׉?4ׁB! בCט # #nu׉׉	 7cassandra://Y0DTlQPsP2cy2il1iuiZokhiJGik4Xsl1Wv8eUM5qWY G`
׉	 7cassandra://0tVIxu16BphXpgqX9Ng_vRy5e7WpxF_DiOE1YcvACkUrI`T׉	 7cassandra://U9Pym2LcUxvEJDfkZfHzisoMCxY_RYJx9dYINAdNxwQ'`̵ ׉	 7cassandra://inrd5DRSX69ib9ViIkFAFZ-lkzCn5wx3ggYKVAB6PSM a͠Vt
]7&'o׈EVt
]7&'p׉E JStaat van de ambtelijke dienst 2015
De overheid in tijden van verandering
׉	 7cassandra://U9Pym2LcUxvEJDfkZfHzisoMCxY_RYJx9dYINAdNxwQ'`̵ Vt
]7&'qVt
]7&'pFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://yEPjBVHh935nunxV6QaqnJXRHCgLIqX4I8ufU7b1FDA .`
׉	 7cassandra://Sv1ox1cxD6V_tDvld7-vNL9A6DimjeHyuzzWl_zH3mcLA`T׉	 7cassandra://MAO95fPrwMCcC_pN23c0eXf8uYiV7Kvzi4VumeObe5s)`̵ ׉	 7cassandra://eRGnaUwvKFkPnknU7oDsWib3x2ospbUlUFFTHCgBhBg F͠Vt
]7&'tט # #nu׉׉	 7cassandra://y7ch_46dYDeVaVYdEzkFPxWGCbKzekq0dOyL-AQ5xSY` 
׉	 7cassandra://ADVJ34ezn4tWksDFdwc8CzNtfSAWuphatnc-4ps4fiQ!i` T׉	 7cassandra://RfjiTAz6MPD7g__PdCshoX-nOvpoNm8wub-IPJR7WHI	`̵ ׉	 7cassandra://DwMCSW5AMYv5JO0c8MUhUyEnMa43vI33eG3sP-Ypkf4#P͠Vt
]7&'u׉EcHet CAOP is hét kennis- en dienstencentrum op het gebied van
arbeidszaken in het publieke domein.
Productiviteit
LEERSTOEL
Publieke Sector
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of
openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie,
geluidsband, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder
schriftelijke toestemming van de uitgever.
׉	 7cassandra://MAO95fPrwMCcC_pN23c0eXf8uYiV7Kvzi4VumeObe5s)`̵ Vt
]7&'v׉E $Staat van de Ambtelijke dienst 2015
׉	 7cassandra://RfjiTAz6MPD7g__PdCshoX-nOvpoNm8wub-IPJR7WHI	`̵ Vt
]7&'wVt
]7&'vFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://RY7Rrdwr00KJjr9aepJsVEBMKVY6Pg8xKct0_eaZDY0 K`
׉	 7cassandra://Fb6TcD8_E8lhaolQIXZErfdqKlmdWTMdqsNQadzhshMrD`T׉	 7cassandra://_ABzy1ocqusJtkrKIcuysl42UUPk6HC6dlU7BmmFTmk`̵ ׉	 7cassandra://XcsFVi5O9Kudp7QI92Me3z_7P334ELQ3asjjHp_sHV4/͠Vt
]7&'zט # #nu׉׉	 7cassandra://11DtO0ANO2b5QBr7IwYLt_WZOwA_bO0i6Gwvx6DDdkc E` 
׉	 7cassandra://Weo9nYuRAm2uq3Ubj079iRXGi4hjttEi-5EeaMd8ZKw3`T׉	 7cassandra://yV8xjD6xV-pi8Ql9Jm-_rmfjuDD-j89-Ju_v6Yc1UJ4`̵ ׉	 7cassandra://n6KfS_symGmLOOkQNzBCMiC_DscLNZFVXW4Ygudv8x8,,͠Vt
]7&'{׉E	lVOORWOORD
Elke twee jaar brengen de Bijzondere Leerstoelen van het CAOP de ‘Staat van de
Ambtelijke Dienst’ (STAD) uit. STAD is een kritisch, analytisch overzicht van hoe de
ambtelijke dienst ‘erbij staat’, kwalitatief en kwantitatief. STAD biedt de lezer onafhankelijke
analyses en observaties, geschreven door vertegenwoordigers van wetenschap
en beleid.
Dit is de derde uitgave met als ondertitel ‘In tijden van verandering’. De vele bijdragen
en interviews laten zien dat de overheid als organisatie volop in verandering
is: de inhoud van het werk verandert, de ambtenaar zelf verandert, de omgeving
waarin het werk gedaan moet worden verandert en het lijkt erop dat ook de rechtspositie
gaat veranderen. Met wat humor zou je kunnen zeggen dat het enige dat
niet is veranderd het salaris van de ambtenaar is, vanwege de door het kabinet
afgekondigde nullijn. Maar ook dat is met het afgesloten loonakkoord weer aan
verandering onderhevig.
De vele ontwikkelingen vragen veel van de ambtelijke organisatie en de daarin
werkzame ambtenaren. Ondanks alles blijft de ambtelijke dienst op basis van objectieve
criteria behoorlijk presteren, maar er zijn ook duidelijke signalen dat de grenzen
worden bereikt van wat haalbaar is wat betreft verandervermogen. Deze STAD
laat zien welke veranderingen allemaal gaande zijn en wat dit doet met de ambtenaar,
maar ook welke zaken nog kunnen worden verbeterd.
U treft delen aan die over de arbeidsvoorwaarden gaan en uiteraard over het initiatiefvoorstel
Wet normalisering rechtspositie ambtenaren. Beide onderwerpen waren
ten tijde van het opstellen van deze STAD, zoals te verwachten, aan veranderingen
onderhevig. Ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden speelde het loonakkoord en
het verzet van de FNV daartegen. Onduidelijk is hoe dat de komende maanden
verder zal gaan. Evenzo is er onduidelijkheid over het initiatiefvoorstel Wet normalisering
rechtspositie ambtenaren. De Eerste Kamer moet er nog over stemmen en
de behandeling in eerste termijn liet een kritische Eerste Kamer zien. Kortom: onzekerheden
waarmee we ook moeten omgaan bij de samenstelling van deze STAD.
En aangezien onzekerheid nu eenmaal hoort bij verandering, is dat ook iets waarop
de redactie van STAD maar moet inspelen. Daarom zijn enkele hoofdstukken opgenomen
waarin is uitgegaan van het aannemen van het wetsvoorstel door de Eerste
Kamer.
2
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://_ABzy1ocqusJtkrKIcuysl42UUPk6HC6dlU7BmmFTmk`̵ Vt
]7&'|׉ENadat de Eerste Kamer over het wetsvoorstel heeft gestemd, zal het CAOP
een losse publicatie uitbrengen over de harmonisering in de publicatiereeks
‘Overheid en Arbeid’.
In deze STAD treft u bijdragen aan met een meer gedegen wetenschappelijke
onderbouwing alsmede enkele meer opiniërende bijdragen. U zult ze
eenvoudig als zodanig herkennen. Juist de combinatie van deze twee maakt
dat deze STAD veel materiaal voor discussie in zich heeft en daarmee het
debat over de doorontwikkeling van de ambtelijke dienst kan voeden.
Wij danken de auteurs, het ministerie van BZK, het A+O fonds Rijk en het
CAOP voor hun waardevolle bijdragen en wensen u veel leesplezier.
Jaap Uijlenbroek, hoogleraar Albeda Leerstoel
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
3
׉	 7cassandra://yV8xjD6xV-pi8Ql9Jm-_rmfjuDD-j89-Ju_v6Yc1UJ4`̵ Vt
]7&'}Vt
]7&'|FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://gbTuBga8kjZFfV3fmXVPwiEXM0GbjEeUJkU2F1zzSkQ ` 
׉	 7cassandra://N4XROPGlPrm46pcAwcIoyrWQkBg3jnUR6ZyULawlHose`T׉	 7cassandra://ToYcyX2tJb61ceutQN8QZ3CxLLkqQ9lYmXrSBw1BsG4`̵ ׉	 7cassandra://mutOFIVH2RFaUbh4izxIqPSV638MIsHWl7zfsfJx-0w:͠Vt
]7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://DGgddEQgJ1vSn8isHLP29YxMh1gI5pIGxF_-bEke2DU ` 
׉	 7cassandra://mElZLzkq-2jkV11I8TX62V8iBWzJC8DgSVMXC0eO1rYab`T׉	 7cassandra://jCEHqzjVLP_um4GcvvKgV92DjRD07u_tudhXnCv7_jQ`̵ ׉	 7cassandra://f1_oG7yrQPOXXdFitdoeBaXoSTzCScekbr4xrbef_506 ͠Vt
^7&' >נVt
]7&' /̰9 ׉IVt
]7&'vGׁׁrנVt
]7&' /ہ9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' ̒̼9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' /89 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' g~9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' /H9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' a]9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' ̒s9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' /9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' ̒̅9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' /߁9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' a9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' ̒9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' /69 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' aL9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' ̒a̎9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' /9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' G9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' ̒9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' /=9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' lz9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' /9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' a$9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' /P9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' ae9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' /9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' a9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' /ҁ9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' a9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' `̅A9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' ̅v9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' `̰9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' Ɓ9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' ہ9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' :9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' `9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' 2v9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' T2[9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' `]9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' s9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' 9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' `9 ׉IVt
]7&'ÁGׁׁrנVt
]7&'ā ʁ́9 ׉IVt
]7&'ŁGׁׁrנVt
]7&'Ɓ `9 ׉IVt
]7&'ǁGׁׁrנVt
]7&'ȁ 9 ׉IVt
]7&'ǁGׁׁrנVt
]7&'Ɂ `6A9 ׉IVt
]7&'ʁGׁׁrנVt
]7&'ˁ 69 ׉IVt
]7&'ʁGׁׁrנVt
]7&'́ Lv9 ׉IVt
]7&'ʁGׁׁrנVt
]7&'́ `w9 ׉IVt
]7&'΁GׁׁrנVt
]7&'ρ x9 ׉IVt
]7&'΁GׁׁrנVt
]7&'Ё 9 ׉IVt
]7&'сGׁׁrנVt
]7&'ҁ `΁9 ׉IVt
]7&'ӁGׁׁrנVt
]7&'ԁ 9 ׉IVt
]7&'ӁGׁׁrנVt
]7&'Ձ ̥9 ׉IVt
]7&'ցGׁׁrנVt
]7&'ׁ `$9 ׉IVt
]7&'؁GׁׁrנVt
]7&'ف :9 ׉IVt
]7&'ځGׁׁrנVt
]7&'ہ P9 ׉IVt
]7&'܁GׁׁrנVt
]7&'݁ e̷9 ׉IVt
]7&'܁GׁׁrנVt
]7&'ށ `9 ׉IVt
]7&'߁GׁׁrנVt
]7&' |9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' `ҁ9 ׉IVt
]7&'GׁׁrנVt
]7&' ̙9 ׉IVt
]7&'Gׁׁr׉E	INHOUDSOPGAVE
INHOUD
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015 .....................................................................................1
1. STAD 2015: DE OVERHEID IN TIJDEN VAN VERANDERING .....................................................9
Prof. dr. J.J.M. Uijlenbroek
DEEL I. DE VERANDERENDE OVERHEID ......................................................................................19
2. IS ER NU WEL OF GEEN SPRAKE VAN EEN TERUGTREDEND OPENBAAR BESTUUR? .........23
Het personeelsperspectief ..................................................................................................23
Mr. dr. G.S.A. Dijkstra, prof. dr. F.M. van der Meer en dr. C.F. van den Berg
3. ORGANISEREN ALS PERMANENTE OPGAVE ..........................................................................37
Mr. drs. F. van Kuik
4. ORGANISATIEVERANDERING BINNEN DE OVERHEID ...........................................................49
Het perspectief van de ambtenaar......................................................................................49
Dr. J. van der Voet en dr. B. Vermeeren
5. DE OVERHEID DIGITALISEERT! .................................................................................................... 63
Digitale dienstverlening aan burgers en bedrijven .............................................................63
Drs. G. Bayens MBA
6. WAT BETEKENEN DIGITALISERING VAN WERK EN SCHAARSTE OP DE ARBEIDSMARKT
VOOR HET OPENBAAR BESTUUR? ..........................................................................................77
P.J. Banis en drs. G.E. Evers
DEEL II. DE VERANDERENDE OVERHEID EN MEDEZEGGENSCHAP: INTERVIEWS ...................89
7. GEMEENTELIJKE SAMENWERKING ZET MEDEZEGGENSCHAP OP AFSTAND .....................93
Interview met Loe Sprengers, advocaat .............................................................................93
8. IN DE BRES VOOR EEN FRISSE WIND IN DE PARLEMENTAIRE ORGANISATIE ......................97
Interview met Irma Tichelaar, voorzitter ondernemingsraad Tweede Kamer .....................97
9. BUNDELING VAN THEMA’S DIE DEPARTEMENTEN OVERSTIJGEN .....................................103
Interview met Olav Welling, directeur Organisatie- en Personeelsbeleid Rijk ..................103
10. STROOM REORGANISATIES DEMOTIVEERT MEDEWERKERS ..............................................109
Interview met René van Urk Dam, voorzitter Centrale ondernemingsraad Amsterdam ..109
4
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://ToYcyX2tJb61ceutQN8QZ3CxLLkqQ9lYmXrSBw1BsG4`̵ Vt
^7&'׉E	5DEEL III. HRM-BELEID IN EEN VERANDERENDE OVERHEID .....................................................115
11. HRM-BELEID IN EEN TIJD VAN VERANDERING EN VERGRIJZING ......................................119
Ervaringen van werkgevers in de publieke sector en hun ambtenaren met de maatregelen
om de duurzame inzetbaarheid van ambtenaren te stimuleren ........................................119
Prof. dr. T. van Vuuren en dr. R.M. Montizaan
12. MOBILITEIT IN TURBULENTIE ................................................................................................133
Drs. L. Lombaers en Drs. J. Buljac
13. INTEGRITEITSVERBANDEN ....................................................................................................147
Vier coöperatieve werkvormen voor integriteitsmanagement .........................................147
Drs. A. Hoekstra, G. J. Talsma MA en prof. dr. M. Kaptein
14. AGRESSIE EN GEWELD TEGEN HET OPENBAAR BESTUUR .................................................159
Drs. B. Schomaker
15. KLEINERE OVERHEID KAN ALLEEN ALS TAKEN WEGVALLEN ............................................167
Interview met Johan Remkes, commissaris van de Koning Noord-Holland ......................167
DEEL IV. COLLECTIEVE ARBEIDSVOORWAARDEN, SECTOROVERLEG EN
GENORMALISEERDE ARBEIDSVOORWAARDEN .........................................................173
16. NIET TWEE MAAR DRIE PIJLERS VAN ONDERHANDELEND BESTUUR: HET BELANG VAN
EUROPA VOOR DE NEDERLANDSE ARBEIDSVERHOUDINGEN ...........................................177
Prof. dr A.C. Hemerijck en prof. dr M.J.S.M. van der Meer
17. HET CAO-OVERLEG IN DE SECTOREN ..................................................................................185
De stand van zaken ...........................................................................................................185
Mr. dr. L.C.J. Sprengers
18. HOE KUNNEN CAO-PARTIJEN EEN STAP VERDER KOMEN? ...............................................201
P. van der Meulen en drs. A.W. de Korte
Verbreding van de werkingssfeer van werknemers naar werkenden
De beroepsgebonden cao
19. DE OVERHEIDSWERKNEMER, NORMAAL OF JUIST BIJZONDER? ......................................217
Mr. H. Moltmaker
20. NORMALISERING. EEN PROCESSIE VAN ECHTERNACH OF EEN RITUELE DANS? .............225
Prof. mr. B. Barentsen
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
5
׉	 7cassandra://jCEHqzjVLP_um4GcvvKgV92DjRD07u_tudhXnCv7_jQ`̵ Vt
^7&'Vt
^7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://gFvYvXPl-7boczV7XUzEVRwLq4AgILuFSM16wUy80OE ԏ` 
׉	 7cassandra://F9PwH3nhChhkoQGwz5piLcf-Jyo4dO4XQRy9v1zGQCAJ`T׉	 7cassandra://3Hp4JA51mXaxt2jtQGZCTEu56Wu26Z5fly-0iLcPkC8`̵ ׉	 7cassandra://riJt-4KV38yLseymfnML2xmmgwDv46HZHcpOj0NrckI9q͠Vt
^7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://P3sJZVR_FeZBBuA8RomCmWRomDOinxsGbPCz8DhbMzc͊` 
׉	 7cassandra://S_f4fx-uFvCyVASkFSGMQ-TuuuEiytq47DkEeYYogQw` T׉	 7cassandra://3RfFRhluSpYPl8grC5D339QH2pm7PCKNqnFUypTNnsw`̵ ׉	 7cassandra://t_OGV_T-iTF5hHK7edQRAEgnYYVSNwjMXEl4qBGTCR0,͠Vt
^7&' נVt
^7&' /̅9 ׉IVt
^7&'GׁׁrנVt
^7&' a̚9 ׉IVt
^7&'GׁׁrנVt
^7&' /Ɓ9 ׉IVt
^7&'GׁׁrנVt
^7&' aہ9 ׉IVt
^7&'GׁׁrנVt
^7&' ̒[9 ׉IVt
^7&'GׁׁrנVt
^7&' /<9 ׉IVt
^7&'GׁׁrנVt
^7&' lz9 ׉IVt
^7&'GׁׁrנVt
^7&' /H9 ׉IVt
^7&'GׁׁrנVt
^7&' ̒]̄9 ׉IVt
^7&'GׁׁrנVt
^7&' /9 ׉IVt
^7&'GׁׁrנVt
^7&' ̒̠9 ׉IVt
^7&'GׁׁrנVt
^7&' /ʁ9 ׉IVt
^7&' GׁׁrנVt
^7&' ̒߁^9 ׉IVt
^7&'GׁׁrנVt
^7&' /9 ׉IVt
^7&'GׁׁrנVt
^7&' a!9 ׉IVt
^7&'GׁׁrנVt
^7&' a69 ׉IVt
^7&'GׁׁrנVt
^7&' /a9 ׉IVt
^7&'GׁׁrנVt
^7&'	 ̒wr9 ׉IVt
^7&'
GׁׁrנVt
^7&' /9 ׉IVt
^7&'GׁׁrנVt
^7&' a9 ׉IVt
^7&'GׁׁrנVt
^7&' ̒΁̀9 ׉IVt
^7&'GׁׁrנVt
^7&' /9 ׉IVt
^7&'Gׁׁr׉EINHOUDSOPGAVE
21. ARBEIDSVOORWAARDEN MOETEN RECHT DOEN AAN JONGEREN .................................233
Interview met Michiel Hietkamp, voorzitter CNV Jongeren .............................................233
22. NORMALISATIE VAN DE AMBTELIJKE RECHTSPOSITIE ........................................................239
De ambtenaar vergeten ....................................................................................................239
Drs. R.C. Bos
DEEL V. DE AMBTENAAR, HET VAK EN DE VERGELIJKING MET ANDERE LANDEN EN DE EU ...249
23. AMBTELIJKE ELITE OF VOETVEEG? ......................................................................................253
Drs. E. Schoonman
24. DE GELAAGDE PRAKTIJK VAN AMBTELIJK VAKMANSCHAP .............................................263
Dr. M.A. van der Steen
25. DE AMBTENAAR ALS PROFESSIONAL .................................................................................277
Drs. D. van Berlo, drs. L. Nijland en M. van Zaane
26. DE VERHOUDING TUSSEN OVERHEID EN AMBTELIJKE ORGANISATIE .............................285
Overheid blijft aantrekkelijke werkgever, ondanks bezuinigingen
– interview met Ralph Pans, staatsraad ...........................................................................285
27. DE NEDERLANDSE AMBTENAAR IN VERGELIJKING TOT DE EU 28 ...................................291
Ir. H.M. Kuperus
28. NEDERLANDERS BIJ DE EUROPESE UNIE .............................................................................307
Jouw carrière. Onze Europese Unie ..................................................................................308
Drs. D. van Altena
INFORMATIE OVER DE AUTEURS ...............................................................................................327
6
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://3Hp4JA51mXaxt2jtQGZCTEu56Wu26Z5fly-0iLcPkC8`̵ Vt
^7&'׉E &STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
7
׉	 7cassandra://3RfFRhluSpYPl8grC5D339QH2pm7PCKNqnFUypTNnsw`̵ Vt
^7&'Vt
^7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://fnFqtyyxkr9RKuEIu6aEKBnzkKyoC3NlBlqZz0aVWUs͎` 
׉	 7cassandra://MzPkfi8U9PCzMMeosop6Y2Ph8RZK_GBwgAAeXmbhyuA` T׉	 7cassandra://amBmL7iczmQVEpIZ0eoWaLbvIPlW1r1Y5VRqq4ElCmI`̵ ׉	 7cassandra://NTB3fYxC1Le-TBN-aCKq_x7NfyxPNYcP5d6hcKQuJng|͠Vt
^7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://qh741aYbMA6yZ7SkDv4P9gFaR9KSTTcBuoXHIYWg_g8 ` 
׉	 7cassandra://MTRvdxQH7ITcMS17d8sDb2CSz3jFkvjO9BqUF2Qrv6A+7` T׉	 7cassandra://DGOIsPNNSTAUKW78St8WKI3HPqXE70vRToh14XeR7nY`̵ ׉	 7cassandra://okPX8r15BLlESsSiEfc7mnupoMb2PN40eeU1P9pWHOQ')x͠Vt
^7&'׉E &8
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://amBmL7iczmQVEpIZ0eoWaLbvIPlW1r1Y5VRqq4ElCmI`̵ Vt
]7&'׉E Z1. STAD 2015: de overheid
in tijden van verandering
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
9
׉	 7cassandra://DGOIsPNNSTAUKW78St8WKI3HPqXE70vRToh14XeR7nY`̵ Vt
^7&'Vt
]7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://KjZvJEKyMWHr5WAJGartTlISSet3tYnwh4hxNyXg4SU ` 
׉	 7cassandra://Shc-xhzKLCM4U767hRo-8A5t-J18PVHb556gD0dbhvY=D`T׉	 7cassandra://l3SqUIxOsZpZJqvyy5bbhjm6LN2LxuGzawSuPGjyZWc`̵ ׉	 7cassandra://bgkrTPXs6rqfDOC2qrVMP4TvjzeVqGnvxJOOtm16T60E,(͠Vt
^7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://55v4bQggiivl-3_FE5OyE5i4_NhbBIb3LBGk-QmxKC4 1-` 
׉	 7cassandra://JMmoVTvr_PD-5-pbBNBDFORr8_XcGQbRLGeY4ipwoUci`T׉	 7cassandra://59EAZjEewiI99wqXYulpKQLDZSJcR_X1aH4WDlyrXNg`̵ ׉	 7cassandra://nPDvHktu0YxSY6nxcYLvkoY-oaDErz6z6z-UnQniP6EK$͠Vt
^7&'׉E~Prof. dr. J.J.M. Uijlenbroek
1 INLEIDING
De Staat van de Ambtelijke Dienst 2015 geeft weer
hoe de overheid en haar werknemers ervoor staan
in een bewogen periode. In reactie op de economische
crisis hebben de kabinetten-Rutte I en -Rutte
II veel maatregelen genomen die alle maatschappelijke
sectoren raken. De ambtelijke dienst heeft
daarbij een dubbele rol: enerzijds als voorbereider
en uitvoerder van de noodzakelijke maatregelen
en anderzijds als dienst die de maatregelen zelf
moet ondergaan. De besparingen op de gemeenten,
de rijksdienst en de tot voor kort gehanteerde
nullijn voor de loonontwikkeling zijn daar goede
voorbeelden van.
De overheid als organisatie staat onder druk. Er
wordt veel gevraagd van de ambtelijke dienst door
politiek en maatschappij. De grote decentralisaties
op het terrein van werk, zorg en jeugd laten zien
hoe ingrijpend het is om deze taken over te dragen
van Rijk naar gemeenten, terwijl tegelijkertijd een
taakstelling gerealiseerd wordt door het voorzieningenniveau
voor burgers aan te passen.
Onderzoek van de OECD (OECD 2014) laat zien
dat het functioneren van de overheid randvoorwaardelijk
is voor welvaart en welzijn in een
samenleving. Sterker nog: het functioneren van de
overheid is een belangrijke factor die bepaalt hoe
burgers de samenleving waarderen en hoe tevreden
ze zijn over hun leven. En Nederlanders zijn
10
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://l3SqUIxOsZpZJqvyy5bbhjm6LN2LxuGzawSuPGjyZWc`̵ Vt
]7&'׉E8vrij tevreden met hun leven, zoals onder andere
blijkt uit het CBS-onderzoek naar de kwaliteit
van het leven in Nederland en de Europese Unie
(CBS 2015). Wij waarderen ons leven met een 7,8
en laten daarmee alleen de Noordwest-Europese
landen (Finland, Denemarken, Zweden en Oostenrijk)
voorgaan. Ook uit ander internationaal
vergelijkend onderzoek blijkt dat de Nederlandse
overheid relatief goed presteert, waarbij
er overigens grote verschillen tussen sectoren
kunnen zijn. Bijvoorbeeld het SCP-onderzoek
‘Countries compared on public performance’ (SCP
2012) toont aan dat Nederland over het algemeen
goed presteert. Alleen in de sectoren zorg, sociale
veiligheid en milieu blijven de prestaties achter bij
de ingezette middelen. Dit onderzoek is evenwel
alweer wat gedateerd en momenteel voert SCP
een actualisering uit. Het is interessant om te
kunnen vaststellen in welke sectoren Nederland
het beter of slechter is gaan doen in vergelijking
tot andere ontwikkelde landen en of het beleid
van de kabinetten de achterstand heeft verkleind.
Dat zegt namelijk iets over de effectiviteit van de
hervormingen en de mate waarin de Nederlandse
overheid presteert in tijden van verandering.
En veranderingen zijn er voldoende. Naast de al
genoemde decentralisaties zijn andere voorbeelden:
de vorming van de nationale politie, de krimp
van de krijgsmacht (en recent weer de toekenning
van extra middelen), de krimp bij de Dienst
Justitiële Inrichtingen, de opheffing van de Dienst
Landelijk Gebied, het voortgaande proces van
gemeentelijke fusies en gemeentelijke samenwerking
in regionale samenwerkingsverbanden
et cetera. De Algemene Rekenkamer spreekt haar
zorgen uit over bezuinigingen op uitvoeringsorganisaties
(ARK 2013) en constateert dat die gepaard
gaan met versobering van de dienstverlening. De
ARK herhaalt dit met krachtigere bewoording
bij het verantwoordingsonderzoek 2014, waarin
ze het kabinet oproept prioriteit te geven aan de
uitvoering van beleid. Hierbij worden specifiek
defensie, financiën (Belastingdienst), SZW en
VWS genoemd.
De Nationale ombudsman concludeert echter dat
de dienstverlening van de overheid in de periode
2009–2013 in het algemeen is verbeterd (NOM,
2014, en TNS Nipo, 2013). Echter, waar de dienstverlening
over het algemeen beter wordt, is er ook
een groep die ontevredener is: een tweedeling
tussen tevredenen en ontevredenen. De ontevredenheid
komt voort uit gebrek aan contact met de
overheid als er iets bijzonders aan de hand is en
met de wijze van bejegening. Anders geformuleerd:
in de grote getallen van de dienstverlening
aan de burgers gaat het goed, maar zodra je als
burger geen ‘standaardgeval’ bent, ontstaan er
problemen. Als gevolg van de verdergaande digitalisering
worden burgers en bedrijven nog meer
in standaardprocessen gedrukt, waardoor het
STAD 2015: DE OVERHEID IN TIJDEN VAN VERANDERING
11
׉	 7cassandra://59EAZjEewiI99wqXYulpKQLDZSJcR_X1aH4WDlyrXNg`̵ Vt
^7&'Vt
]7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://Nw5vmqzxos-u0t5XZa1DwMPcZHtwXcgu0rnus_VnXRA 4p` 
׉	 7cassandra://Dy6qip1VFoWEktgF-l7BlzYw0WXL_jjPW0eOQhsN-hshG`T׉	 7cassandra://M4-p-KUeS0bPigsgkc1I5Mkt63rHY5u2AwmR60rK6ss`̵ ׉	 7cassandra://tytfY_T8GBDyZdzZdFg0-qR6bAuv_b7P8nEPDP48MBsU (͠Vt
^7&' ט # #nu׉׉	 7cassandra://AGtEnB29wqnBapNpR1PtlxuDy5qgXyn4zHhitSfZBOw M` 
׉	 7cassandra://DZT--eG103ufGZltt_4kzTfsES3QAA2_0xO6DLs9R4Qc`T׉	 7cassandra://rmt6C_zqPo_llyPm_CP5BcaNk-hrjS40bnmIACeLj4I`̵ ׉	 7cassandra://YhhA_Ejap-S-J8MzuTTd63JmznzQke6JjRI_TkBu2CwC7$͠Vt
_7&'!׉E
onderscheid tussen standaardgeval en uitzondering
nog merkbaarder wordt. De arbeidsintensieve
vormen van dienstverlening die juist nodig zijn
als het geen standaardgeval betreft, zoals via balies,
worden afgebouwd. Hier ontmoet de analyse
van de ombudsman de analyse van de Algemene
Rekenkamer. De dienstverlening versobert,
waarvan specifieke groepen in de samenleving de
nadelen ondervinden. Het recente voornemen van
het UWV om weer persoonlijke gesprekken met
werkelozen te gaan voeren, is in dit verband een
interessante ontwikkeling.
2 HOE DE VLAG ERBIJ HANGT IN VIJF
DELEN
Deze Staat van de Ambtelijke Dienst 2015 schetst
in vijf delen en 28 hoofdstukken hoe de vlag erbij
hangt bij de Nederlandse overheidsorganisatie
in deze tijd van verandering. Deel I gaat over de
veranderingen binnen de overheid. Allereerst
komt de vraag aan de orde of de overheid echt
terugtreedt. Hoofdstuk 2 gaat hierop in en laat
zien dat de krimp van de overheid gepaard gaat
met verschuivingen tussen de bestuurslagen.
Hoofdstuk 3 beschrijft wat er allemaal aan reorganisaties
gaande is. Het gaat hierbij om taakveranderingen
en structuurveranderingen van organisaties.
Hoofdstuk 4 schetst het perspectief van
de ambtenaar op al deze veranderingen. Daaruit
blijkt dat enerzijds organisatieveranderingen bij
de overheid van alle tijden zijn: bijna elke twee
jaar ondergaat men een reorganisatie. Anderzijds
laat dit hoofdstuk zien hoe reorganisaties het
beste aansluiten bij de veranderbereidheid van
de ambtenaar. Los van de interessante verschillen
tussen de bestuurslagen, vraagt de ambtenaar
om meer mogelijkheden om een bijdrage aan het
implementatieproces te leveren. Veranderingen
ingegeven door kwaliteitsverbeteringen kunnen
op een groter draagvlak rekenen dan veranderingen
met louter besparingen als doel.
De vele veranderingen gaan uiteraard gepaard
met veel digitaliseringsprojecten. Uit het Tweede
Kamer-onderzoek naar mislukte ICT-projecten
blijkt dat dit niet zonder vallen en opstaan gaat.
Hoofdstuk 5 nuanceert het beeld van de tijdelijke
Kamercommissie ICT en laat zien dat naast het
vallen, er ook heel vaak is opgestaan en dat er bij
tijd en wijle niet eens gevallen wordt. Dat blijkt
overigens ook uit gegevens van de Europese
Unie (Digital Economy and Society Index (DESI)
2015) en de Verenigde Naties (UN E-Government
Survey 2014), waarin staat dat de Nederlandse
overheid tot de mondiale top vijf hoort voor wat
betreft digitale dienstverlening aan burgers en
bedrijven. De digitalisering gaat gepaard met veranderingen
in de werkinhoud van de ambtenaar.
Dat vraagt andere competenties en ervaringen
van de ambtenaar en stelt de overheid in staat haar
maatschappelijke taak te vervullen met minder
ambtenaren. Hoofdstuk 6 gaat hier nader op in.
12
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://M4-p-KUeS0bPigsgkc1I5Mkt63rHY5u2AwmR60rK6ss`̵ Vt
_7&'"׉E
z3 MEDEZEGGENSCHAP
Deel II beschrijft hoe de medezeggenschap omgaat
met al deze veranderingen. De medezeggenschap
heeft een belangrijke rol in de vele reorganisaties
bij de overheid. Uit vier interviews komt
naar voren wat de wisselwerking is tussen de vele
reorganisaties en de medezeggenschap. Het interview
met de voorzitter van de or van de Tweede
Kamer laat zien dat de medezeggenschap een
belangrijke toegevoegde waarde in het veranderproces
(hoofdstuk 8) kan hebben. De medezeggenschap
kan ook als geweten van de organisatie
en bestuurders functioneren, zoals de voorzitter
van de Amsterdamse centrale ondernemingsraad
duidelijk maakt (hoofdstuk 10). Veranderingen
raken evenwel ook de medezeggenschap zelf. Het
interview met Loe Sprengers (hoofdstuk 7) laat
zien dat de gemeentelijke samenwerking in het
kader van de decentralisaties, het risico in zich
heeft dat de medezeggenschap op afstand komt
te staan. Ook bij de rijksoverheid speelt dat de
ontwikkelingen van de afgelopen jaren om meer
zaken voor de rijksdienst als geheel te regelen, een
aanpassing van de medezeggenschapstructuur
vraagt. Het interview met de directeur Organisatie-
en Personeelsbeleid Rijk vertelt ons hoe de
groepsondernemingsraad van de rijksoverheid
vorm krijgt en waarom dat op die manier gebeurt.
4 DE VERANDERENDE AMBTENAAR
Naast de veranderingen in de maatschappij en bij
de overheid verandert de ambtenaar zelf ook. Dat
laatste staat in deel III centraal. Al is het maar dat
de ambtenaar gemiddeld ouder wordt. Bij al deze
veranderingen moet de overheid aandacht hebben
voor duurzame inzetbaarheid van haar medewerkers.
Hoofdstuk 11 laat zien dat de overheidswerkgevers
zelf dit beleid niet in de praktijk brengen.
Waar de overheid maatschappelijk ervoor pleit om
langer door te werken en werkgevers oproept in
hun medewerkers te investeren, blijkt dat de overheidswerkgevers
daar grote moeite mee hebben.
Het HR-instrumentarium als zodanig is er wel,
maar als het op de toepassing aankomt, hebben de
overheidswerkgevers hier weinig aandacht voor.
Eén van de belangrijke kwaliteiten van een goed
functionerende overheid is een actief en compleet
integriteitsbeleid. Hoofdstuk 12 gaat nader in op
de wijze waarop het integriteitsmanagement in de
praktijk vorm krijgt en onderscheidt daarin vier
vormen van integriteitsverbanden. Deze verbanden
zijn nodig, omdat decentralisaties en toegenomen
financiële druk tot integriteitsrisico’s kunnen
leiden. De integriteitsverbanden die vorm krijgen
bij de samenwerking tussen organisaties, worden
als positief gewaardeerd en leiden tot een kwaliteitsverbetering
in het integriteitsmanagement.
STAD 2015: DE OVERHEID IN TIJDEN VAN VERANDERING
13
׉	 7cassandra://rmt6C_zqPo_llyPm_CP5BcaNk-hrjS40bnmIACeLj4I`̵ Vt
_7&'#Vt
_7&'"FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://Kl92GqKZh1oKJGKVdBAvfkK3q5C1X34Qs4FiJyH09tM ` 
׉	 7cassandra://ZChv2pnAaBXi7jyB9jcBJx10lvV4VcBK43eDI_NimGYb`T׉	 7cassandra://uzQEbj8KVIoXz_Ir4Bs02wcOyaYB576C9MO8x8efprs,`̵ ׉	 7cassandra://JlCrqJ23uxic9dyzpVRrsg4QmbCNfpLzArpjOFnmsBsB(͠Vt
_7&'%ט # #nu׉׉	 7cassandra://ZTsaXkagLCWHUatjVCXWojsPNacT3bnPNXFg8eHy_og %` 
׉	 7cassandra://0kYf9n4dL_nkXA6bNfpnnupYGF4qQx4-itdS2Us9yrgh`T׉	 7cassandra://XfA1NU95xBSivPYg2kqNQ-hJNnWffPj0_l3G8PPmbPY`̵ ׉	 7cassandra://wS_F9ie-H7EkG0GUaqFCAxyPrYF249dHOO3c393_Z5YR$͠Vt
_7&'&׉E
[De Nederlandse ambtenaar is van oudsher loyaal
aan de overheidsorganisatie en de politieke bazen.
