׉?4ׁB!בCט  {u׉׉	 7cassandra://i7znOrAfEZO8VudRkxdYngKBgeiCZ48Gadl2m9Mvs20D`׉	 7cassandra://_9-Ja5fCzhwl0AQ3YUXwxLOIbT-bew8Wzmstnjwgzh4`S׉	 7cassandra://6njWN-VwgHDoGEzl7961Y6JsGE6QOpxRvW-R-IeO-aM`̵ ׉	 7cassandra://IrMzPCl-aczFxIBtL_W1w5KnWuWYE2gO5JG9P9NScJ4D ͠WFƕט   {u׈         ׈EWFƕ߀׉E Notitie
Een verkenning van een pensioenstelsel op basis van het
zorgmodel
Utrecht, 24 mei 2016
Een verkenning van een pensioenstelsel op basis van het zorgmodel
1
׉	 7cassandra://6njWN-VwgHDoGEzl7961Y6JsGE6QOpxRvW-R-IeO-aM`̵ WFƕ߁WFƕ߀{בCט   {u׉׉	 7cassandra://tcfhWGOfnI6vJ1dVOFi2rUH0Up2aXo40s_90x7_1VUA F` ׉	 7cassandra://c6B6h3MFPwe2mg1e3mXMDI0QLbmBa6vleCl7-61uMi899` S׉	 7cassandra://RMt15BcfoxQc5b7EMKV3_KMjTlb8k5hOqQKpOYrV1hMR`̵ ׉	 7cassandra://J0yAHDjmb7ThgS4qEAgGtrsC3PvbPc3-da13rjgYhq0O' ͠WFƕ߂ט  {u׉׉	 7cassandra://aQy3c9lRVHNEisZHqhq7pWusa40_ZWGEYIEtz5kQxvQ ` ׉	 7cassandra://NfhMnh9gSzzx9JZCqOLaGwYqU3yGUWjRMm0IliHOHkw~` S׉	 7cassandra://gFzPmP8yQU2Fl8O3RqPRrgEUZQwTMuTrkw9Ua9WYvYw`̵ ׉	 7cassandra://wKCTBhYgstlqkLG4Ph3YFk457MkFaAWNGTFZDQ9oWtI\ ͠WFƕ߃׉EVerantwoording
Het volgen van ontwikkelingen die de actuariële aspecten van het pensioenstelsel
beïnvloeden, is sinds jaar en dag een belangrijke taak van het
Koninklijk Actuarieel Genootschap (AG). Dit komt tot uiting in de diverse rapporten,
position papers en notities die het AG uitbrengt, waarin zij vanuit haar expertise een
feitelijke achtergrond weergeeft, gecompleteerd met oplossingsscenario’s.
In de Hoofdlijnennota heeft Staatssecretaris Klijnsma aangekondigd als vervolg op de
Nationale Pensioendialoog verder te kijken in hoeverre het huidige 2e pijler
pensioensysteem verbeterd kan worden. Een van de onderwerpen is keuzevrijheid: kan
de vrijheid om je verzekeraar te kiezen in het zorgstelsel ook toegepast worden bij de 2e
pijler pensioenen en welke gevolgen dit heeft voor het huidige systeem.
De AG-commissie Pensioenen heeft de werkgroep “Zorgverzekeringsmodel” ingesteld en
de opdracht gegeven de hierboven gestelde vraag te onderzoeken.
De werkgroep “Zorgverzekeringsmodel” bestaat uit:
mr. M. Colly (voorzitter)
ir. T.A.H. Boeijen AAG
drs. R.H.M. Willems AAG
drs. R. van Heijningen AAG
E.D.O. de Jong AAG
drs. M.W. Koper AAG
Een verkenning van een pensioenstelsel op basis van het zorgmodel
2
׉	 7cassandra://RMt15BcfoxQc5b7EMKV3_KMjTlb8k5hOqQKpOYrV1hMR`̵ WFƕ߄׉E1. Inleiding
In de toekomstdiscussie rond het Nederlands pensioenstelsel wordt onderzocht in
hoeverre de huidige tweede pijler kan worden verbeterd. Enerzijds is er daarbij de
maatschappelijke roep om meer keuzevrijheid, anderzijds is er juist ook de wens voor
een eenvormig kader.
In het bijzonder wordt verwezen naar de opzet van het zorgstelsel. Zou een dergelijk
stelsel wellicht ook kunnen worden toegepast op de tweede pijler van het pensioen?
Een dergelijk stelsel zou namelijk de mogelijkheid creëren voor marktwerking en
individuele keuzevrijheid voor pensioenuitvoerder gecombineerd met een verplichting
tot pensioensparen bij deelnemers en acceptatieplicht bij uitvoerders.
In een werkgroep van het Koninklijk Actuarieel Genootschap (AG) is onderzocht of de
wijze waarop het zorgverzekeringsstelsel is ingericht, kan worden gebruikt voor de
invulling van het pensioenstelsel, en wat daarvan de consequenties zijn. De bevindingen
zijn in dit paper vastgelegd vanuit de gedachte dat dit kan bijdragen aan een mogelijk
verdere invulling van deze denktrant.
In de opzet van dit paper zijn bewust verschillende varianten opgenomen, om geen –
mogelijk politieke – keuzen te maken waar dat actuarieel gezien niet nodig is. Het is een
verkenning van mogelijkheden en consequenties. Dit paper is als volgt ingedeeld:
· Allereerst een beschrijving hoe het zorgstelsel en het daarbij behorende
vereveningssysteem in grote lijnen werkt.
· Vervolgens zijn de elementen uit het zorgstelsel zo zuiver mogelijk overgezet naar
het pensioenstelsel. Waar op onderdelen – keuzes zullen moeten worden gemaakt
en elementen kunnen veranderen, is dit uiteengezet.
· Een beschrijving bij welke elementen verevening een rol speelt.
· Conclusie.
2. Het zorgstelsel
Het in 2006 geïntroduceerde Nederlandse zorgstelsel gaat uit van gereguleerde
concurrentie met als doel toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg. In het kort houdt
het Nederlandse zorgstelsel in dat alle ingezetenen verzekerd zijn van een door de
overheid samengesteld pakket met basiszorg (de basisverzekering). Alle inwoners zijn
verplicht hiervoor een verzekering af te sluiten bij een zorgverzekeraar. Iedere
Nederlander kiest zijn eigen verzekeraar. De bedoeling is dat deze keuzevrijheid
concurrentie tot stand brengt tussen verzekeraars en dat dit resulteert in goedkopere,
efficiëntere, toegankelijke en kwalitatief goede zorg, door scherpe(re) onderhandelingen
en contracten tussen zorgverzekeraars en zorgverleners. De verzekeraars zijn verplicht
(zorgplicht) iedereen te accepteren voor de basisverzekering tegen een uniforme premie
(zonder aanvullende voorwaarden of premietoeslag). Dit voorkomt dat verzekeraars
concurreren aan de vraagkant van de verzekering. Dat zou er namelijk toe kunnen leiden
dat vooral personen worden geaccepteerd die naar verwachting weinig zorgkosten
hebben. Ook wordt met deze doorsneepremie voorkomen dat de premie te hoog wordt
voor personen die naar verwachting veel zorgkosten hebben (de “slechte risico’s”).
