Europese data over 2019) een additioneel element
toegevoegd: de projectie van de oversterfte gemodelleerd vanaf 2020. Omdat we
hiervoor slechts twee jaar aan data beschikbaar hebben is het onzeker of het verloop
van oversterfte in die twee jaar ook kenmerkend is voor het verloop in de toekomst. Er is
daarom een keuze nodig voor het scenario dat wij op het moment van het schrijven van
deze publicatie het meest plausibel achten. Op basis van wetenschappelijke literatuur
en uitspraken door experts over COVID-194 heeft de CSO een aantal scenario’s
geformuleerd. In deze scenario’s worden verwachtingen uitgesproken ten aanzien van
de oversterfte. Met oversterfte wordt bedoeld: de oversterfte ten opzichte van de sterfte
zoals voorspeld met het AG2020-prognosemodel (opnieuw gekalibreerd inclusief de
Europese data over 2019).
1. Structureel: De oversterfte zoals geobserveerd is structureel, oftewel de sterfte in
2020 en 2021 is maatgevend voor de sterfte in de komende jaren.
2. Incidenteel: De oversterfte is incidenteel en treedt de komende jaren niet op
(ook niet in 2022). De prognose zal in dat geval min of meer aansluiten op de
prognoses van vóór corona.
3. Verdwijnend: De impact van COVID-19 op de sterfte zal afnemen en uiteindelijk
verdwijnen.
4. Nieuwe normaal: De impact van COVID-19 op de sterfte zal afnemen, maar niet
geheel verdwijnen. De oversterfte zal stabiliseren op een vast niveau.
5. Groeiend: Op de (middel-)lange termijn neemt de oversterfte toe tot boven het
niveau van de oversterfte in 2020 en 2021. Deze toename zou bijvoorbeeld het
4 – Stoeldraijer, L., de Regt, S., & van Duin, C. (2021, 12 16). Retrieved from CBS - Kernprognose 2021-2070: Bevolkingsgroei trekt weer
aan: https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/statistische-trends/2021/kernprognose-2021-2070-bevolkingsgroei-trekt-weer-aan?onepage
= true#c-3--Bijgestelde-veronderstellingen-en-resultaten-voor-geboorte--sterfte-en-migratie;
4 – Woolnough, K., Dr Ivanovic, B., Kramer, S., & Busenhart, J. (2007). Pandemic influenza: A 21st century model for mortality shocks.
Swiss Reinsurance Company;
4 – Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. (2021). Navigeren en anticiperen in onzekere tijden. Den Haag: KNAW
pagina 16 / 80
Prognosetafel AG2022 | COVID-19 en de impact op de sterftetafel
׉	 7cassandra://hjP4qHroLYZY9w17N9ccrRdQ9Luswxb4IJzDibRD6dE`̵ cJAyμ3׉E"gevolg kunnen zijn van een dodelijkere mutatie, uitgestelde zorg, aantasting van het
immuunsysteem door COVID-19 en/of uitgestelde sterfte als gevolg van Long COVID.
6. Herintroductie: Op korte termijn neemt de oversterfte af, maar na enkele jaren groeit
de oversterfte weer tot het niveau van 2020-2021.
7. Gestegen weerbaarheid: door COVID-19 zijn de zwakkeren in de bevolking overleden,
waardoor de komende jaren sprake zal zijn van ondersterfte en/of door COVID-19
heeft het immuunsysteem een boost gekregen, waardoor de griep ook minder
dodelijk zal zijn de komende jaren. Daardoor is er een blijvend verlagend effect op
de sterftekansen.
Alle zeven scenario’s hebben wij overwogen, besproken en de impact daarvan
inzichtelijk gemaakt. Tevens hebben wij ingeschat welk scenario wij het meest
waarschijnlijk achten en welke parameters de toekomst het beste kunnen duiden.
Helder is dat het hoogst onzeker is hoe COVID-19 zich de komende jaren gaat
ontwikkelen en welk effect dit gaat hebben op de overlevingskansen van de
Nederlandse bevolking.
Wij hebben als commissie gekozen voor het scenario ‘verdwijnend’. Wij achten het op
dit moment het meest aannemelijk dat COVID-19 endemisch is, dan wel op korte
termijn endemisch wordt. Wij verwachten dat COVID-19 de komende jaren tot
verhoogde sterfte in Nederland (ten opzichte van de ‘best estimate’ volgens het
AG2020-prognosemodel) gaat leiden, maar dat de vaccins en andere maatregelen de
oversterfte zullen indammen, waardoor de impact kleiner zal zijn dan in 2020 en 2021
en de oversterfte uiteindelijk verdwijnt.
Het CBS5 maakt een vergelijkbare keuze en vermeldt in de kernprognose 2021-2070
gekozen te hebben voor een scenario waarbij COVID vanaf 2023 geen impact meer heeft
op de sterfte.
1.6 Parameters binnen scenario ‘verdwijnend’
Hoe snel neemt de oversterfte af en op welke termijn wordt verwacht dat het effect van
COVID-19 praktisch gezien is verdwenen? De beantwoording van deze vragen is op basis
van de nu bekende informatie niet eenvoudig. Wij hebben geen literatuur of uitspraken
van experts gevonden die wij kunnen gebruiken om een inschatting te geven van de
snelheid waarmee de impact van een virus verdwijnt. Het scenario ‘verdwijnend’ is
ingevuld met een exponentiële afname van de oversterfte met een halveringstijd van
1 jaar. De impact van COVID-19 is op basis van deze aanname in de eerste jaren beperkt
(dit ligt in lijn met de artikelen genoemd onder 4) en is na 2026 bijna verdwenen.
De impact op de cohortlevensverwachting en de voorziening van langlevenproducten is
maar zeer beperkt bij de keuze voor een halveringstijd van 1 jaar. Voor kortlevenproducten
en met name risicoverzekeringen is het effect groter. Een andere, niet al te
veel afwijkende keuze voor de halfwaardetijd binnen het scenario ‘verdwijnend’, zal
niet tot veel hogere of lagere levensverwachtingen/ voorzieningen voor langlevenproducten
leiden.
5 – Stoeldraijer, L., de Regt, S., & van Duin, C. (2021, 12 16). Retrieved from CBS - Kernprognose 2021-2070: Bevolkingsgroei trekt weer
aan: https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/statistische-trends/2021/kernprognose-2021-2070-bevolkingsgroei-trekt-weer-aan?onepage
= true#c-3--Bijgestelde-veronderstellingen-en-resultaten-voor-geboorte--sterfte-en-migratie
pagina 17 / 80
Prognosetafel AG2022 | COVID-19 en de impact op de sterftetafel
׉	 7cassandra://CQoR6at5VnCwixJI1PoQdFG-Wkw1u81inxTeT2AJckI`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://5nqBeYHEg6uhcZe6gyTpGRn96Xxz143sfYrXcp3zafM ` ׉	 7cassandra://i5KJMUhMwFNIbCrQ4c13kizPM4Hb4r62V2PGG3LTlRc:`S׉	 7cassandra://GRTDYj3Hj98llW8DL4KtanCNaRVP6-9m1FrxvrXbRlU`̵ ׉	 7cassandra://w0i1lSF9FqHYSom3CMLqr7lFrGlEZG4cTE6sLESq5tk-L͠cJCyμ3ט  {u׉׉	 7cassandra://A6WqKAzqL4ttGQvS0qR4k1_h3pbPlTOkxg6U8WeDHrs Ɓ` ׉	 7cassandra://lAYqpNJVHcqeDr1BhAGf-LwcsNpKZdjM0nVG0auTE5oMD`S׉	 7cassandra://glnHbK_0nqotJ7IDy5Nm62tmK-SI0r5ld65vuVeI8Is`̵ ׉	 7cassandra://9chWMUIjROAOvfumut9klWwUCcCsmyXYYmLe1BqvltY6&͠cJCyμ3׉E2
Data
2.1 Data Nederland en Europa zijn input voor het
Prognosemodel AG2022
Voor de vaststelling van de Prognosetafel AG2022 is gebruik gemaakt van de volgende
data:
1. Nederlandse en Europese sterftedata op jaarbasis van 1970 tot en met 2019;
2. Nederlandse sterftedata op weekbasis van 2020 en 2021.
De reden dat opnieuw sterftedata van landen met een vergelijkbare welvaart als
Nederland zijn gebruikt, is tweeledig. Allereerst bestaat er een positieve correlatie
tussen welvaart en ouder worden Daarnaast laat de periodelevensverwachting in deze
landen decennialang een vergelijkbare stijgende trend zien. Zie hiervoor de grafieken
2.1 en 2.2. De inschatting is dat de langetermijntoename van de levensverwachting in
Nederland nauwkeuriger en robuuster te voorspellen is door een bredere Europese
populatie mee te nemen. Door de toevoeging van de Europese sterftedata neemt
namelijk het aantal waarnemingen toe van ruim 0,1 miljoen overlijdensgevallen per
jaar in Nederland tot ruim 2,6 miljoen overlijdensgevallen per jaar in de geselecteerde
Europese landen.
De COVID-19-pandemie heeft in de jaren 2020 en 2021 tot hogere sterfte geleid in
Nederland en in de geselecteerde Europese landen. Dit afwijkende sterftepatroon heeft
geleid tot een modelaanpassing zoals in hoofdstuk 1 is besproken. Deze modelaanpassing
vroeg om andere data dan tot op heden gebruikt. Er is voor de jaren 2020
en 2021 gebruik gemaakt van de Nederlandse sterftedata per leeftijd op weekbasis.
pagina 18 / 80
Prognosetafel AG2022 | Data
׉	 7cassandra://GRTDYj3Hj98llW8DL4KtanCNaRVP6-9m1FrxvrXbRlU`̵ cJAyμ3׉E	2.2 Europese sterftedata: geselecteerde landen
Het prognosemodel maakt niet alleen gebruik van Nederlandse sterftedata, maar ook
van sterftedata van een aantal Europese landen. De set met landen die hiervoor
gebruikt wordt, is bij de publicatie van Prognosemodel AG2014 voor de eerste keer
geselecteerd en sindsdien niet gewijzigd. Deze landenset zal ook bij komende
publicaties worden gebruikt, tenzij ontwikkelingen aanleiding geven om een andere
selectie te hanteren.
Er is een positieve correlatie tussen welvaart en ouder worden6: hoe hoger het
welvaartsniveau, hoe ouder men wordt. Bij de selectie van landen is destijds het Bruto
Binnenlands Product (BBP) de maatstaf geweest voor welvaart in een land en werden
die landen geselecteerd met een in Europa (over langere tijd) bovengemiddeld BBP per
inwoner. Nederland behoort samen met de geselecteerde landen tot de landen waar het
welvaartsniveau hoog is.
De landenset die gehanteerd wordt bestaat, naast Nederland, uit België, Denemarken,
Duitsland, Finland, Frankrijk, Ierland, IJsland, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk,
Verenigd Koninkrijk, Zweden en Zwitserland.
In de loop van de tijd zouden andere landen eveneens kunnen gaan voldoen aan het
selectiecriterium van een BBP boven het Europees gemiddelde, of kunnen landen hier
juist niet meer aan voldoen. Omdat van de geselecteerde landen sterftedata vanaf 1970
worden gebruikt, is het feit dat een land dat in het heden een bovengemiddelde
welvaart zou laten zien en in het verleden niet, niet direct een reden om dit land toe te
voegen aan de landenset. Evenmin zou het passend zijn om sterftedata van een land uit
de dataset te verwijderen zodra dit land een lager BBP zou laten zien, terwijl dit land in
het verleden wel een bovengemiddeld BBP had.
De landenset (zie figuur 2.1) vormt een solide basis in de gebruikte historische dataperiode.
Hier komt bij dat de geselecteerde landen geografisch gezien samenhangend
zijn. De huidige landenset wordt daarom ongewijzigd voortgezet, tenzij grote
ontwikkelingen de komende jaren ons anders doen besluiten. Overigens zou het
onverminderd toepassen van het landencriterium voor AG2022 geen wijzigingen tot
gevolg hebben, omdat het huidige selectiecriterium op dit moment geen nieuwe
landen toelaat of bestaande landen in de selectie uitsluit.
6 – Niu G., Melenberg B. (2014). Trends in mortality decrease and economic growth. Demography 51(5):1755–1773
pagina 19 / 80
Prognosetafel AG2022 | Data
׉	 7cassandra://glnHbK_0nqotJ7IDy5Nm62tmK-SI0r5ld65vuVeI8Is`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://aQzR1r_Oh1n2RYmGbgy7PReEWSqml2T_nxx_THpwcSc z` ׉	 7cassandra://jnp1lt74v790JNto-vYPBgAWG5WxR9jU-ImCPyrs-WM;|`S׉	 7cassandra://CcvhHcXsyBfqnCaVVu48MaouTGBnLTWKlY6H2lqWryE`̵ ׉	 7cassandra://e4PqW404z6lkNJhWrbps4JxuWIowX9Ittrqmsz411jE !a͠cJCyμ3ט  {u׉׉	 7cassandra://4Hzob7ebmYmf3sgjzHTvDSmQyq_rSpompDhJFYqSPRE ;Q` ׉	 7cassandra://mQTanGd1bYTUJXJB3-9lcim0zjNgHqZ1N-TFAuxktpUC`S׉	 7cassandra://7ypK0nDTWGM900MCqF0tLNqIz687IAsJEJ6Ky7b_tlM`̵ ׉	 7cassandra://xRQM5RgjHu0M4daa0NPNfofKZ-UC2fthkYsPJNsP2hU͌͠cJDyμ3׉E)Figuur 2.1 toont de set gekozen landen onderliggend aan het prognosemodel AG2022.
2.3 Gegevensbereik
Grafiek 2.1 en grafiek 2.2 tonen de historische ontwikkeling van de periodelevensverwachting
bij geboorte in Nederland en de geselecteerde Europese landen sinds
1950. In de grafieken is te zien dat in het eerste deel van deze periode de levensverwachtingen
in de geselecteerde landen met name voor mannen behoorlijk uiteen
liggen. Vanaf 1970 is een stabiele ontwikkeling te zien in de levensverwachtingen van
zowel mannen als vrouwen. Om het Europese deel van het model te schatten, waar
Nederland onderdeel van uitmaakt, is gebruik gemaakt van de data van 1970 tot en
met 2019. Voor de Nederlandse afwijking is gebruik gemaakt van data vanaf 1983 tot
en met 2019.
pagina 20 / 80
Prognosetafel AG2022 | Data
׉	 7cassandra://CcvhHcXsyBfqnCaVVu48MaouTGBnLTWKlY6H2lqWryE`̵ cJAyμ3׉EMannen
62,0
67,0
72,0
77,0
82,0
Europese selectie
NL
Grafiek 2.1 – Periodelevensverwachting bij geboorte, mannen
Vrouwen
62,0
67,0
72,0
!77,0
82,0
87,0
Europese selectie
NL
Grafiek 2.2 – Periodelevensverwachting bij geboorte, vrouwen
De grafieken 2.1 en 2.2 laten zien dat de levensverwachting in Nederland na 1970
minder hard is gestegen dan gemiddeld in de geselecteerde Europese landen. Dit is met
name het geval voor vrouwen, sinds het begin van de jaren tachtig. Het verschil tussen
Nederlandse en Europese vrouwen valt nog meer op wanneer wordt gekeken naar de
onderliggende sterftekansen. Daarom wordt, evenals voor AG2020, de Nederlandse
afwijking ten opzichte van de Europese sterftetrend gemodelleerd vanaf het jaar 1983.
In de jaren 2020 en 2021 is de periodelevensverwachting in Nederland gedaald ten
opzichte van het jaar 2019, wat is veroorzaakt door COVID-19.
2.4 Data voor jaren met COVID-19
De sterfte in de jaren 2020 en 2021 week af ten opzichte van voorgaande jaren als
gevolg van de COVID-pandemie. In figuur 2.2 is zichtbaar dat de aantallen sterfgevallen
in Nederland in de jaren 2020 en 2021 fors hoger liggen dan in de voorgaande jaren.
pagina 21 / 80
Prognosetafel AG2022 | Data
1950
1953
1956
1959
1962
1965
1968
1971
1974
1977
1980
1983
1986
1989
1992
1995
1998
2001
2004
2007
2010
2013
2016
2019
1950
1953
1956
1959
1962
1965
1968
1971
1974
1977
1980
1983
1986
1989
1992
1995
1998
2001
2004
2007
2010
2013
2016
2019
׉	 7cassandra://7ypK0nDTWGM900MCqF0tLNqIz687IAsJEJ6Ky7b_tlM`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://rwfMwe88275m4bduQG0nKm4O3QdMMMaZ8KwGxy17Bso v` ׉	 7cassandra://GS-A40OqFCG8b0vSXKJWhKqCmaWboFgZMCv-Xp8QL-wR`S׉	 7cassandra://ZBHt-J9hzi9qWNh2WJoOyro_99BcqyLDfidJw7-3GkI`̵ ׉	 7cassandra://jxM0Ydj7AKFa6rDnIg7k-E3Ot1kKO-nIRWKayVX6OyA;,͠cJDyμ3ט  {u׉׉	 7cassandra://P9_mj4GfTjpkl_HdENaMl4UYg3xvhMF6XG78KhX55xo }` ׉	 7cassandra://kkG5GfCOlC_b2Tek26WSTSS7oJ39RpdNhjOKrhGKF3o\`S׉	 7cassandra://tv_7DuYEy9ason1Rx20guNeX-TNlBs36SzEGnHxmLEI`̵ ׉	 7cassandra://QcSKcp-dwkQJ_s2jbhDqijXN1BZitgqqjhhZk9k2mhUnH͠cJDyμ3׉ESAantal overlijdens ≥ 55 jaar per jaar
55.000
60.000
65.000
70.000
75.000
80.000
85.000
2016
2017
2018
Mannen
2019
Vrouwen
Figuur 2.2 – Aantal overlijdens per jaar in Nederland over de jaren 2016-2021 voor
mannen en vrouwen. Bron: weekdata voor sterfte vanuit het CBS
In figuur 2.3 tonen we de gerealiseerde sterfte in Nederland voor de jaren 2020 en
2021 ten opzichte van de verwachte sterfte volgens de Prognosetafel AG2020. Hieruit
blijkt voor beide jaren en beide geslachten dat de waargenomen sterfte voor leeftijden
vanaf circa 55 jaar hoger is geweest dan verwacht (oversterfte). Bovendien toont de
figuur dat de oversterfte voor mannen groter is geweest dan voor vrouwen, en dat de
oversterfte in 2021 hoger is geweest dan in 2020. Voor de leeftijden lager dan 55 jaar
nemen we bijna geen verschillen waar.
Sterfte over heel 2020 mannen
1.000
2.000
3.000
4.000
0
0
20 40 60 80
Leeftijd
Sterfte over heel 2021 mannen
1.000
2.000
3.000
4.000
0
0
20 40 60 80
Leeftijd
Prognose AG2020
Oversterfte
Ondersterfte
Verschil sterfte
1.000
2.000
3.000
4.000
0
0
20 40 60 80
Leeftijd
Figuren 2.3 – Aantal overledenen in 2020 en 2021, uitgesplitst naar mannen en
vrouwen, ten opzichte van prognose AG2020
pagina 22 / 80
Prognosetafel AG2022 | Data
Prognose AG2020
Oversterfte
Ondersterfte
Verschil sterfte
1.000
2.000
3.000
4.000
0
0
20 40 60 80
Leeftijd
Sterfte over heel 2021 vrouwen
Prognose AG2020
Oversterfte
Ondersterfte
Verschil sterfte
Sterfte over heel 2020 vrouwen
Prognose AG2020
Oversterfte
Ondersterfte
Verschil sterfte
2020
2021
Aantal overledenen
Aantal overledenen
Aantal overledenen
Aantal overledenen
׉	 7cassandra://ZBHt-J9hzi9qWNh2WJoOyro_99BcqyLDfidJw7-3GkI`̵ cJAyμ3׉E	De figuren 2.3 laten zien dat de sterfte in 2020 en 2021 hoger is geweest dan in
voorgaande jaren, en hoger dan verwacht volgens de Prognosetafel AG2020. Grafiek 2.3
zoomt in op de sterfte per week. Hierin zijn de piekmomenten van sterfte zichtbaar als
gevolg van COVID-19 in de afgelopen jaren. Ook komen in deze grafieken de griepgolven
van 2017 en 2018 naar voren. Ten opzichte van deze griepgolven blijkt de COVID-19gerelateerde
sterfte tot hogere pieken te hebben geleid (eerste golf), langer aan te
houden (tweede golf) en sneller weer op te laaien (drie golven in anderhalf jaar tijd).
Door deze drie effecten is de totale aan COVID-19-gerelateerde sterfte hoger geweest
dan de griepsterfte in eerdere jaren, wat mede verklaart waardoor de totale
waargenomen sterfte hoger is geweest dan de verwachting.
1.000
1.500
2.000
2.500
500
0
Winter 2017:
griepgolf
Winter 2018:
griepgolf
Voorjaar 2020:
1e COVID-19 golf
Najaar 2021:
3e COVID-19 golf
Winter 2020/2021:
2e COVID-19 golf
Mannen
Vrouwen
Grafiek 2.3 – Aantal overlijdens per week in Nederland over de jaren 2016-2021 voor
mannen en vrouwen, exclusief gebroken weken aan begin en eind van een jaar. Bron:
weekdata voor sterfte vanuit het CBS
2.5 Bronnen voor data: HMD, Eurostat, CBS en statistische
bureaus uit VK
Voor de data is gebruik gemaakt van de Human Mortality Database (HMD) aangevuld met
gegevens van Eurostat voor die jaren en landen waarvoor geen gegevens beschikbaar
zijn in de HMD. Voor het Verenigd Koninkrijk is de dataset aangevuld met gegevens van
lokale statistische bureaus voor het jaar 2019, omdat deze data niet meer terugkomen
in Eurostat (zie Appendix D).
Voor de Nederlandse data is voor de waarnemingsjaren tot en met 2019 eveneens de
HMD gebruikt. De sterfte in 2020 en 2021 in Nederland is verkregen via een
maatwerkopdracht op weekbasis van het CBS. Er zijn reguliere CBS-data gebruikt voor de
bevolkingsgrootte in Nederland voor de jaren 2020 en 2021.
De informatie uit deze bronnen wordt regelmatig aangevuld en soms ook met
terugwerkende kracht aangepast. De gebruikte dataset (exclusief de maatwerkdata), in
de vorm van sterfteaantallen en exposures voor zowel Nederland als de groep van
pagina 23 / 80
Prognosetafel AG2022 | Data
2016-01
2016-11
2016-21
2016-31
2016-41
2016-51
2017-09
2017-19
2017-29
2017-39
2017-49
2018-07
2018-17
2018-27
2018-37
2018-47
2019-05
2019-15
2019-25
2019-35
2019-45
2020-03
2020-13
2020-23
2020-33
2020-43
2021-01
2021-11
2021-21
2021-31
2021-41
2021-51