Ook in tijden van taakstellingen en veranderingen
blijft de betrokkenheid aan de publieke zaak groot.
Het interview met Ralph Pans (hoofdstuk 26) laat
zien dat de overheid ook in tijden van bezuinigingen
een aantrekkelijke werkgever kan blijven. De
werkinhoud van de ambtenaar maakt daarin het
verschil.
5 CAO-ONTWIKKELINGEN
Echter, met de langdurige nullijn (die inmiddels
is beëindigd) voor de ambtenarensalarissen is wel
een sterk beroep gedaan op de ambtelijke loyaliteit.
Deel IV gaat over de ontwikkelingen in de
cao en de normalisering van de ambtelijke status.
Bij deze onderwerpen is de ambtenaar subject
van beleid, zoals vele maatschappelijke sectoren
en partijen dat ook vaak zijn. Uiteraard laten de
vakbonden horen wat ze ervan vinden en dat
blijkt ook uit de stand van zaken bij de cao’s. Enkele
sectoren is het gelukt cao’s af te spreken met
een beheerste loonontwikkeling en tegelijkertijd
ook een aantal vernieuwingen in de arbeidsvoorwaarden
te realiseren. Met de aanpassingen van
het pensioenstelsel bleek het echter moeilijk om
een relatie te leggen tussen de pensioentafel en de
cao-tafel. Het na de zomer afgesloten loonakkoord
voor de publieke sector heeft een kader geschapen
voor de sectorale loonafspraken. Dit akkoord kan
evenwel niet op de steun van de FNV rekenen,
waarmee een conflict is ontstaan tussen FNV
enerzijds en kabinet en de drie andere bonden
anderzijds. De toekomst zal duidelijk maken wat
de consequenties zijn van dit conflict en of het
blijvende schade aanricht.
Ambtenaren zijn ook onderwerp van veranderingen
bij de normalisering van de rechtspositie. De
normalisering van de ambtelijke rechtspositie is
een proces dat al sinds de jaren ’80 gaande is. Met
het initiatiefwetsvoorstel wordt de arbeidsverhouding
tussen overheidswerkgevers en -werknemers
juridisch op dezelfde wijze geregeld als tussen bedrijven
en werknemers. De vraag is of er met een
genormaliseerde juridische arbeidsverhouding
ook sprake is van een ‘normale’ arbeidsrelatie?
Hoofdstuk 18 gaat hier nader op in. Of het zover
zal komen is echter nog altijd onduidelijk aangezien
de stemming in de Eerste Kamer nog niet
heeft plaatsgevonden. Hoofdstuk 19 laat zien dat
de ambtelijke aanstelling en het tweezijdige contract
al sterk naar elkaar toe zijn gegroeid en stelt
dezelfde vragen die in de Eerste Kamer spelen:
waartoe dient dit. De hoofdstuk 21 en 22 belichten
de normalisering van de rechtspositie respectievelijk
vanuit de jonge ambtenaar en vanuit de
ambtenaar in het algemeen.
14
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://uzQEbj8KVIoXz_Ir4Bs02wcOyaYB576C9MO8x8efprs,`̵ Vt
_7&''׉E
6 DE NEDERLANDSE AMBTENAAR
EN DE EU
Het laatste deel van deze Staat van de Ambtelijke
Dienst, deel V, gaat in op het vak van ambtenaar en
vergelijkt de Nederlandse ambtenaar met de collega’s
binnen en bij de Europese Unie. Waar in het
interview met Ralph Pans de inhoud van het werk
als onderscheidend is benadrukt, toont Martijn
van der Steen in hoofdstuk 24 de gelaagde praktijk
van het ambtelijk vakmanschap. De complexiteit
van het vak en de eisen die dit aan de ambtenaar
stelt, worden echter maatschappelijk niet altijd
onderkend. Hoofdstuk 23 met de titel ‘Ambtelijke
elite of ambtelijke voetveeg?’ laat zien dat beelden
belangrijker zijn dan feiten en dat deze beelden
actief beïnvloed worden door belanghebbenden.
De nieuwe media spelen in dit krachtenspel een
belangrijke rol. De maatschappelijke veranderingen
stellen nieuwe eisen aan de ambtelijke professionaliteit.
Dit komt aan de orde in hoofdstuk 25.
Uit de vergelijking met de andere EU-landen blijkt
dat de historisch gegroeide verschillen tussen de
overheidsorganisaties nog lang niet overbrugd
zijn. Met wat goede wil zijn er enkele parallelle
ontwikkelingen te zien, maar de verschillen blijven
groot. Mobiliteit tussen de diverse nationale
overheden zou helpen deze verschillen te overbruggen.
De praktische problemen zijn evenwel
zo groot dat dit feitelijk niet gebeurt. Anderzijds
werken vanuit alle EU-landen mensen bij de
Europese Unie. Het systeem dat de Unie hanteert,
vereist dat ook. Het laatste hoofdstuk laat zien dat
Nederlanders in aantal wat ondervertegenwoordigd
zijn bij de Unie, maar in kwalitatieve zin het
redelijk goed doen. Belangrijke factor voor de ondervertegenwoordiging
zijn de arbeidsvoorwaarden
bij de Unie versus de arbeidsvoorwaarden
en de kansen op de arbeidsmarkt in het land van
herkomst. De relatief goede economische omstandigheden
in Nederland hebben hier een keerzijde.
7 CONCLUSIE
Wat is het oordeel over de staat van de ambtelijke
dienst? Allereerst de voor de hand liggende
conclusie dat er veel veranderingen gaande zijn.
De vraag is of het absorptievermogen van de
overheid als organisatie niet bereikt is? Er zijn
duidelijke signalen dat dit het geval is, gegeven de
vele problemen die optreden bij de implementatie
van de veranderingen, zoals de reorganisatie
van de politie en de implementatieproblemen
met de persoonsgebonden budgetten laten zien.
Ook de Algemene Rekenkamer spreekt haar
zorgen hierover uit. Om de vele veranderingen
in goede banen te leiden, is er stabiliteit nodig
voor uitvoeringsorganisaties: stabiliteit in beleid
om de vele veranderingen te kunnen absorberen.
Anders geformuleerd: even geen nieuwe politieke
initiatieven, en zaken die fout gaan niet meteen
met nieuw beleid proberen op te lossen.
STAD 2015: DE OVERHEID IN TIJDEN VAN VERANDERING
15
׉	 7cassandra://XfA1NU95xBSivPYg2kqNQ-hJNnWffPj0_l3G8PPmbPY`̵ Vt
_7&'(Vt
_7&''FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://u85TckwkP_EzTDfQlowYvF-LJ_R5tIszUF1liHAtUhA s+` 
׉	 7cassandra://cD5T5Aurub5tirdFYO1knVpdaZwXNeUwAOICR0pzydwJ9`T׉	 7cassandra://hgJLRCmASCVtEaf7thRBrIG1LUgmv-TuK2Nl1jpUCVc `̵ ׉	 7cassandra://ga9BYld9ObhRyJdqtPNC4_RgVFnuCSDU9wFoUjxeSfwB(͠Vt
`7&'*ט # #nu׉׉	 7cassandra://LKuHkQyF5kxZjZWcm9D7HJ7Fg4j4FA6-py78VvM0Xso `` 
׉	 7cassandra://7KQJcMqWaYr50ND0xLe0PiktXIJbU4JPiyZjDUJk15A5b`T׉	 7cassandra://T6s3FTij6EQnzbvzLLlWQMtJ51scOi3_N6huuGO_5NQ`̵ ׉	 7cassandra://J6bddd20RMyVzkBEscOaYjE4iZNveQZXTxjk9MQJmYY[#$͠Vt
`7&'+׉E8In dit tijdsgewricht met vele veranderingen en
complexe cao-gesprekken aan het einde van een
langjarige periode van beperkte of geen loonontwikkeling,
blijft de ambtelijke loyaliteit bij de
inhoud van het vak en de kwaliteit van de dienstverlening
liggen. Veranderingen ingezet vanuit
kostenbesparing kunnen op minder draagvlak rekenen
bij ambtenaren dan veranderingen die kwaliteitsverbeteringen
van de dienstverlening tot
doel hebben. Daarbij geven ambtenaren aan graag
tijdig betrokken te zijn bij het veranderproces en
zij tonen dan een grote veranderingsbereidheid.
Ook de medezeggenschap stelt zich constructief
op tegenover de vele veranderingen, zeker als die
een kwalitatief doel hebben. Het organiseren van
een goede ambtelijke betrokkenheid bij het veranderproces
blijft moeilijk. Hier ligt een opgave voor
het ambtelijk management om de veranderprocessen
in de organisatie te verbeteren en ruimte te
laten voor betrokkenheid vanaf de werkvloer.
Ten slotte een verandering waarbij de ambtenaar
zelf onderwerp van gesprek is: het normaliseren
van de arbeidsvoorwaarden voor ambtenaren. Het
initiatiefwetsvoorstel is ten tijde van het opstellen
van deze Staat van de Ambtelijke Dienst in eerste
termijn besproken in de Eerste Kamer. Daarbij
zijn veel principiële vragen aan de orde geweest
alsmede de verwachte en onverwachte financiële
effecten. Het langdurige proces van het initiatiefwetsvoorstel
heeft ertoe geleid dat er onverwachte
effecten zijn door de samenloop met de inmiddels
van kracht zijnde Wet werk en zekerheid en
de daarin opgenomen transitievergoeding. Dit
maakt het geen uitgemaakte zaak dat de Eerste
Kamer zal instemmen met de normalisering van
de ambtelijke status. Eind 2015/begin 2016 wordt
de stemming verwacht en dan ontstaat wellicht
duidelijkheid over deze verandering.
16
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://hgJLRCmASCVtEaf7thRBrIG1LUgmv-TuK2Nl1jpUCVc `̵ Vt
`7&',׉ErLITERATUUR
Algemene Rekenkamer. (2013). Bezuinigingen
op uitvoeringsorganisaties. Den Haag: Algemene
Rekenkamer (24 januari 2013).
Kazemier, B., Van Gaalen, R, & Moonen, L. (2015).
Sociaal economische trends. De kwaliteit van het
leven in Nederland en in Europa in 2013. Den Haag:
Centraal Bureau voor de Statistiek (2015/05).
Nationale Ombudsman. (2014). Jaarverslag van de
Nationale Ombudsman over 2013 (maart 2014).
Good Governance and National Well-being: What
are the Linkages? 49th
session of the Public Governance
Committee, 1-2 april 2014. Parijs: OECD
Conference Centre.
Van Campen, C. et al. (Red.). (2012a). Sturen op
geluk. Geluksbevordering door nationale overheden,
gemeenten en publieke instellingen. Den Haag:
Sociaal Cultureel Planbureau (mei 2012).
Jonker, J. (Red.). (2012). Countries compared
on public performance. A study of public sector
performance in 28 countries. Den Haag: Sociaal
Cultureel Planbureau.
Kanne, P., & Van den Berg, J, in opdracht van de
Nationale Ombudsman. (november 2013). Kwaliteit
van de overheidsdienstverlening 2013. Amsterdam:
TNS Nipo.
STAD 2015: DE OVERHEID IN TIJDEN VAN VERANDERING
17
׉	 7cassandra://T6s3FTij6EQnzbvzLLlWQMtJ51scOi3_N6huuGO_5NQ`̵ Vt
`7&'-Vt
`7&',FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://ihwEC4K9L-u_0gl3E__Mnk9KcxJ482fLG2g7XCjol0A͍` 
׉	 7cassandra://WCqUTrzLVBDfuM0ElooOlXU7t4ZvEY_MoQ4b9UHw7gM` T׉	 7cassandra://RycSb11ihcthiQW2n4Hw6JGW4MzaERpIPP8vscA5TFc`̵ ׉	 7cassandra://f5v32fjMx_F3Zt52E_knR0iKsp5Qfll-7ZyldJ2MfNc|͠Vt
`7&'/ט # #nu׉׉	 7cassandra://1snLHqdlg_mWrsiWeY9PMSYLlJxcINop4B7rQkoXxwU` 
׉	 7cassandra://nxq8pxdz1MJStSShFUGqRgd2l0w2eRTE2A_vOD_FhQo(` T׉	 7cassandra://oMFNGfj2jaG4eSvj7fWxXfISn4BUJDeDQatCma79CXk
%`̵ ׉	 7cassandra://o1e9H8t6vv3vRvGD70Q-NfgB-bbF31FmdlDHHCWnhn4%3x͠Vt
`7&'0׉E '18
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://RycSb11ihcthiQW2n4Hw6JGW4MzaERpIPP8vscA5TFc`̵ Vt
]7&'׉E HDeel I.
De veranderende overheid
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
19
׉	 7cassandra://oMFNGfj2jaG4eSvj7fWxXfISn4BUJDeDQatCma79CXk
%`̵ Vt
`7&'1Vt
]7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://wCkcNpIlNmHFjc8OLE4niQ-Ph2eYZCjx89OwreKdsqI ` 
׉	 7cassandra://K6oIXc-5p1qmvqeSHnn0accDg9eyd9cdSS7bD3F44qgB`T׉	 7cassandra://Hg-SGdPA0ZJJ0du7R0ETAPlYciYGB-oU9LjOVZbieyc`̵ ׉	 7cassandra://GYzLWkUD0gnk7UVoAX5hrR150b3rffeMAnfWP3s1kmwCC(͠Vt
`7&'3ט # #nu׉׉	 7cassandra://fycknVzxARBm89YJGxxniGpRb0UUG6xXY4hkgxoV2ekS` 
׉	 7cassandra://leLX-Evw3nQX8QQ9j63HwHBkce4uCFUNGbbJyIEqjC0
` T׉	 7cassandra://D8FS_pU9NAZgd5ZyXdj9eZRNcmPgneZ24h9WvCXXVdA` ̵ ׉	 7cassandra://A5rdzag_bzBCXRPOw8EwKpY8aCoU4CbLgAvUqdTRnTw$͠Vt
`7&'4׉EdDe overheid als organisatie is permanent aan
verandering onderhevig. Het aantal gemeenten en
waterschappen neemt voortdurend af. Gemeenten
krijgen nieuwe taken toebedeeld en moeten die een
plek geven in hun organisatie. De taakstellingen
op budgetten leiden tot een permanente druk op
organisaties om taken anders uit te voeren: meer
digitaal, meer gebruikmaken van samenwerkingsverbanden
en soms taken beëindigen. Dit raakt alle
geledingen van de overheid. Dit deel van de Staat
van de Ambtelijke Dienst laat zien dat de som van
al die veranderingen een gestage afname van de
personeelsomvang laat zien, die gepaard gaat met
verschuivingen tussen de bestuurslagen (hoofdstuk
2). Hoofdstuk 3 geeft een tour d’horizon van
de vele veranderingen en gaat daarbij dieper in op
de grote veranderprogramma’s bij de rijksoverheid.
De vele organisatieveranderingen raken uiteraard
het werk van de ambtenaar. Hoofdstuk 4 schetst de
veranderingen vanuit het perspectief van de ambtenaar,
die, zoals zal blijken, gemiddeld elke twee jaar
in een reorganisatie betrokken is. Organisatieveranderingen
kunnen niet zonder ingrijpende ICTaanpassingen
met alle daarmee gepaarde gaande
ICT-projecten. Het beeld bestaat dat de overheid
haar ICT-projecten niet goed uitvoert. Hoofdstuk 5
nuanceert dit beeld en illustreert dat met voorbeelden
van succesvolle projecten. Ten slotte laat het
laatste hoofdstuk van dit deel zien dat als gevolg
van de digitalisering ook bij de overheid steeds
meer werk verdwijnt of inhoudelijk verandert. De
eisen die het werk aan de ambtenaar stelt, zullen
daardoor ook veranderen.
20
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://Hg-SGdPA0ZJJ0du7R0ETAPlYciYGB-oU9LjOVZbieyc`̵ Vt
`7&'5׉EDE VERANDERENDE OVERHEID
21
׉	 7cassandra://D8FS_pU9NAZgd5ZyXdj9eZRNcmPgneZ24h9WvCXXVdA` ̵ Vt
`7&'6Vt
`7&'5FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://TrhIoNU0e2cXOtcFWVroT-XqC0OaHxTwCCeAp5zTRt4͒` 
׉	 7cassandra://v_P4w4Gx09VpvcKZcLsgRpeOOd-URa9UhRlFEK0gDQI<` T׉	 7cassandra://w2aLLdSvnqoxoapAoEi_1CeDxjqu60GcWZBS6rNzxdc`̵ ׉	 7cassandra://OLvbOt0RK1Wh1OvSYHFtww-FF_nxJfD8HrxXiwluhCY|͠Vt
`7&'8ט # #nu׉׉	 7cassandra://Jwn9_cpdTiywDOpMA9ZRnoDFOILoLxeCItPTCdG4INM M` 
׉	 7cassandra://TqsKcxP4f4aUf8vulJH4ys8SkFK0aDkwpVNP0nxTqpY8I` T׉	 7cassandra://n-GLsrIYEChBcqaHqHMsx9Ffozg3hWVs_zb4zURR7Ag`̵ ׉	 7cassandra://rHnfnDh0prJSLtcahhZYyTdtGoZExM5OCwiIaZ6fOnI.Hx͠Vt
a7&'9׉E '22
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://w2aLLdSvnqoxoapAoEi_1CeDxjqu60GcWZBS6rNzxdc`̵ Vt
]7&'׉E 2. Is er nu wel of geen
sprake van een
terugtredend openbaar
bestuur?
Het personeelsperspectief
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
23
׉	 7cassandra://n-GLsrIYEChBcqaHqHMsx9Ffozg3hWVs_zb4zURR7Ag`̵ Vt
a7&':Vt
]7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://yzuaVEx5Wc-c7U8-gIDOnITi7X-lO_UDnKFglzgJiQk @` 
׉	 7cassandra://p-LQYy7OYoZM_n6ddRaGjgta_sbUq6Pfye8mrsz3CGMCC`T׉	 7cassandra://X2CI3MRI-4PPJWOnG2qseQ8W3L_P50MpBB2Uwpptna4O`̵ ׉	 7cassandra://YjUsc2l5_dW2NEEqJeG1FdBIT7mJ7PCrAk_Xio1xWz8K(͠Vt
a7&'<ט # #nu׉׉	 7cassandra://WATJsEC1IvC_ulqNSrBjj_4rkPiuEhcKTCyx55GkKfQ GT` 
׉	 7cassandra://JbI1u-lHXfyf4axJoE6RYYxHMyR_WOHhPveUh5JbCsYj`T׉	 7cassandra://8ds9_AH5qJ0nUffFtF5ZjMcqDvwZwlEmZEFFdy3QbW8L`̵ ׉	 7cassandra://82yUsUjcxNHeKqGaa9B3ae8Vge6XmmZ7En17S1rtoHQJ$͠Vt
a7&'=׉E!Mr. dr. G.S.A. Dijkstra, prof. dr. F.M. van der Meer
en dr. C.F. van den Berg
1 INLEIDING
Al decennia wordt er gesproken en geschreven
over ‘de terugtredende overheid’, beter geformuleerd:
het openbaar bestuur.1
Zowel in het
politiek-maatschappelijke als in het wetenschappelijke
discours is het een dominant idee dat het
openbaar bestuur terugtreedt, of zou móeten
terugtreden. In de wetenschap zien we dit terug in
benaderingen als die van het New Public Management,
de neo-weberiaanse staat, en joined-up
government. In de Nederlandse bestuurspraktijk
zien we dat verschillende achtereenvolgende
kabinetten (sinds Lubbers I) het inkrimpen van
het ambtenarenbestand als formeel kabinetsbeleid
voerden. De afgelopen jaren wordt steeds meer
gesproken over de zogenaamde participatiemaatschappij.
De participatiemaatschappij houdt in
dat burgers en bedrijven meer verantwoordelijkheid
op zich nemen voor taken die tot voor kort
als overheidsaangelegenheden werden gezien, en
dat het openbaar bestuur zodoende deze taken
kan loslaten of zich kan beperken tot een meer
ondersteunende rol.
Toch bestaat er weinig systematische, empirische
kennis over het al dan niet terugtreden van het
Nederlands openbaar bestuur. Dit past in het beeld
van meerdere soorten publiekesectorhervormingen:
ze worden (mede vanwege hun politieke
opportuniteit) afgekondigd, maar lang niet altijd
worden de resultaten bekeken en/of geëvalu1.
Beide
termen worden hier als synoniem gebruikt, met een voorkeur voor de aanduiding ‘openbaar
bestuur’.
24
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://X2CI3MRI-4PPJWOnG2qseQ8W3L_P50MpBB2Uwpptna4O`̵ Vt
]7&'׉Eeerd. Is er dus in werkelijkheid wel sprake van een
terugtredend openbaar bestuur? Of gaat het hierbij
vooral om politieke en beleidsretoriek en weinig
daadwerkelijke resultaten? Of heeft de implementatie
wel degelijk plaatsgevonden, maar waren de
resultaten minder dan beoogd? Wat zijn dan de
redenen daarvoor geweest? Was de uitvoering
wel degelijk geslaagd, maar werd het terugtreden
deels tenietgedaan door juist een expansie van het
openbaar bestuur op specifieke vlakken waar zich
politieke of beleidsmatige behoefte voordeed, of
bleken de voornemens inhoudelijk niet realistisch?
Er kunnen politiek-strategische redenen zijn om
niet te veel nadruk te leggen op de mate van succes
van pogingen om het openbaar bestuur te laten
terugtreden (of juist wel vanuit het perspectief van
bureaucrat bashing over ambtelijke onwil en sabotage).
Maar een andere reden dat het debat over een
terugtrekkend openbaar bestuur empirisch gezien
zo onduidelijk verloopt, is van methodologische
aard: waar begint en waar eindigt dat openbaar bestuur
eigenlijk, welke tijdsperiode kunnen we het
beste in ogenschouw nemen, wie rekenen we tot
de werkenden en hoe valt vervolgens vast te stellen
hoe omvangrijk, ingrijpend of actief dat openbaar
bestuur is? Met name de tijdsperiode is belangrijk
omdat op korte termijn er een sterke daling (zoals
nu uit de publicatie Werken in de publieke sector
2015 naar voren wordt gebracht) of stijging kan
optreden, die op de langere termijn verdampt. Dit
zelfde geldt ook voor de UWV publicatie ‘De overheid:
Sectorbeschrijving’, die gebruik maakt van
de zelfde bronnen. Tevens blijkt bij verandering
van vergelijkingsjaren de uitkomst substantieel
kan veranderen. Ook de keuze van langere termijn
heeft grote invloed op de uitkomsten. In de conclusie
gaan we hierop in.
In deze bijdrage staat de vraag centraal of we
daadwerkelijk kunnen spreken van een terugtredend
openbaar bestuur, waarbij we het personeel
werkzaam in de publieke dienst tot uitgangspunt
nemen. Om deze vraag te kunnen beantwoorden,
moeten we eerst ingaan op de vragen wat we nu
precies onder openbaar bestuur moeten verstaan
en welke indicatoren het meest relevant zijn om
vast te stellen of het openbaar bestuur daadwerkelijk
terugtreedt.
2 PUBLIEK DOMEIN, PUBLIEKE
SECTOR, OPENBAAR BESTUUR
EN OVERHEID: EEN GELAAGDE
AFBAKENING
Omdat er talrijke definities bestaan van begrippen
als ‘het publiek domein’, ‘de publieke sector’, ’de
semipublieke sector’, ‘het openbaar bestuur’, ‘de
overheid’ en ‘het ambtelijk apparaat’, is het bij iedere
discussie over een terugtredend of uitdijend
openbaar bestuur van essentieel belang om met
een heldere afbakening van begrippen te werken.
Onder ‘publiek domein’ verstaan we de zorg voor
IS ER NU WEL OF GEEN SPRAKE VAN EEN TERUGTREDEND OPENBAAR BESTUUR?
25
׉	 7cassandra://8ds9_AH5qJ0nUffFtF5ZjMcqDvwZwlEmZEFFdy3QbW8L`̵ Vt
a7&'>Vt
]7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://otmTFIkt9axBtiVHgRiJAhPQjlZZAZd2uq1ps-mDSis Q<` 
׉	 7cassandra://NwaQJU7uzJ6ZXjqZItJ8TliUILFZgKCQgCXMl8Kajywm`T׉	 7cassandra://cNHWXr79puJ17OJb9lwu9URnBTcjpVE5UC0mInE1WTE<`̵ ׉	 7cassandra://hAe_uHNIcE3Y089zOa53mrRrr3TWZ2g9hHoxZQw0f8U`$͠Vt
b7&'@ט # #nu׉׉	 7cassandra://ruvU2lV_bxCHNmchJXIhO22r_LP39pJ8O1fVOJp2AsA ` 
׉	 7cassandra://wOctp2AlX0M9PwIHHxKRk7VfDC9VO8L3LPJjSl9S87E_`T׉	 7cassandra://6Jz5v50zgsPEt8LoaoEYDBzrYpyNBZu852ELD0B84aQw`̵ ׉	 7cassandra://fIhWLVSShbvbmWC88eQjLU3FAdw9FvBsgA6YYBDsFvg=(͠Vt
b7&'A׉Enhet algemeen belang met de daarbij behorende
organisaties en personeel. Een belangrijk onderscheid
is dat tussen personeel werkzaam in het
publiek-publiek domein (openbaar bestuur) en
het privaat-publiek domein (Van der Meer 2014).2
Het publiek-publiek domein wordt gebruikelijk
openbaar bestuur genoemd. Het omvat het Rijk
met publiekrechtelijke staatsbedrijven, provincies,
gemeenten, politie, defensie, waterschappen,
rechterlijke macht en gemeenschappelijke
regelingen. Daarnaast zijn ook de zelfstandige
bestuursorganen tot het openbaar bestuur te
rekenen. Daarbuiten is een schakering van private
organisaties en individuele burgers werkzaam in
het publiek domein, genaamd het privaat-publiek
domein. Een verder onderscheid kunnen we maken
tussen vijf schillen van organisaties in het publiek
domein, met daarmee corresponderend het
betrokken personeel (zie onder meer Van den Berg
et al. 2015).3
We kiezen hier, mede vanwege het
voorafgaande, voor de volgende indeling, waarin
zes lagen met het daarbij behorende personeel zijn
te onderscheiden:
(1) De kern van het openbaar bestuur met een
directe democratische legitimering, dat wil
zeggen personeel werkzaam bij algemene bestuursinstanties
als het Rijk. Hieronder vallen:
publiekrechtelijke staatsbedrijven, provincies,
gemeenten, direct verkozen functioneel
besturen zoals waterschappen, tot het Rijk
behorende veiligheidsinstanties als politie en
defensie, de vanuit de trias politica-gedachte
gelegitimeerde onafhankelijke rechterlijke
macht, en van het eerdergenoemde lokaal bestuur
afgeleide gemeenschappelijke regelingen
met een eigen rechtspersoonlijkheid.
(2) Daarnaast is er een tweede onderdeel van het
openbaar bestuur: zelfstandige uitvoeringsorganisaties
op publiekrechtelijke grondslag.
(3) Publiekrechtelijke onderwijs- en zorginstellingen,
waaronder publiekrechtelijke universiteiten,
overige openbaaronderwijsinstellingen,
onderzoeksinstellingen en academische
ziekenhuizen.
(4) Het privaat-publiek domein met het daartoe
behorende personeel. Dat wil zeggen privaatrechtelijke
organisaties zonder winstoogmerk,
die worden gefinancierd met publieke
middelen, zoals overheidsstichtingen, bijzondere
universiteiten, andere onderwijs- en
zorginstellingen en burgers deelnemend aan
de participatiesamenleving en de (grotendeels
tot voor kort) verzuilde samenleving.
(5) Zij die in dienst zijn van een privaatrechtelijke
organisatie en taken uitvoeren voor of namens
het openbaar bestuur. Dat wil zeggen:
2.
3.
Van der Meer, F. (2014). Minder overheid, maar wie denkt er na over de lange termijn? Tilburg: Mejudice
(18 november 2014).
Van den Berg, C., Van der Meer, F., Van Mannekes, M., Van Osch, D., Porth, J., & Schmidt, A. (2015).
Koers houden in turbulentie. De rol van de rijksoverheid op het gebied van infrastructuur en milieu internationaal
vergeleken. Den Haag: CAOP Press.
26
IS ER NU WEL OF GEEN SPRAKE VAN EEN TERUGTREDEND OPENBAAR BESTUUR?
׉	 7cassandra://cNHWXr79puJ17OJb9lwu9URnBTcjpVE5UC0mInE1WTE<`̵ Vt
b7&'B׉E	personeel van een privaatrechtelijke organisatie
met een winstoogmerk, waar openbaarbestuursorganisaties
een meerderheidsaandeel
in bezitten, zoals al dan niet verzelfstandigde
staatsbedrijven als NS, ProRail, Tennet, Gasunie
en Schiphol.
(6) Externe inhuur: zij die in dienst zijn van een
privaatrechtelijke organisatie met winstoogmerk,
waarvan de openbaarbestuursinstanties
geen aandeelhouder zijn en die op contractbasis
taken voor of namens het openbaar
bestuur uitvoeren, zoals aannemersbedrijven,
adviesbureaus, catering-, schoonmaak- en
beveiligingsbedrijven.
3 INDICATOREN EN INDICATIES VAN
EEN TERUGTREDEND OPENBAAR
BESTUUR
Hoe stellen we nu vast of het openbaar bestuur
terugtreedt of niet? Hiervoor zijn verschillende
benaderingen denkbaar. Ten eerste ligt het voor
de hand om te spreken van een terugtredend
openbaar bestuur als dat kleiner van omvang
wordt, afgemeten in (a) personele en (b) financiële
omvang, of afgemeten in veranderingen in (c) de
omvang van het openbaar bestuur (dat wil zeggen
de privatisering of verstatelijking (nationalisatie)
van bepaalde organisaties).
Ten tweede kunnen we spreken van een terugtredend
openbaar bestuur wanneer dit zich anders
gaat ‘gedragen’. Bijvoorbeeld wanneer het (d) ophoudt
bepaalde taken voor zijn rekening te nemen
(privatiseren, beleidsprogramma’s beëindigen
zonder er nieuwe voor in de plaats te stellen) of
(e) op bepaalde taakgebieden minder of minder
ingrijpend intervenieert in het maatschappelijke
en economische verkeer (regulering, deregulering,
re-regulering). Het is van belang hier op te
merken dat de verschillende indicatoren van een
terugtredend openbaar bestuur onafhankelijk
van elkaar kunnen variëren: zo kan een verkleind
openbaar bestuur juist ingrijpender interveniëren
in de samenleving (denk aan marktregulering na
privatisering) en kan een afgeslankte personele
omvang gepaard gaan met stijgende overheidsuitgaven
(denk aan hogere kosten vanwege externe
inhuur).
Hieronder gaan wij, voor zover mogelijk binnen
de kaders van deze bijdrage, in op een al dan niet
terugtredend openbaar bestuur, afgemeten aan de
verschillende indicatoren, waarbij het aandachtspunt
als gezegd ligt bij de veranderende personele
omvang van het openbaar bestuur.
De tabel toont de ontwikkeling in het personeelsbestand
van het openbaar bestuur (het Rijk met
publiekrechtelijke staatsbedrijven, provincies,
gemeenten, politie, defensie, waterschappen,
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
27
׉	 7cassandra://6Jz5v50zgsPEt8LoaoEYDBzrYpyNBZu852ELD0B84aQw`̵ Vt
b7&'CVt
b7&'BFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://DvHUUGpirnBqN0jAUi8OQbPH7q5UlQFpaesCvKCwhx4 ` 
׉	 7cassandra://Vw5wDwj0uCjnuUjltmQ9-IaU17mlPHa1qcRBfTiiMLQs`T׉	 7cassandra://GYqNan4S4fqPxffPY-Bs62qg46wtq94dtKGDQSp5w1s`̵ ׉	 7cassandra://p6WEMuMeLMSRvHWM4TgtUYHP350xSZ3OYPVjUB_CPwḾ͠Vt
c7&'Eט # #nu׉׉	 7cassandra://hnYJWizYqf_gFGTf-R3PSKh8GJcLZB4uF4Hrb0QbAak F` 
׉	 7cassandra://YSLolMNClgwG3PUiIt2P-nA4CsMDghuwd1U8DZGXhmwj`T׉	 7cassandra://jnRRALsYCyvf31l2p8mCm-Apug_kFM5kx7prd51ts0k,`̵ ׉	 7cassandra://q9BpJ7PLuL8WjTtyEXce4dw4mhHFEgVnbmJC6thqL5cJd$͠Vt
c7&'F׉E]rechterlijke macht en gemeenschappelijke regelingen,
zonder de zelfstandige bestuursorganen of
ZBO’s), van 1849 tot 2014.
Tabel 1: Ontwikkeling van het personeel in dienst
van het openbaar bestuur (het Rijk met publiekrechtelijke
staatsbedrijven4
provincies, gemeenten, politie, defensie, waterschappen,
rechterlijke macht en gemeenschappelijke
regelingen) afgerond op honderdtallen
Jaar Werkzame
personen
42.500
Werkzame personen als
% van de totale bevolking
1849
1920 191.400
360.100
1947
1960 430.200
1983 618.300
1996 445.509
2000 456.900
2005 476.100
2006 474.300
2010 486.400
2011 474.000
2012 464.000
455.500
2013
2014 448.700
1,4
2,8
3,8
3,8
4,3
2.9
2,9
2,9
2,9
2,9
2,8
2,8
2,7
2,7
Bron: Van der Meer & Roborgh (1993); Van der Meer
& Dijkstra (2012); Beroepstellingen 1849-1960;
Kerngegevens Overheidspersoneel (2000-2011;
Kennisbank Openbaar Bestuur (2012-2014)5
(op begroting vermeld),
In vergelijking met het jaar 1849 zien we zowel in
absolute als in relatieve zin een enorme stijging
van het personeel in dienst van het openbaar
bestuur (zonder de ZBO’s). Binnen deze lange
periode zien we interessante schommelingen: na
een continue stijging tot aan het begin van de jaren
’80 is de omvang van het personeel in absolute zin
gedaald. Deze daling wordt deels veroorzaakt door
de privatisering van de PTT, die in 1983 103.000
personeelsleden kende. Desondanks blijkt er een
afname te zijn, ook wanneer we het personeel van
de PTT buiten beschouwing laten. Het opgeschoonde
cijfer zonder de PTT bedraagt 515.300
personen in 1983. Deze gerealiseerde teruggang is
conform het beleid van de diverse kabinetten en
andere overheden in de betreffende periode, maar
pas na 2010 is er sprake van een constante daling.
Opvallend is dat het meest recente percentage van
het personeel werkzaam in het openbaar bestuur
op de totale bevolking (2.7 in 2014) ongeveer
terug is op hetzelfde niveau als in 1920 (2.8). Dit
zou erop duiden dat, afgemeten aan de omvang
van het personeel, het openbaar bestuur sinds
1982 duidelijk teruggetreden is. Ook zou dit erop
duiden dat, gezien de enorme toename van activiteiten
in vergelijking met 1920, de arbeidsproductiviteit
binnen het openbaar bestuur fors zou zijn
gestegen.
4. NS, ProRail, Tennet, Gasunie en Schiphol zijn niet in de cijferreeks van staatsbedrijven begrepen.
5.
Van der Meer, F, & Roborgh, R. (1993). Ambtenaren in Nederland. Omvang, bureaucratisering en representativiteit
van het ambtelijk apparaat. Alphen a/d Rijn: Samsom H.D. Tjeenk Willink; Van der Meer,
F.M., & Gerrit, S.A. The civil service system of the Netherlands. In: Frits M. van der Meer (Red.). Civil
service systems in Western Europe. Cheltenham/Aldershot: Edward Elgar; Van der Meer, F.M. (2012).
Voorwaarden, waarborgen en ambtenaren. De gevolgen van de opkomst van de voorwaardenscheppende
staat voor de publieke dienst, Oratie, Leiden.
28
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://GYqNan4S4fqPxffPY-Bs62qg46wtq94dtKGDQSp5w1s`̵ Vt
c7&'G׉E}Enkele kanttekeningen zijn echter op hun plaats.
Zo heeft zich in de jaren ’80 en ’90 een golf aan
verzelfstandigingen voorgedaan (onder andere
op het gebied van studiefinanciering en arbeidsvoorzieningen).