Een verkenning van een pensioenstelsel op basis van het zorgmodel
3
׉	 7cassandra://gFzPmP8yQU2Fl8O3RqPRrgEUZQwTMuTrkw9Ua9WYvYw`̵ WFƕ߅WFƕ߄{בCט   {u׉׉	 7cassandra://WZl9-ruQ8wOVJhw6bq6EtfRnj6kfiq8vD2pGeSAO3FY h#` ׉	 7cassandra://E44pRaSFhxKrLLSnqnNZl02p2kX64m64TPNdbnpwXo8y` S׉	 7cassandra://AgDJeuZCR5EK_JA0GtI4u1LRGYDyhTRAkbDFCX96eAM`̵ ׉	 7cassandra://4Aw7Le9Rs4uwvNGKqkEjyjwuFdmG4or9NGO9C3VmNYAW! ͠WFƕ߆ט  {u׉׉	 7cassandra://adGlDovG2pA8tas2CGLhopGhYHOYfk-ZrfcCFvsPWkM ` ׉	 7cassandra://w2sReK-ml9Z_bNT9O1H60B90Pt8Z9y4vb1F04cFnRbgI`S׉	 7cassandra://Jzwc_R87QoN93FlNzFffG1UcMvZ5TzTg8vIQB1U-CpED`̵ ׉	 7cassandra://YX2WgaylO4nDe7Dc_YUFSyGIMfuGE2fsPzWsw5rCf-0 P ͠WFƕ߇׉EvDe verzekeraar kan alleen kostenvoordelen bereiken door het beter organiseren
van de aanbodkant en deze doorgeven in een betere zorg en/of lagere premie voor
alle verzekerden.
Naast de basisverzekering worden er aanvullende zorgverzekeringen aangeboden. Het
gaat hier om het vrije deel van de zorgverzekering waarvoor geen acceptatieplicht geldt
en waarbij de premie mag worden gedifferentieerd.
Alle verzekeraars hebben een zorgplicht; zij moeten zorgdragen dat hun verzekerden
toegang tot zorg hebben (binnen criteria, zoals reisafstand). Verzekeraars kopen
daarvoor zorg in bij zorgverleners en sluiten daar contracten voor af.
Premie
Bij dezelfde zorgverzekeraar betaalt iedere verzekerde dezelfde premie voor de
basisverzekering. De premies voor de basisverzekering kunnen wel per verzekeraar
verschillen, maar premiedifferentiatie door de verzekeraar voor dezelfde basisverzekering
is niet toegestaan. De enige differentiatie in premie die een zorgverzekeraar mag maken,
is een commerciële korting (gemaximeerd op 10%) voor collectiviteiten, een korting voor
termijnbetalingen en een korting voor een vrijwillig gekozen hoger eigen risico op
individueel verzekerde niveau.
Zorgaanbod
Door zorgverzekeraars mag zoals gezegd niet worden gedifferentieerd in het zorgpakket,
wel met betrekking tot de zorginstellingen waar het zorgproduct wordt afgenomen. Dit is
tevens een verklaring voor een deel van het verschil in premies tussen zorgverzekeraars.
Aangezien dit een specifiek element is in de aanbodzijde van het zorgproduct, waarbij
geen parallel is met het pensioenproduct, wordt hierop in dit paper niet verder ingegaan.
Evenmin wordt ingegaan op de mogelijkheid voor zorgverzekeraars om voor de
basisverzekering polisvormen naast elkaar te hanteren (bijvoorbeeld natura en restitutie
polissen).
Risicoverevening
Om te voorkomen dat zorgverzekeraars met ‘slechtere risico’s’ een concurrentienadeel
hebben ten opzichte van zorgverzekeraars met een gunstiger verzekerdenbestand, wordt
risico verevend.
Door middel van een nationaal kostprijsmodel worden voor alle inwoners vooraf de
zorgkosten geschat. Dit gebeurt met het ex ante risicovereveningsmodel, waar
persoonskenmerken als leeftijd, geslacht, regio en inkomen worden gecombineerd met
zorggebruik (diagnoses, gebruik geneesmiddelen). Op basis hiervan stelt de overheid een
rekenpremie vast en de vergoeding die een zorgverzekeraar uit het
risicovereveningsfonds krijgt voor iedere verzekerde.
Dit risicovereveningsfonds wordt gevoed door premies die de zorgverzekeraar per
verzekerde afdraagt aan het risicovereveningsfonds (dit betreft het grootste deel van de
premie die de verzekerde aan de zorgverzekeraar betaalt). De overheid bepaalt de
hoogte van het af te dragen deel van de premie. Daarnaast wordt het
risicovereveningsfonds gevuld vanuit de inkomstenbelasting, waardoor de zorg deels
Een verkenning van een pensioenstelsel op basis van het zorgmodel
4
׉	 7cassandra://AgDJeuZCR5EK_JA0GtI4u1LRGYDyhTRAkbDFCX96eAM`̵ WFƕ߈׉EZprogressief in rekening wordt gebracht bij de verzekerden. Voorts is er een rijksbijdrage
uit algemene kas voor jongeren tot 18 jaar en een rijksbijdrage (een aantal jaren) voor
de overheveling van de Care (AWBZ) naar de Zorgverzekeringswet (Zvw) die door
verzekeraars wordt uitgevoerd.
Het deel van het risicovereveningsfonds dat wordt gevuld vanuit de rekenpremies,
bedraagt ongeveer de helft van de totale bijdragen aan het risicovereveningsfonds.
Buiten dit fonds om is er nog sprake van een financieringsstroom vanuit de overheid aan
een deel van de burgers in de vorm van zorgtoeslagen. (Zie figuur 1)
De verzekerde zelf betaalt de helft van de gemiddelde kosten direct aan de verzekeraar.
De andere helft wordt vanuit de inkomstenbelasting gefinancierd en is daarmee niet
direct als zorgkosten zichtbaar voor de verzekerde. De premies en bijdragen uit het
risicovereveningsfonds worden jaarlijks bepaald op basis van de inschattingen voor het
nieuwe (begrotings-)jaar. Er zit dus geen spaarelement in de premies/bijdragen, maar is
er sprake van jaarlijkse risicodekking.