׉	 7cassandra://tv_7DuYEy9ason1Rx20guNeX-TNlBs36SzEGnHxmLEI`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://MGo-qhnjsEZI4OiujwxOZQKfRM4cs0gFz7Bb6M9UyWo ` ׉	 7cassandra://YhQBwlm3PJtUs-m-dCf5GO7SEQm9IwzOWoKaSJi3xlM(q`S׉	 7cassandra://547eTeaaDZMq38HTfuwfJlHvrZgaA_KF7T7IKOfqvBo6`̵ ׉	 7cassandra://kQqAsyoiLzCNk6yLccEOAklqLG1ZMi0kM4XUovZFNfk2͠cJEyμ3ט  {u׉׉	 7cassandra://YAyZGYkZNfR2hvN-a7rPGFDZLScZJ0yImH-rNPjkMoE B`׉	 7cassandra://9moNuK34ioFiCusLvHbEZCpCOnJosDkzubJwEbX6qhg<\`S׉	 7cassandra://g7MzJEDZcxLeyIIsGr_1fVH1w7kM85EK28Ja3XHifq0`̵ ׉	 7cassandra://QQk_WawVPxR8VurwAo88Fz4eGhcAQWQJOcOAV99BmNc'H͠cJEyμ3׉Egebruikte Europese landen, is terug te vinden op de website van het AG en bevat in
totaal bijna 120 miljoen overlijdensgevallen. Figuur 2.4 toont voor het jaar 2019 hoe
deze overlijdensgevallen verdeeld zijn over de verschillende landen.
OOS
IER
BEL
LUX
Overlijdens (2019)
DEN
NED
FIN
NOO
FRA
ZWE
DUI
ZWI
IJS
VK
NED
BEL
ZWE
ZWI
DEN
NOO
DUI
VK
FRA
OOS
FIN
IER
Figuur 2.4 – Verdeling overlijdensgevallen (mannen + vrouwen) in 2019 naar landen
De data voor weeksterfte in Nederland in 2020 en 2021 zijn niet op de website van het
AG gepubliceerd, omdat het hier een maatwerkopdracht van het CBS betreft.
pagina 24 / 80
Prognosetafel AG2022 | Data
׉	 7cassandra://547eTeaaDZMq38HTfuwfJlHvrZgaA_KF7T7IKOfqvBo6`̵ cJAyμ3׉E3
Het Prognosemodel
In 2020 en 2021 was er voor sommige leeftijdscategorieën
aanzienlijke oversterfte, die deels aan COVID-19 en deels aan
de indirecte gevolgen van COVID-19 toegeschreven kan worden.
De commissie heeft daarom besloten om voor AG2022 de
schattingsmethode die voor AG2020 gebruikt is, aan te passen.
In dit hoofdstuk worden eerst de uitgangspunten van deze
aanpassing besproken. Vervolgens wordt de nieuwe
schattingsmethode uitgelegd. De modelvergelijkingen, die
nodig zijn om de parameters van het model te schatten en om
prognoses te maken, staan in Appendix A. Dit hoofdstuk sluit
af met de aanpassing van de sluitingsmethodiek.
pagina 25 / 80
Prognosetafel AG2022 | Het Prognosemodel
׉	 7cassandra://g7MzJEDZcxLeyIIsGr_1fVH1w7kM85EK28Ja3XHifq0`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://tsLAhPBaMKHSKLIPAk3gZLQV4FOmvkD0ZPZ4p_gHUUQ ` ׉	 7cassandra://NbdNjAttVNqRrSNo1M4OEAZkQJFpShRGl_xtJ89JNNw^`S׉	 7cassandra://_RfwoxubZksD6SnsX1DwY9Q7QxyQmhgKU1MZwToTrbgs`̵ ׉	 7cassandra://7kvvbHTcRvGrOJhF7y0fsvar1rnAiellL8TEf1_XWUcF͠cJEyμ3ט  {u׉׉	 7cassandra://FSM3vYzb5VLLa6ZMAwWpKtwCs4UumHzyrLu2wkkeH-I g` ׉	 7cassandra://Z4rwIANMxhCF2u3l3fmRFyADwfzpok3-cMZYk9u0qFoZ`S׉	 7cassandra://dCrI5g_ZfpS97jEOLGUg6gbI2lvd6zCwvyKTM0V1zms+`̵ ׉	 7cassandra://fTw4xfUAqlR6jw9ivqz2J5_COZ5MU7Cs4oDme1zcZEcN͠cJEyμ3׉E3.1 Oversterfte als direct en indirect gevolg van COVID-19
Uitgangspunten
Voor AG2022 maken we als CSO een inschatting van de directe en indirecte gevolgen van
de COVID-pandemie op de overlevingskansen vanaf 2020, om daar in de prognose vanaf
2022 rekening mee te kunnen houden. We vergelijken de waargenomen sterfte in de
jaren 2020 en 2021 met de verwachte sterfte op grond van de data vóór 2020, om zo
inzicht te krijgen in de impact van de COVID-19-pandemie.
We analyseren daarvoor de over- en ondersterfte in 2020 en 2021 eerst op weekniveau.
Daarna vertalen we de modeluitkomsten op weekniveau naar een jaarniveau. Om de
oversterfte vanaf 2020 per week te kunnen kwantificeren, moeten we ook bepalen hoe
de totale geprognosticeerde sterfte per jaar (in 2020 en 2021) over de weken van deze
jaren verdeeld is. Die verdeling over de weken is niet uniform: er is gemiddeld genomen
meer sterfte tijdens de koude wintermaanden en minder sterfte gedurende de zomer.
Dit seizoenseffect moeten we ook modelleren als we de impact van COVID-19 willen
bepalen. We maken gebruik van een door het CBS aangeleverde dataset die historische
sterfte per week in Nederland per geslacht en per individuele leeftijd weergeeft.
De over- of ondersterfte in 2020 en 2021 hangt sterk af van de leeftijd. Inmiddels is
wereldwijd vastgesteld dat de tot nu toe bekende varianten van het virus gemeen
hebben dat ze de kans op sterfte alleen voor ouderen sterk toe laten nemen. Ook
jongeren kunnen ernstig ziek worden en langdurig klachten houden, maar het komt
vrijwel niet voor dat mensen onder de 55 jaar aan de gevolgen van een besmetting
overlijden. Daarom beschrijven we het effect van COVID-19 op sterftekansen in termen
van een extra leeftijdseffect en een extra tijdseffect. Daarmee kiezen we ervoor het effect
van COVID weer te geven met een vergelijkbare structuur als bij de modellen voor
Europese en Nederlandse sterfte-intensiteiten die we in AG2020 gebruikten om de
sterfte vóór de pandemie te beschrijven.
Door die keuze wordt de procedure om tot een prognose voor toekomstige
overlevingskansen in Nederland te komen onderverdeeld in de volgende drie stappen:
1. Een inschatting van de sterfte-intensiteiten per leeftijd aan het begin van 2020,
op grond van datasets van vóór de pandemie. Dit betreft een update na toevoeging
van Europese data over 2019 voor de AG2020 parameterwaarden Ax
leeftijdseffecten voor leeftijden x beschrijven en de tijdreeksen Kt
verloop in de tijd (per jaar t en geslacht g) beschrijven.
g en κt
g die het
g, αx
g, Bx
g en βx
g die
2. Een inschatting van de toename of afname van die sterfte-intensiteiten per leeftijd
gedurende alle weken in 2020 en 2021. Deze wordt in eerste instantie uitgedrukt in
een nieuw leeftijdseffect ðx
g en nieuwe tijdreeksen op weekniveau ðg
ðg
bijbehorende leeftijdseffecten op jaarniveau.
w, 2020 en
w, 2021 voor alle weken w in de jaren 2020 en 2021. Deze leeftijdseffecten en
weekeffecten worden vervolgens vertaald naar de jaareffecten ðg
2020 en ðg
2021, met
pagina 26 / 80
Prognosetafel AG2022 | Het׉	 7cassandra://_RfwoxubZksD6SnsX1DwY9Q7QxyQmhgKU1MZwToTrbgs`̵ cJAyμ3׉E3. De uiteindelijke prognose combineert de projectie van de bestaande tijdreeksen
Kt
van die trend) met de projectie van de nieuwe tijdreeks op jaarniveau ðt
toekomstig verloop van de effecten van de pandemie).
g (het
We bespreken al deze elementen hieronder één voor één. We zullen daarbij steeds
leeftijdsparameters schatten voor de leeftijden tot en met 90 jaar. Voor hogere leeftijden
gebruiken we een sluitingsmethode. Deze is anders dan de sluitingsmethode die
gebruikt is voor AG2020 en voor eerdere prognosemodellen. De nieuwe sluitingsmethode
zal aan het eind van dit hoofdstuk besproken worden.
Inschatting van sterfte-intensiteiten aan het begin van de pandemie
Om een ‘best estimate’ van de sterftekansen aan het begin van 2020 te maken, maken
we gebruik van dezelfde schattingsmethode als in AG2020. Maar we beschikken nu over
een grotere dataset, omdat ook de Europese data voor 2019 inmiddels beschikbaar zijn.
Bovendien zijn de gegevens voor enkele landen bijgewerkt, aangezien nieuwe waarden
zijn verschenen in de Human Mortality Database.
De gehanteerde methode, om met de nieuwe Europese data updates te bepalen van de
AG2020-parameters bij de start van de pandemie, is ter referentie toegevoegd in
Appendix A. Deze methode wijkt niet af van de aanpak bij AG2020 en de uitgangspunten
zijn dus ook onveranderd gebleven. Mannen en vrouwen hebben opnieuw eigen
sterftekansen en de ontwikkeling in die sterftekansen, en de ontwikkelingen in
Nederland en de rest van Europa, worden gezamenlijk gemodelleerd. Mogelijke
afhankelijkheden tussen de processen worden beschreven met correlaties die onderdeel
zijn van de kalibratie. En net als voorheen worden parameters bepaald met een
maximum likelihood methode, die ervoor zorgt dat er onderscheid gemaakt kan worden
tussen geobserveerde sterftefrequenties en de onderliggende sterftekansen, door het
verschil (de ‘meetruis’) expliciet te modelleren.
Het resultaat van de maximum likelihood schattingsmethode voor de Europese data van
1970 tot en met 2019 en de Nederlandse data van 1983 tot en met 2019 levert voor de
leeftijden x (tot en met 90 jaar), de jaren t na 1983 en de geslachten g geschatte
uitkomsten op van de volgende pre-COVID sterfte-intensiteiten voor Europa en
Nederland:
ln 共μx
ln
g,pre-cov,EU (t)
共μx
g,pre-cov (t)
兲 = Ax
g + Bx
g Kt
g
兲 = Ax
g + Bx
g Kt
g + αx
g + βx
g κt
g.
De sterfte-intensiteiten zijn opgebouwd uit dezelfde combinaties van leeftijdsafhankelijke
factoren en tijdreeksen als voorheen. Projectie van tijdreeksen voor
t ≥ 2020 wordt mogelijk gemaakt door een random walk met drift en een eerste orde
autoregressief proces met constante te fitten op de uitgebreide dataset7:
Kt
g = Kt -1 + θg + ϵt
g
κt
g = ag κg
g
t-1 + cg + δt
g.
g en κt
g (het toekomstig verloop van de Europese trend en de Nederlandse afwijking
7 – Commissie Sterfte Onderzoek, 2020. Prognosetafel 2020. Koninklijk Actuarieel Genootschap.
pagina 27 / 80
Prognosetafel AG2022 | Het Prognosemod׉	 7cassandra://dCrI5g_ZfpS97jEOLGUg6gbI2lvd6zCwvyKTM0V1zms+`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://v8nrlw4Ng3zA2nLyMZtuSdNTg2IOt-mE0GvHpofqgFE C` ׉	 7cassandra://ZEoRJuE48--4J9sdxzbbjQRTEtH0UeKzLZsvgqJrq8cI`S׉	 7cassandra://bSZZbQbb1H4viqsh-xtr1SU17R1Imx8XYa3ytsPbwis`̵ ׉	 7cassandra://1z6UtnaTyb4XvkjCpuYS3C3EHWXpKlhadathh6mLJR8SC2͠cJEyμ3ט  {u׉׉	 7cassandra://ElaDQJjTN6MEyOQEh8yXbIBSFeZxz-CY3OB95-Cg3io ` ׉	 7cassandra://TE3inyPso5dNRYGFx8Xcrv8Epd62K8Tq_FtM6_vL-NoZ`S׉	 7cassandra://GvryqqUpETcMfJLR1k7PMXduRbsH5lKTOpqu9FrQK5I-`̵ ׉	 7cassandra://WyEqwk9tHakQ1WxjyrenG0ABw_henciC6gu6yeGk8Zs:1͠cJFyμ3׉EDe stochastische vectoren Zt = (ϵt
M, ϵt
V, δt
M, δt
V ) zijn, net als in AG2020, onafhankelijk en
identiek verdeeld verondersteld (i.i.d.) en hebben een vierdimensionale normale
verdeling met gemiddelde (0,0,0,0) en een gegeven 4x4 covariantiematrix C.
Inschatting van toename en afname sterfte-intensiteiten in 2020 en 2021
Omdat voor 2020 en 2021 in eerste instantie weekdata in plaats van data op jaarbasis
geanalyseerd worden, bepalen we eerst het seizoenseffect om te corrigeren voor het feit
dat sterfte niet uniform over de weken van een jaar plaatsvindt. We doen dat door een
gemiddelde te nemen over de sterfte per week in Nederland, over de jaren 2016 tot en
met 2019, voor beide geslachten en over alle relevante leeftijden (tussen 55 en 90 jaar).
Door de op deze manier bepaalde waarden, voor het historisch gemiddelde van de
sterfte per week, is een ‘cyclic cubic spline’ gefit, die voor zowel 2020 als 2021
genormaliseerd is, zodat het gemiddelde effect over alle weken (van week 1 tot en met
week 53 in 2020 en week 0 tot en met week 52 in 2021) gelijk is aan 1. De geschatte
effecten ϕw,2020 en ϕw,2021 zijn te vinden in grafiek 3.1. Hierin is een duidelijk
seizoenspatroon te herkennen: in de wintermaanden is de sterfte gemiddeld genomen
hoger dan in de zomermaanden.
0,85
0,90
0,95
1,00
1,05
1,10
1,15
1,20
Grafiek 3.1 – Seizoenspatronen sterfte 2016-2019
Inschatting van de over- en ondersterfte per week in 2020 en 2021
Voor het beschrijven van de afwijking van de sterfte in 2020 en 2021 ten opzichte van
wat op grond van de data tot 2020 verwacht mocht worden, gebruiken we een nieuw
leeftijdseffect ðx
een tijdreeks ðg
g en een nieuwe (op weken gebaseerde) tijdreeks ðg
w,2021 voor 2021. Het product van dit leeftijdseffect en de tijdreeks
w,2020 voor 2020 en
pagina 28 / 80
Prognosetafel AG2022 | Het Prognosemodel
1
3
5
7
9
11
13
15
17
19
21
23
25
27
29
31
33
35
37
39
41
43
45
׉	 7cassandra://bSZZbQbb1H4viqsh-xtr1SU17R1Imx8XYa3ytsPbwis`̵ cJAyμ3׉EKvoegen we toe aan de logaritme van de sterfte-intensiteiten voor die jaren. Daarnaast
wordt ook het eerder bepaalde seizoenseffect toegevoegd. Daarmee worden de nieuwe
sterfte-intensiteiten per week op logaritmische schaal dus een optelsom van drie
factoren: de inschatting van vóór de pandemie voor het betreffende jaar (een update
van model AG2020 met datapunten tot en met 2019), een seizoenseffect voor de
betreffende week, en een nieuwe factor die de impact van de veranderende
omstandigheden sinds de pandemie weergeeft:
ln共μg
x,w (t)兲 = ln
共μx
g,pre-covid (t)
兲 + ln
共ϕw,t
Sterfteaantallen per week en per leeftijd, Dg
兲 + ðx
g ðg
w,t .
x,w,2020 en Dg
door het CBS aangeleverde dataset. De exposures per week en per leeftijd, Eg
Eg
x,w,2021, zijn afkomstig uit de
x,w,2020 en
x,w,2021, zijn bepaald door lineaire interpolatie toe te passen op de Nederlandse
populatiestanden aan het begin van elke maand gedurende 2020 en 2021.
Daarmee hebben we alle benodigde gegevens om de factoren te schatten die de overen
ondersterfte per week in 2020 en 2021 representeren. We maximaliseren daartoe de
likelihood die hoort bij de specificatie
Dg
x,w,t ∼ Poisson 共Eg
x,w,t μg
x,w (t)兲, μg
x,w (t) = μx
g,pre-covid (t)ϕw,t exp
共ðx
gðg
w,t兲,
voor alle leeftijden x tussen 55 en 90, jaren t gelijk aan 2020 en 2021, alle weken w in
die jaren en de beide geslachten g. De keuze om alleen naar deze leeftijden te kijken
wordt ingegeven door de bijzonder kleine effecten voor leeftijden lager dan 55 en de
relatief grote onzekerheid in schattingen voor leeftijden hoger dan 90. De waarden van
ðx
g worden om die reden op nul gezet voor leeftijden onder de 55 en constant
gehouden vanaf leeftijd 90. We maximaliseren de likelihood alleen over de parameters
ðx
g en ðg
w,t. De andere parameters zijn niet opnieuw meegeschat, maar zijn
vastgehouden op de eerder geschatte waarden. Als normalisatie gebruiken we
∑90
x=55ðx
g = 1.
Deze aannamen zijn terug te zien in de volgende grafieken, waarin het verloop van de
nieuwe tijdreeksen per week ðg
w,2020 en ðg
w,2021 en de waarden van de nieuwe
leeftijdseffecten ðx
g getoond worden. De tijdreeksen laten de over alle leeftijden
geaggregeerde impact in de tijd zien. Het beeld is consistent met een opeenvolging van
verschillende besmettingsgolven, maar er zijn ook perioden met lichte ondersterfte te
zien, zelfs nadat voor seizoenseffecten gecorrigeerd is. Bij het verloop over de leeftijden
zien we (zie grafiek 3.3) dat de directe en indirecte impact van de pandemie op de
sterfte vooral groot is voor hogere leeftijden. Dit bevestigt dan ook de modelkeuze voor
aparte leeftijdsafhankelijke factoren in het model vanaf 2020: de veranderingen in
sterftekansen in de jaren 2020 en 2021 kunnen niet goed worden gemodelleerd door
de bestaande leeftijdseffecten te gebruiken en alleen in de tijdreeksen (Kt
g en κt
g) een
extra schok toe te voegen. Dan zou immers bij jongeren een vergelijkbare of zelfs grotere
impact van COVID-19 op de sterfte gevonden worden dan bij ouderen.
pagina 29 / 80
Prognose׉	 7cassandra://GvryqqUpETcMfJLR1k7PMXduRbsH5lKTOpqu9FrQK5I-`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://u9d0-4sDSNiCsW1wP9zNeuYC2ojyc1qP33F2ANSrKKQ l` ׉	 7cassandra://wq-b0rlcbqTa3X8xayFQ37YjQPWJ7OlIeeIOiJF1_vICn`S׉	 7cassandra://hkGoOdxhOgtF6BOfkQdgQjNdwUllyMsESIHRy_p7yd0L`̵ ׉	 7cassandra://f7mTmuJSSbB-6VbJn5RVMJBBbX6-lNm_xZIjc97aGFAT2|͠cJFyμ3ט  {u׉׉	 7cassandra://qvHZr8VNtrT5NT_G_r6qfhS23TuqUm8DAM3vLaFo408 ` ׉	 7cassandra://BAq0reJBNU4UCP8i2fUGKXCl0u4y_SVM1O4YhVUp100B`S׉	 7cassandra://eG1tIdRrVRhOvrKMEHoftjFhDEoFB53dtlERNvoCREE`̵ ׉	 7cassandra://cBhnuxUHea0z5yfymJjcMX6ZMUwlPNnjlPyhItwf014S|͠cJFyμ3׉E20
15
10
5
0
-5
-10
Mannen
Vrouwen
Mannen geaggregeerd
Vrouwen geaggregeerd
Grafiek 3.2 – Tijdreeks COVID-19-factor. Covid-19-factor in de weken van 2020 en 2021
en geaggregeerd op jaarniveau met op x-as het aantal weken sinds 1 januari 2020.
Merk op dat de stippellijnen voor de geaggregeerde waarden voor mannen en vrouwen
in 2020 nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn.
0,01
0,02
0,03
0,04
0,05
0,06
0,07
-0,02
-0,01
0
Mannen
Vrouwen
Mannen geaggregeerd
Grafiek 3.3 – Leeftijdseffect COVID-19 factor
Om een prognose met jaarlijks veranderende sterftekansen te maken, aggregeren we de
waarden voor de verschillende weken in zowel 2020 als 2021 tot een enkele waarde die
de effecten over een heel jaar beschrijft. Deze waarden ðg
2020 en ðg
2021 zijn als
horizontale lijnen in grafiek 3.2 opgenomen. Ze zijn zó bepaald dat de overlevingskansen
over de twee gehele jaren 2020 en 2021 overeenkomen met het product van de
overlevingskansen per week over die jaren. Details en de precieze aannamen die
gemaakt zijn tijdens die berekening zijn te vinden in Appendix A. De uiteindelijke
Vrouwen geaggregeerd
pagina 30 / 80
Prognosetafel AG2022 | Het Prognosemodel
55
57
59
61
63
65
67
69
71
73
75
77
79
81
83
85
87
89
1
5
9
13
17
21
25
29
33
37
41
45
49
53
57
61
65
69
73
77
81
85
89
93
97
10׉	 7cassandra://hkGoOdxhOgtF6BOfkQdgQjNdwUllyMsESIHRy_p7yd0L`̵ cJAyμ3׉E6prognose op jaarbasis wordt dan (met ðx
g voor het resulterende leeftijdseffect op
~
jaarbasis):
ln
共μg
x=55ðx
g = 1.
~
x (t)
兲 = Ax
g + Bx
g Kt
g + αx
g + βx
g κt
g + ðx
g ᑲg
~
t.
Deze prognose is gemaakt voor de leeftijden x = 0,1,⋯,90, waarbij ðx
g = 0 voor
~
de leeftijden onder 55 jaar en waarbij we als normalisatie gebruik maken van
∑90
Prognose voor toekomstige jaren
Gegeven de geschatte parameterwaarden θg,ag,cg en de covariantiematrix C, zijn we op
basis van de eerder gegeven vergelijkingen in staat om vanuit startwaarden Kg
g en κt
2020 en
κg
2020 het verdere verloop van de tijdreeksen Kt
verdere verloop van de pandemie.
We hebben als CSO besloten de impact van de in 2020 en 2021 geobserveerde afwijking
van de inschatting voor de pandemie vanaf 2021 exponentieel af te laten nemen naar
nul. Dit betekent dat
ðg
t = ðg
2021 ηt-2021, t ≥ 2022,
met η = 1⁄2, wat impliceert dat de halfwaardetijd voor de impact gelijk is aan één jaar.
Met deze keuze liggen de ‘best estimates’ voor alle toekomstige waarden van de in het
model voorkomende tijdreeksen vast.
100
50
0
1970 1990 2010 2030 2050
-50
-100
-150
0
1
2
3
4
2020 2022 2024 2026 2028 2030
Grafieken 3.4 – Parameters AG2022: Tijdreeksen en projecties
pagina 31 / 80
Prognosetafel AG2022 | Het Prognosemodel
10
5
0
1980
-5
-10
-15
2000
2020
2040
g voor t ≥2020 en dus ook voor de
prognosejaren vanaf 2022 te bepalen. Om ook de toekomstige waarden van de nieuwe
tijdreeks ðg
t voor t ≥ 2022 te bepalen, moet een aanname gemaakt worden voo׉	 7cassandra://eG1tIdRrVRhOvrKMEHoftjFhDEoFB53dtlERNvoCREE`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://VgQkhDOnWFzrqqP21gIvbFDyKiwrC8MVq3Zs2m_4NM0 H` ׉	 7cassandra://jzQ3kVG7ED8mXYNQkvI3JukIl3Tu5VlNtk_cygQ3YAcV^`S׉	 7cassandra://AnDm_COVQizPnN8OPGxbmK6UkgfZIeaUa9JIR_bsDNY`̵ ׉	 7cassandra://hY16Ylh7kR6oolrpghnglTO_PtJ8MO3DUKy80ZqXmCs>.͠cJGyμ3ט  {u׉׉	 7cassandra://xWckRqZ3G5sxkvCuVusBrTuaEUoe9BYCKnlvCljxJyE J` ׉	 7cassandra://VnsoQfaOIhV8wkopJeHqdVfItMpWLwdYSB7bFxgx50sS+`S׉	 7cassandra://-HUVNkq0WguJIliY4ugU5Mo1JIrP_G8VDbFvh1lfmXsL`̵ ׉	 7cassandra://1N1ssYm-FFB86AM6hV6SrbtZjIQBNJNSvpppSmmpXgAݼD͠cJGyμ3׉E In latere hoofdstukken wordt ingegaan op de nieuwe overlevingskansen en periode- en