Het personeel in dienst van deze
verzelfstandigde organisaties komt niet voor in
tabel 1. De meeste verzelfstandigde (uitvoerings)
organisaties kunnen echter wel volledig tot (de
tweede laag van) het openbaar bestuur worden
gerekend (een publiekrechtelijke grondslag, publieke
financiering en publieke regulering). Hier
is dus sprake van een verschuiving van personeel.
Wel moet worden opgemerkt dat niet alle ZBO’s
ontstaan zijn als afsplitsingen van de departementen
(in 2006 ongeveer 30 procent). Een ZBO
als TNO heeft nimmer deel uitgemaakt van een
ministerie. De meeste omvangrijke ZBO’s (vanuit
personeelsperspectief) zijn nimmer onderdeel van
ministeries geweest. Zoals hieronder duidelijk zal
worden, is in de afgelopen tien jaar de personeelsomvang
van de ZBO’s gedaald.
Ook kan een deel van de krimp van het openbaar
bestuur in tabel 1 verklaard worden door de privatiseringen
van in het bijzonder de jaren ’80 en ’90,
op rijksniveau, maar ook bij provincies en in het
bijzonder gemeenten. Grote privatiseringen van
onder andere de PTT, de Staatsmijnen, de defensiebedrijven,
de nutsbedrijven en andere economische
activiteiten van provincies en gemeenten,
hebben geleid tot een substantiële verkleining van
het openbaar bestuur (laag 1) en een vergroting
van de private sector vanuit personeelsperspectief
beschouwd. Daarbuiten is het aantal verzelfstandigde
overheidsbedrijven (gemeentelijke vervoersbedrijven
en havenbedrijven) toegenomen.
Dit laatste geldt ook voor ‘overheidsstichtingen’.
Ook zijn bijvoorbeeld gemeentelijke ziekenhuizen
en zorginstellingen organisatorisch geprivatiseerd
en gefuseerd met bijzondere instellingen. Echter,
de financiering van dit personeel blijft onveranderd
grotendeels plaatsvinden vanuit collectieve
middelen. Daarmee kunnen we dus stellen dat
het openbaar bestuur zonder de ZBO’s in omvang
is afgenomen, maar dat hoeft niet noodzakelijkerwijs
te gelden voor de omvang van het geheel
(lagen 1 tot en met 6).
In de derde plaats maken de verschillende openbaarbestuursorganisaties,
zeker sinds de jaren ’80,
in toenemende mate gebruik van het (privaatrechtelijk)
uitbesteden van taken (contracting out in
termen van New Public Management). Zo gaf de
rijksoverheid in 2014 ruim 1,1 miljard euro uit aan
de inhuur van personeel (Jaarverslag bedrijfsvoering
Rijk 2014). Het volledige bedrag aan contracting
out in het Nederlands openbaar bestuur
bedraagt een veelvoud van dit bedrag. Het betreft
hier een verschuiving van personeel naar laag 6.
Van der Meer en Roborgh stelden in hun dissertatie
(1993) dan ook al dat het openbaar bestuur voor
een deel ‘ondergronds’ is gegaan. Op te merken
IS ER NU WEL OF GEEN SPRAKE VAN EEN TERUGTREDEND OPENBAAR BESTUUR?
29
׉	 7cassandra://jnRRALsYCyvf31l2p8mCm-Apug_kFM5kx7prd51ts0k,`̵ Vt
c7&'HVt
c7&'GFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://28UiUeJ3sBGqxn8FHQBYIWHZIS8-PVfGRlxH6xnY7K4 +` 
׉	 7cassandra://Wb8nOIM_Y1jBotoDDrMqIWMgO_Fl2piM88M_qklLG3Elg`T׉	 7cassandra://9hoybDCfUbfGA9rWLzi4xkNjN6d-GjdV9IYUr3OTIWEs`̵ ׉	 7cassandra://WJTBSZwhzNZgMzPbNbPNUwlf16qSKzD7SmpvQ1lJqoc̀͠Vt
d7&'Jט # #nu׉׉	 7cassandra://gz0e5ydsyjVhmdWpPYev8z0bXNrD9p7mHC8C4Di_rn8 ` 
׉	 7cassandra://tUUCapObS1nRAlacx9nngpKVST5gcw1GPwv4OZ_qYdQ``T׉	 7cassandra://1ewN9daLCx00wJIg3P9vWzINu9byxy4RmIuop4ijdaI`̵ ׉	 7cassandra://FoO6S67rAx6tJh_603WS0EWxT5utrzTcH1DB009qyPwYO ͠Vt
d7&'K׉E	Lvalt dat eind negentiende en begin twintigste
eeuw voor wat betreft de uitvoering van taken
contracting out ook sterk aanwezig was.
Een verfijning van bovenstaand beeld kunnen we
aanbrengen door te kijken naar de ontwikkelingen
binnen de verschillende sectoren, zie tabel 2
hieronder. De jaren 1996 en 1983 (het begin van
het reductiebeleid onder het kabinet-Lubbers I)
zijn toegevoegd.6
De belangrijkste conclusie uit tabel 2 moet zijn
dat er voor de periode 2003-2014 inderdaad
sprake is van een terugtredend openbaar bestuur,
wanneer we kijken naar de ontwikkeling van het
personeelsbestand van de drie bestuurslagen en
de waterschappen. Vrijwel over de gehele linie
constateren we deze daling, met uitzondering van
de politie, waar tot aan 2014 een forse stijging van
het personeelsbestand te zien is. Het jaar 2014 is
voor wat betreft de politie een keerpunt. Ook de
rechterlijke macht en de waterschappen zijn in het
verleden gestegen, maar laten van 2013 naar 2014
een lichte daling te zien. Het personeel werkzaam
bij gemeenschappelijke regelingen blijft fors doorgroeien.
Dit moet in verband worden gezien met
Tabel 2: Ontwikkeling personeelsbestand Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten
(aantallen werkzame personen)
Sector
Rijk
Gemeenten
Provincies
Rechterlijke macht
Waterschappen
Gemeenschappelijke regelingen
Openbaar bestuur totaal
Defensie
Politie
Openbaar bestuur totaal
(incl. sector veiligheid)
1986
18.511
1.383
7.327
21.848
85.581
30.8506
1996
130.039 106.066
216.222
173.305
12.203
2.151
8.748
21.992
75.450
45.594
2003
125.393
197.523
13.645
3.059
10.490
19719
72.793
57.903
2008
123.335
171.189
13.003
3.594
9.675
24.705
395.330 324.465 369.829 345.453
67.527
62.246
2013
116.413
155.140
11.494
3.537
10.091
33.548
330.223
60.185
65.089
2014
116.865
147.827
10.868
3.482
9.986
36.519
325.547
59.123
64.030
511.761 445.509 500.525 474.226 455.497 448.700
Bron: Kerngegevens bezoldiging overheidspersoneel 1986, 1996, 2003, defensiebegrotingen, Kerngegevens
Personeel Overheid en Onderwijs 2008 en Kennisbank Openbaar Bestuur
6.
Voor wat betreft dit jaar zijn de cijfers enigszins onvergelijkbaar, omdat in deze periode nog een onderscheid
bestond tussen rijks- en gemeentepolitie. In de statistieken is het niet-executief personeel
gerekend tot respectievelijk Rijk en gemeenten.
30
IS ER NU WEL OF GEEN SPRAKE VAN EEN TERUGTREDEND OPENBAAR BESTUUR?
׉	 7cassandra://9hoybDCfUbfGA9rWLzi4xkNjN6d-GjdV9IYUr3OTIWEs`̵ Vt
d7&'L׉E	;de continue daling van het gemeentelijk personeel.
Opmerkelijk is ook de lichte stijging bij het
Rijk in 2014.
Ook hier zijn echter enkele kanttekeningen op
hun plaats. In de eerder aangehaalde bronnen
(Kerngegevens bezoldiging Overheidspersoneel,
Kerngegevens Personeel Overheid en Onderwijs
2008 en Kennisbank Openbaar Bestuur) wordt
uitgegaan van het zogenaamde sectorenmodel
(per sector worden de arbeidsvoorwaarden
geregeld). De bronnen gaan (in andere tabellen)
ook in op het personeel in dienst van gemeenschappelijke
regelingen en bij zelfstandige
bestuursorganen. Ook bij de zelfstandige bestuursorganen
blijkt een daling te zijn (49.294 fte
in 2006 en 39.796 fte in 2013). Bij de gemeenschappelijke
regelingen is daarentegen sprake van
een stijging (in 2009: 26.250 werkzame personen;
in 2014: 36.519 werkzame personen).
Wanneer we ook de sector onderwijs en wetenschap
(onderdeel van lagen 3 en 4) bij onze data
betrekken, komen we tot het volgende beeld voor
de periode 2008-2014.
De conclusie uit bovenstaande tabel moet zijn dat
er weliswaar sprake is van een lichte daling in de
personeelsaantallen binnen het onderwijs tussen
2008 en 2014, maar dat er in de periode 2003-2014
een stijging van 21.317 personen is opgetreden.
Wanneer we het totaal bekijken van het personeel
in dienst van openbaar bestuur en onderwijs, zien
we tussen 2003 en 2014 weliswaar een daling (van
meer dan 30.508 personen), maar die daling is
minder groot dan bij het openbaar bestuur zonder
het personeel van onderwijs en wetenschappen
(51.825 personen).
Wanneer we ook de zorg- en welzijnssector erbij
betrekken (niet behorend tot het openbaar bestuur,
wel tot het privaat-publiek domein, wel publieke financiering
of publiek eigendom, dus ook onderdeel
van laag 4), zien we dat de werkgelegenheid in de
zorg de afgelopen jaren sterk is gestegen. De universitaire
medische centra vallen onder het onderwijs
en zijn daarmee opgenomen in tabel 3 (2003:
Tabel 3: Ontwikkeling personeelsbestand openbaar bestuur (zonder ZBO’s) en onderwijs
(aantallen werkzame personen)
Sector
Openbaar bestuur totaal (incl. sector veiligheid)
Onderwijs en wetenschappen
Totaal openbaar bestuur en onderwijs
Bron: zie tabellen 1 en 2
2003
500.525
482.015
2008
475.226
503.876
982.540 979.092
2013
2014
455.497 448.700
501.582
957.079
503.332
952.032
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
31
׉	 7cassandra://1ewN9daLCx00wJIg3P9vWzINu9byxy4RmIuop4ijdaI`̵ Vt
d7&'MVt
d7&'LFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://tfqYBw_n6dvycPBfOq6p9hLnq8NXbKVkufv1Eqa1kU8 ` 
׉	 7cassandra://HXHFzbxWXJ_NYaqpgY7ZIMyVINZvbBDSoDcBhTTYYU0e{`T׉	 7cassandra://hbE_wlSeUfmcxGoULVCPFHl5HMKJhZhLVCkNySvb4Ek5`̵ ׉	 7cassandra://qLrs6lUGhpGQSiHlLx0eUkOUWWT2i-3NUbo6x5hOdZwT(͠Vt
d7&'Oט # #nu׉׉	 7cassandra://SMQs32QARB8frKZNmsxMMWKCIBY_EKyanW0klNRmGoc ` 
׉	 7cassandra://FnSAFH9NyD7XxK-U1BF8M78u2ZGPpaGzv_Lc3JrAFiUi
`T׉	 7cassandra://1yMzgvTG-D31KC49tioyL_tYhcJ49xbRC9mQHzPM4K0`̵ ׉	 7cassandra://y0kYmYBOzhASsDdOer7k9NJyD4WajtOWpPz37sX08VIJ_$͠Vt
e7&'Q׉E
55.663 werkzame personen; 2014: 67.861 werkzame
personen). De stijging van het personeel in
onderwijs en wetenschappen (zie tabel 3) van 21.317
personen (2003-2014) komt voor meer dan de helft
voor rekening van de universitaire medische centra.
De langdurige zorg wordt grotendeels gefinancierd
uit publieke middelen, namelijk de Wet langdurige
zorg (sinds 1 januari 2015; daarvoor de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten). De uitgaven op basis
van de Wet langdurige zorg bedragen inmiddels
meer dan 28 miljard euro (dit was in 2003 ongeveer
20 miljard euro).
Deze kosten worden grotendeels betaald uit
verplichte premies en bijdragen van het Rijk. De
meeste overige kosten in de zorg worden opgebracht
uit de premies die betaald moeten worden
aan de zorgverzekeraars (op basis van de Zorgverzekeringswet).
Ook hierbij speelt het openbaar
bestuur een grote rol. Iedereen dient zich verplicht
te verzekeren en verzekeraars kennen een acceptatieplicht.
De financiering geschiedt door een
verplichte inkomensafhankelijke bijdrage, de premie
die de verzekerde aan de verzekeraar betaalt
en een algemene rijksbijdrage. Kortom, ook op het
gebied van de zorg is er in belangrijke mate sprake
van publieke financiering.
Bedroeg het aantal werknemers in de overige ziekenhuizen
(dus met uitzondering van de academische
medische centra) in 2006 ongeveer 201.900,
in 2012 lag dit aantal op 214.000 (bron: Arbeid in
Zorg en Welzijn, Integrerend Jaarrapport, Panteia,
Zoetermeer, 2014). In de geestelijke gezondheidszorg
steeg het aantal personeelsleden van 74.400
(2006) naar 84.700 (2012). Ook verpleeg- en
verzorgingshuizen laten een enorme stijging
zien (van 241.300 in 2006 naar 275.300 in 2012).
Hetzelfde geldt voor de thuiszorg (van 142.800
in 2006 naar 172.900 in 2012) en de gehandicaptenzorg
(van 147.100 in 2006 naar 161.100 in
2012). Wanneer deze aantallen bij elkaar worden
opgeteld, gaat het om een stijging met meer dan
100.000 personen (waarbij we nog niet eens zijn
ingegaan op overige onderdelen van de zorg).
Kortom, gemeten naar het aantal personen dat er
werkt, is er op het gebied van de zorg geen sprake
van een teruggang.
Behalve de indicator van de personele omvang
zijn er ook de andere genoemde indicatoren. Een
afname van de omvang van de overheidsuitgaven
(al dan niet als percentage van het BNP) kunnen
we gebruiken als indicator van een terugtredend
openbaar bestuur. Omwille van de beperkte
ruimte in deze bijdrage kunnen we hier empirisch
niet nader op ingaan.
Een andere indicator is de verandering van de (organisatorische)
omvang van het openbaar bestuur
zelf via processen van privatisering, nationalisering
en verstatelijking. Zoals hierboven besproken
32
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://hbE_wlSeUfmcxGoULVCPFHl5HMKJhZhLVCkNySvb4Ek5`̵ Vt
e7&'R׉E
heeft privatisering een aanzienlijke invloed gehad
op de omvang van het openbaar bestuur. Daarin
zou een terugtredend openbaar bestuur zichtbaar
kunnen zijn. Maar ook het tegenovergestelde lijkt
te zijn gebeurd. Het meest spectaculair is uiteraard
het ingrijpen van de rijksoverheid in het bank- en
verzekeringswezen geweest. Het gaat hierbij om de
overname door de staat van ABN AMRO in 2011 en
de nationalisering van SNS Reaal door het Rijk in
2013. Formeel was de overname van ABN AMRO
geen nationalisatie, bij SNS Reaal was dit wel het
geval. In de moderne Nederlandse geschiedenis is
nationalisatie (van in dit geval een bank) volstrekt
uniek. Zodoende is hier sprake van het tegengestelde
van een terugtredend openbaar bestuur in
termen van invloed, beheersing en beïnvloeding.
Formeel zijn deze banken in handen van NL Financial
Investments (NLFI). NLFI is een stichting die
namens de staat de aandelen van een viertal vennootschappen
voornamelijk op het gebied van het
bankwezen beheert. Het NLFI is enig aandeelhouder
in ABN AMRO Group N.V., ASR Nederland
N.V., SNS REAAL N.V., en Propertize B.V.
Een laatste relevante indicator van een mogelijk
terugtredend openbaar bestuur is deregulering.
Ondanks pleidooien om te komen tot deregulering,
blijkt het aantal wettelijke regels in de loop
der jaren enkel opgelopen. Maar het aantal wettelijke
regelingen zegt niet alles. Het gaat vooral
ook om de intensiteit van de regelgeving. We
kunnen stellen dat er geen aanwijzingen zijn dat
het openbaar bestuur door middel van regulering
terughoudender optreedt. Eerder het tegendeel
is het geval. Een greep uit de wetgeving van de
afgelopen jaren laat dit zien: het rookverbod in de
horeca en in openbare gebouwen, een verbod op
de verkoop van alcohol aan personen beneden de
achttien jaar en de normering van topinkomens
in de publieke en semipublieke sector (waaronder
ook private organisaties als woningbouwcorporaties
vallen).
4 CONCLUSIE
De vraag of er daadwerkelijk een terugtredend
openbaar bestuur is, laat zich niet gemakkelijk
in algemene zin beantwoorden. Of het openbaar
bestuur terugtreedt, en zo ja in welke mate, hangt
af van de gekozen tijdsafbakening en verschilt
aanmerkelijk per bestuurslaag, overheidsorganisatie,
beleidssector.
In deze bijdrage zijn wij daarom nadrukkelijk uitgegaan
van een gelaagde opvatting van het openbaar
bestuur. Deze opvatting van ‘werken voor het
openbaar bestuur’ is van groot belang om de vraag
of er sprake is van een terugtredend openbaar
bestuur te kunnen beantwoorden. Wanneer wij
ons beperken tot het openbaar bestuur zonder de
ZBO’s, dan laat de periode sinds 1982 een duidelijke
daling van het aantal personeelsleden zien. Ook
binnen deze openbaarbestuursorganisaties is een
IS ER NU WEL OF GEEN SPRAKE VAN EEN TERUGTREDEND OPENBAAR BESTUUR?
33
׉	 7cassandra://1yMzgvTG-D31KC49tioyL_tYhcJ49xbRC9mQHzPM4K0`̵ Vt
e7&'SVt
e7&'RFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://WwpeUbnT99iK3XlQRxk5vDNPbImUkwQp3m3xR-NwPkA ` 
׉	 7cassandra://5RcsbxWS_xfo4jYqvIuWv3yxf08QbP0uAMWy-bI64qUO>`T׉	 7cassandra://xpMztXhZQnSHDWGKoaCykMyhCI_fn1nDbyqHeIWUq58`̵ ׉	 7cassandra://Sl3kXrloeatKWrQzdj-k7YexIzBQN55sM2Jp8082XoY>$͠Vt
e7&'Uט # #nu׉׉	 7cassandra://iV1CWPMgxTZpXfMbUADaWXH3GggFfSE2Q2eYqwTppgw ` 
׉	 7cassandra://NRSBoeywj9qeMHvAcIaxn-ZcQs7sfmfQ-CWktmqjZJg;G`T׉	 7cassandra://nXn-tQPtQKmxzLf1cbkmBuFmEoWuV-yi6DMfLAjUr5o#`̵ ׉	 7cassandra://6TUNsLKZ2wNupvsbaBnBajnDMnVrDJP53qjiKQ9fxrU:G(͠Vt
e7&'V׉Everschuiving te zien, bijvoorbeeld van gemeenten
naar gemeenschappelijke regelingen. Eerder al zijn
gemeenten in omvang gedaald door de politiehervorming.
Privatisering van publieke taken en
-organisaties hebben vooral in het economisch
(overheidsbedrijven) domein binnen het openbaar
bestuur een vermindering van de werkgelegenheid
veroorzaakt.
Vanouds heeft er een uitgebreide werkgelegenheid
in de overige lagen van het publiek domein
bestaan. Zo zijn niet alle ZBO’s afsplitsingen van
bijvoorbeeld de rijksoverheid. Gegevens laten
zien dat ook bij ZBO’s de personele omvang in
het afgelopen decennium is gedaald. Interessant
is wel een verschuiving in de zorgsector, waar
bijvoorbeeld gemeentelijke ziekenhuizen gefuseerd
zijn met bijzondere instellingen en nu in
het privaat-publiek domein zijn terechtgekomen.
Bestuurskundig geïnterpreteerd betekent dit dat
bestuurders verschillende mogelijkheden hebben
om bewust dan wel onbewust groepen overheidspersoneel
in een volgende laag te ‘verstoppen’,
waardoor de indruk kan ontstaan dat er een afname
in het werkzame personeel voor de publieke
dienst gerealiseerd wordt, terwijl dit in wezen
niet het geval hoeft te zijn. Ook kan om politieke
redenen het personeel uitbreiden. Een voorbeeld
is de voorgenomen indienstneming van het
schoonmaakpersoneel bij het Rijk (ongeveer 2000
tot 2500 personen). Anderzijds hebben recente
bezuinigingsoperaties in het openbaar bestuur wel
degelijk geleid tot een personeelsreductie, waarbij
soms klachten naar voren komen dat het inhoudelijk
schade oploopt. Waar deze problematiek gemeld
wordt, is onder meer bij de Belastingdienst,
de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie
(NVAO) en enkele andere inspectiediensten. Ook
de personeelsreductie is aan grenzen gebonden
waar het de handhaving van de kwaliteit van de
publieke dienstverlening betreft. Deze druk zou
kunnen leiden tot het hiervoor gemelde uitwijkingsgedrag.
34
IS
ER NU WEL OF GEEN SPRAKE VAN EEN TERUGTREDEND OPENBAAR BESTUUR?
׉	 7cassandra://xpMztXhZQnSHDWGKoaCykMyhCI_fn1nDbyqHeIWUq58`̵ Vt
e7&'W׉EEerder is gesteld dat de te bestuderen tijdsperiode
en de lagen van het publieke domein essentieel
zijn voor een analyse van de vraag: wordt het nu
minder. Het lagenmodel helpt ons om te kijken
waar het personeel eventueel naar toe zou kunnen
zijn gegaan en de langere periode om tijdelijke
“ups-and-downs” in de personeelsomvang te
beoordelen en zo snelle en modieuze oordelen te
kunnen vermijden. Wel moet rekening worden
gehouden dat de keuze van de periode de uitkomst
bepaalt. Zo ziet de UWV een daling van 2004 tot
2014 met 50.000 personen. Kiest men de periode
1996-2014 (tabel 1) dan is er een lichte stijging
(3.200 personen) te zien. Een concentratie op de
laatste twee jaar leidt tot een vertekening omdat
ook eerder, onder bezuinigings- en reorganisatiedruk,
een daling te zien is geweest; overigens
deels van tijdelijke aard en per sector verschillend.
Zoals in het laatste jaar het personeel werkzaam
bij het rijk in tegenstelling tot de gemeente, gestegen
is. Voor de meest recente periode (laatste twee
jaar) zou kunnen worden gesteld, dat gegeven
een vermindering van de bezuinigingsdruk, de
toename van de defensie begroting, de inplaatsing
van het schoonmaakpersoneel, de aanpak van de
vluchtelingenproblematiek etc. er eigenlijk weer
een mogelijke stijging is te verwachten. Mogelijke
stijging omdat een toekomstverwachting (nog)
speculatief is.
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
35
׉	 7cassandra://nXn-tQPtQKmxzLf1cbkmBuFmEoWuV-yi6DMfLAjUr5o#`̵ Vt
e7&'XVt
e7&'WFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://nG_NtvbQ-xCK_RseInNMe6TO3qGYdZZszFV6iTa38-4͖=` 
׉	 7cassandra://MeXnWOT8s2sWZf4-46AaLQDqjV3wkC3_ijxHE1ocdNE` T׉	 7cassandra://W_YGwv4ghQ3FngTwHce_b_ttPiftH6CeYx5HGNaTxy0`̵ ׉	 7cassandra://FF4K6qWYxb_Poy_kx3KxQhnHEwVh4e21iZd3e3Wj2Uc_|͠Vt
e7&'Zט # #nu׉׉	 7cassandra://HSdGS4ya1CTauCtz6PwuQ9aEyUQ8t7TTDv_qbqVV9BM S` 
׉	 7cassandra://HMRKILstigHkPuoGVz_qC-IB6zv0FhdIBqafSeOswGE+` T׉	 7cassandra://Y73SFaGU4SvokP0tELTmo6WXtJfDnnDObSECudZpAAY
`̵ ׉	 7cassandra://kkwXtqzjnfyGFwrgCQZLbKkuw0Xsjsm1G4ctPhdTQ9M'x͠Vt
e7&'\׉E '36
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://W_YGwv4ghQ3FngTwHce_b_ttPiftH6CeYx5HGNaTxy0`̵ Vt
]7&'׉E L3. Organiseren als
permanente opgave
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
37
׉	 7cassandra://Y73SFaGU4SvokP0tELTmo6WXtJfDnnDObSECudZpAAY
`̵ Vt
e7&']Vt
]7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://PL5b684VMnwYlvgDhswIj2qhgCH7R3H3Qz90wfBY1ng 7` 
׉	 7cassandra://TFaAw_m-lgfanCf6kfgBUFvhoG6xHwoFzzPEsF4pQMo=`T׉	 7cassandra://tf7uNQ6qU51Z-ynV7Y8z-J_vE8YP1PfvniIyFE2boCo`̵ ׉	 7cassandra://uw7aYNe6PeLox4-lJHJN-KpiT6G6E30j91jSQIiAN5s9j(͠Vt
e7&'_ט # #nu׉׉	 7cassandra://ADsVzFTLTSJ3CwTZURueeKyeUWeIkMo7mjazKvuiGag p` 
׉	 7cassandra://ZUWiT9vjoFiHfchZvKQwmfaB1NhVAp9mWmGNleRslCIo"`T׉	 7cassandra://WVCb6wEvsApoEmHuoKPOb6djAvno_oA-pxJshYH8V4YD`̵ ׉	 7cassandra://4UP_kR3AyOyqfZsAfr-kNcpRGI5Eq8rlJ9ScScUrUJAH$͠Vt
f7&'`׉EMr. drs. F. van Kuik
1 INLEIDING
De organisatie van de overheid is voortdurend
in beweging. Het nog steeds lezenswaardige
eindrapport van een onderzoek naar de bestuurlijke
organisatie van het Instituut voor Bestuurswetenschappen
uit 1975 geeft een beeld van de
toenmalige bestuurlijke organisatie van Nederland.
Geconstateerd wordt dat maatschappelijke
processen van schaalvergroting en schaalverkleining
in samenhang met optredende stroomversnellingen
het openbaar bestuur niet onberoerd
laten. Het is dan ook noodzakelijk de bestuurlijke
organisatie kritisch te bezien en waar nodig aan te
passen aan de maatschappelijke (schaal)veranderingen.
Het rapport doet daarvoor een aantal
aanbevelingen. Hoewel het een schets geeft van
een aantal mogelijke eindbeelden, geeft het er de
voorkeur aan langs wegen van geleidelijkheid naar
verbeteringen te streven. Het ziet de bestuurlijke
reorganisatie daarmee als een blijvend proces, dat
ook voortdurende aandacht behoeft.
Deze waarnemingen zijn anno 2015 nog steeds
van kracht. Ook in het huidige tijdsgewricht is het
van belang dat de organisatie van de overheid zich
op de verschillende niveaus blijft aanpassen aan
veranderingen in de omgeving. De praktijk van de
afgelopen tientallen jaren laat zien dat het daarbij
niet gaat om grote veranderingen van de ene dag
op de andere, maar om aanpassingen die zich
over langere perioden uitstrekken. Verschillende
38
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://tf7uNQ6qU51Z-ynV7Y8z-J_vE8YP1PfvniIyFE2boCo`̵ Vt
]7&'׉Eblauwdrukken voor de bestuurlijke organisatie
met voorstellen voor de vorming van districten,
gewesten, miniprovincies of landsdelen en ook
gedachten over een kleiner kernkabinet, zijn geen
realiteit geworden. In dit hoofdstuk worden de
hoofdlijnen van de opgetreden veranderingen
geschetst. In vogelvlucht gaan we in op de situatie
bij de verschillende bestuurslagen: Rijk, provincie
en gemeenten. Het accent ligt daarbij op de wijzigingen
die zich bij het rijk hebben voorgedaan.
Aan het slot van het hoofdstuk worden enkele
vragen opgeworpen over de toekomst. Ook gaan
we na in hoeverre de rijksdienst een voorbeeld
zou kunnen nemen aan de situatie bij de overige
overheden, en welke ontwikkelingen bij het Rijk
het meest van belang zijn voor de toekomstige
organisatie van die overige overheden.
2 DE GEMEENTEN
Met de totstandkoming van de Gemeentewet van
1851 kwam een eind aan de daarvoor bestaande
structuur van stedelijk en plattelandsbestuur. Er
bestaat sindsdien nog maar één soort gemeente
met een raad en burgemeester en wethouders.
Deze gemeentelijke structuur is tot op heden
zo gebleven. Wel is het aantal gemeenten in de
loop der jaren door een voortgezet beleid van
gemeentelijke herindeling fors gedaald. Deze
beweging van een geringer aantal grotere gemeenten
zet nog steeds door. De forse afname van de
gemeenten blijkt uit hun aantal in respectievelijk
1900 (1121), 1920 (1110) 1940 (1054), 1960 (994),
1980 (811), 2000 (537) en 2015 (393). Sommigen
verdedigen de stelling dat grotere gemeenten
beter in staat zijn hun taken te vervullen, omdat
zij over een grotere bestuurskracht beschikken.
Grotere gemeenten zijn daardoor beter in
staat taken te vervullen die voor hun uitvoering
om een grotere schaal vragen en zij kunnen ook
beschikken over een hoogwaardiger ambtelijk apparaat.
Voldoende bestuurskrachtige gemeenten
zouden een noodzakelijke voorwaarde zijn voor
het adequaat kunnen oppakken van een steeds
groter wordend aantal maatschappelijke opgaven.
De recente decentralisatie in het sociale domein
heeft een forse uitbreiding van het gemeentelijk
takenpakket opgeleverd. Omdat gemeenten niet
alle nieuwe taken zelfstandig kunnen uitvoeren,
zijn zij landsdekkende samenwerkingsverbanden
aangegaan op deze nieuwe terreinen. Sinds
1900 zijn Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en
Utrecht de vier grootste steden van Nederland.
Het aandeel van deze steden qua bevolking was in
1900 nog 22 procent. Dat liep terug naar 13 procent
in 2004. Op dit moment nemen deze grote steden
weer een toenemend aandeel van de bevolking
voor hun rekening en wordt voor de toekomst
met verdere groei van hun aandeel in de bevolking
rekening gehouden.
De gemeentelijke organisatie kent volgens
Aardema en Korsten7
drie fasen van ontwikke7.
Aardema,
H. Korsten, A., gemeentelijke organisatiemodellen, opgenomen in: Bekke, A. e.a. (red.), Naar
een collegial en samenhangend overheidsbestuur, uitgave Raad voor het openbaar bestuur, Den Haag,
2009.
ORGANISEREN ALS PERMANENTE OPGAVE
39
׉	 7cassandra://WVCb6wEvsApoEmHuoKPOb6djAvno_oA-pxJshYH8V4YD`̵ Vt
f7&'aVt
]7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://NGY7X3jU1R__t6dasue8wqaqhQZHiUGj8oBcUo5JD5w ` 
׉	 7cassandra://B8BMKWQo5uvQpSul62x_kGJTNS3xImAoYAteyYCfOQUf	`T׉	 7cassandra://q0_4qOa37N0OqG-HdPp-l-HtsUSmLcj7ok_7tEkFtXA>`̵ ׉	 7cassandra://oMBIbGuuaDLeclJlcNp7TM3nWYURil6EstatO-WLA6o7(͠Vt
f7&'dט # #nu׉׉	 7cassandra://CaN4cyZiMZOhF6p4q-zYofP02EpqcqfedtLZxh7dUN0 ` 
׉	 7cassandra://3_w2CzQkKdwxQIUJjXAAJNVJ69dmy86mjt_3n4QAggMc`T׉	 7cassandra://49ECgF5H1kzBGPdB57G8yW50bfA77RvBQ32J36xQ1uA`̵ ׉	 7cassandra://v9ixFVOxdBj0tZLM1GQQRotPh0QEZDdHk99oGVSeIT0A?$͠Vt
f7&'e׉E
ling. Aanvankelijk waren de meeste gemeenten
georganiseerd volgens het zogenaamde secretariemodel.
In dat model vindt een scheiding plaats
tussen beleid en uitvoering en vormt de secretarie
de schakel tussen de uitvoering en het bestuur.
De bedrijfsvoering is centraal georganiseerd en
de gemeentesecretaris is de hoogste ambtenaar.
Daarop volgde een periode waarin de ordening
plaatsvond in sectoren van aandacht, waarin
beleid en uitvoering beide waren ondergebracht.
De bedrijfsvoering werd decentraal geregeld en
toevertrouwd aan de integrale managers van de
verschillende sectoren. De gemeentesecretaris
was in dit model niet langer de hoogste baas, maar
eerste onder gelijken in een managementteam.
Op deze periode volgde uiteindelijk bij de meeste
gemeenten de invoering van een directiemodel.
De gemeentesecretaris is hierin weer de hoogste
baas en wordt soms ook aangeduid als algemeen
directeur. Deze geeft leiding aan een groter aantal
afdelingen. Dit directiemodel wordt soms gekanteld
en dan wordt de organisatie afgestemd op het
perspectief van de burger in zijn verschillende
rollen: klant, wijkbewoner, belastingbetaler. Er
ontstaat zo een nieuwe structuur met bijvoorbeeld
een beleidsafdeling, een frontoffice, een backoffice
en vaak ook gecentraliseerde afdelingen voor
onderdelen van de bedrijfsvoering.
Op dit moment blijken gemeenten zowel het
directiemodel als – de grootste gemeenten – het
sectorenmodel toe te passen. Veel gemeenten
kennen daarbij een concernstaf, die de ambtelijke
en politieke leiding ondersteunt en de hoofdlijnen
van het beleid bewaakt. Deze rol was in het verleden
toevertrouwd aan de secretarie. Vaak worden
ook afzonderlijke onderdelen belast met het contact
met doelgroepen als burgers of bedrijven. Dat
element past bij het directiemodel met de burger
als ordeningscriterium. Inhoudelijke samenhang
wordt soms bereikt door de vorming van clusters
of afzonderlijke programma’s. Deze manier
van organiseren zagen we bij het sectorenmodel.
Kenmerkend voor de gemeentelijke organisatie is
het collegiale bestuur, waarbij de verantwoordelijkheid
voor de verschillende beleidsterreinen,
waaronder ook de organisatie en/of bedrijfsvoering,
is toevertrouwd aan een van de bestuurders,
die dan op dit terrein het beleid bepaalt. Verder
is er een hoogste ambtenaar in de persoon van de
gemeentesecretaris, die de schakel vormt tussen
het bestuur en het ambtelijk apparaat.
Nemen we de gemeente Amsterdam als voorbeeld.
Amsterdam gaf de grootste reorganisatie
in de geschiedenis van de stad vorm. In combinatie
met drie decentralisaties (jeugdzorg, zorg en
arbeidsparticipatie) vanuit de rijksoverheid lag er
een enorme uitdaging. Met de reorganisatie wilde
Amsterdam een robuuste én flexibele organisatie
40
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://q0_4qOa37N0OqG-HdPp-l-HtsUSmLcj7ok_7tEkFtXA>`̵ Vt
f7&'f׉E
met resultaatgerichte sturing neerzetten en veel
meer toe naar één Amsterdam, zowel binnen de
organisatie als naar buiten. De stadsdeelraden zijn
opgeheven en vervangen door bestuurscommissies.
In de nieuwe organisatie zijn de diensten verdwenen
en vervangen door resultaatverantwoordelijke
eenheden, die binnen vier clusters vallen:
Sociaal, Ruimte en Economie, Dienstverlening
en Informatie en Bedrijfsvoering. Daarnaast zijn
er zeven stadsdeelorganisaties en het staforgaan
Bestuur en Organisatie. Alle bedrijfsvoeringsfuncties
zijn gecentraliseerd. Deze centralisatie
gaat gepaard met digitalisering van interne en
externe processen. De ambtelijke aansturing vindt
nu plaats vanuit het Gemeentelijk Managementteam,
waarin de gemeentesecretaris, vier stedelijke
directeuren en de concerncontroller zitten. De
gemeentesecretaris stuurt ook de stadsdeelsecretarissen
aan. Met deze ordening geeft Amsterdam
invulling aan het sectorenmodel.
3 DE PROVINCIES
Ook de provincies wortelen in de geschiedenis. Zij
zijn – met uitzondering van de nieuwe provincie
Flevoland – de rechtstreekse opvolgers van de
soevereine landsdelen die de Republiek der Zeven
Verenigde Nederlanden hebben gevormd. Evenals
de gemeenten hebben de provincies op grond van
de Provinciewet allemaal dezelfde organisatie.