Sinds 2014 maken zorgverzekeraars de opbouw van de premie in een uniforme
standaard zichtbaar op hun websites. Dit is zo afgesproken tussen Zorgverzekeraars
Nederland en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Een verkenning van een pensioenstelsel op basis van het zorgmodel
5
׉	 7cassandra://Jzwc_R87QoN93FlNzFffG1UcMvZ5TzTg8vIQB1U-CpED`̵ WFƕ߉WFƕ߈{בCט   {u׉׉	 7cassandra://5hZaRW5mHX8FZlfUwOO_i2QnqqVQojrktHxJbVN06j8 r` ׉	 7cassandra://6UHAz2Y8OHnjsBHHgLNlh81q21QAyZLiu7OTGX9tPJAU` S׉	 7cassandra://nwxdtyG1634QwVbnd1hwelYIdVTcVNLshd8u-8i5D3E`̵ ׉	 7cassandra://ILRd1kf4gNxdoTz3sBdQFkqJzZZsuVDcLtTu8MzxYGs_ ͠WFƕߊט  {u׉׉	 7cassandra://zOv3dETaqTNcKEiZP7y_Qc2U_dOEmGu6yMNdxjmGGZk ` ׉	 7cassandra://PFHKo77Ci75qpT_libddxY8ZGdxHWRGMqnHZQwBDvJUY?`S׉	 7cassandra://fnEL1IPoduVePRi6MFCQf6l8kXBaISc5KlgFwUlhDnM`̵ ׉	 7cassandra://UioXSgd-App0uH7gQE9omYrJ6Qpii1EcG9gFMjX6reU٣@͠WFƕߋ׉EZorgstelsel samengevat
Kort samengevat geldt voor de basisverzekering een gelijke premie voor alle verzekerden
bij dezelfde verzekeraar (solidariteit tussen goede en slechte risico’s), wordt een voor alle
verzekerden (ongeacht de zorgverzekeraar) gelijke premie afgedragen aan het
vereveningsfonds, waaraan de vanuit de inkomstenbelasting geheven rijksbijdrage
(solidariteit tussen hoge en lage inkomens) wordt toegevoegd en een naar bestand
gedifferentieerde dekking aan de verzekeraars wordt afgedragen. Met deze middelen en
het verschil tussen de gevraagde premie en de af te dragen premie aan het
vereveningsfonds, moet een verzekeraar de gedekte zorg inkopen bij de zorgaanbieders.
Door onderscheid in de inkoop, de efficiency van de organisatie en eventuele eigen
middelen, kan een zorgverzekeraar een scherper tarief neerzetten voor de
basisverzekering.
3. De opzet van het zorgverzekeringsstelsel toegepast op de
tweede pijler
In dit hoofdstuk is het zorgverzekeringsstelsel zo objectief mogelijk vertaald naar de
tweede pijlerpensioenen en worden de verschillende keuzemogelijkheden en de gevolgen
van te maken keuzes op een rij gezet.
3.1 Uitgangspunten
Het zorgstelsel gaat uit van een verzekering voor alle inwoners van Nederland. Hier dient
zich een eerste verschil aan met het huidige pensioenstelsel. Nederland kent weliswaar
een basis oudedagsvoorziening (de AOW) maar daarnaast is er het tweede pijler
pensioen, dat gerelateerd is aan inkomen uit arbeid. De vertaling van het zorgstelsel
naar het tweede pijler pensioen betekent derhalve dat wordt uitgegaan van een stelsel
waarbij alle werkenden (bijvoorbeeld ook ZZP-ers) verplicht aanvullend pensioen
opbouwen c.q. gedekt zijn voor het risico van overlijden en arbeidsongeschiktheid.
Iedereen die werkzaam is, kiest binnen het zorgstelsel de eigen uitvoerder die verplicht is
om iedere werknemer te accepteren tegen een uniforme premie. Met andere woorden,
iedereen heeft recht op dezelfde zorg. Een consequente toepassing hiervan op het
pensioenstelsel, voor wat betreft het pensioen in de tweede pijler, betekent dat iedereen
die werkt recht heeft op hetzelfde pensioen.
In dit paper is op voorhand geen keuze gemaakt voor een uitkeringsregeling of
premieregeling, maar zijn beide mogelijkheden onderzocht. Het principe dat iedereen
recht heeft op hetzelfde pensioen wordt voor de premieovereenkomst dan in eerste
instantie als dezelfde inleg voor pensioen en de vertaling van het uiteindelijke kapitaal in
te verkrijgen pensioen. Tussen het moment van inleg en de uiteindelijke aanwending
treedt dan verschil op door rendement. Gelijke behandeling betekent in dit kader dat
ieder een gelijk percentage van het inkomen voor pensioen inlegt.
In het zorgstelsel kunnen verzekerden elk jaar veranderen van zorgverzekeraar. In dit
paper wordt er ook van uitgegaan dat iedere werkende één keer per jaar mag
veranderen van pensioenuitvoerder.
Een verkenning van een pensioenstelsel op basis van het zorgmodel
6
׉	 7cassandra://nwxdtyG1634QwVbnd1hwelYIdVTcVNLshd8u-8i5D3E`̵ WFƕߌ׉E9Verder wordt er van uitgegaan dat het tweede pijler pensioen de volgende elementen
omvat: ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen en premievrijstelling bij
arbeidsongeschiktheid.
Samengevat zijn de volgende uitgangspunten te onderscheiden:
· Alle werkenden zijn verplicht een tweede pijler pensioen op te bouwen bij
een pensioenuitvoerder.
· De keuze voor de pensioenuitvoerder ligt bij de werknemer.
· Pensioenuitvoerders moeten deelnemers accepteren en voor deze
deelnemers dezelfde premie hanteren.
· De tweede pijler pensioenregeling voorziet in een ouderdomspensioen (OP),
nabestaandenpensioen (NP) en premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid
(PVAO). Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de deelnemer spaart voor zijn
ouderdomspensioen. Voor het nabestaandenpensioen kan gekozen worden
voor opbouwbasis of voor risicobasis. Ten aanzien van de premievrijstelling
bij arbeidsongeschiktheid wordt uitgegaan van een systeem op risicobasis
(zie figuur 2).
· De deelnemer kan jaarlijks veranderen van uitvoerder.
· De premie voor de pensioenregeling is fiscaal aftrekbaar en de uitkering is
belast (box1).
Anders dan in het zorgstelsel wordt hier bewust niet gesproken van verzekeraars, maar
van uitvoerders. Het kunnen immers verzekeraars zijn, maar ook pensioenfondsen of
andere door de wet toegestane vormen die de combinatie bieden van administratie,
beleggen, risico dekken en andere zaken die spelen bij het aanbieden van pensioen. Zo
kan de uitvoerder een deel van de werkzaamheden uitbesteden of herverzekeren.