cohortlevensverwachtingen die dit model oplevert, en op de gevolgen voor de hoogte
van premies en voorzieningen. Maar eerst wordt de nieuwe sluitingsmethode besproken
die gebruikt is om naast de parameterwaarden voor leeftijden tot en met 90 jaar, zoals
bepaald met de hierboven beschreven procedure, ook de parameterwaarden voor
hogere leeftijden te bepalen.
3.2 Nieuwe sluitingsmethodiek
In AG2020 en eerdere prognosetafels vanaf AG2014 is de sluitingsmethodiek van
Kannisto8 (hierna kortweg: Kannisto) per prognosejaar gehanteerd om de sterftekansen
op hoge leeftijden vast te stellen. Er is in de afgelopen periode verder onderzoek
gedaan, mede vanwege signalen van enkele gebruikers van de publicatie. Daarbij zijn
twee onwenselijke eigenschappen van deze sluitingsmethodiek geconstateerd:
1. Niet voor alle leeftijden is er sprake van sterfteverbetering in de loop van de tijd.
Voor hogere leeftijden stijgen de sterftekansen monotoon naar een positieve en met
zekerheid bekende limietwaarde. Dit terwijl sterfteverbetering wel wordt
gemodelleerd voor leeftijden lager dan circa 100 jaar: daar dalen de sterftekansen
monotoon naar nul. Hierdoor convergeert ook de levensverwachting naar een (met
zekerheid bekende) limiet.
2. Door de met zekerheid bekende limietwaarden is er sprake van afnemende
onzekerheid (kleinere betrouwbaarheidsintervallen) in de loop van de tijd, terwijl we
een toenemende onzekerheid (grotere betrouwbaarheidsintervallen) verwachten.
Zowel de met zekerheid bekende limiet in de levensverwachting als de afnemende
onzekerheid in de levensverwachting vinden we onwenselijke gevolgen van deze
toepassing van Kannisto. Daarom is voor de Prognosetafel AG2022 een nieuwe
sluitingsmethodiek ontwikkeld.
We lichten eerst toe waarom de combinatie van het AG2020 model met deze toepassing
van Kannisto tot bovengenoemde onwenselijke eigenschappen leidt. Vervolgens
beschrijven we de nieuwe sluitingsmethodiek en laten we zien dat genoemde
onwenselijke eigenschappen hier niet optreden.
Kannisto per prognosejaar: illustratie van het probleem
Volgens AG2020 (en eerdere prognosetafels) stijgt op zeer hoge leeftijden de sterftekans
per leeftijd over de tijd en convergeert deze naar een limiet.
De lijnen in de volgende grafieken geven de toekomstige (‘best estimate’) ontwikkeling
van de sterftekans per leeftijd over de tijd aan. Voor elke leeftijd is er één lijn. De
onderste lijnen betreffen de lage leeftijden, beginnend met 0. De bovenste lijnen
betreffen de hogere leeftijden, eindigend met 120.
8 – V. Kannisto. (1992). Development of the oldest – old mortality, 1950-1980: evidence from 28 developed countries.
Odense University Press.
pagina 32 / 80
Prognosetafel AG2022 | Het Prognosemodel
׉	 7cassandra://AnDm_COVQizPnN8OPGxbmK6UkgfZIeaUa9JIR_bsDNY`̵ cJAyμ3׉EOntwikkeling sterftekans per leeftijd
AG2020, mannen x = 0 t/m 120
Ontwikkeling sterftekans per leeftijd
AG2020, vrouwen x = 0 t/m 120
0,0
0,1
0,2
0,3
0,4
0,5
0,6
0,7
2020
2070
2120
2170
0,0
0,1
0,2
0,3
0,4
0,5
0,6
0,7
2020
2070
2120
Grafieken 3.5 – Sterftekans per leeftijd in de tijd (lijn) onder Kannisto
Voor de met het AG2020-prognosemodel gemodelleerde leeftijden 0 tot en met 90 jaar
daalt de sterftekans per leeftijd over de tijd en convergeert deze naar nul. Voor de met
Kannisto geëxtrapoleerde leeftijden 91 tot en met 120 is dat niet voor alle leeftijden het
geval; daar stijgt vanaf een zekere leeftijd de sterftekans per leeftijd over de tijd en
convergeert deze naar een limiet.
In de grafieken 3.5 is niet goed te zien vanaf welke leeftijd de daling omslaat in een
stijging. Dat is beter te zien, als we kijken naar het verloop van de sterftekansen over de
leeftijden voor enkele oplopende prognosejaren in de volgende grafieken 3.6.
Sterftekansen in de tijd
AG2020, mannen
0,0
0,2
0,4
0,6
0,8
1,0
0 102030405060708090 100 110 120
2191 limiet
2020
2100
0,0
0,2
0,4
0,6
0,8
1,0
0 102030405060708090 100 110 120
2191 limiet
2020
2100
Grafieken 3.6 – Sterftekans per leeftijd (lijn) voor oplopende prognosejaren
Er is een omslagpunt bij een bepaalde leeftijd. Onder deze leeftijd daalt de sterftekans
per leeftijd over de tijd (sterfteverbetering), terwijl boven deze leeftijd de sterftekans per
leeftijd stijgt over de tijd (sterfteverslechtering). In de limiet (gestippelde lijn) is de
sterftekans onder dit omslagpunt 0 en erboven 1 - e-1 (voor een technische toelichting
van deze limietwaarde zie Appendix B). De convergentie van de sterftekansen naar
1 - e-1 gaat sneller naarmate de tijd verstrijkt.
Als gevolg hiervan convergeert de levensverwachting naar een vooraf bekende limiet en
nemen de betrouwbaarheidsintervallen rond de levensverwachting in omvang af, terwijl
de onzekerheid over de tijd normaal gesproken toeneemt. Deze onwenselijke eigenschappen
illustreren we in het vervolg van dit hoofdstuk door een vergelijking te maken
met de nieuwe sluitingsmethodiek.
Sterftekansen in de tijd
AG2020, vrouwen
2170
pagina 33 / 80
Prognosetafel AG2022 | Het Prognosemodel
׉	 7cassandra://-HUVNkq0WguJIliY4ugU5Mo1JIrP_G8VDbFvh1lfmXsL`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://KoOPWRsOaWLYZsybYtHMopdV34ixgb-MbJuTtcAKKog F` ׉	 7cassandra://EB-ON5qIRna03BN81DuHbZm8fg7blC46PtV4QILfJv4U`S׉	 7cassandra://qsZ4a6w0bitSTpRNsQt4hDdyOPr8njoeZEFdUeqTrd8`̵ ׉	 7cassandra://AgfzPIQC235wZNiXeHul1LU28I68ZrMvcupu1Hz7yxg 7͠cJHyμ4ט  {u׉׉	 7cassandra://8gKVQBdsFFimoSfFk7eiuWsv9N3MVPS66yL0T3LbVSA o` ׉	 7cassandra://5_WRe4kMg53iZsWq7Kntue2L3p8gw_PJaJTxduCGSxUOJ`S׉	 7cassandra://obtmI_Ru81M06p9LDEbBZHHLLqg1K98EwmHiDZOTP80`̵ ׉	 7cassandra://MZ3hzbLS-HfXqkRFs4a1wG6PGLjG84PHC9w651EZ4tUeO͠cJIyμ4׉E	We benadrukken dat deze onwenselijke eigenschappen ontstaan, doordat we Kannisto
toepassen per prognosejaar, ofwel door een out-of-sample toepassing van Kannisto. We
hebben geen bezwaar tegen een in-sample toepassing van Kannisto. Zoals we hierna
zien, maakt de nieuwe sluitingsmethodiek daar zelfs gebruik van.
Nieuwe sluitingsmethodiek
We hebben enkele alternatieve sluitingsmethodieken onderzocht en gekozen voor de
methodiek zoals hierna beschreven.
Onder de oude sluitingsmethodiek extrapoleren we per prognosejaar met behulp van
Kannisto de sterftekansen op leeftijden 80 t/m 90 naar leeftijden 91 t/m 120. Onder de
nieuwe sluitingsmethodiek extrapoleren we de leeftijdsafhankelijke parameters van het
model. Dit doen we als volgt:
– Extrapoleer eerst Bx
g; bepaal vervolgens Ax
g via Kannisto toegepast op de
Europese data:
• Bx
g wordt geëxtrapoleerd door ln(Bx
g ) lineair te extrapoleren.
• Ax
g wordt bepaald door gebruik te maken van de Kannisto-extrapolatie op
basis van de Europese gegevens van de laatste steekproefperiode (2019).
– Extrapoleer eerst αx
g; bepaal vervolgens βx
g via Kannisto toegepast op de
extrapolatie van Nederland (= Europa + Nederland-specifieke afwijking) minus
Kannisto toegepast op de Europese data:
• αx
g wordt lineair geëxtrapoleerd naar αg
basis van de laatste steekproefperiode.
– Veronderstel dat de leeftijdsafhankelijke parameter voor de COVID-term constant blijft
vanaf leeftijd 90:
• ðx
~g
= ðg
~
90 x ≥ 91
In Appendix A is de sluiting van de parameterwaarden nader toegelicht. In het vervolg
van dit hoofdstuk worden de gevolgen van de sluiting grafisch geïllustreerd.
Wenselijke eigenschappen nieuwe sluitingsmethodiek
In deze paragraaf laten we zien dat de onwenselijke eigenschappen zoals geconstateerd
voor de toepassing van Kannisto per prognosejaar niet optreden bij de nieuwe
sluitingsmethodiek. Volgens deze nieuwe sluitingsmethodiek ziet de ontwikkeling van
de éénjarige sterftekansen in de Prognosetafel AG2022 er als volgt uit:
Ontwikkeling sterftekans per leeftijd
AG2022, mannen x = 0 t/m 120
0,0
0,1
0,2
0,3
0,4
0,5
0,6
0,7
2020
2070
2120
2170
0,0
0,1
0,2
0,3
0,4
0,5
0,6
0,7
2020
2070
2120
Grafieken 3.7 – Sterftekans per leeftijd (lijn) in de tijd onder nieuwe sluiting
pagina 34 / 80
Prognosetafel AG2022 | Het Prognosemodel
2170
Ontwikkeling sterftekans per leeftijd
AG2022, vrouwen x = 0 t/m 120
120 = 0.
• βx
g wordt bepaald door gebruik te maken van de Kannisto extrapolati׉	 7cassandra://qsZ4a6w0bitSTpRNsQt4hDdyOPr8njoeZEFdUeqTrd8`̵ cJAyμ3׉E^Nu daalt ook voor de hogere leeftijden de sterftekans per leeftijd over de tijd. Bij het
berekenen van de cohortlevensverwachting, de voorziening of de premie voor lagere
leeftijden zal de nieuwe sluitingsmethodiek ook impact hebben, omdat bij deze
berekeningen rekening gehouden wordt met lagere sterftekansen op hogere leeftijden.
Merk overigens op dat de sterfte in de aanvangsjaren van de prognose vooral op de
hogere leeftijden verhoogd is. Dit is het gevolg van de COVID-19 modellering. Dit effect
is het sterkst in 2020 en 2021, en verdwijnt in latere jaren.
Er is geen omslagpunt in de leeftijd meer als we kijken naar het verloop van de
sterftekans over de leeftijden voor enkele oplopende prognosejaren:
Sterftekansen in de tijd
AG2022, mannen
0,0
0,2
0,4
0,6
0,8
1,0
0 102030405060708090 100 110 120
2191 limiet
2020
2100
0,0
0,2
0,4
0,6
0,8
1,0
0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100 110 120
2191 limiet
2020
2100
Grafieken 3.8 – Sterftekans per leeftijd (lijn) voor oplopende prognosejaren
Voor alle leeftijden daalt de sterftekans over de tijd, zoals te zien is in grafieken 3.7.
De grafieken 3.9 tonen de periodelevensverwachting van een 0-jarige onder de oude en
de nieuwe sluitingsmethodiek9:
Periodelevensverwachting - mannen - 0 jaar
100
105
110
115
120
75
80
85
90
95
2020 2220 2420 2620 2820
AG2020 (Kannisto)
AG2022 (nieuwe sluiting)
100
105
110
115
120
75
80
85
90
95
2020 2220 2420 2620 2820
AG2020 (Kannisto)
AG2022 (nieuwe sluiting)
Grafieken 3.9 – Periodelevensverwachting onder AG2020 (Kannisto per prognosejaar) vs
AG2022 (nieuwe sluiting)
Periodelevensverwachting - vrouwen - 0 jaar
Sterftekansen in de tijd
AG2022, vrouwen
9 – We publiceren sterftekansen tot en met leeftijd 120 en in de praktijk wordt de sterftekans voor hogere leeftijden gelijkgesteld aan de
sterftekans op de 120-jarige leeftijd. De sterftekans kan echter ook voor deze hogere leeftijden volgens de nieuwe sluitingsmethode
vastgesteld worden. Voor deze illustratie beperken we de leeftijd niet langer tot maximaal 120 jaar. We kijken dus naar het model i.p.v. de
gepubliceerde tafel.
pagina 35 / 80
Prognosetafel AG2022 | Het Prognosemodel
׉	 7cassandra://obtmI_Ru81M06p9LDEbBZHHLLqg1K98EwmHiDZOTP80`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://sU-s8Dax67oLSd74nyUSb1SwsFFCX4WJ7eZTL6RRsEQ 0` ׉	 7cassandra://4400ov9PZz0FIkFM9mp2bbvPTof-zNVlnEs5Ucny6T0H`S׉	 7cassandra://pFrrHYDHfEAk-DXq9gzj8pcMgP70dYNNCa-_Y02emfg`̵ ׉	 7cassandra://eTIDhVUZx9gL2qLIDIcqSZPg5tc37mo8GlOwM2CetiEDR͠cJIyμ4ט  {u׉׉	 7cassandra://_UsyIilWNXvzQYV2RQnHjHbx2q8wcrQgqY6_1xbBOX4 y` ׉	 7cassandra://yviXLP5UJhKcLWJzuhxQ_hUgxoeIdbSHnesVl-ADjuM%`S׉	 7cassandra://VHaqYR1tbtPmkUizjsxQ3nIlDYCT7oNZzxv1ms0nrf8y`̵ ׉	 7cassandra://HyR0J1hqsqkMRKOXQSJlmtk41AjgIc7Dqyz_exPvU8o͐*͠cJIyμ4׉ErOnder de toepassing van Kannisto per prognosejaar is er een duidelijke limiet voor de
levensverwachting die vooraf bekend is: we weten immers naar welke limietwaarden de
sterftekansen convergeren (zie ook Appendix B). Onder de nieuwe sluitingsmethodiek
convergeert de levensverwachting niet meer naar een limiet.
Vervolgens kijken we naar de betrouwbaarheidsintervallen. We zoomen in op de
leeftijden waar de sluitingsmethodiek directe impact heeft (voor leeftijden boven 90
jaar):
Cohortlevensverwachting - mannen - 90 jaar
10
15
20
25
30
0
5
2020 2220 2420 2620 2820
AG2020 (Kannisto)
AG2022 (nieuwe sluiting)
10
15
20
25
30
0
5
2020 2220 2420 2620 2820
AG2020 (Kannisto)
AG2022 (nieuwe sluiting)
Grafieken 3.10 – Cohortlevensverwachting onder Kannisto per prognosejaar vs nieuwe
sluiting (incl. betrouwbaarheidsinterval)
De grafieken 3.10 laten zien dat onder de nieuwe sluitingsmethodiek de
betrouwbaarheidsintervallen niet in omvang afnemen.
We concluderen dat de nieuwe sluitingsmethodiek niet de onwenselijke eigenschappen
heeft die we wel zien bij toepassing van Kannisto per prognosejaar: er is niet langer een
omslagleeftijd, dus voor alle leeftijden dalen de sterftekansen over de tijd en de
levensverwachting kent geen vooraf bekende limiet, waardoor de
betrouwbaarheidsintervallen niet smaller worden over de tijd.
3.3 Gevonden parameterwaarden voor leeftijdseffecten
In de volgende grafieken 3.11 laten we de leeftijdseffecten zien, inclusief de
leeftijdseffecten voor de leeftijden boven 90 jaar, die volgen uit het Li-Lee-model, de
COVID-19-modellering en de nieuwe sluitingsmethode. De doorgetrokken delen van de
curves zijn de geschatte waarden voor de leeftijden tot en met 90 jaar, de onderbroken
delen tonen de extrapolaties. Deze leeftijdseffecten blijven onveranderd over de tijd.
Cohortlevensverwachting - vrouwen - 90 jaar
pagina 36 / 80
Prognosetafel AG2022 | Het Prognosemodel
׉	 7cassandra://pFrrHYDHfEAk-DXq9gzj8pcMgP70dYNNCa-_Y02emfg`̵ cJAyμ3׉E0
-1
-2
-3
-4
-5
-6
-7
-8
-9
-10
alpha(x)
0,2
0,1
0
-0,1
-0,2
-0,3
-0,4
-0,5
-0,6
50
100
0,05
0,04
0,03
0,02
0,01
0
-0,01
-0,02
frak-beta(x)
0,07
0,06
0,05
0,04
0,03
0,02
0,01
0
-0,01
-0,02
mannen
vrouwen
extrapolatie
extrapolatie
50
100
A(x)
50
100
0,025
0,02
0,015
0,01
0,005
0
050
beta(x)
100
B(x)
50
100
Grafieken 3.11 – Parameters voor leeftijdseffecten
pagina 37 / 80
Prognosetafel AG2022 | Het Prognosemodel
׉	 7cassandra://VHaqYR1tbtPmkUizjsxQ3nIlDYCT7oNZzxv1ms0nrf8y`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://cWeQSOMCBvyhTsKlMW14zJLoMkvhhN1pNFy3Lo0_wZ4 6`׉	 7cassandra://mKw3dR-pXHlhgdvzWn8WVZINGYLj_DphcfEewxiL0eIC`S׉	 7cassandra://vWYfmak76i9rxcyG3iiyg-C-_d_L1lodFWhqalKzbKk`̵ ׉	 7cassandra://Vh4i8R4SnWIcuQyaMFmRM3WcqbEnjUUfjbkjQRb3v-I,H͠cJIyμ4	ט  {u׉׉	 7cassandra://YwwizYD1kx9AE7L8MS2bLW_5CV8LtWck-MtTv1vYrsQ ` ׉	 7cassandra://9Ut0CKBefQrbVZaUcK7G2B4pkZO9QUUjXDCD3PiYLrAT`S׉	 7cassandra://nwVf0oyhWAvCy56KogK2AxPCEof9Fz8dplSNAFGjxy4.`̵ ׉	 7cassandra://av1YaBntSRTzymE8LZz7lgRjJz-VbOaWQ5-JovLezz84P@͠cJIyμ4׉E4
Gevolgen voor
levensverwachting,
voorziening, premie en
AOW-leeftijd
Dit hoofdstuk geeft de resultaten van de Prognosetafel AG2022.
De resultaten worden vergeleken met die van de Prognosetafel
AG2020. Aan de hand van een aantal voorbeeldfondsen is het
effect op de hoogte van de voorzieningen doorgerekend. Met
deze voorbeeldfondsen is het ook mogelijk een inschatting te
maken van het effect voor andere pensioenfondsen. Daarnaast
wordt de Prognosetafel AG2022 afgezet tegen de historische
ontwikkelingen en vergeleken met de laatste prognose van het
Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS 2021-2070).
pagina 38 / 80
Prognosetafel AG2022 | Gevolgen voor levensverwachting, voorziening, premie en AOW-leeftijd
׉	 7cassandra://vWYfmak76i9rxcyG3iiyg-C-_d_L1lodFWhqalKzbKk`̵ cJAyμ3׉E	4.1 Definities van levensverwachting
Een klassieke definitie van levensverwachting is de zogenaamde periodelevensverwachting.
Deze periodelevensverwachting is gebaseerd op de sterftekansen in een
bepaalde periode, bijvoorbeeld één kalenderjaar, en gaat ervan uit dat sterftekansen in
de toekomst gelijk blijven. Deze definitie wordt vaak gebruikt om ontwikkelingen in de
tijd te kunnen vergelijken, maar kan niet worden gebruikt om in te schatten hoe lang
mensen naar verwachting nog leven.
Daarnaast is er een tweede definitie, de cohortlevensverwachting, deze houdt wel
rekening met verwachte sterfteontwikkelingen. Wanneer de cohortlevensverwachting bij
geboorte wordt berekend, zijn de sterftekansen nodig van een nu 0-jarige, een over
1 jaar 1-jarige, een over 2 jaar 2-jarige en zo verder. Bij de cohortlevensverwachting
gebruik je voor de sterftekansen die je over 1 en 2 jaar nodig hebt, de sterftekansen die
respectievelijk over 1 en 2 jaar geprognosticeerd worden. De cohortlevensverwachting is
dus gebaseerd op de verwachte ontwikkelingen van de sterftekansen. Voor het
vaststellen van de cohortlevensverwachting is daarom een projectie van sterftekansen
nodig.
De cohortlevensverwachting is bij een verwachte daling van de sterftekansen dus hoger
dan de periodelevensverwachting en geeft aan hoe oud mensen kunnen worden, als
rekening wordt gehouden met toekomstige sterfteontwikkelingen.
4.2 Waarnemingen ten opzichte van AG2022
De tabellen 4.1 en 4.2 geven de AG2020- en AG2022-prognose van de periodelevensverwachtingen
voor de jaren 2019 tot en met 2025 weer en laten voor de jaren 2019,
2020 en 2021 zien hoe deze zich verhouden tot de gerealiseerde levensverwachtingen
voor die jaren. Hiervoor wordt steeds gebruik gemaakt van de periodelevensverwachting,
omdat daarmee vergelijkingen kunnen worden gemaakt tussen de
levensverwachtingen in een specifiek waarnemingsjaar.
Mannen
Realisatie
2019
2020
2021
2022
2023
2024
2025
80,5
79,7
79,7
AG2020
80,4
80,5
80,7
80,8
80,9
81,1
81,2
AG2022
80,4
79,9
80,0
80,5
80,8
81,0
81,2
Tabel 4.1 – Periodelevensverwachting bij geboorte
Realisatie
83,6
83,1
83,0
Vrouwen
AG2020
83,6
83,7
83,8
83,9
84,1
84,2
84,3
AG2022
83,6
83,0
83,1
83,6
83,9
84,2
84,3
pagina 39 / 80
Prognosetafel AG2022 | Gevolgen voor levensverwachting, voorziening, premie en AOW-leeftijd
׉	 7cassandra://nwVf0oyhWAvCy56KogK2AxPCEof9Fz8dplSNAFGjxy4.`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://QG7ZvrqtKq1XH8Bt9EFo0tvSo12Co6RLpLVhDIz7wIc X` ׉	 7cassandra://5SP6mJ7Jn2sfftPBKuCpJ7vqZm_K7LPZ7gWobDP1BnkJ`S׉	 7cassandra://XiN_fuPgK3Y9Jrox-GLdR4LaGBlOB5i_yh94BS2kyZoJ`̵ ׉	 7cassandra://5Nd9Iu32ZiVmVU4LHtnfsHK3z9Fr34y-LIjbb-VJsr8F͠cJIyμ4ט  {u׉׉	 7cassandra://FjOroE0HBxITRXLzWnfPAp6mQg-YtskIAIeVKQzS81Y ^` ׉	 7cassandra://avdmuVRM5iMd3q2yg1ckkWHWnrAE619ufdr3p8vkyxoS8`S׉	 7cassandra://-jJjWluALQnZJujiNMToys3TzerTSVbXGSCwnK7851o1`̵ ׉	 7cassandra://JlYjR51IFQJmSA7psqEOugnkxDkbFV06bvte_xlNWgY3͠cJJyμ4׉EMannen
Vrouwen
Realisatie
2019
2020
2021
2022
2023
2024
2025
18,8
18,1
18,2
AG2020
18,7
18,8
18,9
19,0
19,1
19,2
19,3
AG2022
18,7
18,1
18,2
18,7
18,9
19,1
19,3
Tabel 4.2 – Periodelevensverwachting op leeftijd 65
De gerealiseerde levensverwachtingen in 2020 en 2021 zijn lager dan verwacht op basis
van de AG2020-prognose. Dit is het gevolg van de COVID-pandemie in deze jaren. De
AG2022-prognose sluit aan op de lagere gerealiseerde levensverwachting in 2021 door
de geïntroduceerde COVID-factoren. Doordat deze COVID-factoren in de prognose worden
verondersteld exponentieel af te nemen, is deze lagere levensverwachting van tijdelijke
aard. In 2025 ligt de periodelevensverwachting, op basis van AG2022, weer op een