Het aantal provincies is in de afgelopen periode
constant gebleven. Er is wel regelmatig discussie
geweest over het takenpakket van de provincies en
over het aantal provincies. Daarbij is in het kader
van het laatste regeerakkoord opnieuw gekeken
naar de vorming van landsdelen, een voorstel dat
eerder werd gedaan in het eindrapport van het
onderzoek naar de bestuurlijke organisatie uit 1975
en door de commissie-Geelhoed in 2002. Hier
bleek uiteindelijk onvoldoende politiek draagvlak
voor te bestaan. Eerder werd een einde gemaakt
aan de bijzondere positie van Rijnmond.
De provinciale organisatie is vergelijkbaar met
die van de gemeente. De secretaris/algemeen
directeur staat aan het hoofd van de ambtelijke
organisatie en vormt de verbinding met het
bestuur, dat bestaat uit een commissaris van de
Koning en gedeputeerden. De provincies kennen
in het algemeen een organisatiestructuur volgens
het sectorenmodel, waarbij de taken zijn verdeeld
over directies, afdelingen of clusters. Ondersteunende
afdelingen zijn gecentraliseerd.
De provincie Noord-Holland kent een directiemodel
met vier directies: Beleid; Subsidies,
Vergunningen en Toezicht; Beheer en Uitvoering;
en Middelen. Deze indeling is gebaseerd op de
oriëntatie op de burger. Ook de provincies kennen
een collegiaal bestuur, waarbij de portefeuilles
inclusief de bedrijfsvoering zijn verdeeld over de
bestuurders.
ORGANISEREN ALS PERMANENTE OPGAVE
41
׉	 7cassandra://49ECgF5H1kzBGPdB57G8yW50bfA77RvBQ32J36xQ1uA`̵ Vt
f7&'gVt
f7&'fFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://Q8FhSLV96QrnTWUT_6AG0tJiJXM5-0wzhmpFSY5z70Q ` 
׉	 7cassandra://wodMkK69rkhx_pFvdX_d9yDVtyNYlKswHdQGm1mx2KEd`T׉	 7cassandra://GoNSArwPvfrSUoI_1zVnbDBZ6NsJTKuk9OIcTkpC7oIT`̵ ׉	 7cassandra://xSqVmtZfSCvWgB7Av7Aj8vXXYsgBgwfbMeCUYVy6O10F$͠Vt
f7&'iט # #nu׉׉	 7cassandra://y26RNdhnYs9877UMU9C8so3LcW86uvkbyHC2EHvWNrg 3` 
׉	 7cassandra://CAv_3WhOPS0KoFOMrO1yVnhAx-O8INynjvdUzxPYFuch"`T׉	 7cassandra://OhRn999Lgh5OcMD1RZkVWO43RPuMU9YY_PM8MxlXpmY`̵ ׉	 7cassandra://oV3aOyHFmO2uy-oH_dxki0tNoWNgNzC6kMbk2s5pmH8Kw(͠Vt
g7&'j׉E
w4 HET RIJK
In de afgelopen jaren zijn bij het Rijk verschillende
programma’s uitgevoerd om de organisatie
te veranderen. De verantwoordelijkheid voor de
organisatie en bedrijfsvoering van de rijksdienst
is daarbij telkens op een hoger niveau neergelegd
en is in het huidige kabinet opgedragen aan een afzonderlijke
minister voor Wonen en Rijksdienst.
Andere Overheid
In december 2003 bood de minister voor Bestuurlijke
Vernieuwing en Koninkrijksrelaties De Graaf
de visie en het actieprogramma tot modernisering
van de overheid ‘Andere Overheid’ aan de Tweede
Kamer aan. Dit programma werd voorbereid door
een programmadirecteur-generaal met een kleine
staf. De modernisering wordt in de eerste plaats
gezocht in een andere rolverdeling tussen burger
en overheid. De visie heeft het over de overheid
mede vanuit het besef dat de mensen de overheden
als één overheid zien. De visie werkt dit uit in
een aantal contouren van de moderne overheid.
Onderdelen daarvan zijn: het maatschappelijke
contract en de overheid, de aard en omvang van
het publieke taakpakket, een nieuwe sturingsvisie,
een betere inbedding van de beleidsuitvoering in
het beleidsproces, de modernisering van verantwoording,
toezicht en controle, de betrokkenheid
van de burger bij de beleidsvorming, betere
dienstverlening, moderne interbestuurlijke verhoudingen,
de doorwerking in de organisatie van
de overheid, de herijking van advies en overleg, en
de relatie met de Europese Unie.
Deze brede agenda is in het actieprogramma ‘Andere
Overheid’ uitgewerkt in vier actielijnen:
- De overheid gaat haar dienstverlening aan de
burger verbeteren.
- De overheid gaat minder en anders regelen.
- De rijksoverheid gaat zichzelf beter organiseren.
- De rijksoverheid gaat haar relaties met provincies
en gemeenten vernieuwen.
Bij de derde actielijn worden voorstellen gedaan
op de terreinen beleid, uitvoering, toezicht en
bedrijfsvoering. Zo komt er een interdepartementaal
beleidsonderzoek naar verzelfstandigde
organisaties op rijksniveau, wordt er een nieuwe
kaderstellende visie op toezicht aangekondigd,
wordt de personeels- en salarisadministratie van
de ministeries ondergebracht in een shared service
en worden voorstellen gedaan op het punt van de
kwaliteit van het personeel van het Rijk en het
adviesstelsel. Minister De Graaf kon het actieprogramma
niet afronden door zijn aftreden in maart
2005, nadat zijn plannen om de gekozen burgemeester
mogelijk te maken niet de vereiste steun
kregen in de Eerste Kamer.
In april 2005 sprak De Graafs opvolger minister
Pechtold met de Tweede Kamer af dat in het
programma ‘Andere Overheid’ voortaan prioriteit
42
ORGANISEREN ALS PERMANENTE OPGAVE
׉	 7cassandra://GoNSArwPvfrSUoI_1zVnbDBZ6NsJTKuk9OIcTkpC7oIT`̵ Vt
g7&'k׉E#zou worden gegeven aan een beperkt aantal prioriteiten,
namelijk verhoging van de kwaliteit van de
dienstverlening, vermindering van bureaucratie
en regelzucht en verbetering van de slagkracht van
het Rijk. Het brede karakter van het actieprogramma
werd daarmee vervangen door een beperkt
aantal acties op het terrein van de ‘Elektronische
overheid’, een vermindering van de administratieve
lasten voor burgers met 25 procent in de lopende
kabinetsperiode en het tegen het licht houden
van de eigen taken. Dit moest onder andere leiden
tot nauwere samenwerking van rijksinspecties,
zodat bedrijven en instellingen hier minder last
van ondervinden. In het kader van het programma
werden departementale en rijksbrede takenanalyses
verricht en aan de Tweede Kamer aangeboden.
De departementale takenanalyses laten in het
algemeen zien dat de juiste taken worden verricht.
De voornemens uit het programma zijn voor een
deel gerealiseerd.
Vernieuwing Rijksdienst
In september 2009 bood minister Ter Horst van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de
nota ‘Vernieuwing Rijksdienst’ aan de Tweede
Kamer aan. Deze was voorbereid door een speciaal
voor deze operatie bij wijze van voetnoot in het
regeerakkoord aangestelde secretaris-generaal,
Roel Bekker, met een zeer kleine staf. In het coalitieakkoord
was het ten behoeve van de formatie
opgestelde SG-rapport ‘De verkokering voorbij’
overgenomen. Kern van deze rapportage was
dat een betere en kleinere overheid onder een
aantal randvoorwaarden realiseerbaar was. Het
programma ‘Vernieuwing Rijksdienst’ had als
doelstelling een betere rijksoverheid met minder
functies. Het programma voorzag daartoe aan de
ene kant in een afslanking met een flink aantal
fte’s op basis van departementale plannen en
anderzijds in bovendepartementale of interdepartementale
plannen die eveneens aan deze afslanking
konden bijdragen. Het programma kende een
zeer brede scope, variërend van beter beleid, een
goede uitvoering en verbetering van de kennis- en
adviesfunctie, de functie van planbureaus en de
juridische functie, via de bevordering van minder
lastendruk en een betere handhaving, tot aan een
efficiënte bedrijfsvoering. In dit verband wordt bij
het ministerie van BZK een nieuw directoraat-generaal
(Organisatie en) Bedrijfsvoering opgericht.
De met het programma verbonden taakstelling
kent een zogenaamd dubbel slot in geld en fte’s:
er wordt een besparing aangekondigd van 630
miljoen euro en van 12.800 fte’s. Het zwaartepunt
van deze taakstelling ligt in 2010 en 2011. Veel van
de aankondigingen uit het programma zijn gerealiseerd.
Dat geldt ook voor de taakstelling.
Compacte Rijksdienst
In het regeerakkoord van het kabinet-Rutte II is
onder de aanduiding ‘kleinere overheid’ een ombuiging
opgenomen van 6,14 miljard euro in 2015
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
43
׉	 7cassandra://OhRn999Lgh5OcMD1RZkVWO43RPuMU9YY_PM8MxlXpmY`̵ Vt
g7&'lVt
g7&'kFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://wfKY7-PcZsFrFRI3vOggbFELvHJ4TbNcSDnRtQbVQCw *	` 
׉	 7cassandra://PJTIucO3dp-MJ1HvSloyAbjqQh6EMeEm_VZppk5mFNIh'`T׉	 7cassandra://kspXPNexTCSMbrOHs6hZi7LwL4JZV0xD3ASc2LeDSjk`̵ ׉	 7cassandra://xjRb1Tj6AkSAfDOkLu8EbeV1k3to0kqtTc_oWsnwl4oS(͠Vt
g7&'nט # #nu׉׉	 7cassandra://sHp4XYdqIBfrbPr6MltHUaWiOjJTUmrjqDaIRcGuL-E !(` 
׉	 7cassandra://ciHRXdKDaNXYMQK00LxEt7Cf7cmtCbUz2SpPChvvsQcd`T׉	 7cassandra://UICgQPlT7pIpSbv6P78vWI-dVlLiplIiXOwFo5VVfj4`̵ ׉	 7cassandra://v2l9TzrGBxuwLLiAsXe-D140In8j8vJ87VNaE2thWjI<i$͠Vt
h7&'o׉E*en 6,56 miljard euro structureel bovenop de nog
lopende bezuinigingen van het vorige kabinet. Het
realiseren van deze ambitie vraagt om een compacte
overheid. Het uitvoeringsprogramma ‘Compacte
Rijksdienst’ werd in februari 2011 door minister
Donner van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
aan de Tweede Kamer aangeboden. Het programma
is voorbereid door de directeur-generaal
Organisatie en Bedrijfsvoering Rijk en bouwt voort
op de fundamenten die werden gelegd door de
programma’s ‘Andere Overheid’ en ‘Vernieuwing
Rijksdienst’. De reikwijdte van het programma
is echter beperkter. Het kent een beperkt aantal
projecten binnen drie programmalijnen: de verdere
opbouw van een rijksbrede infrastructuur voor de
ondersteunende bedrijfsvoering, een concentratie
van de ondersteunende bedrijfsvoering bij de kerndepartementen
en een clustering van uitvoeringsen
toezichtsorganisaties.
De eerste programmalijn beoogt efficiencywinst
te bereiken. Enkele projecten binnen deze programmalijn
houden in dat het aantal datacenters
van de rijksoverheid wordt teruggebracht van
meer dan zestig naar vier á vijf, dat er één administratieve
werkgever voor de rijksdienst komt
en dat de diverse kantorenlocaties van het Rijk
worden gebundeld. Binnen de tweede programmalijn
wordt verder gewerkt aan de concentratie
van de ondersteunende bedrijfsvoering voor de
kerndepartementen. In dit verband komt er één
facilitaire dienstverlener voor alle kantoren in
Den Haag, bijvoorbeeld voor schoonmaak en
catering, en komt er één ICT-dienstverlener voor
alle kerndepartementen. De derde programmalijn
maakt werk van clustering van uitvoerings- en
toezichtsorganisaties. Dit wordt bereikt door onderzoek
naar vergaande samenwerking in clusters
van organisaties met vergelijkbare processen of
doelgroepen. Voorbeelden zijn incasso, subsidieverlening
en uitvoerende taken op het terrein van
de inkomensondersteuning. Het uitvoeringsprogramma
‘Compacte Rijksdienst’ draagt bij aan de
invulling van de bezuinigingen op de departementen.
De met dit programma gerealiseerde besparingen
komen ten goede aan de departementale
begrotingen, waarop de (meerjarige) kortingen
reeds hebben plaatsgevonden. Het uitvoeringsprogramma
bevat in totaal zestien projecten. Over
de uitvoering werd tot en met mei 2015 jaarlijks
gerapporteerd in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering.
Het programma is toen afgesloten, waarbij
de resterende taken in de lijn zijn ondergebracht.
De meeste projecten zijn gerealiseerd.
Hervormingsagenda Rijksdienst
Het aantreden van het kabinet-Rutte II gaat
gepaard met een nieuwe departementale herindeling,
die leidt tot een kleiner aantal ministeries en
een zeer klein kabinet. In dit kabinet wordt een
afzonderlijke minister benoemd voor Wonen en
Rijksdienst, minister Blok. Deze biedt in mei 2014
44
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://kspXPNexTCSMbrOHs6hZi7LwL4JZV0xD3ASc2LeDSjk`̵ Vt
h7&'p׉E
de ‘Hervormingsagenda Rijksdienst’ aan de Tweede
Kamer aan. Bovenop de al eerder afgesproken
besparingen bevat het regeerakkoord opnieuw een
taakstelling van meer dan 1,1 miljard euro. Deze
is verdeeld over de ministeries. De agenda zet
daarbij een beweging voort die de afgelopen jaren
in gang is gezet met het programma ‘Vernieuwing
Rijksdienst’ (2006-2010) en het uitvoeringsprogramma
‘Compacte Rijksdienst’ (vanaf 2011).
De ‘Hervormingsagenda’ zet verdere stappen op
deze al ingeslagen weg. De projecten uit het programma
‘Compacte Rijksdienst’ worden afgerond.
Zij worden waar mogelijk versneld uitgevoerd of
geïntensiveerd. Toegevoegd zijn nieuwe initiatieven.
Die bewegen zich nog meer dan voorheen op
het terrein van de primaire processen van beleid,
uitvoering en toezicht. Daarmee is de scope van
het programma weer verbreed. De agenda bevat
voorstellen op de volgende terreinen: de beleidskernen
van de ministeries, het adviesstelsel, de
bundeling van uitvoeringstaken op de terreinen
incasso en subsidieverstrekking aan bedrijven en
instellingen, inkomensondersteuning en de versnelde
inzet van basisregistraties, vastgoed, digitalisering
van de dienstverlening, de functionering
en inrichting van inspecties en de verbetering van
het fysiek toezicht op bedrijven. Verdere voorstellen
betreffen de bedrijfsvoering, waaronder een
vereenvoudiging van de structuur van aansturing,
bekostiging en verantwoording.
Ten slotte zullen de zelfstandige bestuursorganen
meer met de bedrijfsvoering van het Rijk kunnen
worden verbonden en wordt hun status onderzocht.
De ‘Hervormingsagenda’ gaat ook uitgebreid
in op de rijksdienst als (blijvend) aantrekkelijke
werkgever. In dit kader krijgen de functies
in de laagste loonschalen en arbeidsgehandicapten
speciale aandacht. De ‘Hervormingsagenda’ is in
uitvoering. Jaarlijks wordt in de ‘Jaarrapportage
Bedrijfsvoering’ over de stand van zaken gerapporteerd.
De minister voor de Rijksdienst beschikt
ten behoeve van de uitvoering over aanvullende
bevoegdheden ten aanzien van de apparaatskosten
van de rijksdienst, die het hem mogelijk maken de
ontwikkeling daarvan beter te sturen.
5 CONCLUSIE
Uit dit korte overzicht blijkt dat alle bestuurslagen
voortdurend bezig zijn de eigen organisatie
aan te passen aan de eisen van de tijd. Het aantal
gemeenten is in de loop der jaren fors afgenomen.
Hun bestuurskracht is daarmee toegenomen. Dat
is een ontwikkeling die het beter mogelijk maakt
taken naar de gemeenten te decentraliseren. Dat
streven staat sinds de Decentralisatienota van
minister Van Thijn op de agenda en kreeg tijdens
deze kabinetsperiode serieus vorm met een aantal
grote decentralisaties, die overigens nieuwe eisen
stellen aan de gemeentelijke organisatie.
ORGANISEREN ALS PERMANENTE OPGAVE
45
׉	 7cassandra://UICgQPlT7pIpSbv6P78vWI-dVlLiplIiXOwFo5VVfj4`̵ Vt
h7&'qVt
h7&'pFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://IzZrTH9OTRMbfazDWlkvq_dGhk6SljCyv_sdu_eqn7o [n` 
׉	 7cassandra://WrqtoxVvli3ucrkovnBD_djYTY1XbHa0wlytubIX-jA>u` T׉	 7cassandra://PonxycEw-abdtfmnVZu2jshQxcePTIvprGJQXyEhZBc`̵ ׉	 7cassandra://T6-2MhwmTay3r0mZtO9a4AKsPfsmuhJ89B2_Va6EagE4$͠Vt
h7&'sט # #nu׉׉	 7cassandra://vJ4KCdCkb86KDxFdEV3AZ_Jo3r1beMzCYwy01V6qLFwT` 
׉	 7cassandra://AvTFF0NCKXVi87qDwv-Gad05bVhSkfHjTw_2B7Ru68k` T׉	 7cassandra://kVHeUqGMj28-7iDZ-vLxNZ5d-yU_ZTKF-j5Z2aL_3wY`̵ ׉	 7cassandra://5HVf_YBZl5ITV_Wdb7L41ct2GxeFzaVDrvLVbBbEGKU(͠Vt
h7&'t׉EDe rol van de provincies is in de loop der jaren regelmatig
ter discussie gesteld, maar dat heeft niet
geleid tot grote veranderingen, zoals de vorming
van gewesten of landsdelen.
Bij het Rijk zijn verschillende programma’s uitgevoerd
om verbeteringen aan te brengen in beleid,
uitvoering, toezicht en vooral bedrijfsvoering.
Naarmate deze programma’s meer invloed hebben
op het primaire proces van de ministeries, zijn
veranderingen lastiger te realiseren. De grenzen
van het huidige systeem met individuele ministeriele
verantwoordelijkheid zijn hier bereikt.8
De verschillende bestuurslagen kunnen van elkaar
leren door te kijken naar goede en slechte voorbeelden
en ervaringen. Winst is nog te behalen
door meer dan voorheen te redeneren vanuit de
overheid als geheel. Het Rijk kan zich spiegelen
aan het collegiale model van de overige bestuurslagen,
waarin de ambtelijke organisatie voor
het gehele bestuur werkt en er een afzonderlijke
bestuurder knopen doorhakt op het terrein van de
bedrijfsvoering.
8. Zie ook het advies ‘Sturen én verbinden’ van de Raad voor het openbaar bestuur van september 2015
46
ORGANISEREN ALS PERMANENTE OPGAVE
׉	 7cassandra://PonxycEw-abdtfmnVZu2jshQxcePTIvprGJQXyEhZBc`̵ Vt
h7&'u׉E 'STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
47
׉	 7cassandra://kVHeUqGMj28-7iDZ-vLxNZ5d-yU_ZTKF-j5Z2aL_3wY`̵ Vt
h7&'vVt
h7&'uFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://_rmJHnjP_5qdY7UheBbB4SP7uDioFiQUWrjUgSZRysg͎` 
׉	 7cassandra://2kd3ZrVqLC2EEM4gQTMrDAjaJLD_uchroxFSblVfZsg` T׉	 7cassandra://4AaMLelBsWXeyrt8u6HWJpgXOqxYxXPMJvWpaynDaMc`̵ ׉	 7cassandra://UZTZZH7oqtD029TMUd8pHAI_3fZ0j7fuvhfOOQygdRY-|͠Vt
h7&'xט # #nu׉׉	 7cassandra://ywjIwlQwqJMAfyuk9qq38zNK4I1ygAkEDB9RtDrOlSY 8` 
׉	 7cassandra://loDCGzqA_dgILY--HVtCpmHFRTcoD401h1EVZcCw9Mc3` T׉	 7cassandra://IH9QjmQlcQej-MGDF1VpoBP6wvAO5zyl-vtMH3oKs0c`̵ ׉	 7cassandra://KKf3a-AGoMZxuIWe-Ky3IFjpoziMSPKtqaRd7Z8Pgtk.xx͠Vt
h7&'y׉E '48
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://4AaMLelBsWXeyrt8u6HWJpgXOqxYxXPMJvWpaynDaMc`̵ Vt
]7&'׉E u4. Organisatieverandering
binnen de overheid
Het perspectief van de ambtenaar
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
49
׉	 7cassandra://IH9QjmQlcQej-MGDF1VpoBP6wvAO5zyl-vtMH3oKs0c`̵ Vt
h7&'zVt
]7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://L4sDfAOXjJjzwpI5zgFFLWPSe_6YT0Q-WuiiKGU4xCU ` 
׉	 7cassandra://dY6wc3c-4q_kNzBVxEdIUkpwVMQE0Cefdq8Nl56wwO4A`T׉	 7cassandra://nBdC4uLv6MmkeYA2iiUqQ_S_8xpshKUR0LK8oTqbwag`̵ ׉	 7cassandra://Svc_mK5Oj34-s6bEpYVunpN55ayhakLmPzMLFGXhE8QK!(͠Vt
h7&'|ט # #nu׉׉	 7cassandra://3cfGa4qxzd3KXfXBt4All8bPg6p3z9vDqCIagvknmxI F` 
׉	 7cassandra://kRcB5FeVMwKF6UQhjvCQ7-K2rp27Xi8jnRX0u0Kxgice`T׉	 7cassandra://Klslz4BCMylVIZNhDqd6yKNVbHeJw0eNmDNVWpFdm7AT`̵ ׉	 7cassandra://f6F6yE-RQ7zJGC8d-wMeb6ZRzZMTS8MljBNLXZqY9I8P:$͠Vt
i7&'}׉EDr. J. van der Voet en dr. B. Vermeeren
1 INLEIDING EN DOELSTELLING
De Nederlandse rijksdienst is in de afgelopen
jaren vrijwel continu aan veranderingen onderhevig
geweest. Met programma’s als ‘Vernieuwing
Rijksdienst’ en het uitvoeringsprogramma ‘Compacte
Rijksdienst’ is geprobeerd de rijksdienst
slagvaardiger, efficiënter en flexibeler te organiseren.
In recente jaren is de rijksdienst daarnaast
geconfronteerd met extra bezuinigingsopgaven
als gevolg van de financiële crisis. Dergelijke
veranderingen zijn met name vanuit historisch en
internationaal perspectief geëvalueerd (bijvoorbeeld
Van Twist et al., 2009; Kickert, 2012), waarbij
de nadruk is gelegd op het analyseren van de
inhoud van veranderingen die zijn doorgevoerd.
Zo laten Jilke, Van der Voet en Van de Walle (nog
te verschijnen) zien dat de Nederlandse rijksdienst
ambitieuzer en succesvoller heeft hervormd dan
die in andere Europese landen, maar dat de nadruk
tegelijkertijd ook meer op bezuinigen dan op verbeteren
heeft gelegen. Er is echter minder bekend
over hoe ambtenaren binnen de rijksdienst en
de overheid in het algemeen deze veranderingen
ervaren. Dat is opvallend, omdat de literatuur
over organisatieverandering juist de nadruk legt
op het creëren van steun onder medewerkers als
cruciale voorwaarde voor succesvolle organisatieverandering
(Kuipers, De Witte & Van der Voet,
2013). Daarnaast bepalen niet alleen de doelstellingen
van verandering – de veranderinhoud – hoe
medewerkers op verandering reageren, maar laat
50
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://nBdC4uLv6MmkeYA2iiUqQ_S_8xpshKUR0LK8oTqbwag`̵ Vt
]7&'׉E
onderzoek zien dat ook de wijze waarop verandering
wordt geïmplementeerd – het veranderproces
– een belangrijke verklaring is voor de veranderbereidheid
van medewerkers (bijvoorbeeld Van der
Voet, Kuipers & Groeneveld, 2015).
In deze bijdrage bekijken wij veranderingen binnen
de rijksdienst en de overheid daarom vanuit
het perspectief van de ambtenaar. We hebben
hierbij aandacht voor drie aspecten. Allereerst
gaan we na hoe ambtenaren over de inhoud van
organisatieveranderingen denken. Ten tweede
brengen we in kaart hoe ambtenaren de implementatieprocessen
van organisatieverandering
beoordelen. Ten slotte brengen we in kaart in
hoeverre ambtenaren veranderbereid zijn en in
hoeverre deze bereidheid verklaard wordt door de
veranderinhoud en het veranderproces.
Wij baseren onze analyse op onderzoek naar
organisatieverandering in de publieke sector,
uitgevoerd met behulp van het Flitspanel in juli
2013 in opdracht van ICTU-InternetSpiegel. De
vragenlijst is verstuurd aan 29.602 ambtenaren uit
alle overheidssectoren. De vragenlijst is uiteindelijk
ingevuld door 11.545 ambtenaren (een respons
van 39 procent). Hoewel het databestand ook informatie
bevat over andere sectoren, beperken wij
ons tot een vergelijking van de vier bestuurslagen
binnen het openbaar bestuur: Rijk, gemeenten,
provincies en waterschappen. In totaal analyseren
we in deze bijdrage de antwoorden van 3068
ambtenaren.
2 DE VERANDERINHOUD
De beeldvorming van ambtenaren over de veranderinhoud
heeft in brede zin betrekking op de
vraag: waar gaan de organisatieveranderingen
over? Allereerst bekijken wij met welke frequentie
ambtenaren in de vier geselecteerde sectoren te
maken krijgen met veranderingen. In de vragenlijst
is aan respondenten gevraagd of zij bij hun
huidige werkgever één of meer organisatieveranderingen
hebben meegemaakt. Binnen het
Rijk geven 632 respondenten aan minimaal één
reorganisatie meegemaakt te hebben. Dat komt
neer op 62 procent. Bij de gemeenten gaat het om
607 respondenten (55,8 procent), bij de provincies
om 275 respondenten (57,4 procent) en bij de waterschappen
om 295 respondenten (61,2 procent).
In totaal geven 1809 respondenten binnen de vier
sectoren aan dat zij bij hun huidige werkgever
ten minste één organisatieverandering hebben
meegemaakt. Gemiddeld komt het erop neer dat
59 procent van de respondenten aangeeft een
organisatieverandering meegemaakt te hebben.
Aan de respondenten is ook gevraag hoeveel organisatieveranderingen
zij in de afgelopen tien jaar
hebben meegemaakt. Gecorrigeerd voor het aantal
jaren dat zij in deze periode bij hun huidige werkgever
in dienst zijn geweest, is per sector uitgereORGANISATIEVERANDERING
BINNEN DE OVERHEID.
51
׉	 7cassandra://Klslz4BCMylVIZNhDqd6yKNVbHeJw0eNmDNVWpFdm7AT`̵ Vt
i7&'~Vt
]7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://nLWRhy1PUhM-T4dx40jWF4vc0Bj5C2yytXsNAmN0XmY ` 
׉	 7cassandra://kfxsnWAhABuWUVyQ1n9ddZRWk7ZlT41QnPEQviK6c9wN`T׉	 7cassandra://pqYmLACcpFzMMG-SE9E5G18nlgvINkXmnJ3d4o5DWMA`̵ ׉	 7cassandra://AMFRdpggmR3kOBCwnQihLGUMhCNwm1L71ltcSXHg0iIO,͠Vt
i7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://Z0Ck0d4BqSHoxCNUYbMsF9qhvrwW3kPNrGRc-_fAV60 Y` 
׉	 7cassandra://XVa62fR9kikBBwX9gJO-fHlrfqevVn51h-FP2xnlXkAO`T׉	 7cassandra://ADKP8t5qBm2JhdIKJnQr0z9k7SYWY38hYaBzHJxXHuw`̵ ׉	 7cassandra://vrAUepafSUGBmc-IDIafqa1WaoGa2HjRMp7lNoC5rdga$͠Vt
i7&'׉ETabel 1: Frequentie van reorganisaties
Aantal respondenten
Rijk
Gemeenten
Provincies
Waterschappen
Totaal
Aantal respondenten
dat reorganisatie heeft
meegemaakt
1019
1088
479
482
3068
kend met welke frequentie wordt gereorganiseerd.
Deze frequentie ligt in de sector Rijk hoger dan in
de overige sectoren. Rijksambtenaren rapporteren
gemiddeld 0,47 reorganisaties per jaar. In de sector
gemeenten is dat 0,41, onder provincieambtenaren
0,38 en bij de waterschappen 0,36. Gemiddeld
ervaren rijksambtenaren dus iedere twee jaar een
organisatieverandering, terwijl dat aantal bij de
provincies en waterschappen dichter bij eens per
drie jaar ligt.
Aan respondenten is ten slotte ook gevraagd wat
het voornaamste doel van de organisatieveranderingen
was. De resultaten zijn weergegeven
in figuur 1. Van de respondenten binnen het Rijk
632 (62%)
607 (55,8%)
275 (57,4%)
295 (61,2%)
1809 (59%)
Gemiddeld aantal
reorganisaties per
dienstjaar bij huidige
werkgever
0,47
0,41
0,38
0,36
0,42
geeft 61,2 procent aan dat organisatieveranderingen
met name gericht waren op bezuinigen.
Een kleiner deel van de organisatieveranderingen
was volgens respondenten gericht op verbetering
van de klantgerichtheid (5,7 procent) en de
verbetering van interne processen (33,1 procent).
Wanneer we het Rijk vergelijken met gemeenten
en provincies is een vergelijkbaar beeld zichtbaar.
Bij de waterschappen geeft het merendeel van de
respondenten (62,4 procent) echter aan dat de
organisatieveranderingen vooral gericht waren op
de verbetering van interne processen. Organisatieveranderingen
bij de waterschappen lijken dus
flink minder gericht te zijn op bezuinigingen dan
in de overige drie sectoren.
52
ORGANISATIEVERANDERING BINNEN DE OVERHEID.
׉	 7cassandra://pqYmLACcpFzMMG-SE9E5G18nlgvINkXmnJ3d4o5DWMA`̵ Vt
i7&'׉EFiguur 1: Organisatieverandering: bezuinigen of verbeteren?
10
20
30
40
50
60
70
80
0
Rijk
Gemeenten
Provincies
3 HET VERANDERPROCES
De centrale these van verandermanagementtheorie
is dat de mate waarin medewerkers bereid zijn
verandering te steunen niet alleen afhankelijk is
van wát er verandert – de inhoud van de verandering
–, maar voor een belangrijk deel wordt
bepaald door het proces waarmee de verandering
wordt ingevoerd. Met andere woorden: verandering
kan gemanaged worden. Er bestaat dan
ook een veelvoud aan (quasi)wetenschappelijke
stappenplannen voor het managen van een ‘succesvolle’
organisatieverandering (bijvoorbeeld
Kanter et al. 1992; Kotter, 1996; Fernandez & Rainey,
2006). Hoewel de empirische onderbouwing
Waterschappen
van dit soort literatuur veelal ontbreekt, genieten
dergelijke aanbevelingen aanzienlijke bekendheid
en navolging onder managers, ook binnen de
publieke sector.
Er bestaan opvallend veel overeenkomsten tussen
stappenplannen voor geplande verandering. Een
eerste aandachtspunt is om duidelijk aan medewerkers
te communiceren waarom de organisatieverandering
noodzakelijk en urgent is en hoe het
implementatieproces zal verlopen. Door goed te
communiceren begrijpen medewerkers de noodzaak
van de verandering en zijn er weinig verrassingen
en onduidelijkheden in het implementatie61,2
64,7
67,6
62,4
Bezuinigen
Verbeteren
klantgerichtheid
Verbeteren
interne
processen
33,1
24,9
10,4
5,7
6,5
25,8
5,8
31,9
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
53
׉	 7cassandra://ADKP8t5qBm2JhdIKJnQr0z9k7SYWY38hYaBzHJxXHuw`̵ Vt
i7&'Vt
i7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://lkGk4s-0kIjaXtrZLPvyfsIIS6ITpAgVziczyz2npUk ` 
׉	 7cassandra://e7NyVYzWd-nYCuMWgDZEoKa8LjDOU77LIPt9UTVESn4N`T׉	 7cassandra://XoILICzUopiz50joHf918Cb0Je4GIoUarxluXWEuHbU`̵ ׉	 7cassandra://SEPwZ8p_hQTDfCXvehBaLSVfqfl8drgvQ9WdCnEzMp4VGP͠Vt
i7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://TI_ciIvh0pW5NKy40Rhx5yQlGzhnx62JnGCmtJtBXm4 ,` 
׉	 7cassandra://21HgEIHwe1xD0gQx5ZJhVnYJPjCg7BrbgkKLy-p1nI0g`T׉	 7cassandra://FvlFjz7Y6kPV9EBiAKiJ2m6-NuNmy01wJwGGU9YU8tk\`̵ ׉	 7cassandra://l6QxkR1Xwa4RIBIvbvWqT9QB9pv60TRvtRQ0t_K4Slg=$͠Vt
j7&'׉Eproces, waardoor zij meer geneigd zullen zijn de
organisatieverandering te steunen. Een ander belangrijk
aspect van een succesvolle organisatieverandering
is participatie. Wanneer medewerkers
in staat worden gesteld mee te denken over en bij
te dragen aan de inhoud van de organisatieverandering,
zijn zij in staat invloed uit te oefenen over
hun toekomstige situatie. Dit kan het zogenaamde
‘not invented here’-gevoel verminderen en
daarmee de veranderbereidheid van medewerkers
vergroten. Een derde aspect betreft de individuele
aandacht die er gedurende organisatieverandering
voor medewerkers dient te zijn. Een organisatieverandering
beïnvloedt niet alle medewerkers op
dezelfde manier en verschillende medewerkers
gaan op verschillende manieren met verandering
om. Wanneer medewerkers het gevoel hebben dat
zij als individu gewaardeerd worden, zijn zij meer
geneigd organisatieverandering te steunen. Een
vierde factor die van belang is voor een succesvolle
organisatieverandering is managementsteun. Met
managementsteun wordt bedoeld dat het management
van de organisatie laat zien dat het achter
de organisatieverandering staat. Door middel van
voorbeeldgedrag en eenduidig leiderschap straalt
het management een duidelijke visie uit naar medewerkers,
waardoor medewerkers meer geneigd
zijn de verandering te steunen.
Figuur 2: Veranderprocessen binnen Rijk, gemeenten, provincies en waterschappen
0
1
2
3
4
5
Communicatie
Participatie
Individuele
aandacht
Management
steun
Rijk
Gemeenten
Provincies
Waterschappen
54
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://XoILICzUopiz50joHf918Cb0Je4GIoUarxluXWEuHbU`̵ Vt
j7&'׉E Op basis van de studie van Herold, Fedor, Caldwell
en Liu (2006) zijn de vier bovenstaande
aspecten middels een vijfpuntsschaal gemeten onder
de respondenten van het Flitspanel. Een 1 geeft
hierbij aan dat een aspect in sterk onvoldoende
mate aanwezig was. Een 5 geeft aan dat een aspect
in sterke mate aanwezig was. In figuur 2 zijn de
gemiddelde scores voor de vier sectoren gegeven.
De resultaten laten zien dat de vier proceskenmerken
volgens ambtenaren in verschillende
mate aanwezig zijn. Al met al zijn respondenten
neutraal over de kwaliteit van de communicatie
gedurende het veranderproces, wat blijkt uit de
score die ligt rond het middelpunt van de schaal
(3,0). Verder zijn zij positief over de mate van
managementsteun en beoordelen zij de mate van
participatie en individuele aandacht gedurende
organisatieveranderingen licht negatief (een score
lager dan 3,0). Een vergelijking tussen de vier
sectoren laat zien dat er statistisch significante
verschillen bestaan (met p < .01). Hoewel rijksambtenaren
niet negatief zijn over de kwaliteit
van communicatie, beoordelen zij de communicatie
significant slechter dan ambtenaren in de
overige sectoren. Ook in termen van participatie,
individuele aandacht en managementsteun zijn
rijksambtenaren negatiever. Een mogelijke verklaring
hiervoor is wellicht te vinden in de eerder besproken
inhoud van de veranderingen die worden
doorgevoerd. Zoals gezegd zijn rijksambtenaren
relatief vaak van mening dat organisatieveranderingen
vooral gericht zijn op bezuinigen. Ook
volgen de organisatieveranderingen elkaar binnen
het Rijk sneller op. Uit een correlatieanalyse komt
naar voren dat beide factoren statistisch significant
negatief samenhangen met de vier bovenstaande
proceskenmerken. Dit kan betekenen dat organisatieveranderingen
die gaan over bezuinigingen
minder ruimte geven voor de vier proceskenmerken,
ofwel dat medewerkers de implementatie van
dergelijke organisatieveranderingen negatiever
beoordelen.