Een verkenning van een pensioenstelsel op basis van het zorgmodel
7
׉	 7cassandra://fnEL1IPoduVePRi6MFCQf6l8kXBaISc5KlgFwUlhDnM`̵ WFƕߍWFƕߌ{בCט   {u׉׉	 7cassandra://Sg5h1v4Z4ArLKlsfTH0_pwy02j3SZCLHqNSLTrpHW88 ` ׉	 7cassandra://VYz67yRJvTWQCgUUH-8NqsW9S89qbRsLb8XwLhbmIIs̈́` S׉	 7cassandra://DtB1Og8kZqIknr_KXRy1VTcrSMWFycZIY_UQ1rJ1_SU`̵ ׉	 7cassandra://6IqocdxG4_z1Vlf8G-4bSkfld2xb4LmiaQikVu50thYf.͠WFƕߎט  {u׉׉	 7cassandra://6ViVTOnDHuivF48jDkW0AtvgaWcyg7L0t23RrYJm1uM ` ׉	 7cassandra://xFkm7XOLHBC7ncXbsYeBa4aCP1AhDA4lzFpY8-erNygQ`S׉	 7cassandra://6yDoIv_8grUiwalHnBc529RthcurdriwEbbW0X_TudsZ`̵ ׉	 7cassandra://4sbkkhYlrUtZ_yKqXxf_wQsdxheTTr7r3ulYHSzZQy4 ͠WFƕߏ׉EEen belangrijke aanname daarnaast is dat de concurrentiepositie van de
pensioenuitvoerders niet mede bepaald mag worden door de samenstelling van het
deelnemersbestand. Dit botst namelijk met het uitgangspunt dat iedere deelnemer moet
worden geaccepteerd.
3.2 Sparen voor ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen
3.2.1 Inleiding
Dit paper heeft als vertrekpunt dat gespaard wordt voor ouderdomspensioen en dat voor
het nabestaandenpensioen zowel opbouwbasis als risicobasis mogelijk is. Het sparen voor
ouderdomspensioen en voor nabestaandenpensioen bevat grotendeels dezelfde
elementen. Het spaarelement is een belangrijk verschil met het zorgstelsel. Dit betekent
dat moet worden bepaald wat met de opgebouwde waarde gebeurt op het moment dat
een deelnemer overstapt naar een andere pensioenuitvoerder. Wanneer sprake is van
waardeoverdracht moet worden bepaald op welke voorwaarde deze waardeoverdracht
plaatsvindt.
3.2.2 Product
Het pensioen kan in de tweede pijler pensioenregeling zowel vanuit een
premieovereenkomst als vanuit een uitkeringsovereenkomst vormgegeven worden. Bij
een premieovereenkomst wordt de inleg gedefinieerd tot uiteindelijke pensionering. Op
het moment van pensionering moet worden beoordeeld hoe het opgebouwde kapitaal
zich vertaalt in een te verkrijgen pensioen. Bij een uitkeringsovereenkomst wordt de
uitkering gedefinieerd en vindt de verbinding tussen premie en uitkering direct plaats op
het moment van premiebetaling. Het verschil in vormgeving leidt er toe dat bij een
uitkeringsovereenkomst geregeld moet worden of het een harde pensioenaanspraak is,
zoals bij verzekerde uitkeringen, of een zachtere pensioenaanspraak, zoals bij
pensioenfondsen. Dit verschil heeft invloed op de beleggingsmogelijkheden en het
verwerken van de jaarlijkse overlijdenskansen en de levensverwachting.
Een stelsel waarin sprake is van harde en zachtere pensioenaanspraken, heeft als nadeel
dat verschillen ontstaan tussen verschillende soorten uitvoerders.
De opbouw van pensioen is gerelateerd aan de pensioengrondslag: het inkomen uit
arbeid in het betreffende jaar, gemaximeerd op een wettelijk voorgeschreven “tweede
pijler pensioengrens1” minus een wettelijk voorgeschreven franchise (het deel van het
inkomen waarover geen pensioen wordt opgebouwd, omdat al AOW wordt ontvangen).
Bij de zorgverzekeringen geldt dat iedereen, die zich bij dezelfde verzekeraar verzekert,
dezelfde premie betaalt voor de basisverzekering en daarvoor ook dezelfde zorgdekking
krijgt. Een strikte vertaling naar pensioen betekent een gelijke premie en gelijke
pensioenuitkering voor alle deelnemers bij dezelfde pensioenuitvoerder, alles in
procenten van het pensioengevend inkomen. Bij een uitkeringsovereenkomst gaat dit
bijna vanzelf, maar bij een premieovereenkomst vraagt dit een uniforme vertaling van
uiteindelijk opgebouwd kapitaal naar het daarvoor te verkrijgen pensioen.
Concreet betekent dit dat er kan worden uitgegaan van twee verschillende mogelijke
producten (zie figuur 3, pagina 9), te weten:
- uitkeringsregeling: een gelijke premie per pensioenuitvoerder die resulteert in een
1 Vergelijkbaar met de aftoppingsgrens.
Een verkenning van een pensioenstelsel op basis van het zorgmodel
8
׉	 7cassandra://DtB1Og8kZqIknr_KXRy1VTcrSMWFycZIY_UQ1rJ1_SU`̵ WFƕߐ׉Euitkering van x% van de pensioengrondslag vanaf de pensioenrichtleeftijd;
- premieregeling: een gelijke premie van x% van de pensioengrondslag, verwerking van
rendement waarbij uiteindelijk een pensioenuitkering wordt aangekocht, waarvoor de
omzettingsfactor voor iedereen bij de dan aan te wijzen uitvoerder gelijk is.
3.2.3 Sparen voor Ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen in een
uitkeringsovereenkomst
Bij de vormgeving van de tweede pijlerpensioenregeling als een uitkeringsovereenkomst
zal gekozen moeten worden of de opbouw voor iedereen gelijk is of degressief en in
samenhang daarmee of de premie voor iedereen gelijk is of actuarieel vastgesteld wordt.
Een consequente vertaling van het zorgverzekeringsstelsel betekent een gelijke premie
en een gelijke opbouw voor iedereen. Dit maakt verevening noodzakelijk omdat
actuarieel gezien bij elke leeftijd een andere premie hoort. Daarnaast is verevening nodig
omdat op voorhand bekend is dat bepaalde groepen naar verwachting langer zullen
leven.
Indien de keuze valt op een actuarieel gelijkwaardige opbouw ongeacht de leeftijd (door
een leeftijdsafhankelijke premie of een degressieve opbouw), vervalt de noodzaak van
verevening op basis van leeftijd, maar blijft verevening vanwege de verschillen in
levensverwachting van de verschillende groepen mensen noodzakelijk. Alleen bij
volledige vrije invulling van de premie door de uitvoerder, zal verevening niet nodig zijn.
Echter deze variant staat het verst af van het zorgverzekeringsmodel. Een dergelijke
keuze zou betekenen dat voor dezelfde uitkering een hogere premie moet worden
gevraagd voor degenen die een hogere levensverwachting hebben. In figuur 4 (pagina
10) zijn de mogelijke keuzes en de consequenties daarvan weergegeven.