niveau vergelijkbaar met de vorige prognose AG2020.
In grafiek 4.1 wordt de ontwikkeling van de periodelevensverwachting bij geboorte
weergegeven voor de periode tot en met 2050. Tot en met 2021 (voor de Europese
selectie tot en met 2019) is de grafiek gebaseerd op gerealiseerde sterftecijfers, voor de
periode erna op de AG2022-prognose. Dit betekent dat voor de Europese selectie het
effect van COVID-19 niet zichtbaar is in de realisatie en ook niet in de prognose (een
pre-COVID-prognose).
90
85
80
75
Nederland
70
65
1970
1980
1990
2000
2010
2020
2030
2040
Grafiek 4.1 – Periodelevensverwachting Nederland (inclusief COVID-term) en
geselecteerde Europese landen (exclusief COVID-term)
2050
Europese selectie
AG2022 NED
AG2022 Europa
Realisatie
21,3
20,7
20,8
AG2020
21,3
21,4
21,5
21,6
21,7
21,8
21,9
AG2022
21,3
20,8
20,8
21,3
21,6
21,7
21,9
pagina 40 / 80
Prognosetafel AG2022 | Gevolgen voor levensverwachting, voorziening, premie en AOW-leeftijd
׉	 7cassandra://XiN_fuPgK3Y9Jrox-GLdR4LaGBlOB5i_yh94BS2kyZoJ`̵ cJAyμ3׉E
=In grafiek 4.1 is de daling in levensverwachting in 2020 en 2021, als gevolg van
Covid-19, zichtbaar in de Nederlandse waarnemingen. De periodelevensverwachting
van de Nederlandse vrouwen ligt, net als bij de vorige prognoses, onder de levensverwachting
van de vrouwen in de geselecteerde Europese landen. De levensverwachting
van de Nederlandse mannen ligt, net als voorheen, boven de levensverwachting
van mannen in de geselecteerde Europese landen. Voor mannen neemt dit
verschil af over de tijd, terwijl het verschil voor vrouwen ongeveer gelijk blijft.
4.3 Van AG2020 naar AG2022
Om meer inzicht te geven in de verschillen tussen de oude en de nieuwe prognosetafel
wordt gebruik gemaakt van zowel de sterftekansen als de cohortlevensverwachting. De
verschillen tussen AG2020 en AG2022 worden verklaard door drie componenten:
a. Toevoegen data 2019 voor Europa aan het Prognosemodel AG2020.
b. Verbeteren van de sluitingsmethodiek.
c. Toevoegen van een tijdelijk COVID-effect op basis van de oversterfte in 2020 en 2021
voor leeftijden vanaf 55 jaar.
Toevoeging data Europa 2019 aan het prognosemodel AG2020
Het vertrekpunt van de prognose wordt bepaald door de gekalibreerde parameters voor
het jaar 2019, gebaseerd op Nederlandse waarnemingen tot en met 2019 en Europese
waarnemingen tot en met 2018. De tijdreeksparameter voor Europa voor 2019 wordt bij
AG2020 bepaald op basis van een extrapolatie van de historische trend over de periode
1970 tot en met 2018, vertrekkend vanaf de parameterwaarde voor 2018. Deze
historische trend wordt daarnaast toegepast in de prognose voor de Europese selectie.
Alleen voor Europa zijn data over 2019 toegevoegd en deze laten zien dat de sterftekansen
in Europa ten opzichte van 2018 sterker zijn gedaald dan op basis van de
historische trend, bepaald in 2018, werd verwacht. Dit zorgt voor een toename van de
toekomstige sterfteverbetering en de levensverwachting.
Verbetering van de sluitingsmethodiek
De sterftekansen boven 90 jaar wijzigen in de nieuwe prognose als gevolg van de
verbetering van de sluitingsmethodiek. Hierdoor is voor hogere leeftijden een daling van
de sterftekansen zichtbaar ten opzichte van de sterftekansen volgend uit de oude
sluitingsmethodiek. De sterftekansen voor de leeftijden tot en met 90 jaar wijzigen door
de nieuwe sluitingsmethodiek niet.
Tijdelijk COVID-effect
Het tijdelijke COVID-19-effect beïnvloedt de prognose voor leeftijden vanaf 55 jaar. In
de grafieken 4.2 en 4.3 is zichtbaar hoe dit effect doorwerkt in de prognose.
pagina 41 / 80
Prognosetafel AG2022 | Gevolgen voor levensverwachting, voorziening, premie en AOW-leeftijd
׉	 7cassandra://-jJjWluALQnZJujiNMToys3TzerTSVbXGSCwnK7851o1`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://UiVq69UnzNtiWl73_532igf9UK-Qs1F-emMN6Igt4bY z` ׉	 7cassandra://GcQ9jkBCh0ydh1lF-sFQy_pOp7imu14LKKd1JTO_QOELH`S׉	 7cassandra://YBk7mCmDSqjM4CNiNBM4nu_WeHYi-h8ZUSajH0e0FqA`̵ ׉	 7cassandra://C19LjuM0WFLGXA4Ux6JnplLfxSCbfE9rh8ruUqJk_uA~[Q*͠cJJyμ4ט  {u׉׉	 7cassandra://-KYgUHwOjX50yhbqYg2nLZALjPBZgf1jkuDvYDnHurQ ` ׉	 7cassandra://x9k9p6LINidmv9rVbnO9JpS3seeH-qmS3Vm7wa7EMB8Q`S׉	 7cassandra://0qVjDwVgUQ5MFTK8hohuwQuUomp5MEMiBALwSj77Jjs`̵ ׉	 7cassandra://yreN-LWXlacPcjmABi7FqQDE4mDW0WyPtV_oYVcbfOY;fV͠cJJyμ4׉EF0%
5%
10%
15%
20%
55
65
75
85
95
2021 2022 2023 2024 2025 2026
Grafiek 4.2 – Impact tijdelijke relatieve opslag sterftekans mannen door COVID
0%
5%
10%
15%
20%
55
65
75
85
95
2021 2022 2023 2024 2025 2026
Grafiek 4.3 – Impact tijdelijke relatieve opslag sterftekans vrouwen door COVID
In de AG2022-prognose wordt verondersteld dat het COVID-effect exponentieel afneemt,
waarbij we zijn uitgegaan van een jaarlijkse halvering vertrekkend vanaf 2021. In 2021
bleek de sterftekans van een 65-jarige man circa 6% hoger dan (pre-COVID) verwacht.
In de prognose is de verwachting dat in 2022 de sterftekans van een 65-jarige man nog
circa 3% hoger ligt dan verwacht et cetera. In prognosejaar 2026 is het COVID-effect
volgens de gekozen methodiek al sterk verminderd en bedraagt de gemiddelde
verhoging van de sterftekansen voor leeftijd 55 jaar en hoger circa 0,3%. In de jaren
daarna convergeert dit verder naar nul.
Ontwikkeling levensverwachting
In de cohortlevensverwachting worden alle toekomstige sterfteontwikkelingen
meegenomen. In deze paragraaf wordt stapsgewijs de impact getoond van de hiervoor
beschreven componenten op de cohortlevensverwachtingen voor het startjaar 2023.
In tabel 4.3 is te zien dat de levensverwachting bij geboorte voor zowel mannen als
vrouwen toeneemt: voor mannen met ongeveer 0,5 jaar en voor vrouwen met ongeveer
0,9 jaar. De resterende levensverwachting voor een 65-jarige stijgt voor mannen met
ongeveer 0,1 jaar en voor vrouwen met 0,2 jaar.
105
115
105
115
pagina 42 / 80
Prognosetafel AG2022 | Gevolgen voor levensverwachting, voorziening, premie en AOW-leeftijd
׉	 7cassandra://YBk7mCmDSqjM4CNiNBM4nu_WeHYi-h8ZUSajH0e0FqA`̵ cJAyμ3׉ECohortlevensverwachting
in 2023
AG2020
Toevoegen EU2019
Sluitingsmethode
COVID-19-effect
AG2022
Bij geboorte
Op leeftijd 65
Mannen
89,47
0,21
0,36
0,00
90,04
Tabel 4.3 – Cohortlevensverwachting in 2023
Het toevoegen van het datapunt 2019 voor Europa verklaart een deel van de toename.
Doordat de geobserveerde Europese sterftekansen sterker zijn gedaald dan op basis van
de historische trend, zoals bepaald in 2018, werd verwacht, neemt de levensverwachting
toe. De wijziging van de sluitingsmethode heeft vooral bij de levensverwachting
bij geboorte voor een substantiële impact gezorgd. Bij de nieuwe
sluitingsmethode liggen de sterftekansen voor leeftijden boven 90 jaar lager dan in de
vorige prognose. Dit werkt ook door in de cohortlevensverwachting van mensen jonger
dan 90 jaar. Het effect is bij vrouwen groter dan bij mannen omdat vrouwen gemiddeld
ouder worden dan mannen en daardoor een grotere kans hebben om de leeftijd van 90
jaar te bereiken.
Het scenario ‘verdwijnend’ dat voor COVID-19 is gekozen, zorgt voor een tijdelijk hogere
sterftekans voor leeftijden vanaf 55 jaar, die na 2021 exponentieel daalt over de tijd. In
het gekozen startjaar (2023) is deze extra sterfte al twee keer gehalveerd (tot een ¼ deel
van de in 2021 gemodelleerde oversterfte) en deze extra sterfte halveert in de jaren
erna verder. De impact op de cohortlevensverwachting in 2023 is hierdoor vrijwel nihil.
In tabel 4.4 staan de toekomstige cohortlevensverwachtingen voor de startjaren 2023,
2048 en 2073.
Startjaar
2023
2048
2073
Mannen
90,0
92,5
94,5
Bij geboorte
Vrouwen
92,8
95,1
97,0
Verschil
2,8
2,6
2,5
Mannen
20,4
23,1
25,5
Op leeftijd 65
Vrouwen
23,3
25,9
28,1
Tabel 4.4 – Toekomstige cohortlevensverwachting op basis van AG2022
Uit deze cijfers blijkt dat volgens de prognose de levensverwachting voor mannen en
vrouwen zal blijven stijgen, voor de mannen iets sneller dan voor de vrouwen. Hierdoor
daalt het verschil in levensverwachting tussen mannen en vrouwen.
Verschil
2,9
2,8
2,6
Vrouwen
91,88
0,29
0,59
0,00
92,76
Mannen
20,24
0,08
0,04
-0,01
20,35
Vrouwen
23,07
0,13
0,08
-0,01
23,27
pagina 43 / 80
Prognosetafel AG2022 | Gevolgen voor levensverwachting, voorziening, premie en AOW-leeftijd
׉	 7cassandra://0qVjDwVgUQ5MFTK8hohuwQuUomp5MEMiBALwSj77Jjs`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://67IvNfBRFV3x8fcfrPgQuYTCxKIxnd_oIjcamI3UUV4 A` ׉	 7cassandra://awBu1Th1Evs9t5A1q-RHlsdNuYV7FhE533UCtl3-PTwGs`S׉	 7cassandra://7rR_IeNHQLrrB-DAwoQvcLoOe-ssmxfgue2t9nk-c9IK`̵ ׉	 7cassandra://KKMIe47RK1zTb8GdXEdVdNTjV9Vu8Hr7lrHQhbySjVgn/	͠cJKyμ4ט  {u׉׉	 7cassandra://bU23_cT4XV31KA-4_FYrKZBDp17bIDpcdiLWio4ccew 6^` ׉	 7cassandra://L8zsJFztIuJUpigIZgdFbzeViJsz1OzMzP_hqpeQwoMI`S׉	 7cassandra://N8jU5TiD3TvHXtN1OZkKz__gdmSk9GMfZN7Gqnpg0sI`̵ ׉	 7cassandra://7b_p0Aq1pbFpcNmQ0LyvLOdxfBof2wMzvDyQFuYq2U4NR͠cJKyμ4׉E4.4 Prognose in perspectief
In grafiek 4.4 worden de ontwikkelingen van de periodelevensverwachting bij geboorte
voor AG2020, AG2022 en CBS2021-2070 tegen elkaar afgezet. Zichtbaar is dat de
AG2022-prognose voor de langere termijn opwaarts is bijgesteld en daarmee dichter bij
de CBS-prognose komt te liggen. De trend van de AG2022-prognose voor Nederlandse
mannen convergeert naar de trend voor mannen in de prognose voor de geselecteerde
Europese landen, terwijl voor vrouwen het verschil ongeveer gelijk blijft.
90
85
Vrouwen
80
75
Mannen
70
65
1970
1980
1990
2000
2010
2020
2030
Grafiek 4.4 – Ontwikkeling periodelevensverwachting bij geboorte
10
12
14
16
18
20
22
24
26
1970
2040
2050
Nederland
Europese selectie
AG2022 NED
AG2022 Europa
CBS-2021
AG2020
Vrouwen
Nederland
Mannen
Europese selectie
AG2022 NED
AG2022 Europa
CBS-2021
AG2020
1980
1990
2000
2010
2020
2030
Grafiek 4.5 – Ontwikkeling periodelevensverwachting op leeftijd 65
Grafiek 4.5 toont de ontwikkeling van de periodelevensverwachting op leeftijd 65. Bij
zowel mannen als vrouwen is zichtbaar dat de AG2022-prognose eerst nog onder de
AG2020-prognose ligt vanwege de meegenomen oversterfte voor COVID-19 in de eerste
jaren. In latere jaren wordt de licht opwaartse bijstelling door het toevoegen van de
Europese data voor 2019 en het aanpassen van de sluitingsmethodiek ten opzichte van
AG2020 zichtbaar.
2040
2050
pagina 44 / 80
Prognosetafel AG2022 | Gevolgen voor levensverwachting, voorziening, premie en AOW-leeftijd
׉	 7cassandra://7rR_IeNHQLrrB-DAwoQvcLoOe-ssmxfgue2t9nk-c9IK`̵ cJAyμ3׉EIn tabel 4.5 staan de cohortlevensverwachtingen vermeld voor AG2020, AG2022 en
CBS2021-2070. De verschillen in de cohortlevensverwachting op leeftijd 65 tussen
AG2022 en CBS2021-2070 zijn afgenomen ten opzichte AG2020.
Startjaar 2023
Prognose
AG2020
AG2022
CBS2021
Bij geboorte
Mannen
89,5
90,0
niet
Vrouwen
91,9
92,8
niet
beschikbaar beschikbaar
Op leeftijd 65
Mannen
20,2
20,4
20,8
Tabel 4.5 – Cohortlevensverwachtingen voor AG2020, AG2022 en CBS2021
In tabel 4.5 is ook zichtbaar dat het verschil in levensverwachting bij geboorte tussen
mannen en vrouwen is toegenomen bij AG2022 ten opzichte van AG2020.
4.5 Koppeling levensverwachting op 65 jaar in 1e en 2e pijler
De Wet verandering koppeling AOW-leeftijd koppelt de pensioengerechtigde leeftijd in
de eerste pijler (AOW) en de pensioenrichtleeftijd in de tweede pijler (werknemerspensioen)
aan de ontwikkeling van de periodelevensverwachting.
De ontwikkeling van de AOW-leeftijd en de pensioenrichtleeftijd, wanneer gebruik zou
worden gemaakt van de nieuwste inzichten op basis van de Prognosetafel AG2022, zijn
in grafiek 4.6 samengevat. De daadwerkelijke verhoging van de AOW-leeftijd en de
pensioenrichtleeftijd is gekoppeld aan de ramingen van het CBS waardoor deze waarden
als indicatief moeten worden beschouwd.
65
66
67
68
69
70
71
64
Vrouwen
23,1
23,3
23,4
AOW-gerechtigde leeftijd
Pensioenleeftijd
Grafiek 4.6 – Fictieve ontwikkeling AOW-gerechtigde leeftijd en pensioenrichtleeftijd op
basis van AG2022
pagina 45 / 80
Prognosetafel AG2022 | Gevolgen voor levensverwachting, voorziening, premie en AOW-leeftijd
2022
2024
2026
2028
2030
2032
2034
2036
2038
2040
2042
2044
2046
2048
2050
2052
2054
2056
2058
2060
2062
2064
2066
2068
2070
׉	 7cassandra://N8jU5TiD3TvHXtN1OZkKz__gdmSk9GMfZN7Gqnpg0sI`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://el5_vXbtoJH3Ed8pFD4GKRSeS1Wx0BT5iX0jMefuZFs L` ׉	 7cassandra://WInXL3SxtM8tVnH2HxKSs2BoyD6mUqGajdVoL9lRA0YQ`S׉	 7cassandra://4qf2Bt5T3ohIe1tihOK-vXgSDsaP3nMKbp23I_LfDiM`̵ ׉	 7cassandra://AYvqY84HNEOqcn8aBV2q3k0dvd6e4J4vKRoNR7gg3VIAm(͠cJKyμ4ט  {u׉׉	 7cassandra://qouer8q757bY7IOQfB6ppxU9S423sembmsDm56kIu2k ` ׉	 7cassandra://o5u1YRJpgsCQsgPmRCn2Kk9JVhKFfMRAzTMia-Pbicc``S׉	 7cassandra://gixMfU4pcwUkF4Xz7saN8wPsLiNMAF_LFPgDYALbEUUu`̵ ׉	 7cassandra://vNlkPjtRreD1LO9-SISzxK5MI6Cp_jyWRp4iRUgkmMw<H͠cJKyμ4׉E	Verhoging AOW-leeftijd
Verhoging van de AOW-leeftijd gebeurt in stappen van drie maanden. De verhogingen
worden bepaald door de hoogte van de gemiddelde resterende periodelevensverwachting
op 65-jarige leeftijd zoals geraamd door het CBS.
In de Wet verandering koppeling AOW-leeftijd is vastgelegd dat verhogingen van de
AOW-leeftijd na 2025 worden bepaald door 2/3e deel van de verwachte stijging van de
resterende levensverwachting op 65 jaar te nemen. Omdat de AOW-leeftijd stijgt in
stappen van 3 maanden zal een toename van minimaal 4,5 maand in de resterende
levensverwachting leiden tot een verdere stijging (rekening houdend met 2/3e deel).
Voor 2026 en 2027 is reeds bepaald dat op basis van ramingen van het CBS geen stijging
van de AOW-leeftijd wordt doorgevoerd.
Volgens de Prognosetafel AG2022 stijgt de AOW-leeftijd pas in 2029 door naar 67 jaar
en 3 maanden, omdat dan de resterende levensverwachting is gestegen met 4,5 maand
ten opzichte van de in de Wet opgenomen referentiewaarde 20,64. In tabel 4.6 is te
zien wanneer de AOW-leeftijd naar verwachting een volledig jaar zal zijn toegenomen.
Op basis van de Prognosetafel AG2022 zou sprake zijn van een latere verhoging van de
AOW-leeftijd dan bij het CBS.
Verwachte AOWgerechtigde
leeftijd
68
69
70
71
CBS2021
2038
2051
2067
Niet beschikbaar
AG2022
2040
2055
2071
2089
Tabel 4.6 – Jaren waarin naar verwachting de AOW-leeftijd een volledig jaar zal zijn
gestegen volgens de laatste prognose van CBS en AG
Verhoging pensioenrichtleeftijd
De verhoging van de pensioenrichtleeftijd (in stappen van 1 jaar) in de tweede pijler is
gebaseerd op dezelfde formule als de AOW-gerechtigde leeftijd. Volgens de wet dient
wel eerder te worden geanticipeerd op een verwachte stijging van de levensverwachting:
hiervoor dient de resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd
genomen te worden die tien jaar na het kalenderjaar van wijziging verwacht wordt. Een
wijziging van de pensioenrichtleeftijd moet ten minste een jaar voordat deze wijziging
plaatsvindt bekend worden gemaakt. Dit betekent bijvoorbeeld dat een wijziging van de
pensioenrichtleeftijd in 2024 uiterlijk 1 januari 2023 bekend moet zijn. Hierbij wordt de
resterende levensverwachting van een 65-jarige in 2034 gehanteerd.
Een verhoging van de pensioenrichtleeftijd naar 69 jaar wordt pas rond het jaar 2045
verwacht.
pagina 46 / 80
Prognosetafel AG2022 | Gevolgen voor levensverwachting, voorziening, premie en AOW-leeftijd
׉	 7cassandra://4qf2Bt5T3ohIe1tihOK-vXgSDsaP3nMKbp23I_LfDiM`̵ cJAyμ3׉E
\4.6 Effecten op voorzieningen
Om de effecten van overgang naar de Prognosetafel AG2022 op de technische voorzieningen
van pensioenportefeuilles in kaart te brengen, zijn zes fictieve voorbeeldfondsen
geconstrueerd. Het betreft drie fondsen met mannelijke deelnemers en drie
fondsen met vrouwelijke deelnemers. Per geslacht is er een jong, een oud en een
gemiddeld fonds. Daarnaast is een modelportefeuille bepaald om de impact op de
pensioenpremie inzichtelijk te maken. Zie Appendix C voor een beschrijving van de
modelportefeuilles.
De voorbeeldfondsen bevatten naast een ouderdomspensioen (OP) ingaande op 65 jaar,
een latent partnerpensioen en een ingegaan partnerpensioen (PP). Bij de mannelijke
portefeuilles wordt ervan uitgegaan dat uitbetalingen van het ingegane partnerpensioen
betrekking hebben op vrouwelijke partners. Voor de vrouwelijke portefeuilles is dat
andersom. In Appendix C zijn de overige gehanteerde aannames beschreven.
De modelportefeuilles hebben een (naar voorziening) gemiddelde gewogen leeftijd van
45 jaar (jong), 55 jaar (gemiddeld) en 65 jaar (oud). De effecten zijn in tabel 4.7
weergegeven voor zowel een rekenrente van 3% als 1%.
Effect VPV
3% rekenrente
OP (65)
Latent PP
Ingegaan PP *
Totaal
1% rekenrente
OP (65)
Latent PP
Ingegaan PP *
Totaal
Jong
0,7%
0,9%
0,5%
0,7%
Jong
1,0%
1,7%
0,7%
1,2%
Mannen
Gemiddeld
0,6%
0,8%
0,4%
0,6%
Gemiddeld
0,8%
1,4%
0,7%
0,9%
Oud
0,3%
1,0%
0,5%
0,5%
Oud
0,5%
1,4%
0,7%
0,7%
Jong
0,9%
0,2%
0,3%
0,9%
Jong
1,3%
0,8%
0,5%
1,3%
Vrouwen
Gemiddeld
0,7%
0,3%
0,3%
0,7%
Gemiddeld
1,1%
0,8%
0,5%
1,0%
Oud
0,6%
0,4%
0,3%
0,6%
Oud
0,9%
0,7%
0,4%
0,8%
Tabel 4.7 – Impact op voorzieningen voor voorbeeldfondsen van overgang van AG2020
naar AG2022 per eind 2022 (verschil AG2022 minus AG2020 uitgedrukt in procenten van
AG2020). De afzonderlijke percentages, zoals vermeld bij de pensioenvormen OP en PP,
tellen niet op tot de percentages zoals vermeld bij het totaal. Dit komt omdat de
omvang van de voorzieningen van de afzonderlijke pensioenvormen verschillend zijn.
* Het effect op de VPV bij het ingegane partnerpensioen heeft betrekking op het geslacht van de partner, bij de
voorbeeldfondsen voor mannen betreft dit vrouwen en vice versa.
In tabel 4.7 is te zien dat de bijstelling voor vrouwen groter is dan voor mannen. Dit is
af te leiden uit de hogere impacts bij het ouderdomspensioen bij vrouwen ten opzichte
van mannen. Een hiermee samenhangend effect is zichtbaar bij het latent partnerpensioen,
waar de voorziening voor mannen juist sterker toeneemt dan voor vrouwen
pagina 47 / 80
Prognosetafel AG2022 | Gevolgen voor levensverwachting, voorziening, premie en AOW-leeftijd
׉	 7cassandra://gixMfU4pcwUkF4Xz7saN8wPsLiNMAF_LFPgDYALbEUUu`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://3ytovgagVqmIkDHS6goistMbTYerlOxquAfGsJI2a64 ` ׉	 7cassandra://tCcKkSgSHzcY2Nz-noGEijIRZQl1nCKL20Y30o5rNf4Us`S׉	 7cassandra://ZcUwZGHvBf2kQE_1Gp8xEpnRpjIDed51GpKs_cYAjQY`̵ ׉	 7cassandra://-h5fb4E_oUCzs_1a_T4R3UTAbwPDjKZgyXhfkqzcvX4;N͠cJLyμ4ט  {u׉׉	 7cassandra://tFjsQrielYXjiqrIaXfGPMNZkXIkwCxKtf0_UPtHBjc W` ׉	 7cassandra://dTUNct2lns9TYPbEjIN3l2pnfcLn3jPKSULOQPaXOb84`S׉	 7cassandra://1JJbOZ0SDv1bmaHlgf2znEeOuu_wXdIhtK4spox0WRA}`̵ ׉	 7cassandra://Fo_oVj0MyBzz8nuF2vzP_RFGXlWbP5UlnDTYLQNp7Rk-D͠cJLyμ4׉E	vanwege de sterkere afname van de sterftekansen van de bij het overlijden van de man