4 DE VERANDERBEREIDHEID
In het laatste deel van deze bijdrage concentreren
wij ons op de vraag in hoeverre ambtenaren veranderbereid
zijn en hoe deze veranderbereidheid
samenhangt met de veranderinhoud en het veranderproces.
Veranderbereidheid is een positieve
gedragsintentie van een medewerker ten opzichte
van een (geplande) organisatieverandering, met
als insteek de implementatie van de verandering
te ondersteunen of te versnellen (Metselaar, 1997).
Medewerkers die veranderbereid zijn, zijn dus ook
geneigd om de gewenste gedragingen te vertonen.
Er verandert immers pas echt iets in een organisatie
wanneer dat tot uiting komt in het gedrag
van medewerkers (Kuipers et al., 2013). Onderzoekers
gebruiken veranderbereidheid daarom als
voorspeller van het succes van organisatieveranderingen.
ORGANISATIEVERANDERING
BINNEN DE OVERHEID.
55
׉	 7cassandra://FvlFjz7Y6kPV9EBiAKiJ2m6-NuNmy01wJwGGU9YU8tk\`̵ Vt
j7&'Vt
j7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://0oLs_Bs_H0iIZyT_m188W1EAAQbcSA8Mm9u0HDLbRd0 ` 
׉	 7cassandra://tZUWxwAzOZFQ5jxYVpbIyQwdkajWLB_RaSYpE-_WnE8H`T׉	 7cassandra://CPpJqL8Nt15BjmEHwKWH8AA2089sN-eoq2YnFYct-pc`̵ ׉	 7cassandra://mtQvCaadBDS7WZdr02wdeWtqR0Zz52Fsj9HT0gLeyhsJ̈͠Vt
j7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://xZkK5Bvq1-KKx4gWKOS3VhmPYnAOEqMrdVzVF-TNdaE ` 
׉	 7cassandra://PFECHF2JWEUPft4pyTV5LvOzXMTg33fq39Zz9f2C-9gT`T׉	 7cassandra://IpzROq2FbPRz1KCz58EBHVAhAnS4eJLRE8Wc4AoKcCs`̵ ׉	 7cassandra://ZFjMbQUO_zwvnSMYEAa0ktonijvNsUJ8XWN6ZJ9a0v8Yi͠Vt
k7&'׉EIn figuur 3 is de gemiddelde veranderbereidheid
voor respondenten van de sectoren Rijk, gemeenten,
provincies en waterschappen weergegeven.
Veranderbereidheid is gemeten op een vijfpuntsschaal,
waarbij 1 staat voor een zeer lage mate en 5
voor een zeer hoge mate van veranderbereidheid.
Zoals in het figuur te zien is, scoren respondenten
hun veranderbereidheid rond het middelpunt
van de schaal (3,0). Met een gemiddelde van 2,80
rapporteren rijksambtenaren een veranderbereidheid
die iets onder het middelpunt van de schaal
ligt. De respondenten bij de waterschappen rapporteren
gemiddeld genomen de hoogste mate
van veranderbereidheid. De verschillen tussen de
sectoren zijn klein, maar wel statistisch significant
met p < .001.
Om te verklaren welke factoren van invloed zijn
op de veranderbereidheid van ambtenaren, is een
regressieanalyse uitgevoerd. In de regressieanalyse
zijn verschillende verklarende variabelen opgenomen:
de veranderinhoud (of de organisatieverandering
gericht is op bezuinigen of verbeteren, de
snelheid waarmee organisatieveranderingen
elkaar opvolgen) en het veranderproces (communicatie,
participatie, individuele aandacht en
managementsteun). Ook is de betrokkenheid bij
de organisatie in de analyse meegenomen als
Figuur 3: Veranderbereidheid binnen het Rijk, gemeenten, provincies en waterschappen
Veranderbereidheid
4,0
3,5
2,97
3,0
2,5
2,0
Rijk
Gemeenten
Provincies
Waterschappen
2,80
3,03
2,90
56
ORGANISATIEVERANDERING BINNEN DE OVERHEID.
׉	 7cassandra://CPpJqL8Nt15BjmEHwKWH8AA2089sN-eoq2YnFYct-pc`̵ Vt
k7&'׉Everklarende variabele. Betrokkenheid geeft inzicht
in de binding die ambtenaren hebben met hun
organisatie en geeft op die manier een beeld van
de rol die ambtelijke loyaliteit speelt gedurende
organisatieverandering. Ten slotte is ter controle
rekening gehouden met de persoonlijke kenmerken
van de respondent (geslacht, leeftijd, opleiTabel
2: De antecedenten van veranderbereidheid
Rijk
(N = 416)
Geslacht (man = 0, vrouw = 1)
Opleidingsniveau
Leeftijd
Aantal dienstjaren bij
werkgever
Organisatiegrootte
Aantal reorganisaties in de
afgelopen 10 jaar
Bezuinigen (bezuinigen = 1,
overige categorieën = 0)
Communicatie
Participatie
Individuele aandacht
Managementsteun
Betrokkenheid bij de
organisatie
Verklaarde variantie
(adjusted r²)
0,055
0,045
-0,044
-0,088+
-0,041
-0,019
-0,131***
-0,063
0,319***
0,262***
0,179***
0,086*
0,386
dingsniveau, aantal dienstjaren bij de werkgever)
en de personeelsomvang van de organisatie waar
de respondent werkzaam is. Voor elk van de vier
sectoren is een aparte regressieanalyse uitgevoerd
om mogelijke verschillen tussen de sectoren
inzichtelijk te maken. De resultaten zijn weergegeven
in tabel 2.
Gemeente
(N= 423)
0,087*
0,054
-0,101*
0,012
0,119**
-0,027
-0,146***
0,121*
0,240***
0,167**
0,075+
0,146**
0,383
Provincies
(N = 190)
0,075
0,056
-0,111
-0,031
-0,023
0,031
-0,096
0,049
0,240**
0,227*
0,068
0,156*
0,373
Gestandaardiseerde regressiecoëfficiënten zijn gerapporteerd. Significantieniveaus:
+ staat voor p < 0,1; * staat voor p < 0,05; ** staat voor p < 0,01; *** staat voor p < 0,001.
Wetenschappen
(N= 213)
0,171**
0,039
-0,032
0,027
-0,009
0,108+
-0,116+
0,078
0,159+
0,299***
0,078
0,051
0,297
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
57
׉	 7cassandra://IpzROq2FbPRz1KCz58EBHVAhAnS4eJLRE8Wc4AoKcCs`̵ Vt
k7&'Vt
k7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://sEu-FsjzVQoZ9r-2ouH02rhB9neWKj6HxiWh-No94f0 ` 
׉	 7cassandra://iFb79fYvzP-vORI1glWafoTTXUG1U-O9OHLImzbpYR8d`T׉	 7cassandra://M78f0Yy5ReuKytqKRfCYGBmXxolXjbseF52BowKxGMo`̵ ׉	 7cassandra://hibULJ1HfiDIzCHO1c8EvS431ebwFWKIOkpykk9T0jsI(͠Vt
l7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://mUwF6oiIjxYTWQihfPVqwMygTS8OdkCk1taODaFkwwc S` 
׉	 7cassandra://K1gaYxwo0AYXr6teE2Aydgg41doIf49fKekODnDZ4gEg`T׉	 7cassandra://OWw-HeH-0jtuPHIRm8ato2YjvyPsA_j20xf3nFcr5Hg,`̵ ׉	 7cassandra://e4eOiho7joG7pdzQpxcuT06BiQnU9fTq1SwyMwWymMMBx$͠Vt
l7&'׉E
De resultaten in tabel 2 laten zien dat de onafhankelijke
variabelen 38,6 procent van de veranderbereidheid
van rijksambtenaren verklaren. De
verklaarde variantie voor gemeenten en provincie
komt hier grofweg mee overeen. Binnen de waterschappen
verklaart de analyse 29,7 procent van de
veranderbereidheid.
De persoonlijke kenmerken van rijksambtenaren
verklaren slechts in beperkte mate hun veranderbereidheid.
Er bestaat een klein effect van het aantal
dienstjaren: medewerkers die langer in dienst
zijn, zijn iets minder geneigd organisatieveranderingen
te ondersteunen. Binnen de waterschappen
en gemeenten hangen persoonlijke kenmerken
sterker samen met veranderbereidheid. Gemeenteambtenaren
zijn minder geneigd te veranderen
naarmate zij ouder zijn. Verder laten de resultaten
zien dat vrouwen binnen de sector gemeenten,
maar met name binnen de waterschappen, meer
veranderbereid zijn. Daarnaast zijn gemeenteambtenaren
in grote gemeenten meer veranderbereid
dan medewerkers in kleine gemeenten.
Ook de veranderinhoud is van invloed op de
veranderbereidheid. Rijksambtenaren zijn minder
veranderbereid wanneer zij van mening zijn dat
een organisatieverandering met name gericht is op
bezuinigen. Dit verband is ook zichtbaar binnen
gemeenten en, met mindere mate van statistische
zekerheid, waterschappen. Opvallend is dat het
tempo waarin organisatieveranderingen elkaar
opvolgen in geen van de sectoren samenhangt met
veranderbereidheid. ‘Verandermoeheid’ lijkt dus
geen belangrijke rol te spelen binnen de veranderbereidheid
van ambtenaren.
De belangrijkste verklarende factoren voor
veranderbereidheid worden, conform de literatuur
over verandermanagement, gevonden in het
veranderproces. Binnen het Rijk hangen participatie
en individuele aandacht het sterkst samen met
veranderbereidheid. Wanneer ambtenaren de mogelijkheid
krijgen bij te dragen aan de verandering
en er voldoende aandacht is voor hun persoonlijke
zorgen, zijn zij dus meer bereid de verandering
te ondersteunen. Ook managementsteun hangt
positief samen met veranderbereidheid. Een
opvallend resultaat is dat communicatie over
organisatieverandering geen statistisch significant
verband vertoont met veranderbereidheid. Ook
in de andere sectoren biedt het veranderproces de
belangrijkste verklaring voor veranderbereidheid.
Binnen de gemeenten, provincies en waterschappen
zijn participatie en individuele aandacht
eveneens de belangrijkste verklaringen voor
veranderbereidheid.
Ten slotte is ook betrokkenheid bij de organisatie
meegenomen in de analyse, om de rol van de ambtelijke
loyaliteit te duiden. De resultaten laten zien
dat rijksambtenaren die een sterke binding voelen
58
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://M78f0Yy5ReuKytqKRfCYGBmXxolXjbseF52BowKxGMo`̵ Vt
l7&'׉E
met hun organisatie meer bereid zijn organisatieverandering
te steunen. Een interpretatie van
dit effect is dat ambtelijke loyaliteit ervoor zorgt
dat ambtenaren meer geneigd zijn de negatieve
kanten van organisatieverandering voor lief te
nemen (vergelijk bijvoorbeeld Wright et al., 2013;
Conway et al., 2014). Hoewel het effect statistisch
significant is, is het opvallend dat het effect sterker
is onder ambtenaren van de gemeenten en provincies.
Binnen de waterschappen lijkt ambtelijke
loyaliteit geen rol te spelen wanneer het gaat om
veranderbereidheid. Een mogelijke verklaring
hiervoor is dat veranderingen binnen de waterschappen
meer gericht zijn op het verbeteren van
klantgerichtheid en interne processen in plaats
van op bezuinigen (zie figuur 1). Binnen dit soort
veranderingen wordt de loyaliteit van ambtenaren
wellicht minder op de proef gesteld, omdat aan
dit type verandering minder persoonlijke nadelen
verbonden zijn.
5 CONCLUSIES
Wat is de stand van de ambtelijke dienst met
betrekking tot organisatieverandering? In deze
bijdrage zijn organisatieveranderingen binnen het
Rijk geanalyseerd vanuit het perspectief van de
ambtenaar en is het Rijk vergeleken met gemeenten,
provincies en waterschappen. Onze analyse
laat zien dat organisatieveranderingen relatief
vaak voorkomen binnen de rijksdienst. Medewerkers
rapporteren dat zij gemiddeld eens in de
twee jaar een organisatieverandering meemaken.
Volgens respondenten is het merendeel (61,2 procent)
van de organisatieveranderingen binnen het
Rijk gericht op bezuinigen. Binnen de gemeenten
en provincies bestaat een soortgelijk beeld.
Opvallend is dat organisatieveranderingen binnen
de waterschappen aanzienlijk minder ervaren
worden als bezuinigingen. Ook volgen organisatieveranderingen
binnen de waterschappen elkaar
in minder snel tempo op. Het hoge tempo waarin
de rijksdienst veranderingen doorvoert, lijkt echter
niet te resulteren in verandermoeheid. Voor
organisatieveranderingen die ervaren worden als
bezuinigingen, is binnen de Rijksdienst minder
veranderbereidheid dan voor veranderingen die
gericht zijn op verbetering van klantgerichtheid of
interne processen.
Aan de hand van vier kenmerken van veranderprocessen
is in kaart gebracht hoe rijksambtenaren
de implementatie van organisatieveranderingen
ervaren. Al met al geven zij aan niet ontevreden
te zijn over de communicatie in veranderprocessen,
maar zij zijn ook niet tevreden. Het management
van organisaties binnen de rijksdienst lijkt
organisatieverandering sterk te ondersteunen. De
mate waarin er ruimte is voor de eigen inbreng
van ambtenaren, evenals individuele aandacht
voor hen gedurende het implementatieproces,
wordt echter als onvoldoende beoordeeld. De
andere sectoren laten hetzelfde beeld zien, maar
ORGANISATIEVERANDERING BINNEN DE OVERHEID.
59
׉	 7cassandra://OWw-HeH-0jtuPHIRm8ato2YjvyPsA_j20xf3nFcr5Hg,`̵ Vt
l7&'Vt
l7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://JBb73IkmVRzItnZAM4PUG_pppOW0nTVtmHwv4IOF-Zs ` 
׉	 7cassandra://RMTanFQGF-1SqkTbyMNIi9BdIPBccnfByes8hS9BMlE^`T׉	 7cassandra://Wrrih7B2tk1S7ysDMxBKotZ-hhClhT4ukGM54A6c4Tc\`̵ ׉	 7cassandra://BzyujfuVZwqO15ueoJ0OVt4UBPpdj2pUyU-dKcAIHocZk$͠Vt
m7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://mvcqCFdBP8vl7TRBIAIV2jI9qudRVp9paUEQmW3rbJ8 j` 
׉	 7cassandra://wWucrzO8ONoOgRoCtoI9v0yBckOCDi6_NpfllMTMtd8PF`T׉	 7cassandra://kxK7QRt4f6g39mLMilaWfZBnzYDylFZpAa1xOnQWrSA`̵ ׉	 7cassandra://eec2NBlliVI1jHQV2T01RZYDir03oic8rcDi4eKYu-oi5(͠Vt
m7&'׉E	de beoordeling van rijksambtenaren is op alle proceskenmerken
statistisch significant lager.
De regressieanalyse laat zien dat het veranderproces
de belangrijkste verklaring biedt voor
veranderbereidheid. Dit resulteert in de zorgelijke
conclusie dat participatie en individuele aandacht,
de onderdelen van het veranderproces waarop
de rijksdienst het laagst beoordeeld wordt, het
sterkst samenhangen met veranderbereidheid.
Deze bevinding laat zich rijmen met de nadruk
die de rijksdienst de afgelopen jaren heeft gelegd
op rijksbrede hervormingsprogramma’s, waarin
de mogelijkheden voor participatie of individuele
aandacht beperkt zijn. Een eerste aanbeveling is
daarom om organisatieveranderingen niet alleen
van bovenaf aan te sturen, maar ook de initiatieven
lager in de organisatie te benutten. Tenslotte
blijkt ambtelijke loyaliteit een belangrijke resource
voor het veranderpotentieel te zijn. Ambtelijke
loyaliteit zorgt ervoor dat medewerkers meer
bereid zijn om zich in te zetten voor organisatieveranderingen.
Een tweede aanbeveling is daarom
om deze ambtelijke loyaliteit te waarborgen en
te cultiveren, zodat deze verder ten goede komt
aan de verandercapaciteit van de rijksdienst.
Recent onderzoek (bijvoorbeeld Conway et al.,
2014) toont echter aan dat ambtelijke loyaliteit als
gevolg van bezuinigen onder druk komt te staan.
Van der Voet en Vermeeren (2014) laten zien
dat aandacht voor proceskenmerken, met name
individuele aandacht gedurende het veranderproces,
de negatieve effecten van bezuinigingen op
de loyaliteit verminderen. Ambtelijke loyaliteit
kan de rijksdienst dus helpen bij het doorvoeren
van bezuinigingen, maar de rijksdienst dient bij
de implementatie van bezuinigingen aandacht te
hebben voor het veranderproces om een afbraak
van ambtelijke loyaliteit te voorkomen.
REFERENTIES
Conway, N., Kiefer, T., Hartley, J., & Briner, R.B.
(2014). Doing more with less? Employee reactions
to psychological contract breach via target similarity
or spillover during public sector organizational
change. British Journal of Management, 25(4),
737-754.
Fernandez, S., & Rainey, H.G. (2006). Managing
successful organizational change in the public sector.
Public administration review, 66(2), 168-176.
Herold, D.M., Fedor, D.B., Caldwell, S., & Liu,
Y. (2008). The effects of transformational and
change leadership on employees’ commitment
to a change: a multilevel study. Journal of Applied
Psychology, 93(2), 346.
60
ORGANISATIEVERANDERING BINNEN DE OVERHEID.
׉	 7cassandra://Wrrih7B2tk1S7ysDMxBKotZ-hhClhT4ukGM54A6c4Tc\`̵ Vt
m7&'׉EJilke, S., Van der Voet, J., & Van de Walle, S. (Nog
te verschijnen, 2015). Administrative reforms in
the Netherlands: Managerialism, collaboration
and implications for future reform capacity. In
Hammerschmid, G., Van de Walle, S., Andrews,
R., & Bezes, P. (Red.) (Nog te verschijnen, 2015).
Public Administration Reforms in Europe: The
View from the Top. Cheltenham: Edward Elgar
Publishing.
Kanter, R.M., Stein, B.A., & Jick, T.D. (1992). The
Challenge of Organizational Change. New York:
The Free Press.
Kickert, W. (2012). State responses to the fiscal crisis
in Britain, Germany and the Netherlands. Public
Management Review, 14(3), 299-309.
Kotter, J. P. (1996). Leading change. Boston: Harvard
Business Press.
Kuipers, B.S., De Witte, M., & Van der Voet, J.
(2013). Verandermanagement in publieke organisaties.
In: Steijn, A.J., & Groeneveld, S.M. (Red.).
Strategisch HRM in de publieke sector (tweede
editie), 153-178. Assen: Van Gorcum.
Metselaar, E.E. (1997). Assessing the willingness to
change, construction and validation of the DINAMO.
Aalsmeer: VU-huisdrukkerij.
Van Twist, M., Van der Steen, M., Karré, P.M., Peeters,
R., & Van Ostaijen, M. (2009) Vernieuwende
verandering: continuïteit en discontinuïteit van
vernieuwing van de Rijksdienst. Den Haag: NSOB.
Van der Voet, J., Kuipers, B.S., & Groeneveld, S.
(2015). Implementing change in public organizations:
The relationship between leadership and
affective commitment to change in a public sector
context. Public Management Review, (ahead-ofprint),
1-24.
Van der Voet, J., & Vermeeren, B. (2014). Can
change management mitigate the negative effects
of cutbacks on employee wellbeing: Evidence
from the Dutch public sector? International
Research Society for Public Management Conference:
Ottawa, Canada (2014, April 9-April 11).
Wright, B.E., Christensen, R.K., & Isett, K.R.
(2013). Motivated to adapt? The role of public
service motivation as employees face organizational
change. Public Administration Review, 73(5),
738-747.
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
61
׉	 7cassandra://kxK7QRt4f6g39mLMilaWfZBnzYDylFZpAa1xOnQWrSA`̵ Vt
m7&'Vt
m7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://rY5zFFlnoEKJHJmVJxJvEsMoyJlmMI2ES-p9OtMZ-Is͒` 
׉	 7cassandra://exzad_C18cjAmcO3nI_coNeDwNu0TO5bJe-quResT5c` T׉	 7cassandra://ky7mWYas6ULSz0d27es_K80_r9BMbZaSE3AJFrQj4JY`̵ ׉	 7cassandra://0Y4B94p_G2ne2tEB_76iGsiaY30yzX9QfJXARY5m1js|͠Vt
m7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://Q1Yg1tIiJXl6AfxzPIarR_ga4XaEVa0Oi8lDZ5CDdas 5` 
׉	 7cassandra://WOpuT1ZLAqmRUNdYuWCMju-GR1k_81y51EQQJOtrSLA1` T׉	 7cassandra://1qLMw6b-5PBmxOc-LU5pL8pvftKq1-1pFAHuWeSjDIo;`̵ ׉	 7cassandra://sqhkIGKKelJV9eWyDK2y_1S1QUZ9Lg_h6oSVwZQdr4E.Qx͠Vt
m7&'׉E '62
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://ky7mWYas6ULSz0d27es_K80_r9BMbZaSE3AJFrQj4JY`̵ Vt
]7&'׉E w5. De overheid digitaliseert!
Digitale dienstverlening aan
burgers en bedrijven
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
63
׉	 7cassandra://1qLMw6b-5PBmxOc-LU5pL8pvftKq1-1pFAHuWeSjDIo;`̵ Vt
m7&'Vt
]7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://DZiRRihEbTMvT6WMtoP2JfOqL0s2Th2bWRpUo8WATgg ` 
׉	 7cassandra://nXyzWsrIq6ZGMp32-A6vv4s479-GJvPJwT_q1ZTCZUU;`T׉	 7cassandra://SlEKDrjUZVnIVTcVtgDK6UfkVNZHQAUWcH38dJG-0YU`̵ ׉	 7cassandra://3XonZwiu1hbFWqOJ2OEgQLjAQXxDVR0gbqFDpFua-64<(͠Vt
m7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://HegFKyqtMSP--3CD75Yt_jgybmxcyEzQa6M4EoiQxMU <x` 
׉	 7cassandra://us0STPSDJ35Z7SYkd0dI241UBUXDTtMrxRAD8LHYLvEk4`T׉	 7cassandra://Yy4Uqm7zQhbDtWPxOVPPI2KiWd8Hr0-rvEGibXQxEac`̵ ׉	 7cassandra://p7gPIO50PbDvUUNppFY1vIYnlOU1ceCvE0mcfYaNVCYRy$͠Vt
m7&'נVt
m7&' [h9׉Hhttp://www.everest.nlGׁׁrנVt
n7&' ^h9ׁHhttp://www.everest.nlׁׁЈ׉E+Drs. G. Bayens MBA
1 INLEIDING
Internationale benchmarks laten zien dat de
Nederlandse overheid tot de top behoort op het
gebied van digitale dienstverlening. Parlementariërs
en journalisten weten hardnekkig een beeld
neer te zetten van een stuntelende overheid als het
gaat om digitalisering. Hoe is deze tegenstelling
te verklaren? Dit hoofdstuk gaat over feiten en
beeldvorming en over de het bijna wonderbaarlijke
succes van de Nederlandse overheid als het gaat om
digitalisering, terwijl de marges om dit professioneel
uit te kunnen voeren steeds smaller worden.
Met de term ‘digitalisering’ bedoelen we de toepassing
van informatie- en communicatietechnologie
bij het verlenen van diensten en het uitvoeren
van werkprocessen. In dit hoofdstuk gaan we
dieper in op de digitalisering van de dienstverlening
door de overheid. Om burgers en bedrijven
met tussenkomst van computers, tablets en
smartphones te kunnen bedienen, is echter ook
een hoge mate van digitalisering van keten- en
werkprocessen en dataopslag noodzakelijk.
2 DE KLANTEN AAN HET WOORD …
Laten we eerst kijken naar de waardering door
de burgers van digitale dienstverlening door de
overheid. Er is hiervoor voldoende, actueel onderzoeksmateriaal
beschikbaar. We maken gebruik
van twee onderzoeksrapporten.
64
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://SlEKDrjUZVnIVTcVtgDK6UfkVNZHQAUWcH38dJG-0YU`̵ Vt
]7&'׉EYEverest Burgeronderzoek 2014
Uit een in 2014 uitgevoerd onderzoek naar de
klanttevredenheid van burgers over de digitale
dienstverlening door de overheid blijkt dat zij de
huidige online dienstverlening waarderen met gemiddeld
een 7. Dit betreft dan vooral zaken als het
aanvragen van uitkeringen en toeslagen. Het digitaal
zakendoen met de overheid ervaart de helft
van de respondenten als eenvoudig (52,5 procent),
16,7 procent spreekt dit tegen. Bijna twee derde
van de respondenten vindt het online portaal of
de website van de overheidsinstelling waarmee
zij zaken deed gebruiksvriendelijk (60,9 procent).
De burger lijkt op basis van deze cijfers op dit moment
al redelijk tevreden met de digitale dienstverlening
van de overheid. Volgens 68,1 procent
van de respondenten verliep het gehele (online)
dienstverleningsproces zelfs conform verwachting.9
Dit
onderzoek bevestigd de uitkomsten van
een onderzoek dat in opdracht van de Nationale
Ombudsman in 2013 werd uitgevoerd10
.
TNS-NIPO
De Nederlandse overheid is één van de wereldleiders
op het gebied van e-government, zo blijkt uit
onderzoek van de Verenigde Naties.11
Het onderzoek
toont aan dat Nederland hoog scoort op het
aanbod van digitale dienstverlening en nummer
1 is op het gebied van e-participatie. Nederland
3 VERDERGAANDE AMBITIE
In het regeerakkoord is afgesproken dat de dienstverlening
door de overheid beter moet. Zo moeten
bedrijven en burgers uiterlijk in 2017 zaken die ze
met de overheid doen (zoals een vergunning aanvragen)
digitaal kunnen afhandelen. In een brief
beschrijft minister Plasterk van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties hoe de overheid dit
doel voor burgers wil bereiken.
scoort wereldwijd vijfde op het aspect aanbod
(Online Service Delivery). Een resultaat dat past
bij de ambitie van de Nederlandse overheid: alles
digitaal in 2017. Ook sluit deze ambitie aan bij de
toename van het gebruik, zo blijkt uit onderzoek
van Europese Unie dat 81 procent van de Nederlandse
burgers online interactie heeft met de overheid.12
Dit
ten opzichte van 66,8 procent in 2012.
In verhouding tot Europese landen is het aantal
burgers dat online interactie heeft met de overheid
hoog; zo is het percentage alleen in Denemarken
en IJsland hoger.13
De geciteerde onderzoekers geven ook aan dat er
nog veel te wensen overblijft. De lat mag hoger.
We moeten niet tevreden zijn met een 7, maar we
willen een 8. Het kabinet-Rutte neemt zich voor
de digitale dienstverlening verder te versterken.
9. Everest Burgeronderzoek. 2014. Everest Business Engineering, www.everest.nl
10. Kwaliteit van de overheidsdienstverlening 2013. G6765. TNS NIPO. 14 november 2013.
11. UN E-Government Survey 2014 – E-government for the future we want
12. European Commission, Delivering on the European Advantage?
13. European Commission, Eurostat, E-Government activities of individuals via websites 2014.
DE OVERHEID DIGITALISEERT!
65
׉	 7cassandra://Yy4Uqm7zQhbDtWPxOVPPI2KiWd8Hr0-rvEGibXQxEac`̵ Vt
m7&'Vt
]7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://WMODBzLHbGzAhAD7Mzfa0NZOfyRua8pwvLzQ4xptkjs ` 
׉	 7cassandra://es9ZAZ3kRj6Flh8W49Fg0MHb6-mjgf6ixICKhMFzvekh`T׉	 7cassandra://0VJsVdwa0NKotKbnMya2ogWNX80Yu2j0JtElLHee1eM4`̵ ׉	 7cassandra://-CBWeS8sVJph3Y54047guCZbPfeWBHhA7238zikIb0IF$͠Vt
n7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://5k491tA7HQbk5HmC50Q8olQ805IsGaiutij9v21BeTQ ܿ` 
׉	 7cassandra://yoyIBCfmSNjtqj205RnjHXseItmfNhA-2IoDs0FGPgQd`T׉	 7cassandra://mlEy2xDDApLzgHDmrmMWxDRwYdjV1Y09CnKGvT4jHPQY`̵ ׉	 7cassandra://OgPfN6GzRXpQ-Gvhoy7H5adlA-zZNXhJvd3HLW_kCUkQ(͠Vt
n7&'נVt
m7&' E\9׉H zhttp://C:%5C%5CUsers%5C%5Cloespa01%5C%5CAppData%5C%5CLocal%5C%5Cdownloads%5C%5Cvisiebrief-digitale-overheid-2017%20(2).pdfGׁׁr׉E
rDe zinnen in het regeerakkoord betekenen een
forse ambitie voor al deze overheden, maar ook
een kans om met een gezamenlijke en effectieve
aanpak te komen tot:
a. een kwaliteitsverbetering van de digitale overheidsinformatie
en dienstverlening;
b. aanzienlijk minder administratieve lasten voor
burgers;
c. belangrijke efficiencywinsten, waardoor onder
meer departementale taakstellingen makkelijker
gehaald kunnen worden.14
Hoe kritisch volksvertegenwoordigers ook
mogen zijn als het om ICT-projecten gaat, het
belemmert hen geenszins om van bestuurders te
vragen verder te gaan met de toepassing van de
modernste – en dus risicovolle – toepassingen
van informatietechnologie. Er kan geen maatschappelijk
probleem zijn of er wordt gevraagd
om databases, controle- en opsporingssystemen.
Integrale dienstverlening door ketens van
overheidsorganisaties, one stop shopping, de klok
rond en geen dubbele uitvraag van gegevens staan
steevast bovenaan het wensenlijstje. Een debat
later draait het om zorgen over informatiebeveiliging,
bescherming van privacy en de risico’s van
het steeds meer koppelen van databestanden. We
vinden het invullen van formulieren al gauw niet
meer van deze tijd. De minister wordt naar de
Kamer geroepen als vermiste personen of misdadigers
niet binnen enkele uren of dagen kunnen
worden opgespoord. Grote administratieve en
procedurele hervormingen, zoals de uitvoering
van de Toeslagenwet door de Belastingdienst, de
decentralisatie van taken naar gemeenten en de
herziening van het persoonsgebondenbudgetstelsel,
moeten, nadat de Kamer de beslissingen hierover
heeft genomen, in slechts enkele maanden
doorgevoerd worden. Moet kunnen. Alle vertrouwen
in onze ambtenaren.
4 TWIJFEL AAN DESKUNDIGHEID
Heeft de overheid haar zaakjes echter wel voldoende
op orde om deze verdergaande ambitie
te kunnen realiseren? Hier beginnen feiten en
beelden door elkaar te lopen. Er zijn namelijk ook
negatieve ervaringen. Journalisten, Kamerleden,
rekenkamers en ministers maken al jarenlang
melding van mislukte ICT-projecten, waarbij veel
meer geld is uitgegeven dan begroot, de werkende
oplossing veel later kwam dan gepland en de kinderziektes
bij de ingebruikname van een systeem
tot ongenoegen bij de klanten leidde.
De tijdelijke commissie ICT van de Tweede Kamer
heeft in 2014 een verdiepingsonderzoek naar een
aantal ICT-projecten uitgevoerd. Het parlementair
onderzoek was gericht op enkele moeizaam verlopen
automatiseringsprojecten. Het onderzoek
heeft een beeld van een amateuristische aanpak
opgeleverd. De tijdelijke Commissie ICT, een aan14.
file:///H:/downloads/visiebrief-digitale-overheid-2017%20(2).pdf
66
DE
OVERHEID DIGITALISEERT!
׉	 7cassandra://0VJsVdwa0NKotKbnMya2ogWNX80Yu2j0JtElLHee1eM4`̵ Vt
n7&'׉E
ntal getuigen én de beeldvorming in de pers hebben
voor elkaar gekregen dat in de ogen van het grote
publiek de overheid een rommeltje heeft gemaakt
van de inzet van ICT en dat elk jaar miljarden
euro’s worden verspild.
De tijdelijke onderzoekscommissie heeft uit een
inventarisatie een klein aantal projecten geselecteerd.
Er is in de verslaglegging geen verantwoording
voor deze selectie te vinden. Duidelijk is wel
dat men vooral geïnteresseerd was in projecten
waarover in een eerdere fase veel ‘gedoe’ was
geweest. De geselecteerde projecten zijn, volgens
onderzoeksbureau Policy Research Corporation,
uniek in termen van te realiseren techniek,
bestuurlijke context, tijdsperiode, betrokken stakeholders
en andere onderscheidende elementen.
Van een representatieve steekproef was dan ook
geen sprake, integendeel. Daarom is een conclusie
voor de gehele rijksoverheid op basis van deze beperkte
en selecte steekproef onderzoekstechnisch
gezien letterlijk onverantwoord.
Feit is dat er projecten ‘mislukt’ zijn, omdat er
meer geld werd uitgegeven, de doorlooptijd langer
was en het resultaat niet altijd om trots op te zijn.
Door het ontbreken van een controlegroep in het
door Elias uitgevoerde verdiepingsonderzoek, kan
echter niet gesproken worden over een representatief
beeld. De eenzijdige belangstelling voor
probleemprojecten door volksvertegenwoordigers
en journalisten vormt dan ook voor een deel de
verklaring voor de tegenstelling tussen Nederland
als internationale koploper op het gebied van
digitale dienstverlening door de overheid en het
beeld dat er maar wat wordt af geklungeld binnen
de overheid.
5 DE SMALLE MARGES VAN
OVERHEIDSINNOVATIE
De reactie op negatieve berichten over ICT-projecten
kan in het algemeen omschreven worden
als: controle! Zo kwamen er in de loop van de
tijd afspraken over rapportage aan de Kamer over
grote projecten, gateway reviews, ICT-haalbaarheidstoetsen
en in 2015 het Bureau ICT Toetsing
(BIT). Wanneer je binnen het Rijk een ICT-project
wil gaan uitvoeren, dien je daarvoor een Business
Impact Analyse uit te voeren, een Privacy Impact
Analyse, een Risicoprofiel-analyse Rijk, een
BIHR-toets en een pre-BIT-toets. Het is moeilijk
na te gaan hoeveel dit kost, terwijl er nog geen
euro is uitgegeven aan het maken van de gewenste
oplossing zelf.
Als een innovatie-initiatief al deze hordes heeft
genomen, dienen vaak software of softwarebouwers
te worden ingekocht. De juridische en
financiële geneugten van de Europese Aanbesteding
zijn ook al vaker onderwerp geweest van
parlementaire aandacht en honderden artikelen
in de vakpers. Aanbesteden duurt vele maanden
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
67
׉	 7cassandra://mlEy2xDDApLzgHDmrmMWxDRwYdjV1Y09CnKGvT4jHPQY`̵ Vt
n7&'Vt
n7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://EuQzyabp3x8iYsucn4LxFuBWUHmOgh5iF4vhbxXyxUM ` 
׉	 7cassandra://dIYnP7wGajuczmL3sCmAPZDvp2iWaPIoW9Yw9aEf5Jgg`T׉	 7cassandra://DWUjtDHCKmkBll1OqpFFlSxOHUCLpXRfgrVQSIbCCKM`̵ ׉	 7cassandra://11suwu653BoNpbUpkztf3hNIYwqPB3aslj542YRRUg8N(͠Vt
o7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://l23lDfAz2ewm9ZGWsA7zeVBMa6RLCnv_LT2mn9HMMeU ` 
׉	 7cassandra://mAb3dwfWtlBSg_CkQnD8RcBPpVbnd58AFCtMdi0v1dk_`T׉	 7cassandra://FKKR4bIFzDAmaaCMa0L9p4h6lrhysS-5Z7OTEvmN9Eo`̵ ׉	 7cassandra://Z0L5nkCrs8FbZmunc0xtLH8_JmgGokFjmhMfGUdWEp8O$͠Vt
o7&'נVt
n7&' \Z9׉H Jhttp://www.digitaleoverheid.nl/onderwerpen/over-de-e-overheid/geschiedenisGׁׁrנVt
n7&' Bo9׉H Jhttp://www.digitaleoverheid.nl/onderwerpen/over-de-e-overheid/geschiedenisGׁׁr׉E
en kost zowel de overheid als het bedrijfsleven
enorme bedragen.