Een verkenning van een pensioenstelsel op basis van het zorgmodel
9
׉	 7cassandra://6yDoIv_8grUiwalHnBc529RthcurdriwEbbW0X_TudsZ`̵ WFƕߑWFƕߐ{בCט   {u׉׉	 7cassandra://SYIWj6RtxUKZA_RiMrTwxQyGgVHQKM29QHUYvo1NrG4 a` ׉	 7cassandra://DWygni1_fUo-1V6TOMF_zHzJk_BDU5Hy5I9kFmP7bBoY`S׉	 7cassandra://OmZRcoJht9Ch04rYchh4Sn4TZxvA3QKgihqqVS_tpq8`̵ ׉	 7cassandra://set-3lrJURtlEw_bf7TZdnsQyaIbmhTudznFLAqgXdU  ͠WFƕߒט  {u׉׉	 7cassandra://-9dBBfGES4Lr9NEYtDFcizcX0sMjaJV2fNxkhF81UuM |` ׉	 7cassandra://MkbhOoRf0RwKRH3j8gGP_2Ubm2669RN_MO887miQgb0Cr`S׉	 7cassandra://5GtjbLYO87Iy38xE-m47JBI4-qFwbNvdpZMbG-KOofk`̵ ׉	 7cassandra://4cUUIjUhG0JQ8NbKpWZrtC3jCFkUQR19FqN0_ffqV6s L͠WFƕߓ׉ER3.2.4 Sparen voor ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen in een
premieovereenkomst
Opbouwfase - premie
Een consequente vertaling van het zorgstelsel waarbij voor iedere verzekerde bij een
zorgverzekeraar dezelfde premie geldt, betekent een vlakke premie, dus ongeacht de
leeftijd. Bij een zorgverzekering mag de premie die de verzekerde betaalt voor de
basisverzekering namelijk ook niet variëren op basis van leeftijd. In afwijking van het
zorgverzekeringsmodel zou gekozen kunnen worden voor een leeftijdsafhankelijke
staffel.
Opbouwfase – beleggingen
Tijdens de opbouwfase wordt rendement gemaakt op de beleggingen. Dit rendement zal
per deelnemer of per uitvoerder (of mix van beide) verschillend zijn. Vanuit de
uitgangspunten van het zorgverzekeringsmodel zou gesteld kunnen worden dat de
prestatie, die voortvloeit uit de premiebetaling, voor iedereen gelijk zou moeten zijn. Dit
zou betekenen dat de rendementen landelijk moeten worden verevend. Echter, het
maken van rendement is het onderscheidende element bij een premieovereenkomst.
Landelijk verevenen van rendementen past daarom niet in dit systeem.
Opbouwfase – kortlevenrisico
Bij overlijden van een deelnemer in de opbouwfase valt het beschikbare pensioenkapitaal
toe aan het collectief. Hierbij dient zich een vraag aan: blijft dit binnen het collectief van
de pensioenuitvoerder of wordt dit landelijk verevend? Wanneer gekozen wordt dat het
vrijgevallen kapitaal binnen het collectief blijft, heeft dit gevolgen voor de onderlinge
concurrentieverhouding tussen de uitvoerders. Immers uitvoerders met een kortlevend
bestand zijn dan in het voordeel ten opzichte van uitvoerders met een langlevend
bestand. Indien dit als ongewenst wordt beschouwd is een landelijke verevening op dit
punt noodzakelijk. Als alternatief kan ook worden gedacht aan een systeem waarbij het
kapitaal, bij overlijden tijdens de opbouwfase, naar de erfgenamen gaat. Dit betekent
dat het sterfterisico tijdens de opbouwfase niet langer wordt verdeeld met als gevolg dat
de langer levenden meer moeten sparen.
Een verkenning van een pensioenstelsel op basis van het zorgmodel
10
׉	 7cassandra://OmZRcoJht9Ch04rYchh4Sn4TZxvA3QKgihqqVS_tpq8`̵ WFƕߔ׉EOpbouwfase - onderscheidende uitvoerders
Pensioenuitvoerders kunnen zich onderscheiden door middel van de kostenopslag en/of
het beleggingsbeleid; de uitvoerder bepaalt de invulling van de beleggingen, zoals life
cycles en hedgebeleid (aankoopbeschermers, zoals lange duratiestukken) en de
eventuele keuzemogelijkheden en -architectuur hierbij.
Onderstaand figuur 5 geeft een overzicht van alle hiervoor beschreven keuzes en de
consequenties van keuzes.
Uitkeringsfase
Op een door de deelnemer zelf gekozen pensioendatum wordt vanuit het opgebouwde
kapitaal een levenslange uitkering gefinancierd. Daarvoor zijn de volgende
mogelijkheden:
1. Aankoop van een onvoorwaardelijke annuïteit.
2. Aankoop van een individuele variabele annuïteit.
3. Aankoop van een collectieve variabele annuïteit.
In alle gevallen wordt het microlanglevenrisico2 onderling gedeeld of verzekerd.
2
Microlanglevenrisico betreft het risico van een individu om ouder te worden dan gemiddeld voorzien. Het delen
van microlanglevenrisico houdt in dat opgebouwde kapitaal van deelnemers die eerder overlijden ten goede
komt aan deelnemers die later overlijden dan de levensverwachting.
Een verkenning van een pensioenstelsel op basis van het zorgmodel
11
׉	 7cassandra://5GtjbLYO87Iy38xE-m47JBI4-qFwbNvdpZMbG-KOofk`̵ WFƕߕWFƕߔ{בCט   {u׉׉	 7cassandra://gTKLSHlbEWohxxFDMqP6MPokB7Ug0XdJeljdmad3T8k j2`׉	 7cassandra://J2vsXh_D8ZquV8Po6R9AUiw0Ogac0AnlAbWKHkwlREo@r`S׉	 7cassandra://EAWYNjBdyKiF8Qwe0bY3xrIGSxIKeUdw1TerfH953TUX`̵ ׉	 7cassandra://hjlbRoG3V6rX6qscq1i78BeUCPuGSAIN9IbcHdX6nts C͠WFƕߖט  {u׉׉	 7cassandra://nf0j-StxTPan9Wf0KO0jpO5esieGtrQvPhx0xIlFFYQ ` ׉	 7cassandra://jodA8nZsLk_Wg9J-lk_wfsg21sDnB0W9KMWanV1p7pcG`S׉	 7cassandra://pmO63Q0oYVoZOa_kWDzSyGjOIjdjSC8ctP1q5li2KcI2`̵ ׉	 7cassandra://U86NdLtd5ArPPB2Yhob7QdLaiBAE8_YaJQErq5XK3b0 - ͠WFƕߗ׉EHet macrolanglevenrisico3 ligt bij optie 1 bij de uitvoerder; onder optie 2 en 3 kan dit
risico bij het individu of bij het deelnemerscollectief liggen. De aanbieders van de
annuïteit mogen een deelnemer niet weigeren. Conform het zorgverzekeringsmodel
mogen aanbieders bij het bepalen van hun tarief verder niet differentiëren op basis
van verschil in levensverwachting (bijvoorbeeld op basis van geslacht, inkomen,
opleiding, postcode, et cetera.). Daarom vergt dit een vereveningssysteem. De
inkooptarieven zijn wel leeftijdsafhankelijk.
3
Macrolanglevenrisico betreft het risico dat geschatte levensverwachting op collectief niveau niet juist blijkt te
zijn.