achterblijvende vrouwelijke partner in vergelijking met de mannelijke partner bij
vrouwen.
Uit tabel 4.7 valt af te lezen dat de impact op de voorziening substantieel is. Voor een
gemiddeld fonds neemt bij 3% rekenrente de voorziening met ongeveer 0,6-0,7% toe.
Tussen de voorbeeldfondsen varieert de impact bij 3% rekenrente, in termen van
voorzieningen op totaalniveau, van 0,5% tot 0,7% voor mannen en van 0,6% tot 0,9%
voor vrouwen. Bij een rekenrente van 1% zorgt de lagere rente voor een toename van
de impact in vergelijking met de impact op 3% rekenrente.
De impact op de te betalen pensioenpremie voor de modelportefeuille is opgenomen in
tabel 4.8.
Effect pensioenpremie
OP (68)
OP + 70% latent PP opbouw
OP + 70% latent PP risico
3% rekenrente
Mannen
0,9%
0,8%
0,6%
Vrouwen
1,1%
1,0%
1,0%
1% rekenrente
Mannen
1,1%
1,2%
1,0%
Vrouwen
1,5%
1,4%
1,4%
Tabel 4.8 – Impact op premies voor modelportefeuille van overgang van AG2020 naar
AG2022 (verschil AG2022 minus AG2020 uitgedrukt in procenten van AG2020)
De impact op de premie is groter dan op de voorziening door de gemiddeld langere
projectiehorizon en laat een stijging van de pensioenpremie van 0,6% tot 1,1% zien bij
een rekenrente van 3% en een stijging van 1,0% tot 1,5% bij een rekenrente van 1%.
Dit zijn relatieve effecten. Bij een premie van bijvoorbeeld 25% van de pensioengrondslag
komt dit overeen met ongeveer 0,3%-punt premie.
In tabel 4.9 is de impact op de voorziening van AG2020 naar AG2022 voor een
gemiddelde modelportefeuille in twee stappen uitgesplitst en getoond bij een
rekenrente van 3% en 1%.
Effect VPV Gemiddeld fonds
Toevoegen EU2019
Sluitingsmethode
COVID-19-effect
Totaal
3% rekenrente
Mannen
0,4%
0,2%
0,0%
0,6%
Vrouwen
0,4%
0,3%
0,0%
0,7%
1% rekenrente
Mannen
0,5%
0,4%
0,0%
0,9%
Tabel 4.9 – Impact op voorziening voor modelportefeuille gemiddeld
Zichtbaar is dat meer dan de helft van de stijging van de voorziening wordt verklaard
door toevoeging van Europese data van 2019 en het restant door de wijziging van de
sluitingsmethode. De impact van COVID-19 is, in termen van het effect op de
voorziening, nihil.
Vrouwen
0,5%
0,5%
0,0%
1,0%
pagina 48 / 80
Prognosetafel AG2022 | Gevolgen voor levensverwachting, voorziening, premie en AOW-leeftijd
׉	 7cassandra://ZcUwZGHvBf2kQE_1Gp8xEpnRpjIDed51GpKs_cYAjQY`̵ cJAyμ3׉E5Tabel 4.10 toont het effect op de voorziening voor afzonderlijke pensioenvormen voor
diverse leeftijden. In lijn met de impact op de voorziening bij de voorbeeldfondsen, is
de impact van de nieuwe tafel bij OP groter bij lagere leeftijden.
Effect VPV
3% rekenrente
25
45
65
85
1% rekenrente
25
45
65
85
OP
1,0%
0,8%
0,4%
-0,2%
OP
1,4%
1,0%
0,5%
-0,2%
Mannen
Latent PP
1,2%
0,8%
0,9%
1,6%
Latent PP
2,5%
1,6%
1,3%
1,7%
Vrouwen
OP
1,4%
1,0%
0,5%
0,4%
OP
1,9%
1,3%
0,7%
0,5%
Latent PP
0,2%
0,2%
0,5%
-0,1%
Latent PP
1,3%
0,8%
0,7%
-0,0%
Mannen
Ingegaan
PP*
0,2%
0,3%
0,4%
-0,2%
Ingegaan
PP*
0,4%
0,5%
0,5%
-0,2%
Vrouwen
Ingegaan
PP
0,3%
0,4%
0,5%
0,4%
Ingegaan
PP
0,6%
0,7%
0,7%
0,5%
Tabel 4.10 – Impact op voorzieningen per leeftijd en geslacht van overgang van AG2020
naar AG2022 (verschil AG2022 minus AG2020 uitgedrukt in procenten van AG2020)
* Het effect op de VPV bij het ingegane partnerpensioen heeft betrekking op het geslacht dat boven de kolom
genoemd staat.
pagina 49 / 80
Prognosetafel AG2022 | Gevolgen voor levensverwachting, voorziening, premie en AOW-leeftijd
׉	 7cassandra://1JJbOZ0SDv1bmaHlgf2znEeOuu_wXdIhtK4spox0WRA}`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://OS7tP8_eeI9DemzOPk1h9AcLH9FncbACp_4oOcgDKDs 3`׉	 7cassandra://cjfleu90H8JZt0CtUCh9b5y3pkcgZsaZq0rbQzcdIG01`S׉	 7cassandra://TDqNI36qgoWFMhgfqwvZ3YJUujNMUntxS9XTe-id87gu`̵ ׉	 7cassandra://HPgxKFEueSTEKa9okjaAUqUL9ystyvo2YfI86VJCYeE&=H͠cJLyμ4ט  {u׉׉	 7cassandra://-Cl-j8uOvZhK2WHKYPVNTYpjoTQE0gNQ9rd3kPr-Zoo 7` ׉	 7cassandra://-hfFwHoHL96qHXPKCJEi_f8bosiFlSjZSRhzalqaRd4T `S׉	 7cassandra://AQ8IpoEov8Xifk_p2U71xFWQkqbw6rNyWmJ5nCp7EEw>`̵ ׉	 7cassandra://4zyR47c_B5y935RAczfBRXxVyjUgCxtoQrmxC6LEdKY1͠cJLyμ4׉E!5
Onzekerheid
Het Prognosemodel AG2022 is gebaseerd op sterftedata uit het
verleden. Ontwikkelingen die in de historische gegevens
geobserveerd zijn, worden zo goed mogelijk doorgetrokken naar de
toekomst. Omdat de toekomst onzeker is, zullen de waarden die in
de komende jaren gevonden worden voor de daadwerkelijke
sterftecijfers in Nederland afwijken van de best mogelijke
inschattingen die we op dit moment kunnen geven. De CSO kiest
ervoor om ook die onzekerheid deels in kaart te brengen.
pagina 50 / 80
Prognosetafel AG2022 | Onzekerheid
׉	 7cassandra://TDqNI36qgoWFMhgfqwvZ3YJUujNMUntxS9XTe-id87gu`̵ cJAyμ3׉E
o5.1 Soorten onzekerheid
In het algemeen kunnen we vier vormen van onzekerheid onderscheiden:
– modelonzekerheid
– parameteronzekerheid
– procesonzekerheid en
– micro-langlevenrisico.
De CSO heeft ervoor gekozen in de betrouwbaarheidsintervallen die later in dit
hoofdstuk getoond worden, alleen procesonzekerheid te modelleren, op basis van de
Prognosetafel AG2022 zonder COVID-term. Modelonzekerheid wordt niet expliciet
gemodelleerd; wel wordt de Prognosetafel AG2022 vergeleken met een aantal
alternatieve projecties om zo een indruk te geven van de mate van modelonzekerheid.
Parameteronzekerheid en micro-langlevenrisico zijn geheel buiten beschouwing
gelaten. Indien al deze vormen van onzekerheid wel volledig en in samenhang worden
meegenomen, zullen de betrouwbaarheidsintervallen aanzienlijk breder worden. De
getoonde betrouwbaarheidsintervallen vormen daarmee een ondergrens van de
daadwerkelijke onzekerheid.
Tegelijkertijd wijzen we erop dat ons model een stochastische scenariogenerator
representeert. Het AG2022-model vormt dan ook een startpunt, geen eindpunt voor
modellering en kwantificering van onzekerheid. Reproduceerbaarheid en precieze
documentatie zorgen ervoor dat iedereen met het model (al dan niet met COVIDfactoren)
eigen scenario’s kan toevoegen aan de hierna door het AG2022-model
gegenereerde scenario’s voor procesonzekerheid.
Modelonzekerheid
Het AG2022-prognosemodel is net als ieder ander model een versimpelde weergave van
de werkelijkheid. Dit betekent dat we niet met zekerheid kunnen stellen dat het
gekozen model ook daadwerkelijk een juiste specificatie van de toekomstige
sterfteontwikkeling geeft.
Er zijn in de wetenschappelijke literatuur manieren bekend om deze modelonzekerheid
te formaliseren. Het meenemen van modelonzekerheid vereist de specificatie van een
klasse van alternatieve modellen. De CSO heeft besloten dit niet expliciet te modelleren.
Wel geven de in het vorige hoofdstuk getoonde uitkomsten van alternatieve
prognosetafels (AG2020 en CBS2021) en de later in dit hoofdstuk opgenomen
uitkomsten van alternatieve COVID-scenario’s (structureel, verdwijnend en incidenteel)
een indicatie van de mate van modelonzekerheid. Hiermee wordt echter zeker niet het
volledige modelrisico gedekt; er bestaat immers een heel scala aan alternatieve
modelspecificaties. Bovendien zijn deze alternatieve modelspecificaties niet in
samenhang met de andere vormen van onzekerheid (parameteronzekerheid,
procesonzekerheid en micro-langlevenrisico) bekeken. De daadwerkelijke onzekerheid
in de toekomstige sterfteontwikkeling zal daarom aanzienlijk groter zijn.
pagina 51 / 80
Prognosetafel AG2022 | Onzekerheid
׉	 7cassandra://AQ8IpoEov8Xifk_p2U71xFWQkqbw6rNyWmJ5nCp7EEw>`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://1kPlhqLIaI77LXg6KdLRTYLnQpDV6UXW904AQcnkdUc ` ׉	 7cassandra://H_GSArI19MDmDcgi-Sxkv6I0f4RoI-aW4AUtI_LrKdM[`S׉	 7cassandra://ji6QkV2qM5ac3QM5vchEUdrlcAGb3sWP7bm1CHLC-UY`̵ ׉	 7cassandra://POjBoCnHxOxHbH8T3HJ5AQGjIGKa2rGSUkV7jjMCz_E;<͠cJLyμ4ט  {u׉׉	 7cassandra://3U1D3uE9dtXB8qRBIsQHFl3XNYmDkwc-Cfcns1P4BbE ` ׉	 7cassandra://xsSib2yq2goIIevnJMKCyDIb9feT-FjdeAHgyq2uwPM^N`S׉	 7cassandra://YoYlY8o4nkTuZJz_RMOoqCexQ7DZwS8pWhmqkSCX8Uwj`̵ ׉	 7cassandra://J64gRl0p5W7lT3wGjXdLc42Rjuo3GWrXSMFRl7p_Spg=͠cJMyμ4 ׉EParameteronzekerheid
De parameters in het AG2022 prognosemodel worden geschat aan de hand van
geobserveerde overlijdensgevallen, die een beperkte steekproef vormen. Dat impliceert
dat er ook onzekerheid zit in de geschatte parameters van het prognosemodel. Overigens
is het onderscheid tussen parameter- en modelonzekerheid enigszins arbitrair.
Parameteronzekerheid kwantificeert specifieke modelonzekerheid (binnen de gekozen
modelklasse), terwijl modelonzekerheid soms als parameteronzekerheid geclassificeerd
kan worden via geschikte parameterkeuze.
Afhankelijk van hoe het Lee-Carter of het Li-Lee-model wordt gemodelleerd, bestaat er
al wetenschappelijke literatuur, die aangeeft hoe parameterrisico kan worden
gekwantificeerd op de standaardwijze10. Deze literatuur is nog niet geschikt voor het
AG2022-model. Parameterrisico kan wel in kaart worden gebracht door middel van
bootstrapping. Dit is een statistische methode die gebaseerd is op een zogenaamde
resampling-techniek, waarbij voor een gegeven set parameters een groot aantal
mogelijke overlijdensgevallen uit de bijbehorende Poisson-verdeling gesimuleerd wordt.
Voor elk van die steekproeven wordt vervolgens gekeken welke parameters gevonden
zouden zijn als die specifieke steekproef voor de kalibratie van het model gebruikt zou
zijn. Dit geeft inzicht in de onzekerheid van de gevonden parameterwaarden. Immers,
als we voor elk van de mogelijke steekproeven grofweg dezelfde parameters terugvinden,
is de invloed van de steekproef op de parameters gering. Als we juist veel
variatie zien in de gevonden parameters die we zo genereren, is de parameteronzekerheid
groot.
Omdat onze parameters gebaseerd zijn op veel waarnemingen over meerdere jaren uit
zowel Nederland als de rest van Europa, is de inschatting minder onzeker dan wanneer
enkel naar een kleinere populatie gekeken zou zijn. Hoewel het wenselijk is om het
effect van het gebruik van een steekproef in kaart te brengen, heeft de CSO besloten dit
niet mee te nemen in de betrouwbaarheidsintervallen die later in dit hoofdstuk
getoond worden. Als dit risico wel wordt meegenomen, zullen de betrouwbaarheidsintervallen
aanzienlijk breder worden.
Procesonzekerheid
De modelvergelijkingen in Appendix A nodigen uit om niet alleen met een vaste
prognosetafel te werken. Actuarissen kunnen ze gebruiken om middels simulatie
stochastische scenario’s te genereren. Dat levert een collectie van mogelijke toekomstige
paden van sterftekansen op, die vergelijkbaar zijn met scenario’s die gemaakt worden
voor bijvoorbeeld toekomstige rentecurven en beleggingsrendementen. Met deze
scenario’s kunnen vervolgens verdelingen voor (toekomstige) levensverwachtingen/
portefeuillewaarden en dergelijke gegenereerd worden. Deze onzekerheid (gegeven de
modelspecificatie en gegeven de parameterschattingen) noemen we procesonzekerheid.
Liu, Q., Ling, C., Li, D. & Peng, L. (2019). Bias-Corrected Inference for a Modified Lee-Carter Mortality Model. Astin Bulletin, 49, 433-455
en Liu, Q., Ling, C. & Peng, L. (2019). Statistical Inference for Lee-Carter Mortality Model and Corresponding Forecasts. North American
Actuarial Journal, 23, 335-363.
pagina 52 / 80
Prognosetafel AG2022 | Onzekerheid
׉	 7cassandra://ji6QkV2qM5ac3QM5vchEUdrlcAGb3sWP7bm1CHLC-UY`̵ cJAyμ3׉E]Naast deze onzekerheid in de geprojecteerde tijdreeksen is er nog een andere vorm van
procesonzekerheid, namelijk onzekerheid in de sterftewaarnemingen. Bij het schatten
van het Li-Lee-model houden we expliciet rekening met het feit dat we sterftekansen
nooit precies kunnen observeren; we hebben alleen de beschikking over geobserveerde
sterftefrequenties. Dit impliceert dus een zekere “meetruis”. Deze noemen we ook wel
Poisson-ruis in verband met de verdeling die we voor het aantal geobserveerde
overlijdensgevallen veronderstellen. Deze Poisson-ruis speelt geen rol van betekenis bij
het bepalen van onzekerheid in levensverwachting en is daarom niet meegenomen in
de betrouwbaarheidsintervallen die later in dit hoofdstuk getoond worden.
Micro-langlevenrisico
Zelfs als er geen enkele onzekerheid is ten aanzien van het model, de parameters, het
proces en de daaruit resulterende sterftekansen, dan nog is er onzekerheid als gevolg
van micro-langlevenrisico. Geen onzekerheid in sterftekansen impliceert immers niet
dat er geen onzekerheid is over het daadwerkelijke moment van overlijden voor een
enkel individu. Als de verwachte leeftijd bij overlijden geen onzekerheid kent, betekent
dit uiteraard niet dat het moment van overlijden voor een individu nu al vaststaat.
Anders dan eerdergenoemde vormen van onzekerheid welke alle deelnemers vaak op
een soortgelijke manier treffen, is micro-langlevenrisico een niet-systematisch risico dat
diversifieerbaar is indien er sprake is van stochastische onafhankelijkheid tussen de
individuen in de steekproef en de steekproef maar groot genoeg is (vergelijkbaar met
het opwerpen van een munt). Om deze reden is dit risico niet meegenomen in de
betrouwbaarheidsintervallen die later in dit hoofdstuk getoond worden.
5.2 Simulaties voor de levensverwachting
De best estimate sterftekansen zijn te verkrijgen door te veronderstellen dat toekomstige
sterftekansen zich ontwikkelen volgens de modelspecificatie uit appendix A, waarbij alle
storingstermen op nul zijn gezet. Het is echter ook mogelijk om op basis van deze
specificatie stochastische scenario’s te simuleren: door uit de multivariate normale
verdeling gecorreleerde storingstermen ϵt
M,ϵt
κt
V,δt
M,δt
V te trekken, kunnen tijdreeksen Kt
hiervan kan dan voor de gehele horizon een betrouwbaarheidsinterval rondom de
levensverwachting worden bepaald.
Het 95%-betrouwbaarheidsinterval is tot 2060 weergegeven in grafiek 5.1 voor zowel
mannen als vrouwen. Deze grafiek laat zien dat de onzekerheid in de prognose van de
periodelevensverwachting, zoals verwacht, toeneemt naarmate de prognose verder in de
toekomst ligt. Verder valt op dat de geobserveerde sterfte in de COVID-jaren 2020 en
2021 buiten het betrouwbaarheidsinterval valt; het betrouwbaarheidsinterval toont
immers alleen de procesonzekerheid voor de AG2022-prognosetafel zonder COVID-term
en aangezien de COVID-term een deterministische component van het AG2022-model
is, zou dit als parameter/modelonzekerheid gezien kunnen worden.
g en daarmee hazard rates μx
g (t) en sterftekansen qx
g (t) gesimuleerd worden. Op basis
g en
pagina 53 / 80
Prognosetafel AG2022 | Onzekerheid
׉	 7cassandra://YoYlY8o4nkTuZJz_RMOoqCexQ7DZwS8pWhmqkSCX8Uwj`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://shGZWTWSFQd1vz9jEd6yn7CoJN-zeQVXFHvFNXRTslw 	` ׉	 7cassandra://JI66hHs5QLXn_gCLRqosiSsze_qpqZ_foWbioKPgjkw=
`S׉	 7cassandra://dMafACsI6vOGjoXtl3joVzyJhS3yx9pci1W8EcErjv0`̵ ׉	 7cassandra://ox4eYUlH1Hgvj_bn34j9PVAwBTGcY9MnEdLalNeql0Uc ͠cJMyμ4"ט  {u׉׉	 7cassandra://xNiIXbe-tM4naUe7toCUHe9saW_1vCO6hnKv0LsbPoM ` ׉	 7cassandra://OIISUX_Wp9ftw0Y51_h_--VPFxecXi9E3_Xon0Wga4cKe`S׉	 7cassandra://ibMF2ODSrT9igzO4OGx_ouxxkgDx9aA2bO5_Qwf81qk`̵ ׉	 7cassandra://t2cdXNEOjgxbYKbilRtuhIkVRfjGJt_rPYtvBjrKBQ4J͠cJMyμ4#׉E'Periodelevensverwachting bij geboorte
65
70
75
80
85
90
95
1970
1990
2010
95% betrouwbaarheidsinterval
Observatie NL
Observatie EU
BE fit en projectie EU
BE fit en projectie NL
2030
2050
Grafiek 5.1 – Betrouwbaarheidsinterval rondom de best estimate van de periodelevensverwachting
voor Nederlandse mannen en vrouwen
Grafiek 5.2 toont de procesonzekerheid in de cohortlevensverwachting per leeftijd van
Nederlandse mannen en vrouwen in 2023. Deze grafiek laat zien dat de procesonzekerheid
afneemt naarmate de leeftijd toeneemt. Dit komt omdat het aantal jaren
waarvoor een inschatting wordt gemaakt afneemt naarmate de leeftijd toeneemt.
Daarnaast is zichtbaar dat de levensverwachting eerst afneemt tot een leeftijd van circa
60 jaar en daarna toeneemt. Twee effecten spelen hier een rol. Iemand die ouder is,
heeft al een periode overleefd, waardoor de levensverwachting met het ouder worden
toeneemt. Daarnaast zal iemand die jonger is juist meer profiteren van verwachte
toekomstige sterfteverbeteringen.
Levensverwachting Nederlander 2023
100
105
110
80
85
90
95
0
20406080
Grafiek 5.2 – Betrouwbaarheidsinterval rondom de best estimate van de
cohortlevensverwachting voor Nederlandse mannen en vrouwen in 2023
100
95% betrouwbaarheidsinterval
Mannen
Vrouwen
pagina 54 / 80
Prognosetafel AG2022 | Onzekerheid
׉	 7cassandra://dMafACsI6vOGjoXtl3joVzyJhS3yx9pci1W8EcErjv0`̵ cJAyμ3׉EMerk op dat we in de getoonde betrouwbaarheidsintervallen alleen onzekerheid in
toekomstige sterftekansen meenemen en niet kijken naar een enkel individu. Omdat de
sterftekansen voor (bijvoorbeeld) een 90-jarige maar heel weinig veranderen in de tijd,
zien we nauwelijks verschillen voor zijn of haar verwachte leeftijd bij overlijden
wanneer we allerhande mogelijke toekomstscenario's simuleren met ons model. Maar
dat betekent niet dat het moment van overlijden voor een individuele 90-jarige nu al
vaststaat. Weinig onzekerheid in sterftekansen boven een zekere leeftijd impliceert
immers niet dat er weinig onzekerheid is over het daadwerkelijke moment van
overlijden voor een enkel individu.
5.3 Simulaties voor de verplichtingen
Voor ieder van de in paragraaf 5.2 beschreven scenario’s voor sterftekansen kan de
waarde van de verplichtingen vastgesteld worden. Door alle scenario’s samen te
beschouwen resulteert dan een verdeling van de waarde van de verplichtingen. Grafiek
5.3 geeft, na simulatie van 10.000 van dergelijke scenario’s, de verdeling van de
gesimuleerde waarden voor OP, PP en de combinatie van beide pensioenvormen ten
opzichte van de best estimate. Het gaat hier om de modelportefeuille voor mannen met
een gemiddelde leeftijdsopbouw en een rekenrente van 3%. De verdeling die uit de
simulaties voortvloeit lijkt sterk op een normale verdeling. Merk op dat de getoonde
verdelingen niet helemaal vloeiend zijn als gevolg van de inherente simulatieonzekerheid
bij 10.000 simulaties.
Verdeling VPV volgens AG2022 (exclusief COVID)
Ouderdomspensioen
Partnerpensioen
Totaal
0,90
0,95
1,00
1,05
Grafiek 5.3 – Verdeling uitkomsten simulatie voorziening (rekenrente 3%) voor
modelportefeuille mannen gemiddelde leeftijdsopbouw rondom de best estimate
Tabel 5.1 en 5.2 geven het gemiddelde en de kwantielen voor 95%, 97,5% en 99,5%