Een derde fenomeen is de discussie over de
overheidssalarissen en de inhuur van externen.
De achterblijvende overheidssalarissen in de
achter ons liggende crisisjaren en de wens om de
tarieven van externe specialisten laag te houden,
dragen niet bij aan het professioneel uitvoeren
van innovaties. De salarissen voor deskundigen
op ICT-gebied en de tarieven van externe specialisten
liggen binnen de overheid beduidend lager
dan in het bedrijfsleven. Het is voor managers
binnen de overheid dan ook vaak niet eenvoudig
om voldoende gekwalificeerde deskundigen in
huis te krijgen. Bovendien werden in tijden van
‘taakstellingen’ (lees: opgelegde bezuinigingen)
vaak afdelingen die ‘niet tot de kernfunctie’ van
de overheid behoorden, sterk ingekrompen. En
het professioneel uitvoeren van innovaties wordt
in sommige besprekingen al snel gezien als ‘geen
kerntaak’, die je beter aan gespecialiseerde bedrijven
kunt overlaten.
Het mag dan ook verbazing wekken dat ondanks
deze smalle marges om innovaties binnen de
overheid tot stand te brengen, de uiteindelijke
resultaten mondiaal toonaangevend zijn.
6 NEDERLAND ALS KOPLOPER
Nederland startte in 1994 als een van de eerste
Europese landen met e-overheidsprogramma’s
met het ‘Nationaal Actieprogramma Elektronische
Snelwegen’.15
De Nederlandse overheid is nog
altijd een koploper met het inzetten van moderne
ICT. Op internationale ranglijsten scoren we
steevast hoog. De tijdelijke commissie heeft zich
doelbewust gericht op slechts enkele spraakmakende
projecten en dus vele honderden projecten
buiten beeld gelaten. Het is daarom goed om de
resultaten van deze projecten ook eens onder de
aandacht te brengen. Het bleek bepaald eenvoudig
daarvan een bloemlezing samen te stellen: caleidoscopisch
en zonder enige moeite aan te vullen
met meer voorbeelden. Of deze bijdrage voldoende
is om onze collectieve bijziendheid op dit
onderwerp wat bij te stellen, is de vraag. Iets meer
trots op wat er in het afgelopen decennium door
de overheid tot stand is gebracht, is op zijn plaats.
Digitale aangifte inkomstenbelasting
5,5 miljoen van de 7,7 miljoen aangifteplichtigen
maakte in 2014 gebruik van de mogelijkheid om
de jaarlijkse aangifte van de inkomstenbelasting
digitaal te doen. Waarom? Omdat de Belastingdienst
samen met een groot aantal overheidsorganisaties
en private instellingen ervoor
heeft gezorgd dat er op 1 maart van elk jaar een
vooringevuld formulier voor elke afzonderlijke
belastingbetaler gereedstaat. In dit formulier zijn
15.
Voor een beknopt historisch overzicht van overheidsinitiatieven inzake digitalisering zie: http://www.
digitaleoverheid.nl/onderwerpen/over-de-e-overheid/geschiedenis
68
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://DWUjtDHCKmkBll1OqpFFlSxOHUCLpXRfgrVQSIbCCKM`̵ Vt
o7&'׉E
alvast onze inkomensgegevens opgenomen, met
dank aan de Nederlandse werkgevers, salarisverwerkers,
gemeenten, UWV en Sociale Verzekeringsbank
(SVB). En ook de WOZ-waarde van
het eigen huis, met dank aan alle Nederlandse
gemeenten, en gegevens van spaartegoeden en
ontvangen rente, die door alle Nederlandse banken
worden aangeleverd, zijn al opgenomen.
In 2015 was het mogelijk om de aangifte ook via een
smartphone of tablet te doen. In dit introductiejaar
maakten 200.000 personen meteen van deze eenvoudige,
ultramoderne aangiftevorm gebruik.
Zo wordt het de belastingbetaler gemakkelijk
gemaakt om de jaarlijkse aangifte te doen. Dat
scheelt de belastingbetaler veel tijd en het inschakelen
van een betaalde adviseur is voor veel
mensen niet echt nodig.
Nagenoeg iedereen die voor 6 mei 2015 aangifte
heeft gedaan kreeg voor 1 juli bericht van de
Belastingdienst. Dit waren circa 8,7 miljoen aangifteplichtigen.
In ruim 6,2 miljoen gevallen (71
procent) was dit ook meteen een definitieve aanslag.
Het jaar ervoor waren dat er nog 5,5 miljoen.
In circa 50.000 gevallen (0,6 procent) was het niet
mogelijk voor 1 juli een aanslag op te leggen.
DigiD: Eén sleutel voor alle overheidsdiensten
Voor elke webshop heb je een andere gebruikersnaam
en ander wachtwoord nodig. Zo niet voor
de overheid: vrijwel alle overheidsorganisaties
zijn voor burgers via internet benaderbaar door
middel van één gebruikersnaam en wachtwoord.
Je hebt geen ‘digitale sleutelbos’ nodig om gebruik
te maken van de dienstverlening van de overheid.
Ben je ‘binnen’ bij de ene overheidsorganisatie,
dan kun je zonder opnieuw inloggen binnen bij
een andere. Miljoenen Nederlanders beschikken
over een DigiD-sleutel. Voor bedrijven die via
internet contact willen met de overheid is er een
vergelijkbare voorziening: e-Herkenning.
Wat wordt mijn pensioen?
Na een paar keer van werkgever veranderd te
zijn, wordt het al snel lastig om overzicht te
houden over je toekomstige pensioen. Dankzij
het Nationaal Pensioenregister kan iedereen zien
welk pensioen hij of zij tot nu toe heeft opgebouwd.
Dankzij de samenwerking tussen Sociale
Verzekeringsbank (SVB), pensioenfondsen en de
pensioenverzekeraars kan iedereen via internet
eenvoudig en uiterst transparant zien hoe het staat
met de pensioenopbouw. De regelingen waarop
AOW en pensioenen zijn gebaseerd, zijn zeer
complex en verschillend. In het overzicht op het
pensioenregister staat een persoonlijk en actueel
overzicht van de optelsom van opgebouwde en
op te bouwen rechten. Klare taal, voor iedereen
DE OVERHEID DIGITALISEERT!
69
׉	 7cassandra://FKKR4bIFzDAmaaCMa0L9p4h6lrhysS-5Z7OTEvmN9Eo`̵ Vt
o7&'Vt
o7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://eVoICFr1TmQ8NiPPaSOd2WNylv4d6MCby0QFK8gwr4Q ~` 
׉	 7cassandra://dnAxDt1ENWofBocIFd5Fs9i1h_XQaiLUR8uBenfNZEYe`T׉	 7cassandra://wDeNuT48s6qDR7XWFUbYrXmjFLBJQx6_mlMwTMVrpcAR`̵ ׉	 7cassandra://j9yzBr6NdYZYGzbNBuYpHCNv8Hra6cTmZr4oBDw8aO8M{$͠Vt
o7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://d35AAjutNY1sIEJP8hNRLbpmTxHBh73DJIvjaCxBFIE ` 
׉	 7cassandra://jZCtrL_F-4OKKhx2yp3mxz91GeC6TnxHkdTQL6p9f7Q``T׉	 7cassandra://frMJtqTsv-pAYwETUoRi0P9YYWcQtN4Wrz1re4ND8ywk`̵ ׉	 7cassandra://yUFieLTpejkeN3A1au5GvjLpZtVt-10tqe24w339_A4N+(͠Vt
p7&'נVt
o7&' s9׉Hhttp://www.overheid.nlGׁׁrנVt
p7&'Á 	v9ׁHhttp://www.overheid.nlׁׁЈ׉E
te begrijpen. Vroeger had je een gespecialiseerde
pensioenadviseur nodig om wijs te worden uit je
opgebouwde rechten.
Het Digitaal Klantdossier
Het Digitaal Klantdossier bevat alle informatie die
belangrijk is om sociale uitkeringen te krijgen en
hulp bij het vinden van werk. Gegevens van onder
meer UWV, SVB, Belastingdienst, RDW, Dienst
Uitvoering Onderwijs en gemeentelijke sociale
diensten komen bijeen in het Digitaal Klantdossier.
25.000 medewerkers van UWV, SVB en gemeenten
krijgen hierdoor een totaalbeeld van de
financiële en arbeidsmarktpositie van hun cliënt.
Uiteraard binnen de geldende regels voor de bescherming
van de privacy. Per functie is wettelijk
bepaald welke gegevens de medewerkers mogen
zien. Hierdoor kunnen zij op basis van een volledig
overzicht maatwerk leveren aan hun cliënten.
Gegevens worden één keer aan de cliënt gevraagd
en niet steeds opnieuw. Het Digitaal Klantdossier
ondersteunt een effectieve ondersteuning van de
uitvoering van de sociale zekerheid en het vinden
van werk. Frauderen wordt lastiger.
Studielink
Studielink is de gemeenschappelijke aanmelden
inschrijfapplicatie van alle hogescholen en
universiteiten en de Dienst Uitvoering Onderwijs
(DUO). Studenten kunnen met gebruikmaking
van DigiD via Studielink een verzoek tot inschrijving
indienen bij de hogeschool of universiteit en
tegelijkertijd hun aanmelding bij DUO regelen.
Studielink fungeert hierbij als portal voor de
student én als doorgeefstation van gegevens naar
en tussen de genoemde organisaties. Via Studielink
worden gegevens van onder meer DUO, het
Studenten Informatie Systeem van onderwijsinstellingen
en de Basisregistratie Personen op een
voor de student transparante wijze uitgewisseld.
Studenten worden voortdurend via e-mail op de
hoogte gehouden van de voortgang van onder
meer het inschrijvingsproces.
Publieke Dienstverlening op de Kaart
Zeer uiteenlopende informatie over ons land en
activiteiten die de overheid uitvoert, kan worden
afgebeeld op landkaarten. Dit zijn actuele en
betrouwbare gegevens voor zowel de publieke als
private sector over onder meer bodem- en watergebruik,
cultuurhistorie, wegen, geluidscontouren
enzovoorts, enzovoorts. Informatie over een
locatie of gebied speelt een belangrijke rol bij het
analyseren en in beeld brengen van tal van maatschappelijke
vraagstukken. Bij het uitvoeren van
overheidstaken is actuele en adequate informatie
over locaties essentieel. Daarnaast is ‘locatie’ een
handige zoekingang bij het aanbieden van overheidsdiensten,
zoals de aanvraag van subsidies en
vergunningen. Ook voor het bedrijfsleven is geodata
van de overheid vaak een belangrijke en gratis
bron van informatie. Publieke Dienstverlening op
70
DE OVERHEID DIGITALISEERT!
׉	 7cassandra://wDeNuT48s6qDR7XWFUbYrXmjFLBJQx6_mlMwTMVrpcAR`̵ Vt
p7&'׉E
&de Kaart is het resultaat van een samenwerking
tussen het Kadaster, twee ministeries, Rijkswaterstaat
en Geonovum.
Diensten en overheidspublicaties
Alle diensten die de overheid verleent, zijn
eenvoudig te vinden via www.overheid.nl. Dit
betreft diensten van het Rijk, uitvoeringsinstellingen,
provincies, gemeenten en waterschappen.
Dezelfde site biedt online toegang tot kilometers
gedigitaliseerde rapporten, vergaderstukken,
wetgeving, officiële overheidspublicaties et cetera;
overzichtelijk ontsloten en voor iedereen gratis
toegankelijk. Resultaat van jarenlange samenwerking
tussen honderden overheidsorganisaties,
die hiermee het papieren tijdperk achter zich
beginnen te laten. Vergaderingen van de Tweede
Kamer en heel veel gemeenteraden kunnen online
gevolgd worden. Vergaderstukken zijn voor iedereen
via internet toegankelijk. Het democratisch
proces wordt meer transparant en is voor iedereen
toegankelijk.
Het Ondernemingsdossier
Met het Ondernemingsdossier kunnen ondernemers
slim voldoen aan wetten en regels. Daarmee
besparen ondernemers en overheden tijd, geld en
onnodige irritatie. Ondernemers hebben te maken
met een groot aantal regels, toezichthouders en
bijbehorende inspectiemomenten. Het Ondernemingsdossier
stelt een ondernemer in staat om
bepaalde informatie uit de bedrijfsvoering eenmalig
vast te leggen en meerdere keren beschikbaar
te stellen aan overheden als toezichthouders en
vergunningverleners.
Open data
Deze nog jonge loot aan de stam omvat datasets
van onder meer ministeries, provincies, gemeenten,
waterschappen en uitvoeringsinstellingen.
De teller staat medio 2015 op 6700 datasets. We
krijgen binnenkort nog veel meer overheidsinformatie
in de vorm van kopieerbare datasets
gratis tot onze beschikking. Voeding voor big
data, waarmee beleidsmakers en het Nederlandse
bedrijfsleven hun voordeel kunnen doen.
De OV-chipkaart
De invoering van de OV-chipkaart was het
initiatief van en is uitgevoerd door een aantal
vervoersbedrijven. Een particulier project dus,
dat vreemd genoeg toch in de projectenlijst van de
tijdelijke commissie ICT is terechtgekomen. Wat
is door middel van dit project tot stand gebracht?
Alle vervoersmodaliteiten zijn te gebruiken door
middel van slechts één chipcard. Een twintigtal
overheidsopdrachtgevers, vele tientallen abonnementssoorten,
de tien openbaarvervoerbedrijven
die in Nederland actief zijn en toch één oplossing.
Er zijn ruim 14 miljoen actieve OV-chipkaarten in
gebruik en 45 miljoen transacties per week. Ruim
2 miljard transacties in 2014. In 2013 zijn in totaal
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
71
׉	 7cassandra://frMJtqTsv-pAYwETUoRi0P9YYWcQtN4Wrz1re4ND8ywk`̵ Vt
p7&'Vt
p7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://pF75Np_k1G-LWN831N8Hy-zEtoeL0e5mFQYY-ZFuQUM p` 
׉	 7cassandra://aJzyJfh3yHJy1WVXEWYDQAYLfWt0oZBbYoiOqzcV2nYc`T׉	 7cassandra://Wvf2v11m_9amQnYjFvpM48aIq3FaJuYXxdJ-2IJGWqgv`̵ ׉	 7cassandra://e3vg3W6KdgD-PCgwUzSjKUbU3hv6ii4OgM9hzPPtGyQNI(͠Vt
p7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://ipi-jo9CGf8816Zq0L7bES2d9656Z5BA0hz6vEz0-0U D` 
׉	 7cassandra://wqguP04QaL41TKwNDHZISmn6Dh1HmFIVz4v9foed-3Ic`T׉	 7cassandra://xNYCaJGGHk2a4ItgT-jBvmViW-_H7mDsA5RNncSnXywE`̵ ׉	 7cassandra://H4GrPV9pIigON8jAZdA5Fg151RTHEJrKf1sbqPoJwjQ_͠Vt
q7&'őנVt
q7&'с ̷4q9ׁHhttp://mijnoverheid.nlׁׁЈ׉E
484 OV-chipkaartgerelateerde klachten ontvangen.
De gebruiksvriendelijkheid zal nog verder
toenemen als naast het automatisch opladen
ook de mogelijkheid van achteraf betalen breed
beschikbaar wordt gesteld.
De elektronische deurmat
Elke burger een eigen postbus voor berichten
van de overheid. Via ‘mijnoverheid.nl’ krijgt elke
Nederlander een postbus of Berichtenbox, waarin
overheidsorganisaties hun berichten deponeren.
Deze kunnen gaan over toeslagen, kinderbijslag,
betaalspecificaties WW, het verlopen van een
rijbewijs of APK. Op dit moment doet een groot
aantal gemeenten en waterschappen al mee,
evenals de Belastingdienst, UWV, RDW en SVB.
Er zullen spoedig meerdere organisaties volgen.
De Berichtenbox is een persoonlijke postbus
voor elektronische berichten van de overheid:
gebruiksvriendelijk, snel, veilig en milieuvriendelijk.
De burger bepaalt zelf van welke overheidsorganisaties
hij berichten wil ontvangen en ontvangt
deze berichten dan niet meer per papieren
post. Per e-mail krijgt hij een melding dat er een
nieuw bericht is.
Wegwijzers
Regelhulp is een voorbeeld van een digitale
wegwijzer van de overheid voor iedereen die op
zoek is naar zorg of ondersteuning. Het webportal
bevat actuele informatie op het gebied van zorg,
welzijn, opvoeden en opgroeien en sociale zekerheid.
Samenwerkende organisaties zijn onder
andere gemeenten, CIZ, UWV, CAK, Stichting
Opvoeden en SBV. Een tweede voorbeeld is
Omgevingsloket online. Op Omgevingsloket
online kan men controleren of er sprake is van een
vergunnings- of meldingsplicht, vergunningen
en meldingen online regelen en de status van de
aanvraag volgen.
7 HOE IS HET MOGELIJK?!
Elk van de zojuist genoemde voorbeelden is uniek.
In vrijwel geen enkel ander land in de wereld is
dit type voorzieningen gerealiseerd, laat staan de
combinatie van al deze mogelijkheden die wij nu
al in Nederland kennen en waarvan er nog meer
in ontwikkeling zijn. Nederland scoort niet alleen
hoog wat betreft internettoegang en het bezit
van pc’s en mobiele apparatuur. De Nederlandse
overheid, haar burgers en het bedrijfsleven blijken
de mogelijkheden ervan ook vaak eerder toe te
passen dan menig ander land.
De zojuist genoemde voorbeelden verraden een
hoge automatiseringsgraad bij de meeste overheidsorganisaties.
Immers, zonder een moderne
interne informatiehuishouding zouden de brede
samenwerkingsinitiatieven niet mogelijk zijn.
Vele honderden projecten zijn uitgevoerd om de
genoemde resultaten te kunnen bereiken. Projecten
die minder in het oog springen. Die geen
72
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://Wvf2v11m_9amQnYjFvpM48aIq3FaJuYXxdJ-2IJGWqgv`̵ Vt
q7&'׉E	miljoenen euro’s hebben gekost. Projecten die niet
slechts succesvol voor de ICT-leveranciers zijn geweest,
zoals een cynicus onlangs opmerkte, maar
die het beoogde resultaat hebben opgeleverd.
Bedrijfsprocessen binnen de overheid worden in
toenemende mate geautomatiseerd: de verwerking
van elektronische formulieren, de berekening
van toeslagen, uitkeringen, subsidies, belastingen
of de registratie van kentekens, salarissen, onroerende
zaken en dergelijke verloopt vaak vrijwel
zonder menselijke uitvoerders. Arbeidsintensieve
loketten kunnen worden gesloten, omdat burgers
en bedrijven liever via de elektronische snelweg
hun zaken met de overheid afhandelen. Nederland
telt niet voor niets het minste aantal ambtenaren
per hoofd van de bevolking in vergelijking met
andere moderne westerse landen.
Tabel 1: Burgerlijk overheidspersoneel als percentage
van de bevolking, met (I) en zonder
(II) gezondheidszorg- en onderwijspersoneel,
in diverse landen in 200916
I
Groot-Brittannië
Frankrijk
VS
Duitsland
Nederland
9,56%
7,88%
7,41%
5,52%
5,76%
||
4,66%
4,62%
3,31%
3,68%
2,66%
8 CONCLUSIE
Moeten we dan maar voorbijgaan aan de beeldbepalende
kommer-en-kwel-verhalen over overheid
en ICT? Natuurlijk niet. Er zijn projecten faliekant
mislukt. Overschrijdingen in budget en tijd zijn
helaas een veelvoorkomend verschijnsel. In Nederland
én in het buitenland, bij het bedrijfsleven
én bij de overheid. En natuurlijk moeten we dit
niet bagatelliseren, maar aanpakken.
Veel overheidsorganisaties hebben bezuinigingen
doorgevoerd. Dit is ook ten koste van hun automatiseringsactiviteiten
gegaan. Vacatures werden
niet opgevuld en de aanschaf van nieuwe generaties
software werd uitgesteld. De overheid wordt
nog kleiner en de salarissen staan onder druk; ook
een politieke keuze. De instroom van jonge en
hoogopgeleide ICT-deskundigen loopt daardoor
gevaar. Zij gaan aan het werk bij het bedrijfsleven.
De afhankelijkheid van de overheid van externen
en ICT-leveranciers zal daardoor eerder toe- dan
afnemen. Bestuurders gaan daardoor de greep
op automatisering verliezen. De overheid zal als
‘grootverbruiker’ van ICT het tij moeten keren en
meer geld vrij moeten maken voor ICT en deskundige
medewerkers.
“A person who never made a mistake never tried
anything new” – Albert Einstein
16.
Van der Meer, F.M., & Van den Berg, C. (2011). De groei en daling van het aantal ambtenaren. In Staat
van de Ambtelijke Dienst. Den Haag: CAOP.
DE OVERHEID DIGITALISEERT!
73
׉	 7cassandra://xNYCaJGGHk2a4ItgT-jBvmViW-_H7mDsA5RNncSnXywE`̵ Vt
q7&'ǁVt
q7&'ƁFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://Roa4q-kBhs5G1WF6cE-0X_A5qXug7JXY6cKTnmhbjw8 ` 
׉	 7cassandra://n0AP1L7-Nm4tWPntCnuQXp0tVAlz6IRS1XlWuptmH2gE
` T׉	 7cassandra://fjvZbuhxhzPgkGD1U89ugJ5tTKRKPKIByPEVx2VCu-sy`̵ ׉	 7cassandra://4woo_V-hS8NCz4bSHnnbuM3_VB76YMq4xTiYSH60g6k4$͠Vt
q7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://E3J-jMmvkml8OGmSIN36QgQvcUe8TKs9_R9pygDFBok Q` 
׉	 7cassandra://rSF_esuudUOAGw4nzW8jeJhVw863aukiZBduhMiCicM'7` T׉	 7cassandra://H_rWVZFCb1Z3jQs-hl4XoeZRhS5DrQpH5f6ebiCVxlU{` ̵ ׉	 7cassandra://Zgg251OWvoMba9THI3YbiMc5ESGxlrhs40bZJ2vqJJA/(͠Vt
q7&' נVt
q7&'Ɂ Ɓ9׉H $http://www.mijnpensioenoverzicht.nl/GׁׁrנVt
q7&'ʁ 9׉H &http://suwinet-inkijk-demo.suwinet.nl/GׁׁrנVt
q7&'ˁ Y̼9׉Hhttps://pdokviewer.pdok.nl/GׁׁrנVt
q7&'́ H9׉H "http://www.ondernemingsdossier.nl/GׁׁrנVt
q7&'́ s̣9׉Hhttps://data.overheid.nl/GׁׁrנVt
q7&'΁ Bs9׉Hhttp://www.overheid.nlGׁׁrנVt
q7&'ρ ʁ̬9׉Hhttps://www.translink.nlGׁׁrנVt
q7&'Ё `9׉H Bhttp://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/doorbraakprojecten-met-ictGׁׁrנVt
q7&' a9ׁH :http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/doorbraakprojectenׁׁЈנVt
q7&' ́̬9ׁHhttps://www.translink.nlׁׁЈנVt
q7&' Bs9ׁHhttp://www.overheid.nlׁׁЈנVt
q7&' v̢9ׁHhttps://data.overheid.nlׁׁЈנVt
q7&'߁ J9ׁH "http://www.ondernemingsdossier.nl/ׁׁЈנVt
q7&'ށ Y̻9ׁHhttps://pdokviewer.pdok.nlׁׁЈנVt
q7&'݁ l9ׁH %http://suwinet-inkijk-demo.suwinet.nlׁׁЈנVt
q7&'܁ ȁ9ׁH #http://www.mijnpensioenoverzicht.nlׁׁЈ׉EFWe moeten ons realiseren dat ICT een jonge discipline
is, die bovendien razendsnel mogelijkheden
voortbrengt die tot voor kort onvoorstelbaar
leken. Ontwikkelingen als social media, mobile
en big data zijn nog maar net uit hun ei gekropen
of bestuurders beginnen te roepen dat dergelijke
zaken bepalend zijn voor de toekomst van de
overheid. De verwachtingen zijn torenhoog. Innovatie
en ambitie zijn belangrijke waarden voor
veel bestuurders en volksvertegenwoordigers.
Wanneer hieraan wordt toegegeven, moeten we
ons realiseren dat er gewerkt wordt met uiterst
geavanceerde technologie, die vaak nog maar half
ontwikkeld is en waarvan de kennis schaars is.
Het is mooi om ambitieus te zijn en internationaal
voorop te willen lopen. Maar dan moeten we accepteren
dat er wel eens iets misgaat.
Kortom, de Nederlandse overheid loopt internationaal
voorop als het gaat om automatisering.
Dat is goed voor ons imago, biedt een stevige thuismarkt
voor de vele ICT-bedrijven die ons land telt
en draagt bij aan het klein houden van ons ambtelijk
apparaat. We moeten blijven investeren in deze
ontwikkeling en er de juiste randvoorwaarden voor
creëren. En zelfs als we die hebben ingevuld zullen
er ook in de toekomst nog projecten misgaan. Dat
hoort bij de prijs die we betalen om koploper te
blijven op het gebied van ICT.
74
DE OVERHEID DIGITALISEERT!
׉	 7cassandra://fjvZbuhxhzPgkGD1U89ugJ5tTKRKPKIByPEVx2VCu-sy`̵ Vt
q7&'׉EMeer zien? Raadpleeg de volgende bronnen:
Pensioenoverzicht: www.mijnpensioenoverzicht.nl
Digitaal Klantdossier: bekijk de demo op htttps://suwinet-inkijk-demo.suwinet.nl
Publieke Dienstverlening op de kaart: https://pdokviewer.pdok.nl
Ondernemingsdossier: http://www.ondernemingsdossier.nl/
Open data: https://data.overheid.nl
Overheidsdiensten en publicaties: www.overheid.nl
OV-chipkaart: https://www.translink.nl
http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/doorbraakprojecten-met-ict
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
75
׉	 7cassandra://H_rWVZFCb1Z3jQs-hl4XoeZRhS5DrQpH5f6ebiCVxlU{` ̵ Vt
q7&'ՁVt
q7&'ԁFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://Gflwxsocbw7TrbskStChvhyjCIOA3uXOYNZdJgLu--s͍6` 
׉	 7cassandra://hnnO-mNtcTcjnBzr3NOrQ4cGP-gSdn_sGoFAO66naic` T׉	 7cassandra://fnvj4wWIkaFq6Tv5MyoPrmUn3sTSeqFCT6794cVkfrs`̵ ׉	 7cassandra://SSzC8GyEM60YDinmGpLXJ06boQzikLxsZSLWgy3FafU|͠Vt
q7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://6EOIf36HrMWbOAoPp7HGcXHaGvBmi2-btytMKQ_rJjw r` 
׉	 7cassandra://3-agrAHfkUnrHCWCz2TWX92NFfJz6d-rtV9EIs97soU9` T׉	 7cassandra://SK2tFb8awGBX9YssnH9UosCsmUF4CGSWhyhIOxWInno<`̵ ׉	 7cassandra://w8Ja-UBZ8U8DBYoVNB3OPlf6nw4Q-NJDsUMja1mnn0c+Jx͠Vt
q7&'׉E '76
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://fnvj4wWIkaFq6Tv5MyoPrmUn3sTSeqFCT6794cVkfrs`̵ Vt
]7&'׉E 6. Wat betekenen
digitalisering van werk
en schaarste op de
arbeidsmarkt voor het
openbaar bestuur?
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
77
׉	 7cassandra://SK2tFb8awGBX9YssnH9UosCsmUF4CGSWhyhIOxWInno<`̵ Vt
q7&'فVt
]7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://0M4hY7shjbxbsYVy2m3WFY_MYN8wZN2cBsnSAWLLwI8 ` 
׉	 7cassandra://eoAcfoB03CvdPxp0hQLD5XhStZbsm1Ns0i3L7vCaDes?`T׉	 7cassandra://UsjJbt6oD2vKaWUJpKF6THHN4glJQa3uuzSWjVkgsTU|`̵ ׉	 7cassandra://iS-bdsIITINOWl7KFqT7FwSICEtSO3inwI7qrwANbIs;(͠Vt
r7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://2yrl8y5wh9AJZIMw3rrMwZj7B2dH-GHkcNtfva5UzIU I` 
׉	 7cassandra://sA43QjCQiAD0Os_kXnai__u-MSOg2tTqlF_s_F5dPsMo`T׉	 7cassandra://upNEoYVtEUwps9-R3agSJqFTL6l2CEluGHBPvgobpLc`̵ ׉	 7cassandra://aX0TJBBc9kP0YjmQj8DkzlA0MPg2DJtCKSBRjSe72kEA$͠Vt
r7&'נVt
q7&'ہ Bo9׉H >http://kennisopenbaarbestuur.nl/thema/samenstelling-personeel/Gׁׁr׉EP.J. Banis en drs. G.E. Evers
1 INLEIDING
De overheid heeft haar eigen arbeidsmarkt de
afgelopen jaren flink op slot gegooid door de
bezuinigingen. Veel overheden hebben om de
bezuinigingsdoelstelling te realiseren een vacaturestop
ingesteld, waarmee nieuwe instroom van
medewerkers zo goed als onmogelijk is gemaakt.
Het resultaat is dat er weinig beweging meer is
op de arbeidsmarkt van de overheid.17
Het effect
hiervan is dat het aandeel vijftigplus-medewerkers
stijgt en het aandeel medewerkers dat jonger
is dan dertig jaar daalt.18
Bij gemeenten ligt de
gemiddelde leeftijd in 2014 op 48,1 jaar en de verwachting
is dat deze leeftijd binnen enkele jaren
zal liggen op vijftig jaar. Daarnaast zien we dat de
rol van de overheid aan het veranderen is, doordat
de overheid steeds meer in co-creatie met andere
partijen haar beleid vormgeeft.
Tegen de achtergrond van vergrijzing en ontgroening
zal de overheid de komende tijd een forse
inspanning moeten leveren om ervoor te zorgen
dat ze de juiste mensen aantrekt. Dit met het oog
op het leveren van kwalitatief goede dienstverlening,
want van de overheid wordt steeds meer
gevraagd dat zij de dienstverlening 24/7 levert en
dat deze op de burger is toegesneden. Het ligt voor
de hand dat de eisen die aan overheidsmedewerkers
worden gesteld, omhoog zullen gaan.
17. Zie Personeelsmonitor Gemeenten 2014.
18. http://kennisopenbaarbestuur.nl/thema/samenstelling-personeel/
78
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://UsjJbt6oD2vKaWUJpKF6THHN4glJQa3uuzSWjVkgsTU|`̵ Vt
]7&'׉E8In deze bijdrage belichten we enkele ontwikkelingen
waarmee de overheid te maken heeft en wat zij
kan doen om een aantrekkelijke werkgever te zijn.
2 ANDERE ROL VOOR DE OVERHEID
IN DE SAMENLEVING
In de vorige eeuw is in Nederland een uitgebreide
verzorgingsstaat opgebouwd, waarbij de overheid
een grote verantwoordelijkheid op zich nam
voor de burgers. Deze verzorgingsstaat bleek na
verloop van jaren hoge kosten met zich mee te
brengen, doordat steeds meer burgers zich tot de
overheid richtten voor de oplossing van sociale
problematiek. In de loop van de 21e
eeuw werd
duidelijk dat er maatregelen genomen moesten
worden om de houdbaarheid van de verzorgingsstaat
te garanderen. De crisis van 2008 heeft de
discussie over de rol van de overheid verdiept en
heeft gezorgd voor een heroriëntatie op haar rol.
De overheid is niet langer de instantie die maatschappelijke
vraagstukken oplost, maar doet dat
samen met andere partijen in de samenleving.
Co-creatie en de participatiesamenleving zijn de
manieren waarop de overheid haar werkzaamheden
gaat inrichten, waarbij zij zich opstelt als een
netwerkpartij.
Naast een andere rol van de overheid spelen
bezuinigingen en het goedkoper maken van de
dienstverlening een belangrijke rol. Er wordt sterk
ingezet op het digitaliseren van de dienstverlening.
Na jaren van voorbereiding lijkt het erop dat
in de komende tijd de burgers gaan merken dat het
contact met de overheid digitaal zal verlopen.
3 TECHNOLOGIE EN BURGER
De technologische ontwikkelingen zorgen ervoor
dat er steeds meer gegevens kunnen worden
vastgelegd. De rekenkracht van computers is
enorm toegenomen, er zijn sensoren ontwikkeld
die (automatisch) waarnemingen doen, het aantal
bronnen waar gegevens te vinden zijn neemt toe
(social media), de opslagcapaciteit is zo goed als
onbeperkt en er is sprake van een forse toename
van algoritmes die gegevens doorzoeken en patronen
kunnen herkennen.19
Kortom, er zijn vrijwel
oneindige mogelijkheden ontstaan om gegevens
op te slaan en te verwerken.
Deze technologische ontwikkelingen hebben
de overheid de afgelopen jaren geholpen bij het
opbouwen van een digitale infrastructuur. Dat
wil zeggen dat er aan de achterkant veel ontwikkelingen
zijn geweest die de voorwaarden hebben
gecreëerd om de dienstverlening aan de burgers te
digitaliseren. Gegevens worden eenmalig vastgelegd
op de plek waar zij ontstaan en deze gegevens
worden vervolgens door verschillende overheden
gedeeld en gebruikt. Dat is mogelijk omdat er afspraken
zijn gemaakt over de gestandaardiseerde
opslag van gegevens. Het is binnenkort mogelijk
dat de burger niet meer bij elk contact met de
19.
Een mooi voorbeeld hiervan is het artikel in NRC van 22 augustus 2015 ‘Een misdrijf is al ontdekt voordat
het gepleegd is’.
WAT BETEKENEN DIGITALISERING VAN WERK EN SCHAARSTE OP DE ARBEIDSARBEIDSMARKT VOOR HET OPENBAAR BESTUUR?
79
׉	 7cassandra://upNEoYVtEUwps9-R3agSJqFTL6l2CEluGHBPvgobpLc`̵ Vt
r7&'Vt
]7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://DRH0h4ehUgtYdzww4HxkxUH6DNzfUsDssb47EC-B_D0 ` 
׉	 7cassandra://uWbavZZsd5IK3W3TO7Vo08nY2Ptzcrkn2KTIrDVXP7Ix`T׉	 7cassandra://wjTgFt5P5gkfwv4DtmmUETQ3rhYdoqwYlNaL0Aw7U3I``̵ ׉	 7cassandra://GWrhFkFD4tTOO48dsc6bHzMCw_PkKOnvVLT1JlFWQjMc$͠Vt
r7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://pxwemURYVRakoJvAAG2_658LHqfFnOQ2phIletl2Avk 	` 
׉	 7cassandra://BnwDhOVZc3x7PjJ-jXm1uopBT6MZFxZu_HNd7l3vYqQuG`T׉	 7cassandra://mn1LOE7qvt3_HZVr4dotO3JF5tzeAPmwMHCtgi3V0_Aj`̵ ׉	 7cassandra://YFCWQ_7IVdcGQz9_OIJyvqwYZantRmtAxfiEQ9jcdHM`(͠Vt
s7&'נVt
r7&' B\29׉H ,http://www.digitaleoverheid.nl/digitaal-2017GׁׁrנVt
r7&' 9׉H mhttp://www.vngmagazine.nl/archief/18119/digicommissaris-bas-eenhoorn-wil-wethouder-voor-informatievoorzieningGׁׁrנVt
r7&' BQ9׉H mhttp://www.vngmagazine.nl/archief/18119/digicommissaris-bas-eenhoorn-wil-wethouder-voor-informatievoorzieningGׁׁrנVt
r7&' B9׉H hhttp://www.digicommissaris.nl/blog-item/wat-in-de-maatschappij-gewoon-is-is-dat-voor-de-overheid-nog-nieGׁׁrנVt
r7&' BV9׉H hhttp://www.digicommissaris.nl/blog-item/wat-in-de-maatschappij-gewoon-is-is-dat-voor-de-overheid-nog-nieGׁׁrנVt
r7&' B9׉Hhttp://youtu.be/1mmC83rj5QkGׁׁr׉Eoverheid zijn of haar gegevens hoeft in te vullen,
maar dat de gegevens al zijn opgenomen in het
contactformulier. Een voorbeeld hiervan zijn de
formulieren inkomensbelasting van de Belastingdienst,
waar de meeste rubrieken al zijn ingevuld
op basis van bekende informatie.