Een verkenning van een pensioenstelsel op basis van het zorgmodel
12
׉	 7cassandra://EAWYNjBdyKiF8Qwe0bY3xrIGSxIKeUdw1TerfH953TUX`̵ WFƕߘ׉E3.3 Nabestaandenpensioen (NP) op risicobasis
Wanneer gekozen wordt voor nabestaandenpensioen op risicobasis, zijn er verschillende
keuzes te maken ten aanzien van het product, namelijk de nabestaande ontvangt
namelijk per overlijden van de deelnemer:
- x% van het inkomen gedurende y jaar
- x% van het inkomen tot AOW
- x% van het inkomen levenslang
Steeds geldt dat een consequente vertaling van het zorgmodel betekent dat er sprake is
van een gelijke premie per pensioenuitvoerder, gekoppeld aan een gelijke uitkering in
percentage van het inkomen. Dit betekent dat er niet wordt gedifferentieerd naar leeftijd,
geslacht, burgerlijke staat, opleiding, postcode, leeftijd en geslacht van de partner et
cetera. Een alternatief kan zijn dat wel, in meer of mindere mate, wordt gedifferentieerd.
Dit kan een volledig gedifferentieerde premie zijn, maar kan ook een differentiatie ten
aanzien van een aantal factoren zijn. Naarmate factoren niet worden meegenomen bij de
differentiatie is verevening noodzakelijk. Zou dit niet gebeuren dan is de
concurrentiepositie van de pensioenuitvoerder mede afhankelijk van het
deelnemersbestand. Hiernaast speelt de vraag of deelnemers zonder partners toch
verplicht kunnen worden om te participeren in het nabestaandenpensioen op risicobasis.
In figuur 7 wordt een schematische voorstelling gegeven van de hierboven beschreven
keuzes.
Een verkenning van een pensioenstelsel op basis van het zorgmodel
13
׉	 7cassandra://pmO63Q0oYVoZOa_kWDzSyGjOIjdjSC8ctP1q5li2KcI2`̵ WFƕߙWFƕߘ{בCט   {u׉׉	 7cassandra://HjNinbGU_iamD_R5UeSsBUtgVxNnKzdUwyUJ5DoAgoA hG` ׉	 7cassandra://G5VQFvImWrywROKbtdvgoMRyei61-rxYxb6_5vGyuC4{A` S׉	 7cassandra://ZpmU8kWLf7PW1O7ytEwXe1gvTwWE439zS0dxA_wwY6c.`̵ ׉	 7cassandra://1b5ENn58AnL5vzpY-M_A5t8LUl-gVNqhLesnnsq7ou8T ͠WFƕߚט  {u׉׉	 7cassandra://_F-g7Y6edEYivHvyN4ZFcXgwtaP5C0RJ7OjGOSR9nP8 ` ׉	 7cassandra://nXh2MKW4BHyOmQAnsyp3jC7xHHEUiGHj0lFOsJ2oS1Uu`S׉	 7cassandra://5KkT2g_AFILe82LvT7W2L86ZiAcaFfXd57NVVjIK8k0e`̵ ׉	 7cassandra://0qp-b3ScDmky-ynz9Y67MZqLNlaeHH28EduviiMbKaUM ͠WFƕߛ׉E@3.4 Premievrije opbouw bij arbeidsongeschiktheid (PVAO)
In het huidige stelsel is de WIA (Wet arbeidsongeschiktheid na ziekte) de basisdekking
voor werknemers. Als consequent wordt doorgeredeneerd naar een stelsel voor alle
werkenden, moet de WIA gelijkgetrokken worden. De werkgever of de werknemer staat
het uiteraard vrij om hier aanvullingen op te verzekeren, maar dit valt buiten de tweede
pijler pensioenregeling.
De tweede pijler pensioenregeling bevat alleen een verzekering ten behoeve van de
premievrije opbouw van pensioen in het geval van arbeidsongeschiktheid. Evenals bij het
nabestaandenpensioen op risicobasis kan voor de PVAO-risicopremie een doorsneepremie
gehanteerd worden die voor alle deelnemers gelijk is, dan wel in bepaalde mate
gedifferentieerd worden. Het risico op arbeidsongeschiktheid is immers mede afhankelijk
van leeftijd, type werk, geslacht, inkomen, opleiding et cetera. Ook hier geldt dat
verevening nodig is voor de factoren waarop niet gedifferentieerd wordt.
4. Het vereveningssysteem
In het zorgstelsel is verevening een essentieel onderdeel. Te zien is dat een doorvertaling
van dat model naar het tweede pijler pensioen eveneens noodzaak tot verevening geeft.
In dit hoofdstuk wordt verder ingegaan op deze verevening.
4.1 Vereveningsaspecten bij verplichte pensioenverzekering
In de voorgaande hoofdstukken is de pensioenregeling uiteen getrokken naar sparen,
overlijdensrisico en arbeidsongeschiktheidsrisico. Langs die lijnen wordt de verevening in
dit hoofdstuk behandeld, opdat die kan worden uitgewerkt afhankelijk van de invulling
van de verplichte tweede pijler pensioenregeling. Deze invulling betreft onder meer de
keuze voor tijdelijke of levenslange nabestaandendekking, ouderdomspensioen in een
premieregeling of een uitkeringsovereenkomst en de arbeidsongeschiktheidsdekking.
4.2 Verschillende kansen voor verschillende verzekerden
Bij de vormgeving van het zorgverzekeringsstelsel wordt iedereen gelijk behandeld,
terwijl de risico’s per individu niet gelijk zijn. Er zijn duidelijke verschillen tussen groepen
van individuen als het gaat om de jaarlijkse overlijdenskans - en daarmee de
uiteindelijke levensverwachting - en de jaarlijkse kans om arbeidsongeschikt te worden.
Dit heeft uiteraard invloed op de benodigde premie.
Van oudsher wordt rekening gehouden met verschillen naar leeftijd en geslacht.
Daarvoor is ruimschoots informatie voor handen. In toenemende mate wordt ook
gekeken naar sociaaleconomische verschillen, zoals inkomen, postcode, beroep of de
sector waarin men de werkzaamheden uitvoert. Het CBS heeft verschillen in kaart
gebracht.
Ten aanzien van arbeidsongeschiktheid speelt deels eenzelfde correlatie tot inkomen als
bij overlijdenskansen, maar speelt nadrukkelijker de correlatie tot de aard van de
werkzaamheden een rol.
Een verkenning van een pensioenstelsel op basis van het zorgmodel
14
׉	 7cassandra://ZpmU8kWLf7PW1O7ytEwXe1gvTwWE439zS0dxA_wwY6c.`̵ WFƕߜ׉E4.3 Verevening bij het nabestaandenpensioen
Bij het nabestaandenpensioen wordt bij overlijden van de deelnemer, de partner
gedurende een bepaalde periode (maximaal levenslang) van een vervangingsinkomen
voorzien. Daarvoor wordt jaarlijks een premie betaald aan de zelf gekozen uitvoerder van
de regeling. Om te voorkomen dat uitvoerders zich enerzijds richten op de gunstigste
risico’s (voor nabestaandenpensioen met de laagste overlijdenskans) en om te
voorkomen dat – bij een gelijke premie – de ene uitvoerder met slechtere risico’s meer
wordt belast dan de andere, is verevening nodig.