voor de voorziening pensioenverplichtingen (VPV) bij een rekenrente van 3% en 1%.
Hiervoor zijn de gemiddelde modelportefeuilles van mannen en vrouwen gebruikt bij
een vaste rekenrente van 3% en 1%. De uitkomsten zijn uitgedrukt in percentages van
de best estimate waarden.
1,10
pagina 55 / 80
Prognosetafel AG2022 | Onzekerheid
׉	 7cassandra://ibMF2ODSrT9igzO4OGx_ouxxkgDx9aA2bO5_Qwf81qk`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://qHa5WvxnOcNF9e4TvSn9ApjKALVuJHigd_WTtsZWok4 ` ׉	 7cassandra://twXSmU3Suu7Vrk_yLMQyApInfIoRQeiX0n3w06Ky4PoV`S׉	 7cassandra://0FBJhoiKRqy1uEa95waFRtK4Bpozg9t1Y8f0TJ6uL9w`̵ ׉	 7cassandra://u53-MeWkDg2WJ6EEOtIXumYczUxWl6uq9ZX2aSNIqqI6v͠cJMyμ4%ט  {u׉׉	 7cassandra://6_shJO83cUUbjdDhBdet852Zf2WncOVCK4yzkVgOYVA j` ׉	 7cassandra://XdVUiR5qIhy0dOtuwyYOWQ6PJcWBrSRjvweRfQSDH90J`S׉	 7cassandra://mGdYa0Ulntc9yL9ku3QKEoXML4TuOGuHPeMvHfbgTFM`̵ ׉	 7cassandra://Xv-OBFcv25zd0UprupsVl9vfTKITn-YODEH-NAySDOgJu͠cJMyμ4&׉E}Uitkomsten simulatie VPV (in verhouding tot de best estimate)
Rente 3%
Mannen
OP
Standaardafwijking
Kwantielen
50%
95%
97,5%
99,5%
1,7%
100,0%
102,8%
103,3%
104,5%
PP
1,0%
100,0%
101,6%
101,9%
102,6%
OP+PP
1,2%
100,0%
101,8%
102,2%
102,9%
OP
1,5%
100,0%
102,5%
103,0%
103,8%
Vrouwen
PP
2,2%
100,0%
103,6%
104,4%
105,8%
OP+PP
0,6%
100,0%
102,0%
102,5%
103,1%
Tabel 5.1 – Resultaten simulatie voorzieningen op een rekenrente van 3% voor
modelportefeuilles (gemiddelde leeftijdsopbouw)
Uitkomsten simulatie VPV (in verhouding tot de best estimate)
Rente 1%
Mannen
OP
Standaardafwijking
Kwantielen
50%
95%
97,5%
99,5%
2,1%
100,0%
103,4%
104,1%
105,5%
PP
1,2%
100,0%
102,0%
102,4%
103,2%
OP+PP
1,5%
100,0%
102,4%
102,9%
103,8%
OP
1,9%
100,0%
103,1%
103,7%
104,7%
Vrouwen
PP
2,3%
100,0%
104,0%
104,7%
106,1%
OP+PP
1,6%
100,0%
102,6%
103,1%
104,0%
Tabel 5.2 – Resultaten simulatie voorzieningen op een rekenrente van 1% voor
modelportefeuilles (gemiddelde leeftijdsopbouw)
Zoals uit bovenstaande tabellen blijkt, ligt de spreiding bij het ouderdomspensioen
hoger dan bij de combinatie van OP en PP. Dit komt omdat bij een combinatie van
ouderdoms- en partnerpensioen sprake is van een combinatie van lang- en kortlevenrisico.
Ook is te zien dat de spreiding in het ouderdomspensioen voor vrouwen
kleiner is dan voor mannen. Hoewel beide kappa-processen voor vrouwen op zichzelf
volatieler zijn dan voor mannen (ook na vermenigvuldiging met bèta) is de Nederlandse
afwijking voor vrouwen negatief gecorreleerd met de Europese trend. Anders dan voor
mannen wordt voor vrouwen een schok in de Europese trend daardoor over het
algemeen deels gecompenseerd door een tegengesteld effect in de Nederlandse
afwijking. Voor mannen wordt een schok in de Europese trend juist versterkt door een
effect in de Nederlandse afwijking van gelijke richting. Daarnaast is te zien dat de
pagina 56 / 80
Prognosetafel AG2022 | Onzekerheid
׉	 7cassandra://0FBJhoiKRqy1uEa95waFRtK4Bpozg9t1Y8f0TJ6uL9w`̵ cJAyμ3׉Espreiding in het ouderdomspensioen (afzonderlijk dan wel gecombineerd) voor vrouwen
kleiner is dan bij het partnerpensioen opgebouwd door vrouwelijke deelnemers (dus
inclusief de weduwnaars), maar voor mannen juist groter dan bij rechten opgebouwd
door mannelijke deelnemers (dus inclusief de weduwen). Dit kan verklaard worden door
het feit dat de onzekerheid afneemt met de leeftijd (zoals ook getoond in grafiek 5.2) in
combinatie met het feit dat mannelijke partners drie jaar ouder worden verondersteld
dan de vrouwelijke hoofdverzekerde, en andersom. Verder is te zien dat een lagere
rekenrente leidt tot een grotere spreiding in de resultaten.
5.4 Alternatieve COVID-scenario’s
Om een indruk te krijgen van de mate van modelonzekerheid is de (cohort) levensverwachting
volgens de AG2022 prognosetafel vergeleken met de (cohort) levensverwachting
volgens een aantal alternatieve COVID-scenario’s (structureel, verdwijnend
en incidenteel). In grafiek 5.4 is te zien dat een 65-jarige man in 2023 volgens de
AG2022-prognose naar verwachting nog circa 20 jaar te leven heeft en een 65-jarige
vrouw nog circa 23 jaar. Volgens de alternatieve COVID-scenario’s varieert deze
resterende levensverwachting tussen 19,6 jaar en 20,4 jaar voor mannen en tussen
22,5 jaar en 23,3 jaar voor vrouwen. Dit komt neer op een bandbreedte van 0,7 - 0,8
jaar. Grafiek 5.5 laat voor een 85-jarige man/vrouw iets kleinere absolute bandbreedtes
(+/- 0,4 - 0,5 jaar) zien, hoewel dit ten opzichte van de resterende levensverwachting
(6 à 7 jaar) juist relatief groter is. Wel merken we op dat de omvang van de bandbreedtes
bijna uitsluitend gedreven wordt door het structurele-COVID-scenario; de
overige COVID-scenario’s (incidenteel en geen COVID) verschillen maar weinig van het
verdwijnende-COVID-scenario (AG2022).
Cohortlevensverwachting, leeftijd 65
10
15
20
25
30
0
5
1980
2000
2020
Geen COVID
COVID verdwijnend (AG2022)
COVID structureel
COVID incidenteel
2040
2060
Grafiek 5.4 – Resterende cohortlevensverwachting voor een 65-jarige man
(doorgetrokken lijnen) en 65-jarige vrouw (gestippelde lijnen) voor alternatieve COVIDscenario’s
pagina
57 / 80
Prognosetafel AG2022 | Onzekerheid
׉	 7cassandra://mGdYa0Ulntc9yL9ku3QKEoXML4TuOGuHPeMvHfbgTFM`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://xpE31RflUF95ntwdrzy7x12AWzoRhqlPOzaBUONLeC8 ` ׉	 7cassandra://80RuR8LQ5qc8WcfBY6ujTippqquNLheWz0I9NhSFTuE-` S׉	 7cassandra://L6XW4WS_MpioLWm7YRUGm2s2Nxq2o-bx9vTz0xf4JaU`̵ ׉	 7cassandra://GcPJ5UuneuOLBuGuC1jAdgSE01xQ6fB5aQUK4UsoPjg?dB͠cJNyμ4(ט  {u׉׉	 7cassandra://B8fejoi_x6YrsPZM0--hcI7QbDut6QXn7EDGdn6qeKcͥ`׉	 7cassandra://ryO8LHsfvtU75E_zmVgFCfxpLXYwoNjphD0IsdTgBwo`S׉	 7cassandra://KfVuWmalCRSF_J9z3ErJZ3G4KMfzl9x-ainXQZIemZc	W`̵ ׉	 7cassandra://f-sl4yEiBlp6mmGoU-aM0CmiK42XWjquWtK51Ke4ejgi̘͠cJNyμ4)׉ECohortlevensverwachting, leeftijd 85
10
0
1
2
3
4
5
6
7
8
9
1980
2000
2020
Geen COVID
COVID verdwijnend (AG2022)
COVID structureel
COVID incidenteel
2040
Grafiek 5.5 – Resterende cohortlevensverwachting voor een 85-jarige man
(doorgetrokken lijnen) en 85-jarige vrouw (gestippelde lijnen) voor alternatieve
Covid-scenario’s
We benadrukken nogmaals dat het niet gezegd is dat hiermee het volledige modelrisico
gekwantificeerd is; er bestaat immers een heel scala aan alternatieve modelspecificaties.
De in het vorige hoofdstuk getoonde resultaten van alternatieve projecties
(AG2020 en CBS2021) zijn hier voorbeelden van. De daadwerkelijke modelonzekerheid
zal daarom aanzienlijk groter zijn.
2060
pagina 58 / 80
Prognosetafel AG2022 | Onzekerheid
׉	 7cassandra://L6XW4WS_MpioLWm7YRUGm2s2Nxq2o-bx9vTz0xf4JaU`̵ cJAyμ3׉E /Appendices
pagina 59 / 80
Prognosetafel AG2022
׉	 7cassandra://KfVuWmalCRSF_J9z3ErJZ3G4KMfzl9x-ainXQZIemZc	W`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://U6AfooVStk5e_xxXwq41TmDvVnU8yNVzKDFp0aQ27YA q` ׉	 7cassandra://Uv-T2FNQxJKrtz__5kNpz_v05ou9mnJ1w4o5B3Sowb8S`S׉	 7cassandra://LV_bJfRih_7kOyiKdduDY2nPceiJeByWJjGE3xSlD_M`̵ ׉	 7cassandra://IByppMPhxfo2J46YoMnM8jF6or7W5oRf0sc_Oygvac8͚D͠cJNyμ4+ט  {u׉׉	 7cassandra://ymfiZFXzSU5s_xp3oWYqx9BIQhbVzmDMe5nGbJJVVLg ` ׉	 7cassandra://tlEqaKKwdo9tU8-HnCL_frc3tVFhIIXuj5fHbUK0b3sk` S׉	 7cassandra://d8OQMo6494l-mFoQaYJpccFpJQeGOysv-mhn_XrqnwA`̵ ׉	 7cassandra://sSdd0-btP1G8uOMRi6pWmep5tWOFVgvSMauXaZZ74Ms͛P͠cJNyμ4,׉EAppendix A
AG2022 voor doe-het-zelvers
1 Definities
1 Definities
De prognosetafel geeft de ‘best estimate’ voor de éénjarige sterftekansen ðð¥
ð(ð¡) voor de geslachten
ð∈ {ð, ð}, voor de leeftijden ð¥ ∈ ð = {0, 1, 2, . . , 120} en voor de jaren ð¡ ∈ ð =
{2020, 2021, . . , 2191}. De éénjarige sterftekans is de kans dat iemand die op 1 januari van jaar ð¡
leeft en op 1 januari van jaar ð¡ − ð¥ geboren werd, op 1 januari van jaar ð¡+ 1 gestorven zal zijn. Het
model stelt de gebruiker in staat om ook voor de jaren na 2191 een prognose op te stellen.
De sterftekansen worden niet direct gemodelleerd; in plaats daarvan specificeren we de
bijbehorende ‘force of mortality’ (of ’hazard rate’) μð¥
ð(ð¡). We veronderstellen dat
μð¥+ð 1
ð (ð¡+ ð 2) =μð¥
ð(ð¡) voor alle 0 ≤ ð 1, ð 2< 1. Hieruit volgt
ðð¥
ð(ð¡) =1− ð−∫ μð¥+ð 
1 ð (ð¡+ð )ðð 
0
=1− ð−μð¥
ð(ð¡).
Elk dynamisch model, op basis waarvan de ‘force of mortality’ μð¥
ð(ð¡) geprognosticeerd kan worden,
geeft ook een prognose in termen van éénjarige sterftekansen via bovenstaande vergelijking.
2 Dynamisch model
2 Dynamisch model
We modelleren voor (ð¥, ð¡) ∈ð × ð voor beide geslachten ð∈ {ð, ð} de ‘force of mortality’ μð¥
ð(ð¡):
ln (μð¥
ð(ð¡))= ln(μð¥
met μð¥
2019, en ðð¥
ð(ð¡) het quotiënt van μð¥
ð(ð¡) en μð¥
representeert.
We modelleren ln (μð¥
ð,pre−cov(ð¡))+ ln (ðð¥
ð(ð¡)),
ð,pre−cov(ð¡) de pre-covid ‘force of mortality’ die is bepaald op basis van de data tot en met
ð,pre−cov(ð¡), die dus de afwijking vanaf 2020
ln (μð¥
ð,pre−cov(ð¡)) volgens het Li-Lee-model11:
ð,pre−cov(ð¡))= ln (μð¥
ln (μð¥
ln (∆ð¥
met μð¥
landen en ∆ð¥
ð,pre−cov(ð¡))=αð¥
ð,pre−cov(ð¡) het quotiënt van μð¥
ð,κð¡
ð,pre−cov,EU(ð¡))=ð´ð¥
ð +ðµð¥
ð,pre−cov,EU(ð¡))+ ln (∆ð¥
ðð¾ð¡
ð,
ð +βð¥
ðκð¡
ð,pre−cov(ð¡) en μð¥
ð,
ð,pre−cov,EU(ð¡) de pre-covid ‘force of mortality’ voor de referentiegroep van West-Europese
ð,pre−cov,EU(ð¡) (d.w.z. de Nederlandse
afwijking ten opzichte van de referentiegroep). Hierin zijn {ð´ð¥
ð, ðµð¥
parameters, terwijl {ð¾ð¡
door׉	 7cassandra://LV_bJfRih_7kOyiKdduDY2nPceiJeByWJjGE3xSlD_M`̵ cJAyμ3׉E`waarbij θð,ðð, en ðð parameters en ϵð¡
ð,ϵð¡
ðð¡ = (ϵð¡
ð,δð¡
ð,δð¡
ð en δð¡
ð storingstermen zijn. De stochastische vectoren
ð)′ zijn onafhankelijk en identiek verdeeld verondersteld (i.i.d.) en hebben een
vierdimensionale normale verdeling met gemiddelde (0,0,0,0)′ en gegeven 4× 4 covariantiematrix
C. Dit betekent dat voor de tijdreeksen van de referentiegroep {ð¾ð¡
wordt verondersteld en voor de tijdreeksen van de Nederlandse afwijking {κð¡
ð} een ‘random walk with drift’
ð} een eerste orde
autoregressief model, met constante term.
We modelleren ðð¥
ð(ð¡), geïnspireerd op het Lee-Carter model, als volgt:
ln (ðð¥
ð(ð¡))= ð̃ð¥
ððð¡
met {ð̃x
ð} leeftijdsafhankelijke parameters en {ðt
ð2020
ð
en ð2021
ð
ð,
ð} tijdsafhankelijke grootheden. De waarden van
volgen uit een gekalibreerd weekmodel dat we later in deze Appendix zullen
bespreken, terwijl we voor ð¡ ≥ 2022 veronderstellen
ðð¡
ð =ð2021
ð
ðð¡−2021,
met ð een parameter. Verschillende waarden van de parameter ð corresponderen met verschillende
scenario’s voor het toekomstig verloop van de pandemie:
• De waarde ð∈ (0,1) correspondeert met het scenario ‘verdwijnend’:
de waarde van ðð¡
ð voor ð¡ ≥ 2022 convergeert naar 0, dus de extra sterfte ten opzichte van
de pre-covidperiode verdwijnt, met een halfwaardetijd gelijk aan ln(½)/ln(ð).
De CSO heeft voor dit scenario gekozen in de prognose AG2022 met de waarde ½ voor ð en
zodat de halfwaardetijd gelijk is aan 1 jaar.
• De waarde ð= 1 correspondeert met het scenario ‘structureel’:
de waarde van ðð¡
de pre-covidperiode verdwijnt niet.
• De waarde ð= 0 correspondeert met het scenario ‘incidenteel’:
de waarde van ðð¡
pre-covidperiode verdwijnt direct na 2021.
3 ‘Best estimates’ voor sterftekansen en levensverwachting
De ‘best estimate’ sterftekansen worden vervolgens bepaald via
ðð¥
ð(ð¡) =1− ð−μð¥
ð(ð¡),
door in de vergelijkingen voor μð¥
ð(ð¡) de ‘best estimates’ van de tijdreeksen voor ð¾ð¡
ð die verkregen worden door voor alle toekomstige ð¡ de waarden ðð¡ = (ϵð¡
ð,ϵð¡
ð en κð¡
ð,δð¡
ð in te
vullen. Omdat we de ‘best estimates’ voor toekomstige waarden van deze tijdreeksen identificeren
met de meest waarschijnlijke (‘most likely’) uitkomsten, komen die overeen met de reeksen voor ð¾ð¡
en κð¡
ð,δð¡
ð)′=
(0,0,0,0)′ in te vullen. De covariantiematrix ð¶ is dus niet nodig om ‘best estimates’ te genereren,
maar wel om simulaties uit te kunnen voeren die kunnen helpen om de onzekerheid rondom de
‘best estimates’ in kaart te brengen.
We verkrijgen zo de ‘best estimates’ voor de leeftijden ð¥∈ ð= {0,1,2, … ,120}. Wanneer een
sterftekans nodig is voor een leeftijd groter dan 120, dan wordt die gelijk veronde׉	 7cassandra://d8OQMo6494l-mFoQaYJpccFpJQeGOysv-mhn_XrqnwA`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://q0tU6DDkbbQcjHadwO8rz7wssgq5lDf8P2zlab9clbw d` ׉	 7cassandra://2qp5oRwfLBlz2MOr9az1lGVfbAfbWp8U3lCwbSaJPcU]`S׉	 7cassandra://4HBSf9fIRerpdrWZddNXStFOd12EVIEC9YrIYHfFRBE`̵ ׉	 7cassandra://quXXnWEmxaIjxK4nSjr_o6tmUjIGYXe3D6f8w1O9hAUͥ%͠cJOyμ4.ט  {u׉׉	 7cassandra://4FkoU2ztcPMggivBnJ2DGwn-zuAtJJrbZuTHHoqSm90 u}` ׉	 7cassandra://ctE9Cf1XuuXu5AFlPw732Y8Hrsjv554abo5rsCKdJX8gI` S׉	 7cassandra://yJ3Dxwy4tlHUcSMLT0MaVXTRXX_v-wowTdMNrDIFsmQ`̵ ׉	 7cassandra://elvi72BKgKx14sebaSMpDypETLy8i3kapS38jcTlgPQʹ%̘͠cJOyμ4/נcJOyμ41 9;9ׁH Lhttps://www.mortality.org/File/GetDocument/Public/Docs/MethodsProtocolV6.pdfׁׁЈ׉ExAls we de resterende levensverwachting van iemand willen bepalen op 1 januari van jaar ð¡ onder de
aanname dat die persoon op 1 januari van jaar ð¡− ð¥ geboren werd (met ð¥ ∈ ð en ð¡ ∈ ð) en
aannemen dat iemand die binnen een kalenderjaar sterft gemiddeld nog de helft van dat
kalenderjaar in leven is, dan vinden we voor die zogenaamde cohortlevensverwachting:
∞
ðð¥
ð,ððℎ(ð¡) =
1
2
ð
+∑∏(1 − ðð¥+ð 
ð (ð¡+ ð )).
ð=0 ð =0
Merk op dat we volgens bovenstaande formule diagonaal door de prognosetafel lopen. De kans dat
de persoon op tijdstip ð¡+ ð nog leeft is immers het product van overlevingskansen 1− ðð¥+ð 
voor alle jaren ð  tussen 0 en ð waarbij ieder jaar de persoon niet alleen een jaar ouder wordt, maar
we ook telkens met een nieuwe kolom in de sterftetafel te maken krijgen. Dit laatste effect wordt
niet meegenomen in de periodelevensverwachting
∞
ðð¥
ð,ððð(ð¡) =
1
2
ð
+∑∏(1 − ðð¥+ð 
ð (ð¡))
ð=0 ð =0
die uitgaat van de veronderstelling dat de sterftekansen van tijdstip ð¡ niet meer zullen veranderen
na dit tijdstip. Dit leidt tot een verkeerd beeld van de levensverwachting en hoewel deze
periodelevensverwachting vaak nog aangeduid wordt met "de levensverwachting" is dat onjuist.
4 Gebruikte dataset voor de pre-COVID-kalibratie
De parameterwaarden van μð¥
,
ð (ð¡+ ð )
ð,pre−cov(ð¡) in bovenstaand model zijn voor de leeftijden
ð¥∈ ðð = {0,1, … ,90} bepaald met behulp van de maximum likelihood methode, waarbij gebruik is
gemaakt van sterftecijfers en ‘exposures’ in de West-Europese referentiegroep en in Nederland tot
en met het jaar 2019. De parameters voor de leeftijden ð¥∈ ð̃ = {91,92, …,120} zijn vervolgens
bepaald via extrapolatie. We onderdrukken in deze paragraaf het geslacht en de aanduidingen
EU/NL in de notatie.
In Appendix D staan de precieze databronnen vermeld. De data van de Human Mortality Database
(HMD) is aangevuld met gegevens uit de Eurostat database (EUROS) en met data uit lokale
statistische bureaus van het Verenigd Koninkrijk. In deze databases vinden we per geslacht de
benodigde sterfteaantallen maar niet de exposures. Die kunnen echter afgeleid worden uit andere
grootheden die wel gegeven worden:
• ðð¥,ð¡ : de bevolking op 1 januari van jaar ð¡ met een leeftijd tussen ð¥ en ð¥+ 1
• ð¶ð¥,ð¡ : het aantal mensen dat overleden is binnen jaar ð¡, die op 31 december van
jaar t tussen ð¥ en ð¥+ 1 jaar oud zouden zijn.
Omzetting naar exposures vindt plaats met behulp van de methode die vastgelegd is in het
protocol12 van de Human Mortality Database. Dit geeft voor ð¥> 0:
ð¸ð¥,ð¡ = (ðð¥,ð¡ +ðð¥,ð¡+1) +( ð¶ð¥,ð¡ − ð¶ð¥+1,ð¡),
1
2
en voor ð¥ = 0:
ð׉	 7cassandra://4HBSf9fIRerpdrWZddNXStFOd12EVIEC9YrIYHfFRBE`̵ cJAyμ3׉E5 Kalibratie pre-COVID ‘force of mortality’
De volgende stappen worden separaat doorlopen voor de beide geslachten ð∈ {ð, ð} om
μð¥
ð,pre−cov(ð¡) voor de leeftijden ð¥∈ ðð = {0,1, … ,90} te kalibreren:
• We nemen de exposures ð¸ð¥,ð¡
ð,ð¸ð en geobserveerde sterftes ð·ð¥,ð¡
ð,ð¸ð voor de relevante WestEuropese
landen, met ð¡∈ ðð = {1970,1971, … ,2019}. Het betreft steeds de som van alle
exposures en de som van alle sterftegevallen in de betreffende landen, inclusief Nederland. We
nemen aan (zoals in Brouhns et al. 2002) dat ð·ð¥,ð¡
ð,pre−cov,EU(ð¡) en dat μð¥
ð¸ð¥,ð¡
ð,ð¸ðμð¥
ð,pre−cov,EU(ð¡) =ðð´ð¥
ð
+ðµð¥
ð
ð¾ð¡
. De parameters ð´ð¥
ð, ðµð¥
ð en ð¾ð¡
ð zijn
vervolgens zo bepaald dat de Poisson likelihoodfunctie voor de geobserveerde sterftes zo groot
mogelijk is bij de gegeven exposures:
{ð´ð¥
ð
max ∏∏
ð¥∈ðð ð¡∈ðð
, ðµð¥
ð
, ð¾ð¡ }
ð
Om een unieke specificatie van de parameters {ð´ð¥
ð, ðµð¥
eisen dat de som van de elementen van ð¾ð¡
ð over ð¥∈ ðð gelijk is aan 1.
elementen van ðµð¥
• De maximum likelihood methode wordt vervolgens toegepast op de Nederlandse data om
αð¥
ð, βð¥
ð en κð¡
ð te bepalen, via
{αð¥
ð
met μð¥
max ∏∏
ð¥∈ðð ð¡∈ð∗
, βð¥
ð
, κð¡ }
ð
ð,pre−cov(ð¡) =μ̂ð¥
ð,pre−covid,EU(ð¡)ðαð¥
ð
+βð¥
ð
1983), waarbij μ̂ð¥
ð,pre−covid,EU =exp(ð´̂ð¥
ð +ðµ̂ð¥
ðð¾̂ð¡
κð¡ , ð∗ = {1983,1984, …,2019} (dus nu vanaf
ð en ð¾̂ð¡
ð
ð). Hierin zijn ð´̂ð¥
ð,ðµ̂ð¥
ð over ð¡∈ ð∗ en βð¥
ð over ð¥∈ ðð respectievelijk 0 en 1 te laten zijn.
ð,ð¾̂ð¡
ð)′ | ð¡ ∈ ðð} en { (ð̂
ð¡
ð de schattingen
bepaald in de voorgaande stap. Opnieuw wordt genormaliseerd door de som van elementen in
κð¡
• In de derde stap wordt gebruik gemaakt van schattingen van de tijdreeksen,
{ (ð¾̂ð¡
ð,ϵð¡
ð,δð¡
ð,δð¡
ð,ð̂ð¡
ð)′ | ð¡ ∈ ð∗}, zoals bepaald in de voorgaande stappen, om de
parameters Ψ= (θð,θð,ðð,ðð,ðð,ðð)′ en de matrix C te schatten. Onder de gemaakte
aanname dat de vectoren ðð¡ = (ϵð¡
ð)′ onafhankelijk en identiek verdeeld zijn en een
vierdimensionale normale verdeling hebben met gemiddelde (0,0,0,0)′ en covariantiematrix ð¶,
kiezen we de schatters voor Ψ en ð¶ zodanig dat de likelihood voor deze tijdreeksen
gemaximaliseerd wordt (waarbij we negeren dat we werken met schattingen van de ‘echte’
onderliggende waarden voor tijdreeksen, niet geobserveerde tijdreekswaarden).
We g׉	 7cassandra://yJ3Dxwy4tlHUcSMLT0MaVXTRXX_v-wowTdMNrDIFsmQ`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://OIVDGPhH_MBz0hGtPRGBJ9Gi2lRCtXM-lO9tw6lZJHc nO` ׉	 7cassandra://Kg3bt760Dkie1YvQvjQ3xXWwZmowcRe2lKoshgVJ5SsK` S׉	 7cassandra://-LXCQzsUqjAVZfi5jFZYsNBYuN2TQoxfRHTEtJlvtjQ`̵ ׉	 7cassandra://gbeinLBE5a0GxJNwA50_TKHzjFWlmd3kXSAlNTvTKEU͜͠cJOyμ42ט  {u׉׉	 7cassandra://CfJmbWpp82uN9tbRnQAx_R9uoSIcdMfPI9IKpu8X4Nc ` ׉	 7cassandra://SYEIJQKHsTh4CytmN_ArNTCSclrRKnDCt43BmbPIV9Iao`S׉	 7cassandra://F5imFnfZtQhxrDRoBqS5mcZ6Efdrs0qV9uVJguGIWbk`̵ ׉	 7cassandra://NmIIiqfrYRycQyFI3hEODNbH9-kmbsYm1EtGz2dc7ksͰ̠͠cJPyμ46נcJPyμ48 929ׁH Jhttps://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83482NED/table?dl=61916.ׁׁЈ׉E	en met de volgende matrices voor ð¡ = 1983, …,2018
ðð¡+1 =
[