De ambitie van de overheid is om in 2017 het
contact met burgers en bedrijven zo veel mogelijk
digitaal te laten verlopen.20
Dat betekent dat burgers
en bedrijven via een kanaal contact kunnen
onderhouden met de overheid (no wrong door) en
dat zij 24/7 terechtkunnen om vergunningen of
een rijbewijs aan te vragen of overheidsinformatie
te krijgen. Voor dienstverlening die zich niet leent
om via het digitale kanaal te laten verlopen, is het
nog altijd mogelijk om persoonlijk contact met de
overheid te hebben. De verwachting is dat deze
werkwijze de kwaliteit van de dienstverlening
verhoogt en dat de kosten zullen dalen.21
De Nederlandse overheid is niet de enige overheid
die druk bezig is om het dienstenaanbod te
digitaliseren. Sterker nog, volgens Digicommissaris
Bas Eenhoorn loopt Nederland achterop:
‘Van alle digitaal hoogontwikkelde landen bungelt
de Nederlandse overheid onderaan.’22
Voor veel
Nederlanders is het heel gewoon om veel zaken
digitaal te doen, echter nog niet met de overheid.
Zo loopt Denemarken flink voorop als het gaat om
digitalisering van het dienstenaanbod.23
Door het digitaliseren van werkzaamheden zal het
routinematige werk bij de overheid vervallen. Wat is
bekend over de effecten van digitalisering voor het
werk bij de overheid? We maken een verkenning.
4 TECHNOLOGIE EN WERK BIJ DE
OVERHEID
In de discussie over digitalisering ligt de focus
sterk op de technische aspecten en is er minder
aandacht voor de vraag welke effecten digitalisering
zal hebben op de organisatie en het werk.
De noodzaak om het te hebben over de effecten,
is gebleken uit het debat dat minister Asscher
aanzwengelde over wat technologie kan betekenen
voor werk.24
De stelling is dat banen verloren
gaan in verschillende sectoren (technologische
werkloosheid) en in verschillende publicaties
wordt betoogd dat het routinematige werk zal
verdwijnen, maar dat ook delen van het werk dat
kenniswerkers uitvoeren kunnen verdwijnen.25
Zodra werk valt te codificeren (in regels vast te
leggen), kan het werk worden geautomatiseerd.
De verwachting is dat veel administratief werk
de komende jaren geautomatiseerd kan worden,
waarbij te denken valt aan berekeningen maken,
boekhouden, processen bewaken en producten
20. http://www.digitaleoverheid.nl/digitaal-2017
21.
gemeente Molenwaard bespaart 1 miljoen euro op bedrijfskosten door loketten af te schaffen en digitaal
te communiceren met burgers. http://www.vngmagazine.nl/archief/18119/digicommissaris-bas-eenhoorn-wil-wethouder-voor-informatievoorziening
22.
23.
http://www.digicommissaris.nl/blog-item/wat-in-de-maatschappij-gewoon-is-is-dat-voor-de-overheid-nog-niet
Zie
Gillebaard, H., & Vankan, A. (2013). De digitale (zelf)redzaamheid van de burger: ondersteuning bij
de Digitale Overheid 2017. Utrecht: Dialogic.
24. http://youtu.be/1mmC83rj5Qk; NRC, 29 sept 2014.
25. Zie Brynjolffson, E., & McAfee, A. (2014). Het tweede machinetijdperk. Houten: Unieboek/Spectrum.
80
WAT BETEKENEN DIGITALISERING VAN WERK EN SCHAARSTE OP DE ARBEIDSARBEIDSMARKT VOOR HET OPENBAAR BESTUUR
׉	 7cassandra://wjTgFt5P5gkfwv4DtmmUETQ3rhYdoqwYlNaL0Aw7U3I``̵ Vt
s7&'׉Ebeoordelen.26 Het UWV geeft aan dat tussen 2008
en 2012 het aantal administratieve beroepen in
hoog tempo is gedaald voornamelijk door digitalisering
en automatisering van het werk. Voor
de periode tot en met 2018 zal deze daling verder
doorgaan door het gebruik van computerprogramma’s
en geprogrammeerde systemen.27
wel het UWV niet expliciet de overheid noemt,
is het wel duidelijk dat bij de overheid een groot
aantal administratieve beroepen voorkomt.
De verwachting is dat er polarisatie zal optreden,
omdat de vraag naar hoger opgeleiden toeneemt,
de vraag naar lager opgeleiden niet sterk zal veranderen
en dat er sprake zal zijn van een krimp van
het aantal middelbaar opgeleide medewerkers.28
Welke invloed zal digitalisering bij de overheid
hebben? Wat gaat dat betekenen voor de arbeidsmarkt,
de werkgelegenheid en het type werknemers?
Er valt weinig te vinden over de impact van
technologie op het werk bij de overheid. Hierbij
hoort de kanttekening dat het leggen van een
directe relatie tussen technologie en de effecten
lastig is. Doorgaans is er sprake van een aantal
ontwikkelingen die zich gelijktijdig voordoen,
zoals de invoering van lean management, de uitbesteding
of het niet meer uitvoeren van werkzaamheden.
Het A+O fonds Gemeenten heeft
een rapport laten opstellen om in kaart te brengen
welke effecten digitalisering op het werk kan hebben.29
Het
rapport stelt vast dat veel routinematig
Hoewerk
zal verdwijnen doordat de computer deze
werkzaamheden kan overnemen. Het gaat om
werk dat bestaat uit de uitvoering van administratieve
handelingen, die veelal zijn vastgelegd
in vaste procedures. Een mooi voorbeeld hiervan
is de digitale dakkapel, waarvoor de bewoner
online een vergunning kan aanvragen om deze
te laten plaatsen. Het hele vergunningsproces
voor de bouw van een dakkapel kan de aanvrager
online afhandelen.30
Bij het uitvoeren van deze
standaardwerkzaamheden is de toegevoegde
waarde van een medewerker gering. Uitzonderingen
hierop zijn overigens werkzaamheden die
veel fysiek uitvoerende taken omvatten, zoals de
groenvoorziening, straten maken, reinigingswerkzaamheden
et cetera. Dezelfde studie van het A+O
fonds Gemeenten haalt een Zweeds onderzoek
aan waarin staat dat vooringevulde belastingformulieren
geleid hebben tot ongeveer 15 procent
minder werkgelegenheid. Verder gaan we ervan
uit dat de manier waarop we belastingformulieren
controleren ook wordt gedigitaliseerd.
De gegevens worden jaarlijks vergeleken met
het voorgaande jaar en zolang deze binnen een
bepaalde marge blijven, is er niets aan de hand.
Overschrijding van de marge is pas aanleiding om
te controleren. Door deze werkwijze zijn minder
belastingambtenaren nodig.
Van Est, R., & Kool, L. (2015). Werken aan de robotsamenleving: visies en inzichten uit de wetenschap
over de relatie technologie en werkgelegenheid. Den Haag: Rathenau Instituut.
27. Administratieve beroepen. Arbeidsmarktbeschrijving. Amsterdam: UWV, maart 2015.
26.
28.
Van de Berg, W., & Ter Weel, B. (2015). Middensegment onder druk. Nieuwe kansen door technologie.
Den Haag: CPB.
29. Digitalisering en de toekomst van het werk bij gemeenten. Trendanalyse HR. Den Haag: januari 2015.
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
81
׉	 7cassandra://mn1LOE7qvt3_HZVr4dotO3JF5tzeAPmwMHCtgi3V0_Aj`̵ Vt
s7&'Vt
s7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://63Pv688HuszpZlhowm4vvO12zeya9RdrBkA7vYZDpJg c?` 
׉	 7cassandra://XTjVnQtfeiWJ0vWZkujc-9FzEMMl4JWF_JrwdZ84uSÀK`T׉	 7cassandra://F88ErFk1mqaV-CVZvt5q-gowWHKuxKEqBgLks19KJoo`̵ ׉	 7cassandra://RjB21htncxjSyPPnbeuvVlBYfaMHRIBuooyGZhGwV2EX(͠Vt
s7&' ט # #nu׉׉	 7cassandra://rs1GbCDAT5SeMTvPQEYYuXdX20Ga9hQ54u9W63B-OcQ ` 
׉	 7cassandra://cFMIzp-Iy5G7Nu9yxn8QqtCi97XjmxxD1-stzNbshGgdE`T׉	 7cassandra://z0P29b-8aG0vKnrgrvvkgMayt47nhqE8saDJd1KWvaQ`̵ ׉	 7cassandra://7GXNEesvmffSJqnHQNrtEbni8JuUp-5unBC3CqAhhYUV̞͠Vt
t7&'נVt
s7&' B\59׉H *http://www.digitaledakkapel.com/Index.aspxGׁׁrנVt
s7&' B]9׉H Thttp://www.nrcq.nl/2015/07/20/amsterdam-gaat-met-big-data-de-toeristendrukte-te-lijfGׁׁrנVt
s7&' v9׉H Dhttps://www.deingenieur.nl/artikel/automatisch-mensen-tellen-op-sailGׁׁrנVt
s7&' Bi9׉H 2http://koop.overheid.nl/producten/portal-open-dataGׁׁrנVt
s7&' oN9׉Hhttp://www.cbs.nlGׁׁrנVt
s7&' o&9׉Hhttp://cbs.nl/GׁׁrנVt
t7&' qt9ׁHhttp://www.cbs.nlcbs.nlׁׁЈ׉EEr zijn ook werkzaamheden die voorlopig nog
niet gedigitaliseerd kunnen worden. Het gaat om
werkzaamheden rondom het opstellen van een
oordeel voor complexe situaties, bijvoorbeeld bij
het aanvragen van voorziening in het kader van de
WMO. Als daarbij verbindingen moeten worden
gelegd met andere onderdelen van de gemeentelijke
organisatie of met zorginstellingen, levert
een medewerker toegevoegde waarde. De verwachting
is dat dit doorgaans functies betreft van
hoogopgeleide medewerkers. Functies waarin de
medewerker complexe beslissingen moet nemen
en waarbij creativiteit van belang is om verbindingen
te leggen, samenhang te zien en met de burger
over de beslissingen te communiceren.
Een naar verhouding nieuwe ontwikkeling is het
gebruik van big data. Big data zal steeds meer als
hulpmiddel worden ingezet bij het nemen van
beslissingen. De hoeveelheid data die door het
gebruik van een verscheidenheid aan bronnen
is vastgelegd over de openbare ruimte, is enorm
toegenomen. Deze veelheid aan gegevens moet
worden omgezet naar bruikbare beleidsinformatie,
wat op zich een complexe taak is. De gegevens
die worden verzameld moeten worden geïnterpreteerd
en op basis daarvan moet handelend
worden opgetreden. De gemeente Amsterdam is
een interessant voorbeeld van het gebruik van big
data. Amsterdam is in trek bij toeristen, maar dat
levert ook de vraag op hoe deze bezoekers goed
door de stad kunnen worden geleid. De gemeente
maakt gebruik van verschillende databronnen,
zoals gps-data, hotelovernachtingen, openbaarvervoergebruik,
social media en foto’s geplaatst
op Flickr, om te zien op welk moment van de dag
er grote toeristenmassa’s te vinden zijn.31
data kan de gemeente realtime de toeristendrukte
monitoren. Op basis hiervan kan de gemeente
bepalen of zij extra personeel moet inzetten in
bepaalde gebieden (handhavers, reinigers, medewerkers
openbaar vervoer et cetera).32
De verwachting is dat, door de beschikbaarheid
van veel data en de vraag om deze data om te zetten
naar zinvolle (beleids)informatie, er nieuwe
functies zullen ontstaan bij de overheid. Het ziet
er niet naar uit dat de overheid zelf op basis van
deze data nieuwe diensten gaat aanbieden, maar
dat overlaat aan de markt. Een bekend voorbeeld
hiervan is de app Buienradar.33
Inschatten hoeveel werk door de digitalisering in
zijn totaliteit bij de overheid mogelijk zal verdwijnen,
is moeilijk, omdat het gaat om een balans
in het wegvallen van werk en het ontstaan van
nieuw werk door digitalisering. Hoewel we nog
niet weten wat de impact zal zijn, lijken er wel
belangrijke veranderingen te gaan optreden in
het personeelsbestand van de overheid. Minder
lager opgeleiden en meer hoger opgeleiden om de
nieuwe complexe taken die gaan ontstaan, uit te
Met deze
30.
31.
32.
http://www.digitaledakkapel.com/Index.aspx Zie ook G. Evers, die aangaf dat 60 procent van het
werk in de Klant Contact Centra zal verdwijnen. InProces en Document, september 2010, nummer 3.
http://www.nrcq.nl/2015/07/20/amsterdam-gaat-met-big-data-de-toeristendrukte-te-lijf. Zie verder
ook https://www.deingenieur.nl/artikel/automatisch-mensen-tellen-op-sail
Als in meldingen openbare ruimte bepaalde patronen zijn te ontdekken (bijvoorbeeld graffiti op vaak
dezelfde plaatsen), kan de gemeente met de buurt het gesprek aangaan. Zie het voorbeeld van gemeente
Palo Alto (VS) in I-bestuur nummer 14, april 2015.
33.
http://koop.overheid.nl/producten/portal-open-data. Zie ook artikel ‘Haal als overhead meer waarde
uit eigen data’. In I-Bestuur nr 16 oktober 2016
82
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://F88ErFk1mqaV-CVZvt5q-gowWHKuxKEqBgLks19KJoo`̵ Vt
t7&'׉E	cvoeren. De vraag is hoe de overheid kan omgaan
met deze veranderende werkzaamheden en in
hoeverre zij zittende medewerkers in deze ontwikkelingen
kan meenemen.
Wel duidelijk is dat de overheid te maken krijgt met
veel externe ontwikkelingen, die leiden tot veranderdruk
en verandervermogen van de gemeenten en
de werknemers. Zal er sprake zijn van een ‘war on
talent’ en wat kan de overheid doen?
sector. Tussen 2008 en 2014 daalde het percentage
laag en middelbaar opgeleide werknemers van
bijna 50 naar 43 en steeg dus het percentage hoger
opgeleiden van 50 naar bijna 57.34
Deze verandering
houdt geen tred met het landelijke aanbod
van de arbeidsmarkt; op dit ogenblik is immers
maar 34 procent van de beroepsbevolking hoger
opgeleid.35
Deze trend gaat weliswaar omhoog,
maar het is twijfelachtig of de komende decennia
percentages van bijna 60 gehaald gaan worden,
terwijl de overheid deze mensen steeds meer
nodig heeft.
Externe
ontwikkelingen
Veranderdruk
Verandervermogen
van
gemeenten en
werknemers
5 WAR ON TALENT: HOE BLIJFT DE
OVERHEID AANTREKKELIJK OP DE
ARBEIDSMARKT?
De overheid (zowel het Rijk als decentrale overheden)
heeft te maken met veranderende werkzaamheden
en dus een veranderende arbeidsmarkt.
Werken voor de overheid wordt steeds complexer
en veel laaggeschoolde arbeid is verdwenen door
automatisering of outsourcing naar de private
Een andere trend die tegelijk speelt, is de ontgroening
van de bevolking en de afname van de
beroepsbevolking. Volgens het CBS zal het aandeel
jongeren (0 tot 19 jaar) tussen 2010 en 2030
afnemen van 24 naar 21 procent van de totale bevolking
en het aandeel van 20- tot 65-jarigen dalen
van 61 naar 55 procent van de totale bevolking.
Een steeds kleiner deel van de bevolking zal dus
werken en er zullen minder hoogopgeleide jongeren
zijn. De verwachting is dan ook dat er een
slag om deze hoogopgeleide jongeren ontstaat, de
zogenaamde war on talent. Ook de overheid zal
zich wel moeten mengen in deze strijd, zoals eerder
aangegeven. Al in 2010 meldde het rapport ‘De
grote uittocht’ van BZK dat de overheid een sterk
vergrijsd werknemersbestand heeft, wat ertoe
zou leiden dat grote groepen ambtenaren binnen
afzienbare tijd met pensioen zouden gaan. De
34. Personeels- en mobiliteitsonderzoek 2014.
35. Zie www.cbs.nlcbs.nl
WAT BETEKENEN DIGITALISERING VAN WERK EN SCHAARSTE OP DE ARBEIDSARBEIDSMARKT VOOR HET OPENBAAR BESTUUR
83
׉	 7cassandra://z0P29b-8aG0vKnrgrvvkgMayt47nhqE8saDJd1KWvaQ`̵ Vt
t7&'Vt
t7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://G9gEaS5RHO5rgk0CI-xq-9nUVuzQbWZAiTt2iAiNeOM ` 
׉	 7cassandra://1B6JDEOLHYbge0FeU9I_izXuY-4BQMS03B_dSNlPIDstv`T׉	 7cassandra://S1ceq3eGRryb1UQhVc8qpjZgCD28eGGyvNP_UFz6pFI`̵ ׉	 7cassandra://n-dShj7DUDRwcrBxBpmBJQahsPbR8A2c5afhxrK7_-4S$͠Vt
t7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://Q7HKF2KKw6EQvuEJXCZn_YUNnWb3pf8VR_d51opGoDE u` 
׉	 7cassandra://_478Y8_U_716TPWOAh53AxnsJTQoZ-134v2X9ZDPocUoi`T׉	 7cassandra://0bNoMJ84EC0GW3rPlWD317hoA5ajbQ4uC1sM7efMVfA`̵ ׉	 7cassandra://rmIVvi8pzQD_YNPBky_1yxsplb1pyACHLrOnN-o7RB4[-(͠Vt
t7&'נVt
t7&' /o9׉H chttps://vng.nl/files/vng/brieven/2014/20141002_ledenbrief_uitwerking-cao-2013-2015-1-algemeen_1.pdfGׁׁrנVt
t7&' s9׉H chttps://vng.nl/files/vng/brieven/2014/20141002_ledenbrief_uitwerking-cao-2013-2015-1-algemeen_1.pdfGׁׁrנVt
t7&' /q9ׁHhttps://vng.nl/files/vng/brieׁׁЈ׉Everwachte vervangingsvraag die daarmee gepaard
zou gaan, zou leiden tot het nemen van dringende
maatregelen om te voorkomen dat de overheid een
probleem zou krijgen met haar dienstverlening
aan de burgers. De voorspellingen van dit rapport
zijn tot nu toe niet uitgekomen, onder andere door
veranderend kabinetsbeleid (de taakstelling op de
rijkdienst bijvoorbeeld door de kabinetten-Rutte)
naar aanleiding van de grote recessie met dito bezuinigingen.
Andere zaken die hier meespeelden,
waren een verhoging van de pensioenleeftijd naar
67 jaar, een versoepeling van het ontslagrecht en
versobering van de WW. In 2013 leidde dit al tot
de conclusie dat de overheid eerder een kwalitatief
probleem heeft dan een kwantitatief probleem.36
Hoe zorgt de overheid er dan voor dat zij een
aantrekkelijke werkgever blijft voor jonge hoogopgeleide
mensen? Deze groep is immers voor bijna
alle sectoren in Nederland aantrekkelijk; ook de
zakelijke en financiële dienstverlening vissen in
dezelfde vijver en deze sectoren hebben vaak een
aantrekkelijker imago en dito arbeidsvoorwaarden.
Het openbaar bestuur kan gezien zijn maatschappelijke
opdracht en een zuinig kabinetsbeleid niet
concurreren op salaris, leaseauto en dure MBAopleidingen
in het buitenland. Dat betekent dus dat
de overheid fors moet inzetten op andere middelen
om aantrekkelijk te zijn voor deze doelgroep. Een
van de punten die dan natuurlijk spelen, is het
imago van de ambtenaar en het werken voor het
openbaar bestuur. Het imago van de ambtenaar
is dat deze stoffig, overbodig en traag is, maar wel
nuttig en dienstbaar.37
Overigens blijkt dat men het
dan vooral heeft over beleidsambtenaren en heel
anders kijkt naar bijvoorbeeld gevangenispersoneel.
Dit vraagt om een actief HRM-beleid, waarbij
de overheid fors inzet op het belang van werken in
het publieke domein met al haar stakeholders en
relevantie voor de samenleving.
De overheid kan dus niet de slag winnen van de
markt met hogere salarissen en dure leaseauto’s,
maar heeft wel een aantal andere troeven in handen
als je kijkt naar cao’s en cultuuraspecten. Ten
eerste hebben alle cao’s in het openbaar bestuur
prachtige afspraken over deeltijdwerken, thuiswerken
en vaak een maximale arbeidsduur van 36
uur per week, die in vier werkdagen mogen. Daarmee
is de overheid zeer aantrekkelijk voor allen
die de combinatie werk-privé belangrijk vinden.
Dat zijn over het algemeen hoger opgeleide tweeverdieners
met kleine kinderen, dus tussen de 30
en 45 jaar. Ten tweede zitten grote overheidswerkgevers
(Rijk, grote gemeenten en provinciehuizen)
vaak in grote steden, vooral in de Randstad.
Deze steden zijn uitermate populair bij hoogopgeleide
jongeren en ook bij jonge gezinnen.38
De
trend van toenemende urbanisatie in de Randstad
en grotere provinciesteden komt doordat deze
sociaal-cultureel aantrekkelijk zijn voor eerder genoemde
doelgroepen. Na hun studie willen hoger
36.
De grote uittocht herzien. Een nieuwe verkenning van de arbeidsmarkt voor het openbaar bestuur. Den
Haag: september 2013.
37. Motivaction, september 2011.
38. De Volkskrant, 22 augustus 2015.
84
WAT BETEKENEN DIGITALISERING VAN WERK EN SCHAARSTE OP DE ARBEIDSARBEIDSMARKT VOOR HET OPENBAAR BESTUUR
׉	 7cassandra://S1ceq3eGRryb1UQhVc8qpjZgCD28eGGyvNP_UFz6pFI`̵ Vt
t7&'׉Eopgeleiden werken in de stad waar vrienden wonen
en waar cultureel veel te doen is. De trend is
om in de stad te blijven wonen ook als er kinderen
komen, zeker in steden als Amsterdam en Utrecht.
Ten derde is de overheid een zekere werkgever en
dat heeft, zeker na de afgelopen crisis, meer status
dan in de jaren ’90. Ondanks het feit dat ook bij de
overheid steeds meer flexibele contracten komen,
is werkzekerheid bij het openbaar bestuur meer
gegarandeerd dan bij vele sectoren in de markt.
Ten vierde worden in cao’s afspraken gemaakt
over ontwikkelbudgetten. Zo is in de cao waterschappen
afgesproken dat medewerkers 5000
euro per vijf jaar mogen besteden aan opleiding,
ontwikkeling loopbaan en vitaliteit, met als doel
om de duurzame inzetbaarheid van medewerkers
op peil te houden.39
Deze voordelen heeft de overheid nu al als werkgever
en die kunnen mensen veel beter uitbuiten.
Daarnaast is er ook een aantal zaken die het
openbaar bestuur beter zou kunnen oppakken.
Aangezien de instroom van nieuwe medewerkers
ook de komende jaren naar verwachting laag
zal blijven, moet de overheid dus echt werk van
mobiliteit maken om te zorgen dat er ook meer
ruimte voor nieuwe medewerkers komt.40
Het
gebruik van externe detachering door het netwerk
van de organisatie in te zetten, stages en traineeprogramma’s
(voor alle medewerkers) en korte
opleidingen gericht op de arbeidsmarkt buiten de
eigen sector, vergroten de mobiliteit. Er is al veel
ervaring mee, maar het openbaar bestuur zou dit
groter kunnen oppakken.
Naast mobiliteit moet er ook worden geïnvesteerd
in duurzaamheid, in dit geval in medewerkers.
Ondanks de vergrijzing en mogelijk meer mobiliteit
zal de overgrote meerderheid in het openbaar
bestuur blijven werken. Dat betekent dus meer
aandacht voor scholing, coaching en leren op de
werkplek. Maar gezien de technologische ontwikkelingen
is er meer nodig. Dit vraagt misschien
wel om een grote cultuurverandering; de verwachtingen
van burgers over dienstverlening zal
niet minder worden en het lijkt politiek onwaarschijnlijk
dat er meer mensen en budget bijkomen
de komende jaren. De zittende medewerkers
zullen een flinke slag moeten maken, zowel in
kennis als vaardigheden. De overheid moet als
regiehouder, zoals eerder beschreven, creatiever
worden en de burger verrassen met slimme, snelle
en goedkope oplossingen. Dat vraagt om meer
investeringen in bijvoorbeeld de ontwikkeltijd
van medewerkers. Google heeft laten zien dat het
winstgevend kan zijn dat medewerkers 20 procent
van hun tijd mogen besteden aan eigen initiatieven
die op het eerste oog niets met het werk te
maken hebben.41
overheid kunnen?
Waarom zou dit ook niet voor de
39. Cao 1 januari 2014 – 1 januari 2017 artikel 5.3.1.
40.
41.
De afspraak in de gemeente-cao over het generatiepact helpt hierbij. https://vng.nl/files/vng/brieven/2014/20141002_ledenbrief_uitwerking-cao-2013-2015-1-algemeen_1.pdf
Bock,
L. (2015). De toekomst van werk. Inzichten die je kijk op het leven veranderen. Amsterdam: Ambo/
Anthos.
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
85
׉	 7cassandra://0bNoMJ84EC0GW3rPlWD317hoA5ajbQ4uC1sM7efMVfA`̵ Vt
t7&'Vt
t7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://Y6TVR5fkuFKk4U1rLeb14jZjmsoJxTBgN-CME9JVGW8 C` 
׉	 7cassandra://XVVQHp7EfRPyf_JC7vQSxbb9UMo-0NCE46qzI-KJiLs%` T׉	 7cassandra://r_373dqoZ3DNUHVtqjDGRUFmgv1mzXKqpq5f-gG2UyM	@`̵ ׉	 7cassandra://-ClN_zvb8WLijIcuGjOnodYPMyUdJ48Vv-Uzh4evjfk/(͠Vt
t7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://Lsd-V1A1vr8cdA_KBZ2teYFnL366FHYgsebNyhi9Jicq` 
׉	 7cassandra://9hx_8hseSjnshbuR0jekyFqv2QeCsL4XA6-cULizQio` T׉	 7cassandra://lMdt9xJE0iQ2mKHUjEBGs665nteocdzQsSgFgK0yAI0G`̵ ׉	 7cassandra://w25S3FFl_a8jlppQ0GAik7C-0aCDCoqzNtfttYz1k9kp$͠Vt
t7&'׉E6 CONCLUSIE
Na jaren van bezuinigingen moet de overheid echt
werk gaan maken van haar taak als werkgever voor
het openbaar bestuur van de toekomst. Digitalisering
en schaarste op de arbeidsmarkt voor hoger
opgeleiden vragen om een stevig HRM-beleid en
lef om ervoor te zorgen dat de dienstverlening van
de overheid bij de tijd blijft en kwalitatief goed is.
Een klantgerichte overheid is ondernemend, loopt
voorop en heeft de beste mensen nodig die er zijn.
Kortom, geen tijd te verliezen!
86
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://r_373dqoZ3DNUHVtqjDGRUFmgv1mzXKqpq5f-gG2UyM	@`̵ Vt
t7&'׉E jWAT BETEKENEN DIGITALISERING VAN WERK EN SCHAARSTE OP DE ARBEIDSARBEIDSMARKT VOOR HET OPENBAAR BESTUUR
87
׉	 7cassandra://lMdt9xJE0iQ2mKHUjEBGs665nteocdzQsSgFgK0yAI0G`̵ Vt
t7&'Vt
t7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://Db7bKp7aE5XwnEZVc-xqivO1o5E4O6TJPgCNLYu3UBw͏` 
׉	 7cassandra://0q-1WNC3KuzN6Tu0JcaL00Hg66uSlaNXEY3MW-aqa1Q^` T׉	 7cassandra://DklQ0BO_SOxsA0BwbA-0MKc9uYa88yhofUq6A3d5QzQ`̵ ׉	 7cassandra://k81-pSMFvUFF8EpGYk-DLOSSjkuasJup6tywZ2EqHiw|͠Vt
t7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://0XJ_d_6cxPpmGMAT71rqQtUwNYXnTnln-qkLb7gmJvE 9L` 
׉	 7cassandra://D8JocvxkyL1jC31FIqnSp78M_HaJL6NsLPHOqD-HL1A1` T׉	 7cassandra://SKxzvadmJ0TpGUpsyo_Rd75_ebN1waY5iKtMs4vdzRAy`̵ ׉	 7cassandra://Xcu50xLIoPxvSN4J7h-fMzGvbZirt6ZU4twAqY6DuIc*Dx͠Vt
u7&'׉E '88
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://DklQ0BO_SOxsA0BwbA-0MKc9uYa88yhofUq6A3d5QzQ`̵ Vt
]7&'׉E hDeel II.
De veranderende overheid
en medezeggenschap:
interviews
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
89
׉	 7cassandra://SKxzvadmJ0TpGUpsyo_Rd75_ebN1waY5iKtMs4vdzRAy`̵ Vt
u7&'Vt
]7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://CN1aH8BlKeX3LGZGzOIdobjtsl5Rum4Z2LMbAvw1_ow ^` 
׉	 7cassandra://37lBXJ_afb-IyN7JQCkk4w5Jz4h-Yo4v-DB7JH5FEtw4	`T׉	 7cassandra://YPVKjK1QESbgh8wO086Ub_4xzAsFj39Mgg4mQINcl-M8`̵ ׉	 7cassandra://zpgZRwpcCfwIaiLiKgg08Wd_WdnKYgmNYixxys0VU7k,(͠Vt
u7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://6VoyLPpJSzYIGOr5P5cLNFqoiR6sY1F_YylGqTwORmook` 
׉	 7cassandra://JuSQjlVsJG30NllmJ5fl52YtgGgQFzLdaTNCEALNplE` T׉	 7cassandra://yfQkC1EV4KY-LyxJEiZfxMoeNwmbOmJxIk-HrmB8nJ4J` ̵ ׉	 7cassandra://3RsWKoCHsTXB5NY1SGGQGfj6HwPhx5yrPrlPgGNo3Do#$͠Vt
u7&'׉EoMedezeggenschapsorganisaties spelen een
belangrijke rol bij de vele veranderingsprocessen
beschreven in deel I. In deel II zijn interviews
opgenomen met belangrijke spelers in deze
veranderingsprocessen over de rol van de medezeggenschap.
Uit de interviews blijkt dat de
medezeggenschap haar rol veel breder ziet dan
alleen belangenbehartiging van het personeel.
De medezeggenschap heeft een opvatting over
de inhoud van de verandering en geeft mede
richting aan de verandering. Daarbij schuwt de
medezeggenschap niet om een veranderingsgezinde
houding te kiezen indien dat nodig is. Het
is belangrijk dat de medezeggenschap daarbij een
goede verbinding houdt met de medewerkers
zodat aan de bestuurstafels doorklinkt wat leeft op
de werkvloer. Anderzijds leiden de organisatieveranderingen
er ook toe dat de medezeggenschapsstructuur
zelf veranderd. Dit is vooral zichtbaar in
relatie tot de decentralisaties en de gemeentelijke
samenwerking die daaruit voortkomt, alsmede bij
de rijksoverheid waar de samenwerking tussen
de ministeries heeft geleid tot een bovendepartementale
medezeggenschap.
90
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://YPVKjK1QESbgh8wO086Ub_4xzAsFj39Mgg4mQINcl-M8`̵ Vt
u7&'׉E hWAT BETEKENEN DIGITALISERING VAN WERK EN SCHAARSTE OP DE ARBEIDSARBEIDSMARKT VOOR HET OPENBAAR BESTU
91
׉	 7cassandra://yfQkC1EV4KY-LyxJEiZfxMoeNwmbOmJxIk-HrmB8nJ4J` ̵ Vt
u7&' Vt
u7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://XQJ77xh07BEV82NcQ_cVUwxQyDcBuDcXuS1Ascg-xAg͒` 
׉	 7cassandra://kTLdun1TjhMbtUKK-ZOaLM5bv7yih3eqTxuewWgjBIs` T׉	 7cassandra://Ane7QTpH3UpAHNPwwJuHFNVK8hVYZAuNxsGwhxf2Mxs`̵ ׉	 7cassandra://T-KP-YkQ_eGzi5E6asFuplOceesMEblQBLbh6DOX5FE|͠Vt
u7&'"ט # #nu׉׉	 7cassandra://oBlFyFw6gG9c4onY2b4l4M8fELVcpxh9m4_EBUeBjx0 r` 
׉	 7cassandra://HT3Q3WGTyd76jfKgLyTzu6Uu2L4wZ_bC9v0nIsXAQEE=T` T׉	 7cassandra://rfbKfky7DRpiWkS-8y9XH1MUnNf0AqeutLwDcIBJerk`̵ ׉	 7cassandra://cqyQUjdVFsVeVUz4BKU0vDX-6cDfWCrsAUhRSYFHw7M8x͠Vt
u7&'#׉E '92
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://Ane7QTpH3UpAHNPwwJuHFNVK8hVYZAuNxsGwhxf2Mxs`̵ Vt
]7&'׉E 7. Gemeentelijke
samenwerking zet
medezeggenschap op
afstand
Interview met Loe Sprengers, advocaat
Interviewer: Loek Kusiak
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
93
׉	 7cassandra://rfbKfky7DRpiWkS-8y9XH1MUnNf0AqeutLwDcIBJerk`̵ Vt
u7&'$Vt
]7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://SwHp3-jd753PB4grVSR3C3uMSrH4FO9m_5ijFyodww0 ` 
׉	 7cassandra://rG3f5Xw_d8vLmsMXW4M409Q_pMrYxhV2k53l_c4ofDUfP`T׉	 7cassandra://SHCLg4fc82XzFRzkZ2_q2_9EkG-DRdvp5gC6v48CqJw`̵ ׉	 7cassandra://J7QRLmNVOcq6hjq3R5fTM5a9T9g3nZX6jSiDIi6yDiY`(͠Vt
u7&'&ט # #nu׉׉	 7cassandra://UMieJleFezk5hKNhyRaoLOc1yE5lkdMsEGNmhyVSRcY ` 
׉	 7cassandra://4SKsNdPYTTC5AVGehYHa_xJZ9DCTTFa60ZgQ_If16Awd`T׉	 7cassandra://OcD1r3pAwY4q1nNC2-TuGkJBnOfkeP1w3A8Yt1PgHyY`̵ ׉	 7cassandra://YkFIbdBJsmyviCwYEWZEmpsPnm4EWlffR5QjH-H3HRcCr$͠Vt
v7&'(׉E
Gemeenten hebben sinds 1 januari 2015 door de
decentralisaties van de rijksoverheid zeggenschap
over vrijwel het hele sociale domein. Dat betekent:
meer doen met minder geld en minder formatieplaatsen.
Hoe pakken zij in tijden van forse bezuinigingen
deze opgaven op en vooral: wat is hierbij
de rol van de medezeggenschap? Voor antwoorden
kloppen we aan bij Loe Sprengers, advocaat bij
Sprengers Advocaten in Utrecht, gespecialiseerd in
medezeggenschaps-, arbeids- en ambtenarenrecht.
‘Gemeenten proberen de inkrimping van het
ambtelijk apparaat op te vangen met automatisering
van de administratieve processen, met
meer digitale dienstverlening’, constateert Loe
Sprengers. ‘Vertrouwen in de mogelijkheden
van ICT is er ook bij uitvoeringsorganisaties als
de Belastingdienst, het UWV of de Raad voor de
Rechtspraak, waar de digitalisering toeneemt.
De spanning zit in het hoge tempo en de strakke
tijdstermijnen die het kabinet dicteerde om klaar
te zijn voor de nieuwe taken. De voorbereidingstijd
was niet alleen zeer kort, maar ook de kaders
van de rijksoverheid waar de decentralisatie aan
moest voldoen waren onduidelijk. Het gevolg was
verwarring bij zowel medezeggenschappers als
bestuurders. Die konden niet op voorhand doorgronden
wat de decentralisatie betekende voor
budgetten, aantallen formatieplaatsen, inhoud
van functies. Ook de VNG had dit dilemma al in
een vroeg stadium gesignaleerd, ofwel: hoe kun
je met minder geld op verantwoorde wijze een
toename in de omvang van het werk realiseren?
Een ingewikkeld en tijdrovend proces, dat men
met vallen en opstaan onder de knie probeert te
krijgen.’
SAMENWERKINGSVERBANDEN
‘Gemeenten reageren op de decentralisatie door
elkaar op te zoeken. Dat kan in de meest vergaande
vorm een herindeling zijn die voor meer
schaalgrootte zorgt. Maar groter is niet altijd
efficiënter. De heersende trend is het aangaan van
ambtelijke fusies, van samenwerkingsverbanden
voor de bedrijfsvoering, voor maatwerk per beleidsonderwerp.