Een doorvertaling vanuit het zorgverzekeringsstelsel betekent dat de verevening inhoudt
dat de uitvoerder een landelijk gemiddelde premie betaalt aan het vereveningsfonds en
een op de eigen populatie gebaseerde gedifferentieerde premie ontvangt. Er moet dus
een landelijke kwalificatie van overlijdenskansen komen die de overlijdenskans toerekent
aan homogene groepen van deelnemers, bijvoorbeeld afhankelijk van inkomen.
Naarmate het nabestaandenpensioen een langere uitkeringsperiode kent, zal de
risicopremie ook gaan verschillen voor de overlevingskansen van de partner. Deze is
afhankelijk van het leeftijdsverschil van die partner ten opzichte van de deelnemer. Voor
een vijfjarige uitkering zal de overlevingskans van de partner nauwelijks verschil maken,
terwijl voor een levenslange uitkering dat verschil maximaal is. De overlijdenskansen van
de partner hebben minder impact op de overlijdensrisicopremie dan de overlijdenskans
van de deelnemer.
4.4 Verevening bij premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid
Bij arbeidsongeschiktheid van de deelnemer zal de pensioenopbouw voortgezet worden.
Daarvoor wordt jaarlijks een premie betaald aan de zelf gekozen uitvoerder van dit
onderdeel van de regeling. Analoog aan hetgeen bij verevening van het
nabestaandenpensioen is beschreven zal verevening nodig zijn. Een vertaling vanuit het
zorgverzekeringsstelsel betekent dat de verevening inhoudt dat de uitvoerder een
landelijk gemiddelde premie betaalt aan het vereveningsfonds en een op de eigen
populatie gebaseerde gedifferentieerde premie ontvangt. Er moet dus een landelijke
kwalificatie van arbeidsongeschiktheidskansen komen. Deze rekent een
arbeidsongeschiktheidskans toe aan homogene groepen van deelnemers, bijvoorbeeld
afhankelijk van de aard van de werkzaamheden.
4.5 Verevening bij ouderdomspensioen
Ten behoeve van het ouderdomspensioen moet vroeg (uitkeringsovereenkomst) of laat
(premieovereenkomst) een vertaling plaatsvinden van middelen (premie of opgebouwd
kapitaal) naar de uitkering. Daarbij is het de bedoeling vanuit het doorgedachte systeem
dat aanbieders volop concurreren op economische grondslagen, maar niet op de
verschillen tussen individuen. De gunstige en ongunstige risico’s zullen dus verevend
moeten worden in dit systeem. Er zal daarom een classificatie moeten zijn dat een
eenduidige resterende levensverwachting geeft van de deelnemer. Daarbij zal
onderscheid gemaakt moeten worden naar in elk geval geslacht en leeftijd alsmede de
sociaaleconomische klasse.
De uitvoerder zal in het vereveningssysteem de landelijk gemiddelde premie voor het
pensioen moeten betalen aan het vereveningsorgaan en ontvangt de vastgelegde premie
Een verkenning van een pensioenstelsel op basis van het zorgmodel
15
׉	 7cassandra://5KkT2g_AFILe82LvT7W2L86ZiAcaFfXd57NVVjIK8k0e`̵ WFƕߝWFƕߜ{בCט   {u׉׉	 7cassandra://JGDw0ZsubphTH6pwRUZDEIturuKwJNTLIe3hjNcaVNk /` ׉	 7cassandra://r5H7pzAZvewYoK1nS_1LE7D-Xiibt1DOaFSmfHCdVosr`S׉	 7cassandra://PYsdbPbSazmZFcswN0g4SmVREEb5-sLNxRUw_6riKCg@`̵ ׉	 7cassandra://ks0fAcNV4IwYqR9ySYxeoO9vbMhh5uqS9Xb9Nmzy1TgZb ͠WFƕߞט  {u׉׉	 7cassandra://UkBpOvCqQZ8vr7RMXQ_Qj_frgfE6QcfhVAiQ9ZSnSWE .1` ׉	 7cassandra://sbLfwFgSRMqZt2Cm2g-28swtJSNiF4VRcAgV72uKrv4͑+` S׉	 7cassandra://WzQwb5f2CP8rDkFth5SeBRYULGR9M8jWlLBORYFsDSc`̵ ׉	 7cassandra://WT_0MrR4BEPYgeF4XmOQkSBtJxYkCA41ZO144kMJ1kIdW ͠WFƕߟ׉Eop basis van de onderscheidende kenmerken van het individu.
5. Mogelijke consequenties van het toepassen van het zorgstelsel
In hoofdstuk vijf is een doorvertaling gemaakt van het model van het zorgstelsel naar
het pensioenstelsel. Daarbij is aangegeven wanneer verevening noodzakelijk is als
dezelfde uitgangspunten als bij het zorgstelsel worden gehanteerd. In dit hoofdstuk
wordt inzicht gegeven in de belangrijkste consequenties.
5.1 Shopmogelijkheid legt beperkingen op aan risicodeling en beleggingsbeleid
Kenmerk van het tweede pijler pensioen is dat de deelnemer zelf een uitvoerder kiest en
vervolgens ook kan veranderen van uitvoerder, waarbij hij zijn/haar totale opgebouwde
pensioen meeneemt naar de nieuwe uitvoerder. Een directe consequentie hiervan is dat
er binnen de tweede pijler pensioenregeling geen sprake kan zijn van een open systeem
met intergenerationele risicodeling (toestaan van tijdelijke collectieve tekorten of
overschotten waarin nieuwkomers meedelen). Er zou anders selectie ontstaan:
deelnemers ontvluchten collectiviteiten met een tekort en sluiten zich aan bij
collectiviteiten met een overschot. De twee mogelijkheden om hiermee om te gaan zijn:
de tweede pijler pensioenregeling vorm te geven als een zuiver individueel systeem (met
‘heldere eigendomsrechten’), of werken met een ‘dekkingsgraadneutraal’ in- en
afkooptarief (dus gesloten systeem).
Een aandachtspunt betreft het beleggingsbeleid. Als deelnemers kunnen veranderen van
uitvoerder, heeft die uitvoerder minder mogelijkheden voor het aanhouden van illiquide
assets. De vraag is wat dit betekent voor het rendement, de diversificatie, maar ook
voor de Nederlandse economie. De consequenties kunnen worden voorkomen door
aanvullende regels rondom de tweede pijler pensioenregeling op te stellen: (1)
veranderen van uitvoerder zonder het reeds opgebouwde pensioen mee te nemen, (2)
binnen de algemene pensioenplicht blijven werken met de (grote) verplichtstelling.