 ð¾̂ð¡+1
ð −ð¾̂ð¡
ð̂
ð̂
ð¡+1
ð
ð¡+1
ð
−
ð¶,Ψ
1
2
ð¾̂ð¡+1
ð −ð¾̂ð¡
ð
ð
]




, ðð¡ =[
10 0 0 00
01 0 0 00
00 ð̂ð¡
00 0 ð̂ð¡
ð 01
tr [ð¶̃−1 ∑ (ðð¡+1 −ðð¡Ψ)(ðð¡+1 −ðð¡Ψ)′
1982
ð¡=1970
−
1
2
tr [ð¶−1 ∑ (ðð¡+1 −ðð¡Ψ)(ðð¡+1 −ðð¡Ψ)′
2018
ð¡=1983
]−
ð 01 0] , ðð¡+1 =
[




13
2
ln(|ð¶̃|) − (13 × 2)ln(2ð)
1
2
ln(|ð¶|) − (36 × 4)ln(2ð).
1
2
ðð¡+1
ð
ðð¡+1
ð
ð¿ð¡+1
ð




.
ð¿ð¡+1
ð ]
Vervolgens worden C en Ψ bepaald door de log-likelihood voor de tijdreeksen te optimaliseren:
argmax
]−
36
2
Hierin is ð¶̃ de 2× 2 submatrix bestaande uit de eerste twee kolommen en rijen van ð¶.
6
Sluiting van parameterwaarden
Vervolgens worden de parameters {ð´ð¥ , ðµð¥
ð
volgt bepaald via extrapolatie.
De parameters {ðµð¥
̅=
1
ð ∑ ð¦ð
ð
Sluiting van parameterwaarden
ð,αð¥
ð,βð¥
ð} voor de leeftijden ð¥∈ ð̃ = {91,92, …,120} als
ð}, ð¥ ∈ ð̃, worden bepaald via lineaire extrapolatie van {ln(ðµ̂ð¦
ð=1
ð)} voor de leeftijden
ð¦∈ {80,81,⋯,90}. We schrijven ð¦ð =80 + (ð− 1) voor ð= 1, ⋯, ð met ð= 11. Het aantal
leeftijden ð¦ð waar de regressie op gebaseerd wordt, is dus ð= 11, het gemiddelde van die
leeftijden is ð¦
ð=1 =85 en de kwadraatsom van de afwijking is ∑(ð¦ð −ð¦̅)2
ð
vinden we voor ð¥∈ ð̃:
ðµ̂ð¥
ð =exp(∑ð¤ð(ð¥)ln(ðµ̂ð
ð
ð=1
waarbij de regressiegewichten ð¤ð(ð¥) worden gegeven door
ð¤ð(ð¥) =
1
ð
+
(ð¦ð −ð¦̅)(ð¥− ð¦̅)
∑ (ð¦ð −ð¦̅)
ð
ð=1
Vervolgens bepalen we {ð´̂ð¥
ð}, ð¥ ∈ ð̃, zodanig dat in 2019 de waarden van׉	 7cassandra://-LXCQzsUqjAVZfi5jFZYsNBYuN2TQoxfRHTEtJlvtjQ`̵ cJAyμ3׉E&De parameters {αð¥
ð}, ð¥∈ ð̃, worden bepaald door α̂90
ð lineair te extrapoleren naar α̂120
ð =0, dus
̂ αð¥
ð =α̂90
ð
120 − ð¥
120 − 90
ð dus op uit de vergelijking
exp(ð´̂ð¥
=ð¿ (∑ð¤ð(ð¥)ð¿−1 (exp(ð´̂ð¦ð
ð
ð=1
7
Simulatie van de pre-covidtijdreeksen
Om scenario’s voor de tijdreeksen ðð¡ = (ϵð¡
ð,ϵð¡
ð,δð¡
ð,δð¡
ð)′ te kunnen simuleren moeten trekkingen
uit een normale verdeling met gemiddelde (0,0,0,0)′ en covariantiematrix C gegenereerd worden.
Dat kan door een vector ð̃ð¡ met vier onafhankelijke standaard normaal verdeelde variabelen te
vermenigvuldigen met een matrix ð» die voldoet aan ð»′ð» = ð¶ dus middels ðð¡ =ð»′ð̃ð¡. In de lijst met
parameters in de publicatie en de bijbehorende Excel spreadsheet is daarom naast de
covariantiematrix C ook een Cholesky-matrix ð» opgenomen.
8 Gebruikte dataset voor de kalibratie over 2020 en 2021
Gebruikte dataset voor de kalibratie over 2020 en 2021
We bespreken nu de modellering voor de jaren 2020 en 2021. Voor leeftijden onder de 55
veronderstellen we dat er geen afwijking is ten opzichte van eerdere jaren. Dus, we veronderstellen
ðð¥
ð(ð¡) =1 voor de leeftijden ð¥∈ {0,1, … ,54} voor ð¡ = 2020 en ð¡ = 2021. Voor de leeftijden
ð¥∈ {55,56, … ,90} kalibreren we ðð¥
ð(ð¡), terwijl we voor de leeftijden ð¥∈ ð̃ = {91,92, … ,120}, voor
zowel ð¡ = 2020 als ð¡ = 2021, ðð¥
ð(ð¡) gelijkstellen aan ð90
ð (ð¡).
De parameterwaarden van ðð¥
ð(ð¡) zijn voor de leeftijden ð¥∈ {55,56, … ,90} bepaald met behulp van
een onderliggend model op weekbasis, waarbij gebruik is gemaakt van sterftecijfers per week en per
individuele leeftijd over de jaren 2016 tot en met 2021. Deze data zijn verkregen door een
maatwerkuitvraag bij het CBS. Het aantal overlijdens in week ð¤ van jaar ð¡ met leeftijd
ð¥∈ {55,56, … ,90} van geslacht ð∈ {ð, ð} geven we aan met ð·ð¥,ð¤,ð¡
ð
.
De weekdata van 2016 tot en met 2019 worden gebruikt om het seizoenseffect in te schatten. De
data van 2020 en 2021 worden vervolgens gebruikt om het weekmodel voor die jaren te kalibreren.
Daarvoor zijn ook de exposures van 2020 en 2021 op weekbasis nodig. Deze exposures worden
bepaald via lineaire interpolatie op de populatiestanden ðð,ð¤,ð¡
ð
het begin van maand ð van jaar ð¡.13 Daarmee bepalen we voor ð¡ = 2020 en ð¡ = 2021 en voor
ð¤∈ ð2020 = {1,⋯,53} en ð¤∈ ð2021 = {0,⋯,52}:
ð¸ð¥,ð¤,ð¡
ð
ðð¤,ð¡
=
∑ ðð¢,ð¡
ð¢∈ðð¡
∑ð̃ð¥,ð,ð¡,
ð∈ð(ð¤,ð¡)
met ð(ð¤, ð¡) de verzameling met de dagen van week ð¤ in jaar ð¡, ðð¤,ð¡ het aantal elementen in de
verzameling ð(ð¤, ð¡), dus het aantal dagen in week ð¤ van jaar ð¡, en ð̃ð¥,ð,ð¡ de geschatte populatie
13 – https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83482NED/table?dl=61916.
pagina 65 / 80
Prognose׉	 7cassandra://F5imFnfZtQhxrDRoBqS5mcZ6Efdrs0qV9uVJguGIWbk`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://ItP3mxfmlHRsDZhX0bbvHpsdmuMfRR6V67DZRotXcUo e` ׉	 7cassandra://87HaxN5SVy1nSqZPL2EQB9MQQfKJdgDkeM_nb96cOSwW`S׉	 7cassandra://VL9ahSF0oSyE9XR1SAyzdBZT4bnUdnTMXxPXDOLWdOUG`̵ ׉	 7cassandra://8K9089SGJUu13_5x20wF-2O674uIdxdfbKPJ-jkXIhEͮ\͠cJPyμ49ט  {u׉׉	 7cassandra://5YVme14Ri8N5PlzRI9XSjUhJj6F-I3RXWNlztNd3B6w ` ׉	 7cassandra://XJXh_rgc4aSrEC4FWsUwD6BMfMgSbu0C7FkFdy6LHFA7Z` S׉	 7cassandra://CtECnNj3RhrW87CNJEKs03yKzOlzeCkbcahAr21RJLU` ̵ ׉	 7cassandra://Dnq3vXuBFTthdy35ah8HdpzP7N2c0MyAPC_ldvYUxX4̀y͠cJPyμ4:׉EPvan leeftijd ð¥ op dag ð van jaar ð¡, verkregen door lineair te interpoleren tussen de maanddata ðð,ð¤,ð¡
ð
op grond van het getelde aantal dagen per week en maand.
9 Kalibratiemethode weekmodel
Kalibratiemethode weekmodel
De volgende stappen worden separaat doorlopen om ðð¥
ð(ð¡) voor leeftijden ð¥∈ ð∗ = {55,56, … ,90}
voor de beide geslachten ð∈ {ð, ð} en voor de jaren ð¡ = 2020 en ð¡ = 2021 te kalibreren.
We corrigeren voor het seizoenseffect, waarmee we de niet-uniforme verdeling van de sterfte over
de weken van het jaar aanduiden. We gebruiken de sterfteaantallen van beide geslachten om een
(geslachts-onafhankelijk) weekeffect ðð¤,ð¡ te schatten dat weergeeft hoe de sterfte gedurende het
jaar ð¡ over de weken ð¤∈ ð2020 = {1,⋯,53} en ð¤∈ ð2021 = {0,⋯,52} is verdeeld. We bepalen
hiervoor de historisch waargenomen totale sterfte voor de weken14 ð¤∈ {1,⋯,52} over de jaren
ð¡∈ {2016,⋯,2019}, waarbij we sommeren over de leeftijden ð¥∈ ð∗ en beide geslachten:
2019
ð·ð¤
90
ð¡ðð¡ =∑ ∑ ∑ ð·ð¥,ð¤,ð¡
ð
ð¡=2016 ð∈{ð,ð} ð¥=55
We schatten een cyclische cubic spline Φ, die
ð∑(ð·ð¤
53
ð¤=1
minimaliseert, met ð·53
ð¡ðð¡ =ð·1
.
ð¡ðð¡ −Φ(ð¤)) + (1− ð)∫(Φ′′(ð¤)) ðð¤
2
53
2
1
ð¡ðð¡, onder de nevenvoorwaarde dat Φ′′(ð¤) stuksgewijs lineair en
continu is en de functiewaarden en eerste en tweede afgeleide in ð¤= 1 en ð¤= 53 overeenkomen,
gebruikmakend van de Matlabroutine spcsp. Op grond van visuele inspectie is gekozen voor
ð = 0,03, de parameter die de afweging maakt tussen ‘fit’ en ‘smoothness.’ Voor de gebroken
weken ð¤= 0 en ð¤= 53 nemen we aan dat Φ(0) =Φ(1) en Φ(53) =Φ(52). We bepalen dan
Φ(ð¤)
ðð¤,2020 =
1
53
ð,ð¥ ∈ ð∗ en ðð¤,t
ð
∑ Φ(ð¢)
53
ð¢=1
,ð¤ ∈ ð2020,ðð¤,2021 =
Φ(ð¤)
1
53
,ð¤ ∈ ðð¡, voor ð¡ = 2020, 2021, te schatten, via
{ðð¥
ð
, ðð¤,2020
ð
met μð¥,ð¤
ð (ð¡) =μ̂ð¥
max ∏∏ ∏
}
,ðð¤,2021
ð
ð,pre−covid(ð¡)ðð¤,ð¡ððð¥
ð
ðð¤,ð¡
ð
(ð¸ð¥,ð¤,ð¡
ð
ð¥∈ðð ð¡∈{2020,2021} ð¤∈ðð¡
∑ Φ(ð¢)
52
ð¢=0
De maximum likelihood methode wordt vervolgens toegepast op de Nederlandse weekdata om
ðð¥
μð¥,ð¤
ð (ð¡))
ð·ð¥,ð¤,ð¡
ð
exp (−ð¸ð¥,ð¤,ð¡
ð
ð·ð¥,ð¤,ð¡
ð
90
ð¥=55
!
en met als normalisatie ∑ ðð¥
ð =1
voor ð¡ = 2020, 2021, en de bijbehorende ð̃ð¥
ð , ð¥ ∈ ð∗.
We bepalen eerst ð̃ð¡
ð en ð̃ð¥
ð door te ste׉	 7cassandra://VL9ahSF0oSyE9XR1SAyzdBZT4bnUdnTMXxPXDOLWdOUG`̵ cJAyμ3׉Eexp (−μ̂ð¥
ð,pre−covid(ð¡)ðð̃ð¥
ð
ð̃ð
ð¡ )= ∏ exp (−
ð¤∈ðð¡
ðð¤,ð¡
∑ ðð¢,ð¡
ð¢∈ðð¡
Door aan beide zijden de logaritme te nemen, te delen door −μ̂ð¥
90
ð¥=55
ð =1, vinden we
ð̃ð¡
ð =∑ ln( ∑ðð¤,ð¡
90
ð¥=55
ð¤∈ðð¡
de overleving over alle weken van 2020 en 2021:
∏exp (−μ̂ð¥
2021
ð,pre−covid(ð¡)ðð̃ð¥
ð
ð¡=2020
Herschrijven geeft
2021
∑μ̂ð¥
ð¡=2020
Stel dit geeft als oplossingen ð̃̃
normalisatie
ð,pre−covid(ð¡) ∑
ð¤∈ðð¡
ðð¤,ð¡
∑ ðð¢,ð¡
ð¢∈ðð¡
(ðð̃ð¥
ð
ð̃ð
ð¡
−ðð¤,ð¡ððð¥
ð
ðð¤,ð¡
ð
) = 0.
Deze niet-lineaire vergelijking in ð̃ð¥
ð kan voor elke leeftijd ð¥∈ ð∗ apart numeriek worden opgelost.
ð¥
ð. Dan bepalen we tot slot ð̃ð¥
ð (zodanig dat ∑ ð̃ð¥
ð =1
90
ð¥=55
90
ð̃ð¥
ð =ð̃̃
ð̃90
ð
ð¥
ð ∑ð̃̃
⁄,ðð¡
ð¥=55
ð¥
ð
ð =ð̃ð¡
90
ð ∑ð̃̃ .
ð¥=55
ð¥
ð
Als laatste stap stellen we ð̃ð¥
ð =0, ð¥∈ {0,1, …,54}, en we sluiten de tafel via de extrapolatie ð̃ð¥
ð =
, ð¥∈ {91,92, … ,120}. Dit impliceert dat ðð¥
ð(ð¡) =1 voor de leeftijden ð¥∈ {0,1, …,54} en
ðð¥
ð(ð¡) =ð90
ð (ð¡) voor de leeftijden ð¥∈ ð̃ = {91,92, …,120}.
) en ðð¡
ð via
ð̃ð
ð¡ )=∏ ∏ e׉	 7cassandra://CtECnNj3RhrW87CNJEKs03yKzOlzeCkbcahAr21RJLU` ̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://Cw730-wsisexBf_WoGzhX1FHqKatFbSVAFcEliEclow ~C` ׉	 7cassandra://PmaCZeedo7VVnZaIKnSasbsmTf3qe88_TW5qZKqHaFYn` S׉	 7cassandra://Gf121kwLCxKqdeVrJgNJNJgEmFU9qc5s3UEKiHLtBi0
`̵ ׉	 7cassandra://WjqEizuYtM2Pd0jJBhUOIzTqRV2P5o8c21CGkoacDXgͣ̊͠cJPyμ4<ט  {u׉׉	 7cassandra://nO_blbb8VZjyE4FOTuZEwzc0UNL3zLZWCuK5zWFbGwc Z` ׉	 7cassandra://9LbACRIKFlLIRBaZKp3o3IV8GXxTJuMuo92vXyKnFFY77` S׉	 7cassandra://xhHQlFgEdrHgJq6zKiAtBCbMCZCDxJ8d-VfXp0WmPu4^` ̵ ׉	 7cassandra://SxB0BUQOLeBK3sJtYiE1NAEBHJ9-uy4Bw_ocPMdHQdcu*͠cJPyμ4=׉EAppendix B
Limiet sterftekans onder Kannisto per
prognosejaar
In deze paragraaf geven we de technische achtergrond waarom de sluiting volgens Kannisto
toegepast per prognosejaar ertoe leidt dat de levensverwachting naar een vooraf bekende limiet
convergeert en de betrouwbaarheidsintervallen rond de levensverwachting afnemen over de tijd.
Tevens is een berekening van het omslagpunt voor AG2020 opgenomen. Hiertoe kijken we naar de
limiet van de sterftekans per leeftijd over de tijd.
Eerst laten we zien dat het AG-model op termijn neigt naar een standaard Lee-Carter (LC) model.
Vervolgens leggen we voor een standaard LC-model bovengenoemd probleem uit, waarbij
bovendien duidelijk wordt dat het omslagpunt voor een standaard LC-model één leeftijd is. Voor het
AG-model verschuift het omslagpunt in de tijd vanwege de Nederland-specifieke afwijking waarbij
de leeftijd waarop het omslagpunt plaatsvindt, toeneemt.
Beschrijving Kannisto-methode
Eerst beschrijven we Kannisto in het kort (zie de AG2020-publicatie). Deze methode wordt gebruikt
om de éénjarige overlijdenskansen ðð¥,ð¡
ð =1− ð−ðð¥,ð¡
ð
ð bepaald via
voor de leeftijden 91-120 te bepalen op basis
van de éénjarige overlijdenskansen van de leeftijden 80-90 jaar. Voor een leeftijd ð¥∈ {91, ⋯,120}
wordt ðð¥,ð¡
• ðð¥,ð¡
ð =ð¿ (∑ ð¤ð(ð¥)
90
ð=80
ð¿−1(ðð,ð¡
ð )),
met ð¿(ð§) =1/(1+ ð−ð§) en ð¿−1(ð§) =−ln(1
Kannisto op de lange termijn
We gaan uit van de projecties ln(ð̂ð¥,ð+ð¡
ð
• ln(ð̂ð¥,ð+ð¡
ð )= (ð¼ð¥
ð +ð½ð¥
ð )= (
(ð¼ð¥
ð
+ð½ð¥
ð
ð¾ð
ð
ðð̂
We kunnen dit herschrijven als:
• ln(ð̂ð¥,ð+ð¡
ð§−1)=ln(ð§) −ln(1− ð§).
ð+ð¡
ð )+ (ð´ð¥
ð +ðµð¥
̂ðð+ð¡
ð
)+ð´ð¥
ð
+ðð×ð¡
). Deze projecties zien er als volgt uit:
ð +ðð ×ð¡)).
ð(ð¾ð
+ðµð¥
ð)× (ð¾ð
ð +ðð ×ð¡).
In geval van coherentie, dat wil zeggen als |ð̂ð+ð¡
ð | ≤ ðµðð¢ðð, volgt uit deze formule dat op de lange
termijn het AG-model zich zal gaan gedragen als een Lee-Carter model, met de uitkomsten bepaald
door ðµð¥
ð ×(ð¾ð
ð +ðð ×ð¡). Dit betekent dat de langere termijn uitkomsten van het AG-model voor
wat betreft de hogere leeftijden vergelijkbaar zullen zijn met Lee-Carter gecombineerd met de
Kannisto methode. In het onderstaande werken we dit verder uit.
In de inverse functie ð¿−1(ð§) substitueren we ð§= ð׉	 7cassandra://Gf121kwLCxKqdeVrJgNJNJgEmFU9qc5s3UEKiHLtBi0
`̵ cJAyμ3׉EIn ons geval, kijkend naar toekomstige perioden ð+ ð¡, is ð¦= ln(ð§) =ln(ð̂ð¥,ð+ð¡
ð
• ln(ð̂ð,ð+ð¡
ð )=(ð¼ð
ð +ð½ð
ðð̂
ð+ð¡
ð )+ (ð´ð
ð +ðµð
ðð¾̂ð+ð¡
ð ),
met 80 ≤ð ≤90. Voor toekomstige perioden wordt ln(ð̂ð,ð+ð¡
ð
beargumenteerd) uiteindelijk geheel gedomineerd door ðµð
ð¥,ð+ð¡
ð
=ð¿ (∑ ð¤ð(ð¥)
90
ð=80
ð¿−1(ðð,ð+ð¡
ð
ðð¾̂ð+ð¡
ð
Dus voor leeftijden ð¥∈ {91,⋯,120} vinden we uiteindelijk
• ð̂
) steeds negatiever en (zoals boven
.
)) ≈ ð¿(∑ ð¤ð(ð¥)
90
ð=80
ðµð
Voor de functie ð¿(ð§) =1/(1+ ð−ð§) (een verdelingsfunctie) geldt:
• limð§→−∞ð¿(ð§) =0 en limð§→+∞ð¿(ð§) =1.
Er geldt dus, gebruikmakend van deze eigenschappen van de functie ð¿(∙), als ð¾̂ð+ð¡
ð
• Als ∑ ð¤ð(ð¥)
90
• Als ∑ ð¤ð(ð¥)
90
ð=80
ð=80
ð=80
ðµð
ðµð
ð >0, dan ð¿(∑ ð¤ð(ð¥)
90
ð <0, dan ð¿(∑ ð¤ð(ð¥)
90
ð=80
ð=80
De waarden van ∑ ð¤ð(ð¥)
90
ð¥∈ {101,⋯,120}.
• Voor vrouwen is ∑ ð¤ð(ð¥)
90
ð=80
ð¥∈ {103,⋯,120}.
Dus we vinden voor ð̂ð¥,ð+ð¡
ð =1− ð−ð̂ð¥,ð+ð¡
ð
ð̂ð¥,ð+ð¡
ð →1− ð−1 ≈ 0.6321.
• Voor vrouwen, als ð¥∈ {91,⋯,102} dan ð̂ð¥,ð+ð¡
ð →0; als ð׉	 7cassandra://xhHQlFgEdrHgJq6zKiAtBCbMCZCDxJ8d-VfXp0WmPu4^` ̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://_y1Y28fkkEI54t2yf4FGrl_480Qk_7Qpj008ze6NGdw '`׉	 7cassandra://6eXJvkf4OKLs_3xBM1Zmu0l18XOEpSiiFk2zERe4t_Y]<`S׉	 7cassandra://F2Q_7TNW-H3qZkaW2j3Bvgg6J_s-83AOUAPFkqWD91A`̵ ׉	 7cassandra://DRuK8J_4JqKwKCCALRqk-NaGfEzFAjBi7c2wH2hevoA6v͠cJQyμ4Aט  {u׉׉	 7cassandra://v9zFScWgmK9d5nW6YPrLR4MDsy4LQrqX1ZEYe19PRpg ` ׉	 7cassandra://OqQ2HVFoRqbFlEYFEtmXx_vuLO8DGatiI75M5sNPwRkB`S׉	 7cassandra://gHyWFTyPXg2m5dmtCodH5bPq8SvxzQN0ZjCnC5i-81wy`̵ ׉	 7cassandra://OQ0JvNIgOgTsgyP6302rz0BW8gmhs_Bmgldmf5pOhCk8O0͠cJQyμ4C׉EOAppendix C
Modelportefeuilles
In deze appendix wordt toegelicht op basis van welke modelportefeuilles en actuariële grondslagen
de procentuele effecten op de factoren, voorzieningen en premies zijn vastgesteld. Tevens zijn de
formularia van de actuariële factoren vermeld.
Modelportefeuilles voorziening
Voor het vaststellen van het effect op de voorziening van modelportefeuilles zijn zes modelportefeuilles
gehanteerd. De portefeuilles onderscheiden zich in geslacht (man en vrouw) en
gemiddelde leeftijd (jong, gemiddeld en oud). De modelportefeuilles hebben een (naar voorziening)
gemiddelde gewogen leeftijd van 45 jaar (jong), 55 jaar (gemiddeld) en 65 jaar (oud).
De modelportefeuilles kennen een levenslang oudedagspensioen en een levenslang partnerpensioen.
Bij mannen staan de rechten die zijn opgebouwd door mannelijke deelnemers (dus inclusief de
weduwen) en bij vrouwen staan de rechten die zijn opgebouwd door vrouwelijke deelnemers (dus
inclusief de weduwnaars).
Mannen jong
Lft
30
40
50
60
70
80
90
Mannen gemiddeld
Mannen oud
OP (65) PP (lat.) PP (ing.) OP (65) PP (lat.) PP (ing.) OP (65) PP (lat.) PP (ing.)
15.000 10.500
25.000 17.500
10.000
7.500
3.500
1.500
7.000
5.250
2.100
750
-
-
-
150
1.500
8.500
-
-
8.500
3.500
500
1.050
5.950
450 15.000 10.500
450 15.000 10.500
600
5.100
1.750
200
-
1.000
2.000
500
3.000
7.000
350
2.100
4.900
2.000 15.000 10.500
500 15.000
150 15.000
- 10.000
Tabel C.1 – Opgebouwde rechten per pensioensoort voor modelportefeuille mannen
Vrouwen jong
Lft
30
40
50
60
70
80
90
Vrouwen gemiddeld
Vrouwen oud
OP (65) PP (lat.) PP (ing.) OP (65) PP (lat.) PP (ing.) OP (65) PP (lat.) PP (ing.)
7.500
5.250
20.000 14.000
15.000 10.500
5.000
1.000
3.500
600
-
-
-
-
50
150
2.500
7.500
250 12.500
50 10.000
7.500
5.000
1.000
-
-
-
1.750
5.250
8.750
7.000
2.250
1.000
100
-
100
250
750
1.000
5.000
250 10.000
100 12.500
- 10.000
5.000
-
Tabel C.2 – Opgebouwde rechten per pensioensoort voor modelportefeuille vrouwen
525
700
3.500
7.000
3.750
2.000
500
-
-
250
500
1.000
500
250
-
-
200
5.000
9.000 10.000
7.500
4.000
5.000
2.000
pagina 70 / 80
Prognosetafel AG2022 | Appendix C
׉	 7cassandra://F2Q_7TNW-H3qZkaW2j3Bvgg6J_s-83AOUAPFkqWD91A`̵ cJAyμ3׉EModelportefeuille premie
Voor het effect op de premie is één modelportefeuille gehanteerd. In Tabel C.3 is de opbouw in enig
jaar per leeftijd opgenomen.
Mannen
Vrouwen
OP (68) PP (lat.) OP (68) PP (lat.)
30
40
50
60
600
750
800
600
420
525
560
420
400
500
550
400
280
350
385
280
Tabel C.3 – Opbouw per pensioensoort voor modelportefeuilles premie
Voor het risico partnerpensioen wordt uitgegaan van 40 dienstjaren (indiensttreding op 28-jarige
leeftijd, pensionering op 68-jarige leeftijd). Voor fondsen met ouderdomspensioen en risicopartnerpensioen
is dus uitgegaan van totaal 40 dienstjaren voor alle deelnemers. Voor fondsen met
ouderdomspensioen en opbouw partnerpensioen is voor het risico partnerpensioen uitgegaan van de
toekomstige dienstjaren (68 - huidige leeftijd deelnemer - 1 jaar).
Actuariële grondslagen
De technische voorzieningen en premies voor deze portefeuilles worden berekend door gebruik te
maken van de volgende veronderstellingen:
– Overlevingstafels: Prognosetafel AG2022 met startjaar 2023;
– Leeftijdscorrecties en/of ervaringssterfte: geen;
– Rekenrente: 1,0% en 3,0%;
– Pensioenleeftijd: 65 jaar voor de voorziening en 68 jaar voor de premie;
– Voor het latent partnerpensioen geldt het volgende:
• Onbepaald partnersysteem tot de pensioenleeftijd, met een partnerfrequentie van 100%,
daarna op basis van het bepaalde partnersysteem;
• Een leeftijdsverschil tussen man en vrouw van 3 jaar (man ouder dan vrouw);
• Het geslacht van de partner is ongelijk aan het geslacht van de hoofdverzekerde.
– De koopsomtarieven voor het ouderdomspensioen en het ingegaan partnerpensioen worden bepaald
door het gemiddelde te nemen van een prenumerando uitkering en een postnumerando uitkering.
pagina 71 / 80
Prognosetafel AG2022 | Appendix C
׉	 7cassandra://gHyWFTyPXg2m5dmtCodH5bPq8SvxzQN0ZjCnC5i-81wy`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://mYNCt4omVtoeQldfyLTyDnNU_SNR8Ej4KbDIW7KTnJI F` ׉	 7cassandra://3oPUOeYTs7sMqXXAOn2Af2DzVHKZ_yzdZKMwrsZ-WawGQ`S׉	 7cassandra://nVnUKSrg9X1dhzrMF1GSlLyYCgu3Ob5zcGveZyDRHv0`̵ ׉	 7cassandra://gNJlAhohk-8RrjA0Z6isNn7Ly6l8x5eX_M9pCHklcV8c͠cJQyμ4Fט  {u׉׉	 7cassandra://FsvKUOycO_g9k1xDmT3k8eZzHF14vm5PdtOLFB_tOIM ` ׉	 7cassandra://BjSEznCWUGBHyUBkBs_123FfgurQEkqpYo8vjg15bqM'`S׉	 7cassandra://EcNCBLB0b_Xi0Qccs-uWG_GXCNtOE0eMXwwnhJhcgvY`̵ ׉	 7cassandra://Fu4RvqMbaGUvYPtNbCE8ahSxtDYrdbXj7Q-anixefA4U/L͠cJQyμ4G׉E	Actuariële factoren
Met onderstaande formularia zijn de actuariële factoren vastgesteld.
Definitie parameters
䊏
䊏
ð¥
ð¦
de leeftijd van mannelijke deelnemer of mannelijk partner
de leeftijd van vrouwelijke deelnemer of vrouwelijke partner
Noot: In het onbepaald partnersysteem wordt gerekend met een partner van het andere geslacht. Voor
eenvoud in de notatie is onderstaand overal uitgegaan van een mannelijke hoofdverzekerde. Voor alle
formules en definities geldt dat in plaats van ð¥ (mannelijke hoofdverzekerde) met ð¦ (vrouwelijkse
partner) ook gelezen kan worden ð¦ (vrouwelijke hoofdverzekerde) met ð¥ (mannelijke partner).
䊏
䊏
䊏
䊏
䊏





䊏
䊏
䊏
䊏
䊏
䊏
䊏
䊏

 











de (constante) rentevoet
de sterftekans van een ð¥-jarig persoon
de overlevingskans van een ð¥-jarig persoon, met ðð¥ = 1-ðð¥
de kans dat een ð¥-jarig persoon nog ten minste t jaar zal leven
de kans dat een deelnemer na ð¡ jaar is overleden en er op dat moment een partner is
die recht heeft op partnerpensioen
de partnerfrequentie voor een ð¥-jarige deelnemer
de kans dat een ð¥-jarige deelnemer over t jaar nog gehuwd is
de pensioenleeftijd (voor voorzieningen 65 jaar, voor premies 68 jaar)
de jaarlijkse uitkering ouderdomspensioen voor een ð¥-jarige deelnemer
de jaarlijkse uitkering latent partnerpensioen voor een ð¥-jarige deelnemer
de jaarlijkse uitkering ingegaan partnerpensioen voor een ð¥-jarige deelnemer
een jaar opbouw ouderdomspensioen voor een ð¥-jarige deelnemer
een jaar opbouw latent partnerpensioen voor een ð¥-jarige deelnemer
Generieke formules
䊏
䊏


  
   
de discount factor
de ð¡-jarige overlevingskans voor een ð¥-jarig persoon
Annuïtaire factoren voor uitgesteld en ingegaan ouderdomspensioen (OP)
en ingegaan partnerpensioen (PP) per eenheid
䊏
Uitgesteld OP:
 
䊏


  


Ingegane uitkering OP:
 
䊏


  


Ingegane uitkering PP:
 


  


  



  


׉	 7cassandra://nVnUKSrg9X1dhzrMF1GSlLyYCgu3Ob5zcGveZyDRHv0`̵ cJAyμ3׉EAnnuïtaire factoren voor latent PP per eenheid
∞
ð̃ð¥|ð¦ =∑ ð£ð¡ ⋅ ð¡ð̃ð¥
ð¡=0
met
0ð̃ð¥ =0
ð¡ð̃ð¥ = ð¡−1ð̃ð¥ ⋅(1− ðð¦+ð¡−1)+ ð¡−1ðð¥ ⋅ðð¥+ð¡−1 ⋅ℎð¥+ð¡−1
2
ℎð¥+ð¡−1
2
1
2
={
1
ð¥+ð¡−
1
2−ðð¿ ðð¦+ðð¿−ð¥
ðð¦,ð¡ = √1− ðð¦,ð¡
Contante waarde voorziening
䊏
䊏
䊏
䊏
Voorziening n jaar uitgesteld ouderdomspensioen: ðð¥
ðð¥
Voorziening direct ingaand ouderdomspensioen:
Voorziening latent partnerpensioen:
Voorziening ingegaan partnerpensioen:
Formularium berekeningen premie
䊏
Premie n jaar uitgesteld ouderdomspensioen:
op ⋅ ð|ðð¥
ð¶ðð¥
䊏
Premie latent partnerpensioen opbouw:
ð¶ðð¥
䊏
Premie latent partnerpensioen risico:
lpp ⋅40 ⋅ ð£
ð¶ðð¥
met
en
ð̅ð¦+ð¡+1 =ð£ (1 − ðð¦+ð¡) ð̈
1
2
2
ℎð¥+ð¡+
1
2
=ℎð¥+ð¡
1
2 ℎð¥+ð¡+1
1
2
׉	 7cassandra://EcNCBLB0b_Xi0Qccs-uWG_GXCNtOE0eMXwwnhJhcgvY`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://G8hqx8-RzdqAE7N_J1pyiOwbizb4N7fgNL91usVnNCM $` ׉	 7cassandra://3pEERNTHFiYeUXIoCgR89gpgt0QCVlDSa_90wzUr0ysN`S׉	 7cassandra://3Ewpy5citNhwEaZwfZ6fHEcvo7kPG5Fm9UXHAtprN6o`̵ ׉	 7cassandra://R4XqFsX07wZO28ll1QY9rs_5MlC_R1YLhUImJDmXbNg> ͠cJQyμ4Iט  {u׉׉	 7cassandra://eGSCvYJ2wOdLb9i6hXqKHo9wNpPGPqNMu9_tbOOIiFc I
` ׉	 7cassandra://KVpRfUvAEYlve0GTtKIBVQjblpYPgPCuA-qMCFvaloYG`S׉	 7cassandra://M2ubSJuACrk-JpR_sWWSiPjsXv2E_AgDep7Zaw4DB-Y`̵ ׉	 7cassandra://kG3MExik1iaoQTSM55GGW5x2SHblM1AUzkgkAGTFb4cK0͠cJQyμ4JנcJQyμ4V MT9ׁH Lhttps://www.mortality.org/File/GetDocument/Public/Docs/MethodsProtocolV6.pdfׁׁЈ׉EwAppendix D
Gehanteerde data en literatuur
Dit rapport gaat uit van de gegevens zoals die medio april 2022 beschikbaar waren in de databases
van Eurostat en HMD. Tevens hebben we maatwerkdata van het CBS verkregen, terwijl we voor het
Verenigd Koninkrijk eveneens data van lokale statistische bureaus hebben gebruikt.
1) Eurostat data (data t/m 2019):
Exposures to Risk (demo_pjan), gedownload op 23 april 2022:
http://appsso.eurostat.ec.europa.eu/nui/show.do?dataset=demo_pjan&lang=en
Observed Deaths (demo_mager en demo_magec), gedownload op 23 april 2022:
http://appsso.eurostat.ec.europa.eu/nui/show.do?dataset=demo_mager&lang=en
http://appsso.eurostat.ec.europa.eu/nui/show.do?dataset=demo_magec&lang=en
2) HMD-database:
http://www.mortality.org/
3) CBS-gegevens voor sterfte in Nederland per week voor 2020 en 2021:
Maatwerkopdracht
4) CBS-(Statline)-gegevens voor populatiegrootte in Nederland voor 2020 en 2021:
Exposures-to-Risk (P-waarden), gedownload op 22 april 2022:
https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83482NED/table?dl=61916
5) Voor de overlijdensgevallen in het Verenigd Koninkrijk voor 2019 is gebruik gemaakt van de
gesommeerde gegevens zoals deze te vinden zijn op de websites van ONS (Engeland & Wales), NRS
(Schotland) en NISRA (Noord Ierland):
a. Engeland & Wales: tabel 4 en tabel 5 van ONS:
https://www.ons.gov.uk/peoplepopulationandcommunity/birthsdeathsandmarriages/deaths/
datasets/deathsregisteredinenglandandwalesseriesdrreferencetables
b. Schotland: tabel DT.03 van NRS:
https://www.nrscotland.gov.uk/statistics-and-data/statistics/statistics-by-theme/vitalevents/deaths/deaths-time-series-data
c.
Noord Ierland: Deaths by age 1955 – 2020 van NISRA:
https://www.nisra.gov.uk/publications/death-statistics
Voor de afleiding van de exposures in het Verenigd Koninkrijk maken we gebruik van de mid-year
population estimates op de site van ONS:
d. https://www.ons.gov.uk/peoplepopulationandcommunity/populationandmigration/
populationestimates/datasets/populationestimatesforukenglandandwalesscotlandandnorthernire
land
Deze gegevens zijn eveneens gedownload op 23 april 2022.
pagina 74 / 80
Prognosetafel AG2022 | Appendix D
׉	 7cassandra://3Ewpy5citNhwEaZwfZ6fHEcvo7kPG5Fm9UXHAtprN6o`̵ cJAyμ3׉ETabel D.1 geeft per geografisch gebied en per jaar aan welke gegevensbron gehanteerd is als input voor
het AG2022-model.
GEO
Austria
Belgium
Denmark
Finland
France (metropolitan)
Germany (until 1990 former territory of the FRG)
Iceland
Ireland
Luxembourg
Netherlands
Norway
Sweden
Switzerland
United Kingdom
2013 t/m 2017
HMD
HMD
HMD
HMD
HMD
HMD
HMD
HMD
HMD
HMD
HMD
HMD
HMD
HMD
2018
HMD
HMD
HMD
HMD
HMD
EUROS
HMD
EUROS
HMD
HMD
HMD
HMD
HMD
HMD
Tabel D.1 – databronnen AG2022 voor waarnemingsjaren vanaf 2013
Bij het modelleren van de additionele modelcomponent voor COVID-19 hebben we gebruik gemaakt
van maatwerkdata van het CBS. Dit betreft data voor waargenomen sterfte naar leeftijd in Nederland
voor de jaren 2020 en 2021. Tevens hebben we meest recente populatiegegevens van het CBS gebruikt
om tot de exposures voor de jaren 2020 en 2021 te komen.
2019
HMD
HMD
HMD
HMD
HMD
EUROS
EUROS
EUROS
HMD
HMD
HMD
HMD
HMD
ONS
HMD-version
2021.03.30
2021.09.25
2022.03.22
2021.08.02
2022.04.11
2018.12.17
2020.04.02
2019.10.01
2022.01.21
2021.03.31
2021.04.15
2021.09.29
2021.10.28
2020.07.11
Literatuur
Brouhns, N., Denuit, M. and Vermunt, J.K. (2002). A Poisson log-bilinear regression approach to the
construction of projected lifetables. Insurance: Mathematics and Economics 31(3), pp. 373-393.
Commissie Sterfte Onderzoek. (2021). AG2020 en de impact van de COVID-19-pandemie: Over- en
ondersterfte sinds januari 2020. Koninklijk Actuarieel Genootschap.
HMD (2019). Methods Protocol for the Human Mortality Database.
https://www.mortality.org/File/GetDocument/Public/Docs/MethodsProtocolV6.pdf
Kannisto, V. (1992). Development of the oldest – old mortality, 1950-1980: evidence from 28
developed countries. Odense University Press.
pagina 75 / 80
Prognosetafel AG2022 | Appendix D
׉	 7cassandra://M2ubSJuACrk-JpR_sWWSiPjsXv2E_AgDep7Zaw4DB-Y`̵ cJAyμ3cJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://yf8N0bJtS_lKVEc8Xqt_HFWwIsqi6-k4dhlWH7zKjvA ` ׉	 7cassandra://hL-t3T91D9Pgzc9zhN2mpf5OIShXdceM0NZTGhU6ucs/`S׉	 7cassandra://AgXgSSRdggxzEIFMlUODiwhDx1Jm28I9xzvevbCLuvMm`̵ ׉	 7cassandra://ljnwuZeymQG_gsNG4NkwwCsJAVxuVr3T5xty8g8sNLU48͠cJQyμ4Uט  {u׉׉	 7cassandra://2LiHvLgPd-Q7INMGe0f1RLtQ1yrLKLog21ZAmzIXULA M7` ׉	 7cassandra://cYcTMktXOzWDMjbMmd-UqhB52hwYLt4GyfCfDf10kvMDe`S׉	 7cassandra://UyGDqK5ha0Ww6COAF7pAfIg1gXnkQxIOaHQUg5qnrcoP`̵ ׉	 7cassandra://nxdZZd-jp1EXB8j-WRNKEPVwsGV8AJeSNdwD39MDPTI0͠cJQyμ4WנcJQyμ4Y āb9ׁHhttps://www.cbs.nl/nlׁׁЈ׉ELi, N. and Lee, R. (2005). Coherent Mortality Forecasts for a Group of Populations: An Extension of the
Lee-Carter Method. Demography 42(3), pp. 575-594.
Liu, Q., Ling, C., Li, D. & Peng, L. (2019). Bias-Corrected Inference for a Modified Lee-Carter Mortality
Model. Astin Bulletin, 49, 433-455.
Liu, Q., Ling, C., & Peng, L. (2019). Statistical Inference for Lee-Carter Mortality Model and
Corresponding Forecasts. North American Actuarial Journal, 23, 335-363.
Niu G., Melenberg B. (2014). Trends in mortality decrease and economic growth. Demography 51(5),
pp. 1755–1773.
Stoeldraijer, L., de Regt, S., & van Duin, C. (2021, 12 16). Retrieved from CBS - Kernprognose 20212070:
Bevolkingsgroei trekt weer aan: https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/statistischetrends/2021/kernprognose-2021-2070-bevolkingsgroei-trekt-weer-aan?onepage
= true#c-3-Bijgestelde-veronderstellingen-en-resultaten-voor-geboorte--sterfte-en-migratie
Wetenschappelijke
Raad voor het Regeringsbeleid. (2021). Navigeren en anticiperen in onzekere tijden.
Den Haag: KNAW.
Woolnough, K., Dr Ivanovic, B., Kramer, S., & Busenhart, J. (2007). Pandemic influenza: A 21st century
model for mortality shocks. Swiss Reinsurance Company.
pagina 76 / 80
Prognosetafel AG2022 | Appendix D
׉	 7cassandra://AgXgSSRdggxzEIFMlUODiwhDx1Jm28I9xzvevbCLuvMm`̵ cJAyμ3׉EoAppendix E
Verklarende woordenlijst
Best estimate
In deze publicatie: meest waarschijnlijke waarde voor een aan het toeval onderhevige grootheid, zoals
een sterftekans, de waarde van een product of portefeuille etc.
Cohortlevensverwachting
Levensverwachting gebaseerd op een prognosetafel waarbij rekening gehouden wordt met verwachte
toekomstige sterfteontwikkelingen in de komende kalenderjaren. Wanneer de cohortlevensverwachting
bij geboorte wordt berekend, zijn de sterftekansen nodig van een nu 0-jarige, een over 1 jaar 1-jarige,
een over 2 jaar 2-jarige en zo verder.
Eurostat database
De database van Eurostat (het statistische bureau van de Europese Unie) biedt een breed scala aan data
aan voor overheden, bedrijven, de onderwijssector, journalisten en het bredere publiek.
Human Mortality Database (HMD)
Internationale database met populatie- en sterftegegevens uit ruim 40 landen wereldwijd.
Oversterfte
Met de oversterfte als gevolg van (de directe en indirecte gevolgen van) COVID-19 wordt bedoeld de
hogere sterfte ten opzichte van de verwachte sterfte volgens de trend geschat op basis van data van
vóór de coronaperiode (op basis van het AG2020-prognosemodel).
Pensioenrichtleeftijd
Veronderstelde ingangsleeftijd van het levenslang (latent) ouderdomspensioen.
Periodelevensverwachting
Levensverwachting gebaseerd op de sterftekansen in één waarnemingsjaar. Deze verwachting gaat
ervan uit dat sterftekansen in de toekomst gelijk blijven. De periodelevensverwachting houdt dus geen
rekening met verwachte ontwikkelingen in de sterftekansen. Deze definitie wordt vaak gebruikt om
ontwikkelingen in de tijd te kunnen vergelijken, maar kan niet worden gebruikt om in te schatten hoe
lang mensen naar verwachting nog leven.
Premie
Kostprijs voor het opbouwen of verzekeren van langlevenverplichtingen (met name
pensioenverplichtingen).
pagina 77 / 80
Prognosetafel AG2022 | Appendix E
׉	 7cassandra://UyGDqK5ha0Ww6COAF7pAfIg1gXnkQxIOaHQUg5qnrcoP`̵ cJAyμ3ÁcJAyμ3{בCט   {u׉׉	 7cassandra://76Z8jDtHn3T6pBWgWTtL7z-4stQqB8RkqDgJcd7r73c ` ׉	 7cassandra://JtYgmftFL3859pbLf3ASt999IogLHeWmZoxa-veQTOIQ`S׉	 7cassandra://V2SsjLYgpJB6DgeaM75Yege_LtYBX2vCPUUfKF8c9Ss`̵ ׉	 7cassandra://9On1qqARWOdBxV4c6ZbxBayf-_4850CHyKHqLmVEf_Y ͠cJRyμ4Zט  {u׉׉	 7cassandra://VVr3yvY9_5kAzIxcwoqk4chdSpLGz1O8W26FaeOlnSU0b` ׉	 7cassandra://PgFzLdkkigcC22b3PyRF0owCS0KDagpiHMi4i01Zr3M` S׉	 7cassandra://POx7rCcnaJYSllY1BE2Jujo7vyobY6ScYVMi9cZZs1M6` ̵ ׉	 7cassandra://RfcyZA8GGu9tfJdk6Itg_OORBo-ReeXWTygV7aH93hI͠cJRyμ4[׉E>Prognosetafel
Overlevingstafel waarin sterftekansen per waarnemingsjaar, per geslacht en per leeftijd worden
weergegeven. Het is hiermee mogelijk voor elke leeftijd en ieder (toekomstig) startjaar een resterende
levensverwachting te berekenen.
Statline
Openbare databank van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Deze biedt cijfers over de
economie, de Nederlandse bevolking en onze samenleving.
Stochastisch model
Model waarin toekomstige sterftekansen niet vaststaan maar middels kansverdelingen worden
beschreven.
pagina 78 / 80
Prognosetafel AG2022 | Appendix E
׉	 7cassandra://V2SsjLYgpJB6DgeaM75Yege_LtYBX2vCPUUfKF8c9Ss`̵ cJAyμ3׉E $pagina 79 / 80
Prognosetafel AG2022
׉	 7cassandra://POx7rCcnaJYSllY1BE2Jujo7vyobY6ScYVMi9cZZs1M6` ̵ cJAyμ3ŁcJAyμ3ā{בCט   {u׉׉	 7cassandra://_dN78PXrhnTlowpl_0sDrenwS1HDFexuBKKwJ5-AmOs `׉	 7cassandra://OrGYVvHEVJOoTDu0-rm2iGucZbsOGxkOOISADAeSHQEK`S׉	 7cassandra://AYSLS08N-Wdz8Mg7hWbuCAcvg0rgCJp3sPeTzlffqW8`̵ ׉	 7cassandra://_Oy1Z0E4G3bof_5WB1JAcdDTIwsegvLfuNuIkozLqnM Y#͠cJRyμ4]נcJRyμ4_ ˁi9ׁHhttp://www.ag-ai.nlׁׁЈ׉EKoninklijk Actuarieel Genootschap
P ROGNOSETAFEL AG 2022
Uitgave
Koninklijk Actuarieel Genootschap
Groenewoudsedijk 80
3528 BK Utrecht
telefoon 030 686 61 50
website www.ag-ai.nl
Vormgeving
Stahl Ontwerp
Druk
pagina 80 / 80
Selection Print & Mail
Prognosetafel AG2022 | colofon
׉	 7cassandra://AYSLS08N-Wdz8Mg7hWbuCAcvg0rgCJp3sPeTzlffqW8`̵ cJAyμ3׈EcJAyμ3ǁcJAyμ3Ɓ{)Prognosetafel AG2022wMet de publicatie van de Prognosetafel AG2022 presenteert het Koninklijk Actuarieel Genootschap (AG) een inschatting van de verwachte ontwikkeling van de overlevingskansen en de levensverwachting in Nederland. Het resultaat is een prognose van de sterftekansen per leeftijd per toekomstig jaar voor mannen en vrouwen. De Prognosetafel AG2022 vervangt de Prognosetafel AG2020.cJ?frJY