5.2 Consequenties van verevening
Verevening betekent dat van overheidswege een hoge mate van solidariteit wordt
gecreëerd waardoor risico’s worden gedeeld. Tot dusverre is in dit paper uitgegaan van
eenzelfde soort risicodeling als bij het zorgverzekeringsstelsel. Dit betekent bij het
tweede pijler pensioen bijvoorbeeld dat kapitaal, dat vrijvalt door overlijden van
personen met een korte levensverwachting, wordt overgedragen naar personen met een
lange levensverwachting. Naar de huidige inzichten betekent dit een overdracht van man
naar vrouw en van lage sociaaleconomische klasse naar hoge sociaaleconomische klasse.
De mate waarin dit gewenst is, is een politieke discussie waar in dit paper niet nader op
ingegaan wordt. In aanvulling op voorgaande merken wij op dat risicoverevening veel
uitwisseling en verwerking van data met zich meebrengt, zo leert de zorgpraktijk, wat
voor een aanzienlijke belasting zorgt voor de uitvoerders met bijbehorende kosten.
Daarnaast kan in de praktijk goede risicoverevening vereisen dat data uit niet openbare
bronnen moeten worden gehaald. Dit leidt bij uitvoerders tot intransparantie over hoe
hun resultaat tot stand komt, aangezien informatie over de individuele deelnemers naar
verwachting niet beschikbaar is vanwege privacy wetgeving.
Een verkenning van een pensioenstelsel op basis van het zorgmodel
16
׉	 7cassandra://PYsdbPbSazmZFcswN0g4SmVREEb5-sLNxRUw_6riKCg@`̵ WFƕߠ׉EDoor het pensioenstelsel in lijn te brengen met het zorgverzekeringsmodel ontstaat
een heterogenere groep in vergelijking met de huidige pensioenpraktijk. De vraag is of
dergelijke heterogeniteit kan rekenen op draagvlak, gezien de discussies die binnen
het huidige pensioenstelsel reeds worden gevoerd, bijvoorbeeld aangaande het
verschil in levensverwachting tussen hoog- en laagopgeleide deelnemers.
6. Conclusies
In de discussie rond de toekomst van het Nederlands pensioenstelsel wordt regelmatig
verwezen naar het zorgverzekeringsmodel. Dat zou de mogelijkheid creëren voor
marktwerking en individuele keuzevrijheid voor pensioenuitvoerder, gecombineerd met
een verplichting tot pensioensparen bij deelnemers en acceptatieplicht bij uitvoerders.
Hoe dit precies in te vullen blijft in de discussie tot nu toe echter in het midden.
Het AG heeft verkend hoe een dergelijk tweede pijler pensioenstelsel er uit komt te zien
bij een consequente vertaling van het zorgverzekeringsmodel. De uitkomst van het
onderzoek is een pensioenstelsel met een omvangrijk vereveningssysteem. Deze
verevening leidt tot een grote mate van solidariteit in de vorm van het delen van
ongelijke risico’s tussen verschillende deelnemers, net zoals in het
zorgverzekeringsstelsel. Het vereveningssysteem bij pensioen kent echter aanzienlijk
meer complexiteit en subjectiviteit dan het vereveningssysteem bij de zorg:
· Complexiteit: voor het pensioenstelsel dienen niet één, maar meerdere
afzonderlijke vereveningssystemen (namelijk voor zowel OP, NP als PVAO)
ontwikkeld te worden. In elk van deze systemen zullen grote bedragen tussen
uitvoerders uitgewisseld worden. Dit vereist strak data- en procesmanagement
waaraan voor de praktijk grote risico’s en kosten verbonden kunnen zijn.
· Subjectiviteit: de uitvoerders zijn voor hun resultaat afhankelijk van aannames bij
het vaststellen van de vereveningsbijdrage. De variantie van risico’s zal voor de
pensioenmarkt weliswaar kleiner zijn dan binnen de risico technisch meer diverse
zorgmarkt. Maar de impact is groter in de pensioenmarkt, omdat aannames
moeten worden gemaakt voor een aanzienlijk langere termijn (namelijk tot aan
het einde van de overlevingstafels en dus voor de jongste deelnemers al snel 80
jaar de toekomst in). Deze subjectiviteit zal leiden tot scherpe en lastige
discussies tussen uitvoerders en het vereveningsfonds.
Deze complexiteit en subjectiveit zijn binnen de uitwerking in dit paper alleen uit te
sluiten als wordt afgezien van het complete vereveningsmechanisme. Dit betekent echter
dat er sprake zal zijn van een pensioensysteem met premiedifferentiatie (c.q. verschil in
uitkering) tussen verschillende deelnemers, op basis van geslacht, inkomen, opleiding,
postcode, et cetera. Op deze wijze komt het stelsel ver af te staan van dat van de
zorgverzekeringen en van een nationaal solidair pensioensysteem.
De conclusie is dat een consequente doorvertaling van het zorgverzekeringsmodel naar
het pensioenstelsel een aantal knelpunten van het huidige pensioenstelsel wegwerkt.
Een punt is wel dat er een aantal nieuwe problemen voor terugkomen: complexiteit,
subjectiviteit, heterogeniteit en beperkingen t.a.v. het beleggingsbeleid. De voordelen
lijken daarmee niet op te wegen tegen de nadelen. Het is interessant om een aantal
facetten uit het zorgstelsel, zoals de verplichte deelname voor alle werkenden, meer
uniformiteit in pensioenregelingen en/of een nationaal pensioenstelsel zonder
verevening, verder te onderzoeken.
Een verkenning van een pensioenstelsel op basis van het zorgmodel
17
׉	 7cassandra://WzQwb5f2CP8rDkFth5SeBRYULGR9M8jWlLBORYFsDSc`̵ WFƕߡWFƕߠ{) AEen verkenning van een pensioenstelsel op basis van het zorgmodelHet volgen van ontwikkelingen die de actuariële aspecten van het pensioenstelsel
beïnvloeden, is sinds jaar en dag een belangrijke taak van het Koninklijk Actuarieel Genootschap (AG). Dit komt tot uiting in de diverse rapporten, position papers en notities die het AG uitbrengt, waarin zij vanuit haar expertise een feitelijke achtergrond weergeeft, gecompleteerd met oplossingsscenario’s.

In de Hoofdlijnennota heeft Staatssecretaris Klijnsma aangekondigd als vervolg op de
Nationale Pensioendialoog verder te kijken in hoeverre het huidige 2e pijler pensioensysteem verbeterd kan worden. Een van de onderwerpen is keuzevrijheid: kan de vrijheid om je verzekeraar te kiezen in het zorgstelsel ook toegepast worden bij de 2e pijler pensioenen en welke gevolgen dit heeft voor het huidige systeem.

De AG-commissie Pensioenen heeft de werkgroep “Zorgverzekeringsmodel” ingesteld en de opdracht gegeven de hierboven gestelde vraag te onderzoeken.WF58