Voor de jeugdzorg bijvoorbeeld
werkt een gemeente dan samen met een andere
gemeente, of met meer andere gemeenten dan
wanneer het gaat om de sociale werkvoorziening
of de bijstand. Deze ontwikkeling maakt het voor
de medezeggenschap complexer om invloed te
houden op wat er binnen deze samenwerkingsverbanden
speelt. Dit klemt des te meer wanneer
zo’n samenwerking in het kader van een gemeenschappelijke
regeling in een aparte rechtspersoon
is ondergebracht en ook de gemeenteraad op
afstand staat.
‘Samenwerking gaat vooral in de beginfase gepaard
met onzekerheid. Een overzicht van wat de
samenwerking precies gaat opleveren ontbreekt
meestal. Wat de gevolgen op langere termijn zijn
94
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://SHCLg4fc82XzFRzkZ2_q2_9EkG-DRdvp5gC6v48CqJw`̵ Vt
v7&')׉E
mvoor de interne bedrijfsvoering is moeilijk voorspelbaar.
Reden waarom de medezeggenschap
anders moet doorpakken. Die moet zich meer
stapsgewijs, per deelproject bijvoorbeeld, richten
op onder meer de personele consequenties van
de samenwerking. Daarbij is het wel zinvol als de
or de achterban raadpleegt over waar de or in het
overleg met de bestuurder extra kritisch op moet
letten. Toenemende werkdruk, stress en overbelasting
van medewerkers zijn risico’s in organisaties
die voortaan met minder mensen meer en
vooral nieuwe taken moeten oppakken.’
ONGEVRAAGD INFORMEREN
‘Ook voor de bestuurder van de or, de gemeentesecretaris,
is de nieuwe situatie wennen.
Belangrijk is dat hij kiest voor korte lijntjes in de
communicatie. Dat kan door de medezeggenschap
regelmatig en ook ongevraagd te informeren
over de voorbereidingen rond een samenwerking
met andere gemeenten. De bestuurder kan dan
bijvoorbeeld aangeven hoe hij denkt dat taken en
personele functies ingevuld worden. De bestuurder
die de or vroegtijdig in het proces meeneemt,
neemt veel formele en tijdrovende discussies,
weerstanden en achteraf-vragen van de or weg.
‘De afweging voor de bestuurder moet steeds
zijn: waarover kan ik met de or wél en waarover
kan ik geen besluiten nemen zonder het college
van B en W of de gemeenteraad voor de voeten te
lopen? Bij principebesluiten van het gemeentebestuur
komt de or nog niet met het adviesrecht
aan de bak, wel bij de uitvoering. Het struikelblok
is veeleer het moment bepalen waarop de or over
de plannen om advies gevraagd moet worden,
conform artikel 25 van de WOR. Daar zit niet
zelden een verschil van inzicht of een bron van
conflict, waar ons advocatenbureau ook juridische
procedures over heeft gevoerd.’
PRIMAAT POLITIEK
‘De bestuurder moet in de contacten met de or
leren omgaan met het aspect “primaat van de
politiek”. Dit primaat legt de medezeggenschap
immers een beperking op. Een nullijn, de ruimte
die een regeerakkoord toelaat, de doelstellingen
van een bezuiniging: allemaal zaken waarvan de
medezeggenschap zich met recht afvraagt: waar
kunnen wij eigenlijk nog over beslissen?! Maar
wanneer de politieke besluitvorming betrekking
heeft op de gevolgen voor de werkzaamheden van
personeel, moet volgens WOR-artikel 46 ook de
or geraadpleegd worden. Toch zie ik nog bestuurders
bij gemeenten en het Rijk het primaat van
de politiek gebruiken als uitvlucht om ergens niet
met de or over te hoeven praten, met een houding
van: als ik er met de or niet uit kom, schakel ik op
naar de politiek. Maar of dat slim is en juridisch
ook kan, is zeer de vraag.’
GEMEENTELIJKE SAMENWERKING ZET MEDEZEGGENSCHAP OP AFSTAND
95
׉	 7cassandra://OcD1r3pAwY4q1nNC2-TuGkJBnOfkeP1w3A8Yt1PgHyY`̵ Vt
v7&'*Vt
v7&')FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://X7nw3wb5bhVLHstriWau3TaeDlM1a16Yftfw-tPO2LM͔` 
׉	 7cassandra://fRLzd1UZzFBcrYAofbXDNSH2Rpk5e8_gqkysWDXNjqU.` T׉	 7cassandra://A6sEqyWIFJFzsEc1yrA9KUWat5qHgcUKf-TfTFms9jE`̵ ׉	 7cassandra://9DJDCWBA2nr23f_6RNxdF9NOVUMx_3_FrQ1nCGF1GBA3|͠Vt
v7&'-ט # #nu׉׉	 7cassandra://qAgMkuKPmoGDqIdg8DSGQQW4yG1mPels356R4ciTgNE &` 
׉	 7cassandra://VVDqzH8A7X2wMiVvGjcm7PMPvUqw8aGHeI5v1AKjqmQ@w` T׉	 7cassandra://7dBUk37NI7SdtA3x2TdTfcuvyJpoZ4b4w7qGLHenYgM`̵ ׉	 7cassandra://gycFEb9MWxIeKLPeBcI32qnEeT81rEppkkUVnCKw9-c6x͠Vt
v7&'.׉E '96
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://A6sEqyWIFJFzsEc1yrA9KUWat5qHgcUKf-TfTFms9jE`̵ Vt
]7&'׉E 8. In de bres voor
een frisse wind in
de parlementaire
organisatie
Interview met Irma Tichelaar, voorzitter
ondernemingsraad Tweede Kamer
Interviewer: Loek Kusiak
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
97
׉	 7cassandra://7dBUk37NI7SdtA3x2TdTfcuvyJpoZ4b4w7qGLHenYgM`̵ Vt
v7&'/Vt
]7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://EbvTLZ7lq-1WOgrWOjDm9tC-JCmGuvXjHzPmQNh1Lno ɥ` 
׉	 7cassandra://dGWQ6zgKqIGN5bT0VB36LdPG22-5jCuI0TUQ61tNXBUb`T׉	 7cassandra://xFFBkXboj-PkZow3mYhdMey5fc-OGTT7JKgI7QeTXLA&`̵ ׉	 7cassandra://r0bn0wq_PKQ7SUsMoF8RXOLxQ904RqCQoktgmnqXhT8^$͠Vt
v7&'1ט # #nu׉׉	 7cassandra://arMe8bdYEABrJ7ZSwMm_OAvBnELlnhLG1wuBAuLD6ok g` 
׉	 7cassandra://bgq6-CW6D_CSFtMrYCllgzkQ-XjsEIkMpKZgnEJlqjseh`T׉	 7cassandra://ttltExdWXyzmbV01i2KaCzeE3wA6BAVAy74yXYP3uXE`̵ ׉	 7cassandra://vmRaAqSrdJvdSP64ns0RouWboQbqZmowYFzYNzsxr6QHk(͠Vt
w7&'2׉E
[‘Wij zijn niet de ondernemingsraad van de kleur
van het toiletpapier of de or die je kunt paaien met
vage dealtjes. Wij willen ertoe doen als strategische
gesprekspartner. Door een mix van vasthoudendheid,
flexibiliteit en een proactieve opstelling
hebben we onszelf op de kaart gezet en gezag verworven.’
Zo schetst Irma Tigchelaar, or-voorzitter
van de Tweede Kamer en werkzaam bij de dienst
Communicatie van de Kamer, het profiel van het
medezeggenschapsorgaan in het democratische
hart van Nederland.
Irma Tigchelaar, al meer dan twintig jaar actief in
de medezeggenschap in en rond de ‘Haagse stolp’,
noemt zichzelf een ‘verbinder’ in de zeven leden
tellende or, die de 560 medewerkers van de Tweede
Kamer vertegenwoordigt. Medewerkers die in
uiteenlopende functies – van bode tot stenograaf
en van ICT’er tot griffier – verantwoordelijk zijn
voor de dienstverlening aan het parlement, zodat
de 150 Kamerleden efficiënt hun wetgevende en
controlerende taken kunnen uitoefenen.
‘Als ondersteunende organisatie’, zegt Tigchelaar,
‘zijn wij een bedrijf dat moeilijk met iets anders
is te vergelijken. Aan de ene kant een informele
cultuur, ingegeven door het politieke bedrijf.
Aan de andere kant een organisatie met eilandjes
en hiërarchische lijnen, waardoor medewerkers
soms ook op hun tenen lopen. Tegelijk zijn deze
bezielde medewerkers ons meest waardevolle kapitaal
en het visitekaartje van de Kamer. Voor het
draagvlak en een goed geolied parlementair proces
is het dus slim om deze medewerkers vroegtijdig
bij de besluitvorming te betrekken. En dat is wat
deze or dan ook voortdurend doet: onder de achterban
peilen hoe de medezeggenschap bepaalde
kwesties moet aanvliegen’.
De topstructuur van de ambtelijke organisatie,
een driekoppig managementteam, wordt in het
najaar van 2015 gewijzigd. De aansturing van
de medewerkers krijgt een nieuwe invulling.
Naast mr. Renata Voss als nieuwe griffier (sinds
1 september) van de Tweede Kamer en voorzitter
van het overleg met de ondernemingsraad, komt
er een directeur Constitutioneel Proces en een
directeur Bedrijfsvoering / ICT.
FRISSE WIND
‘Bij de profielschets van de nieuwe griffier is de
or nauw betrokken geweest’, vertelt Tigchelaar.
‘Maar wat betreft de blauwdruk voor een nieuwe
organisatie, beschreven in een rapport van de
adviesdienst voor de rijksoverheid ABD TOPConsult,
vond het managementteam aanvankelijk
geen adviesrol voor de or weggelegd. Dat hebben
we niet geaccepteerd, omdat het niet strookte met
de WOR. Ons protest hielp, want er volgde alsnog
een adviesaanvraag.’
98
IN DE BRES VOOR EEN FRISSE WIND IN DE PARLEMENTAIRE ORGANISATIE
׉	 7cassandra://xFFBkXboj-PkZow3mYhdMey5fc-OGTT7JKgI7QeTXLA&`̵ Vt
w7&'3׉E
De or trok zich voor beraadslaging twee dagen met
het rapport van ABD TOPConsult op de hei terug.
De or sprak ook uitvoerig met onderzoeker/opsteller
van het rapport Johan de Leeuw. Tigchelaar:
‘Het rapport is een gouden kans om een nieuwe,
frisse wind door organisatie van de Kamer te
laten waaien. Daar wil de medezeggenschap van
meet af aan bij zijn. We hebben de medewerkers
ook gevraagd het rapport van ABD TOPConsult
onderling te bespreken en een vertaalslag naar de
eigen dienst te maken. Met het uitbrengen van
advies wacht de or totdat we de visie van Renata
Voss als nieuwe griffier op de nieuwe topstructuur
kennen. Niettemin heeft de or al heel vroeg een
alternatief organogram voor de nieuwe organisatie
en een functieprofiel van de nieuwe directeuren
opgesteld. Zij zullen in staat moeten zijn om medewerkers
bij alle veranderingen te inspireren.’
Een organisatieverandering waar de medezeggenschap
niet over gehoord werd en die de or
noodzaakte tot een gang naar de Ondernemingskamer,
was de oprichting van een ‘stafbureau’ ter
ondersteuning van voorzitter Van Miltenburg en
het presidium van de Tweede Kamer. ‘De oprichting
van een apart stafbureau kwam niet alleen
volstrekt uit de lucht vallen’, aldus Tigchelaar, ‘de
or vond dit bureau ook overbodig. We hadden
eerder al een advies gegeven over de nieuw in
te richten dienst Communicatie van de Tweede
Kamer, waarbij overigens ook functies waren
geschrapt. Deze dienst had het Presidium net zo
goed kunnen ondersteunen.’
ONDER DRUK GEZET
Ondanks een negatief or-advies werd het stafbureau
toch ingericht. ‘Het toenmalige managementteam’,
brengt Tigchelaar in herinnering,
‘heeft de or nog zwaar onder druk gezet om het
negatieve advies in te trekken. De reactie naar ons
was: waar bemoeien jullie je mee? Nogal intimiderend.
Daarop zagen we nog maar één uitweg: de
Ondernemingskamer om een uitspraak vragen.
Die stap had nooit eerder een or van de Tweede
Kamer gezet.’
De rechter stelde de or begin 2015 in het ongelijk.
‘Toch voelde dat niet als een nederlaag’, zegt
Tigchelaar. ‘De rechter gaf het managementteam
een sneer over de gevolgde procedures. Die waren
niet goed doorlopen. Sindsdien is er wel wat
veranderd. Het management kijkt nu wel drie keer
uit alvorens de medezeggenschap over een WORplichtig
onderwerp te passeren. De gang naar de
Ondernemingskamer heeft ons veel krediet onder
de achterban opgeleverd. En als team is de or op
een hoger niveau gebracht.’
Dat laatste, onderstreept Tigchelaar, is mede de
verdienste van or-coach en ambtelijk secretaris
Linde Jansen. ‘Zij heeft ons onder meer met
behulp van rollenspellen geleerd dat een goede
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
99
׉	 7cassandra://ttltExdWXyzmbV01i2KaCzeE3wA6BAVAy74yXYP3uXE`̵ Vt
w7&'4Vt
w7&'3FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://3mCvVQN5jflJU1Q8257qo_YZX4owh8KTbJs3zwKUTis a` 
׉	 7cassandra://89RjaOj4tdSaDGDaK5ulNPxJDNNLkz8jxpz_A5SvGUsN@`T׉	 7cassandra://dFL2j-X8y7IIjvXnOPHMSXi5tGBJM3qN3b0JTqTfWCs`̵ ׉	 7cassandra://kRes1T0q8ziMhDD1iplsO61Z_w6go3SCoYKk-soQurkBl(͠Vt
w7&'6ט # #nu׉׉	 7cassandra://wSz5Z_vKaonVwFgBW0Fh7F2VfNUEov4YIGfIR09199Qc` 
׉	 7cassandra://J2yGMmUyMvShCkNWJ-tRePW-6cD2Dw3cFL7haL8BoVY` T׉	 7cassandra://PI5IOyORdj-WHgM7WGFt1DcU7tJMeLA6hhghdy4fsxU` ̵ ׉	 7cassandra://DASN4BOtKT9-fqRWeAYUdO6sxxTidBtQL14qymhq4L0S$͠Vt
w7&'7׉Evoorbereiding zeer belangrijk is. Je verdiepen
in de andere partij is strategisch van essentieel
belang om als or-eigen initiatieven op de agenda
te krijgen en succesvol doelen te bereiken. Denk
hierbij aan het nieuwe werken, maar ook aan de
duurzame inzetbaarheid van medewerkers door
de oprichting van een flexpool om in een andere
functie te kunnen werken.’
PLATFORM HOCOSTA
De blik van de or van de Tweede Kamer is ook gericht
op onderwerpen die ambtenaren rijksbreed
raken. Zo is Tigchelaar namens de or deelnemer
in het platform HoCoSta, een samenwerking van
ondernemingsraden bij de Hoge Colleges van
Staat, zoals de Nationale ombudsman, Algemene
Rekenkamer en Raad van State.
‘Het platform’, vertelt Tigchelaar, ‘heeft een
gesprekspartner in de persoon van een ambtenaar
van het ministerie van BiZa en vergadert regelmatig
over regelingen die alle medewerkers van
de Hoge Colleges van Staat aangaan. Neem de
Mobiliteits-/OV-chipkaart voor rijksambtenaren.
Een nieuwe reiskostenregeling, waar bonden noch
or’s over werden geraadpleegd en die deels een
verslechtering inhoudt vergeleken met wat er was.
Achteraf gezien hadden wie die regeling best kunnen
tegenhouden, omdat we als colleges van staat
geen convenant met het Rijk hebben.’
Tigchelaar maakt ook deel uit van de begeleidingscommissie
die zich bezighoudt met de geplande
verbouwing (in 2018) van de Tweede Kamer en
het Binnenhof. ‘Het parlement en de medewerkers
moeten tijdelijk naar een andere locatie verhuizen,
maar Kamerleden in de begeleidingscommissie
hebben daar moeite mee. Vanwege de brandveiligheid
is verhuizing echter absoluut noodzakelijk.
Dus daar gaat namens het platform van HoCoSta
ook een brandbrief over uit naar de ambtenaren
die de regie hebben bij deze verbouwing. Wanneer
je als or jouw visie en invloed niet vooraf en vroeg
genoeg inzet, is het lastig om er achteraf van alles
van te vinden.’
100
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://dFL2j-X8y7IIjvXnOPHMSXi5tGBJM3qN3b0JTqTfWCs`̵ Vt
w7&'8׉E DIN DE BRES VOOR EEN FRISSE WIND IN DE PARLEMENTAIRE ORGANISATIE
101
׉	 7cassandra://PI5IOyORdj-WHgM7WGFt1DcU7tJMeLA6hhghdy4fsxU` ̵ Vt
w7&'9Vt
w7&'8FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://ZCWzJzAOHeZOIJuzMVYzdUje5GayfIRNKbgnl1ri1Z8͖` 
׉	 7cassandra://pKAl3HoxfQpybbOW3qww0r5D4M0wlNCOggDLBA2B_HI` T׉	 7cassandra://Gcpalv_1xs8MwKo6rT85iqri5kH4BsRiK__6RQ_Asdo`̵ ׉	 7cassandra://mc0nr1UnNnE7rDgXvTTvEkDKPlNqdxTVISBWbWs_1KE|͠Vt
w7&';ט # #nu׉׉	 7cassandra://28x44pmMOfVLl5X_3YN3IPHb9s8qGeY0EOqDFPNe8fY X` 
׉	 7cassandra://OzKJlIAuYnvnzuOzbvVM6fEgibN_v0RF_j0GTQ6qEgE@` T׉	 7cassandra://B_u_B5QQK68zkumWqVzBqr0SMr21i7IOBo7aNvxkQeI`̵ ׉	 7cassandra://IB78H-v6uDJ2UfwXyxIzIgZPF-6FUyWy34X5qLBZSTg9Ex͠Vt
w7&'<׉E (102
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://Gcpalv_1xs8MwKo6rT85iqri5kH4BsRiK__6RQ_Asdo`̵ Vt
]7&'׉E 9. Bundeling van thema’s
die departementen
overstijgen
Interview met Olav Welling, directeur
Organisatie- en Personeelsbeleid Rijk
Interviewer: Loek Kusiak
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
103
׉	 7cassandra://B_u_B5QQK68zkumWqVzBqr0SMr21i7IOBo7aNvxkQeI`̵ Vt
w7&'=Vt
]7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://uC3QBFEVmq_RO_zRcavypg2EvHiQdcL7OdrXonFZtYg ` 
׉	 7cassandra://67vm_vXHqjPr8cT3Tjtzo5iO2_Z2vA0CeRmy2mPw9TUfw`T׉	 7cassandra://evWrTfp-cvTxMQr4bFXG5inIRXReNzcGqzHfuGaGiiQI`̵ ׉	 7cassandra://_HAJIFlYXGO5qN36TuSNHrYABVVSmum0pE2FMHhUcf4^(͠Vt
w7&'?ט # #nu׉׉	 7cassandra://U97Q_8W6BihSTE_Yc2zC4RlJGhbQEggUPEKjWhWgVJY "` 
׉	 7cassandra://tClZyh3JwCZVchnMtXdtgqFDOHO1Qh5mBAQq0oTh0o8f`T׉	 7cassandra://CNahSau2csMr0LPRq2acZPsKibOOrVmzNzZWibkZyEYW`̵ ׉	 7cassandra://6Yx35qBR5TJZaJJZGrxHFg4FqT2XGYDr79ut-jMtePYI`$͠Vt
x7&'@׉E
Een rijksdienst die beter beleid maakt, minder
verkokerd is, efficiënter werkt en in omvang kleiner
is, vraagt ook om vernieuwing van de medezeggenschap.
De groepsondernemingsraad Rijk (GORRijk)
is er voor de onderwerpen die de departementen
overstijgen, zoals huisvesting, automatisering
en personeelsbeleid. Volgens Olav Welling, de
hoogste personeelsdirecteur van de rijksambtenaren,
is daarmee een leemte in de medezeggenschap
opgevuld.
‘Beleidsthema’s en organisatievraagstukken overstijgen
steeds meer het individuele departement.
Er is een toenemende noodzaak tot integraliteit
van beleid. De overheid streeft naar effectieve en
budgettair verantwoorde oplossingen voor zowel
de samenleving als de werkwijzen van het Rijk.
Verkokering en grenzen tussen ministeries vallen
dus steeds meer weg. Voor het Rijk is bijvoorbeeld
strategisch personeelsbeleid voor alle rijksambtenaren
geformuleerd. Diensten van ministeries zijn
steeds vaker bij elkaar in één gebouw gehuisvest.
Je kunt dan niet per verdieping met verschillende
ICT-systemen blijven werken of er meerdere
regelingen voor bedrijfshulpverlening op nahouden.’
Aan het woord is Olav Welling, sinds
2010 directeur Organisatie- en Personeelsbeleid
Rijk (OPR). Dit onderdeel van het ministerie van
Binnenlandse Zaken heeft tot taak om het Rijk
als werkgever en als efficiënte organisatie te laten
functioneren. Welling is de hoogste personeelsfunctionaris
van ruim 120.000 ambtenaren bij
in totaal elf ministeries en ruim tweehonderd
landelijke uitvoeringsinstanties, zoals de Belastingdienst
en Rijkswaterstaat.
COLLECTIEVE UITVOERDER
‘Rijksbrede bedrijfsvoering heeft betrekking op
ondersteunende diensten, zoals Personeel en
Organisatie, informatievoorziening en een digitale
werkomgeving (ICT), huisvesting, inkoop,
beveiliging en andere taken die afzonderlijke
departementen overstijgen’, vertelt Olav Welling.
‘Een aantal van deze taken is ondergebracht in
zogeheten shared service centra, die fungeren als
collectieve uitvoerder voor de departementen. Zo
kan de rijksdienst ook in tijden van bezuinigingen
blijven werken aan maatschappelijke opgaven
en de kwaliteit van de dienstverlening op peil
houden. Medezeggenschap zou zonder invloed op
de rijksbrede bedrijfsvoering veel van haar betekenis
verliezen.’ Reden waarom de ministerraad
gekozen heeft voor een rijksbrede groepsondernemingsraad,
met rechten conform de WOR, die na
jaren van voorbereiding in het najaar van 2015 van
start is gegaan.
LEEMTE OPGEVULD
‘Met de installatie van de GOR’, vervolgt Olav
Welling, ‘is het gat in de medezeggenschap
opgevuld dat ontstaat bij afspraken om zaken
op rijksniveau te bundelen. Ook de vakbonden
104
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://evWrTfp-cvTxMQr4bFXG5inIRXReNzcGqzHfuGaGiiQI`̵ Vt
x7&'A׉E
Xsignaleerden trouwens een leemte in de medezeggenschap,
waar dringend een oplossing voor
nodig was. Wanneer de zeggenschap rijksbreed
ligt, volgt de medezeggenschap als vanzelf. Dan
kun je niet meer doorgaan met het inwinnen van
adviezen bij elf departementale ondernemingsraden.
Dat zou immers zorgen voor medezeggenschapsdrukte,
met langdurende besluitvorming
en een geschakeerd pallet aan adviezen. Daar
kunnen bestuurders niets mee. Met één rijksbrede
or voorkom je deze verscheidenheid. De GOR is
er voor eensluidende, beter doordachte besluiten,
die ook beter uitvoerbaar zijn.’
De bestuurdersdelegatie voor het inhoudelijk
overleg met de GOR bestaat uit de secretaris-generaal
(SG) van BZK, aangevuld met de directeurgeneraal
(DG) Organisatie en Bedrijfsvoering
Rijk (DGOBR), de plaatsvervangend SG van
het ministerie van Veiligheid en Justitie, de CFO
Belastingdienst en Olav Welling zelf. De 25 leden
van de GOR worden voorgedragen door hun departementale
ondernemingsraden en ondersteund
door een ambtelijk secretaris en een adviseur voor
communicatie. De GOR kan gebruikmaken van
een scholingsbudget en externe deskundigheid
inhuren.
BRUIKBARE ERVARING
Olav Welling: ‘Sinds 2012 kende het Rijk al een
voorloper, het Overlegorgaan Rijk, OOR. Daar
is bruikbare ervaring mee opgedaan. Deze or had
geen advies- en instemmingsbevoegdheid, maar
wel informatierecht. Dat leidde tot interessante
vragen, discussies en inzicht in de aard van rijksbrede
thema’s, waar de or-leden standpunten over
willen en kunnen innemen. De conclusie was:
wanneer we met een rijksbrede bril naar thema’s
kijken, zien we nog meer oplossingsmogelijkheden.
Onderschat dus niet hoe rijksbreed or-leden
kunnen denken.
‘Met de GOR-Rijk willen we zes tot acht vergaderingen
per jaar houden. Om tot efficiënt overleg
en draagvlak voor besluitvorming te komen, besteden
we veel aandacht aan de voorbereiding van
onderwerpen en dossiers. De medezeggenschappers
moeten niet verrast of voor het blok gezet
worden. Dat compliceert alleen maar het adviesen
instemmingsproces. De GOR is een model dat
al doende en lerende zal groeien.’
Voorbeelden van onderwerpen die de GOR zal
behandelen? Welling: ‘We zijn bezig met het harmoniseren
van de voortgangsgesprekken tussen
leidinggevenden en medewerkers op de departementen,
ofwel de gesprekscyclus Rijk. Een ander
onderwerp is de samenvoeging van alle regelingen
voor bedrijfshulpverlening, meer dan twintig
zelfs, tot één BHV-rijksregeling. Ik verwacht dat
we voor onderwerpen op de GOR-overlegagenda
ook voeding zullen halen uit de onderzoeken over
BUNDELING VAN THEMA’S DIE DEPARTEMENTEN OVERSTIJGEN
105
׉	 7cassandra://CNahSau2csMr0LPRq2acZPsKibOOrVmzNzZWibkZyEYW`̵ Vt
x7&'BVt
x7&'AFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://1XWhUa3ksL6Bqqp0h2Qto8_1ipsBW81VgMGmZ-aIYYc ` 
׉	 7cassandra://ezaXTCUkG0ybNlAsGQgK55morCqIjxlyG3SKLbjAl7ISc`T׉	 7cassandra://pccX2Adp36w2u-OuYrVNDxgcrvB_LBJmK8TyKMhCU3sJ`̵ ׉	 7cassandra://ZG2Orc-ezg3ZzUcBkftTjl80QI-44i49Mcmpi8fOdVo?9$͠Vt
x7&'Dט # #nu׉׉	 7cassandra://j-4yIxdp81uPbZXbpZCSFKGZJPe0adjIIRe7I9yw8m0V` 
׉	 7cassandra://NHWmf_kk2gjBWctXEdrgpoaaEt_ZSg2SHzzKmM-AXR8` T׉	 7cassandra://dxDZkY8hesPvgga-ZFQLe5vjyio1eiFKDU0-3taW91g`̵ ׉	 7cassandra://ovYDuX8SF8n1A33BEVgWbQ8k6KvDlQiECixN3JvJ-oY(͠Vt
x7&'E׉Emedewerkerstevredenheid bij de ministeries en
onderzoeken naar klanttevredenheid. Kortom, de
or-leden hoeven voor de input vanuit de werkvloer
echt niet alles zelf te bedenken.’
COMMUNICATIE MET ACHTERBAN
De kwaliteit en de aard van de relatie die de
GOR-leden onderhouden met hun achterban (de
departementen waar de GOR-Rijk-leden werkzaam
zijn), zal een belangrijke succes- of faalfactor
zijn voor de rijksbrede medezeggenschap. ‘Over
de wijze van verantwoording van besluiten en
het contact met de achterban maak ik me geen
zorgen. De GOR-Rijk-leden zijn geen solisten.
Het zijn medezeggenschappers die gewend zijn
innovatief te denken en ideeën en voorstellen
met hun achterban te bespreken. Or-leden willen
meestal ook herkozen worden voor een nieuwe
zittingsperiode. Dus moeten ze zichtbaar maken
wat hun invloed is, welke resultaten ze hebben
bereikt. Ik zie dan ook geen wezenlijk verschil met
bijvoorbeeld een centrale ondernemingsraad van
de Belastingdienst, waar 30.000 mensen werken
en waar je de achterban bij de medezeggenschap
moet betrekken. Het hangt er ook vanaf welke
thema’s er onder de achterban leven en welke
vorm van communicatie je kiest. Dat kunnen
spreekuren zijn, berichten via Twitter of het intranet,
kantinebijeenkomsten.’
Is de geringe belangstelling onder jonge medewerkers
voor de medezeggenschap nog een aandachtspunt?
Absoluut, stelt Welling. Daar is ook
wel reden toe. De gemiddelde leeftijd van de rijksambtenaren
blijft toenemen. In 2020 verwacht het
Rijk dat 34 procent van de rijksambtenaren 55 jaar
of ouder is. En van de bijna 5000 ambtenaren die
in 2014 het Rijk verlieten, was een kwart jonger
dan 35 jaar. ‘Een goede afspiegeling in leeftijd en
diversiteit van het personeelsbestand in de medezeggenschap
is zeer belangrijk. Binnen de GORRijk
is er overigens een goede mix van leeftijden.
Maar wij zullen naar jonge medewerkers blijven
communiceren dat or-werk een verrijking van de
loopbaan kan zijn en een bron waaruit je nieuwe
vaardigheden kunt putten.’
106
BUNDELING VAN THEMA’S DIE DEPARTEMENTEN OVERSTIJGEN
׉	 7cassandra://pccX2Adp36w2u-OuYrVNDxgcrvB_LBJmK8TyKMhCU3sJ`̵ Vt
x7&'F׉E (STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
107
׉	 7cassandra://dxDZkY8hesPvgga-ZFQLe5vjyio1eiFKDU0-3taW91g`̵ Vt
x7&'GVt
x7&'FFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://dk-u99hwYQs3jClbHpiULYttcSib44k767kBBtI7MZc͐` 
׉	 7cassandra://tA1hkCWriUVhqF00p6CsIOjPAT214c94jnVokiXXlLc` T׉	 7cassandra://BDEdbBBA9-vez0Tl1DOK11FNjjBUvaBbdWsq_YoVPus`̵ ׉	 7cassandra://R2kh1MY9gAJbvH1upFWN3-yCuoIST-3QBS-6xDtnSPM|͠Vt
x7&'Iט # #nu׉׉	 7cassandra://-mS1GW3XAn0Lt6-DZIbVO_MOq5F04SWaux7eHRnJl6c q` 
׉	 7cassandra://Dbgv1mK56uafRvHBFb44CTPfMUT8Upss0EHx8QzmRxM7j`T׉	 7cassandra://QGR05fX9OHUP0dV2ZCi5Lf1YWU7NRD82ym52qOIFL9Yp`̵ ׉	 7cassandra://kBo_0AybNBKv-iczscxxD8ik6WFrKG0zzmGDZwQIs9Q6x͠Vt
x7&'J׉E (108
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://BDEdbBBA9-vez0Tl1DOK11FNjjBUvaBbdWsq_YoVPus`̵ Vt
]7&'׉E 10. Stroom reorganisaties
demotiveert
medewerkers
Interview met René van Urk Dam,
voorzitter Centrale ondernemingsraad
Amsterdam
Interviewer: Loek Kusiak
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
109
׉	 7cassandra://QGR05fX9OHUP0dV2ZCi5Lf1YWU7NRD82ym52qOIFL9Yp`̵ Vt
x7&'KVt
]7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://DHtagBQ1GE58cf31rsX8M29i78ZV4UOAPC4lguITb0Y ` 
׉	 7cassandra://Cs4popmdJ14ldNmNVSYB6qP5pM5-NKp9pK1z95S7Pzge`T׉	 7cassandra://p2dpviB9yBcid_LPB-fJ_sIUAykjcHdkt83ocl0D7skw`̵ ׉	 7cassandra://C-NlukMZ6l6CZo7RZv3mmTgLdNVW6q7Kq_rkcmgytiM^(͠Vt
y7&'Nט # #nu׉׉	 7cassandra://JOVNVk2gtLS-VEIHTZZdvM43xr_Kw3kKUpWhzDOIOiE C` 
׉	 7cassandra://XiIYFtWW2oJM-VG3AUTaO-Be3rjvZnhJF8YTclOF36Ab&`T׉	 7cassandra://lxTj2fcIWQX02dFxeFmnebde3i_D75IkakgA0Y64tB8`̵ ׉	 7cassandra://WCyPupfLNVNMS4bbaEEdKODhDGQiGLw0ujn87_WjLTs@$͠Vt
y7&'O׉E
’De gemeente Amsterdam is recordhouder in reorganisaties.
Medewerkers en de centrale ondernemingsraad
(COR) worden ermee overspoeld. Sinds
2008 hebben we er al zeker 130 gehad, waarvan
circa zeventig sinds 2011. Maar niemand kan vertellen
wat die aan zogenaamde cultuurverandering of
efficiëntieverbetering hebben opgeleverd, behalve
dat vijfhonderd ambtenaren sinds 2010 hun baan
hebben verloren’, resumeert René van Urk Dam,
COR-voorzitter in het stadhuis aan de Amstel.
Daarbij wil de gemeente ook nog het aantal medezeggenschappers
fors inkrimpen.
De centrale medezeggenschap in de hoofdstad
hekelt de reorganisatiedrift van de gemeente. En
daarbij is, zoals ook al in 2013 werd geconcludeerd
door de Rekenkamer Metropool Amsterdam,
centrale regie goeddeels afwezig. ‘De organisatie
oogt wat dat betreft stuurloos’, zegt Van Urk Dam,
‘terwijl centrale regie noodzakelijk is om te bewaken
dat reorganisaties elkaar niet overlappen. Van
de 75 afgeronde reorganisaties bleken er volgens de
Rekenkamer maar vier schriftelijk te zijn geëvalueerd.’
In 2014 heeft de grootste reorganisatie
(‘Fijnstructuur’) van de gemeente plaatsgevonden.
Daarbij is volgens de COR-voorzitter, die werkt
als adviseur kwaliteit bij de Dienst Basisadministratie,
‘alles op de schop’ gegaan.
‘De medezeggenschap’, vertelt Van Urk Dam, ‘is
niet principieel tegen reorganisatie. De COR begrijpt
dat de stad met zijn tijd moet meegaan, dat
je bureaucratie moet verminderen en er minder
geld te verdelen is. De COR wil voorafgaand aan
een advies wel weten wat een ingreep in de organisatie
gaat opleveren, maar zelfs leidinggevenden
en directeuren moeten je daarop het antwoord
schuldig blijven. Onze indruk is dat het niet gaat
om een verbetering van het ambtelijk apparaat,
maar om de euro’s die een bezuiniging oplevert.
Medewerkers van stadsdelen en diensten vragen
zich ondertussen af wat de zin is van al die reorganisaties.
Ze zeggen: “Laat ons nu eens gewoon ons
werk doen.” Als de banen elders voor het oprapen
hadden gelegen, waren we vast al de nodige goede
medewerkers kwijtgeraakt.’
DE REK IS ERUIT
‘De COR stelt in zijn adviezen ook dat te veel veranderingen
tot chaos en onzorgvuldigheid leiden.
Dat ligt mede aan het hoge tempo van uitvoering
van de reorganisaties. Maar de politiek lijkt zich er
niet van bewust dat de rek eruit is. Een kwart van
de ambtenaren maakt zich ook zorgen over hun
baan, blijkt uit een peiling die de gemeente zelf
heeft uitgevoerd.’
Begin 2015 kondigde het college een bezuiniging
van 65 miljoen aan voor 2016 en 2017. Daardoor
verdwijnen volgens de wethouder Personeel en
Organisatie ten minste negenhonderd van de
bijna 13.000 voltijdbanen. ‘Deze aankondiging’,
110
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://p2dpviB9yBcid_LPB-fJ_sIUAykjcHdkt83ocl0D7skw`̵ Vt
y7&'P׉E	zegt Van Urk Dam, ‘volgde nadat in januari 2105
de reorganisatie ‘Fijnstructuur’ was afgerond,
maar andere reorganisaties nog doorliepen. Tijd
om even voor bezinning op de hei te zitten, heeft
de COR dus niet. We worden overstelpt met
papier, plannen, adviesaanvragen.’
De COR adviseerde de gemeenteraad nog eens
goed naar de bezuinigingsplannen voor 2016 en
2017 te kijken. En waarschuwde dat de dienstverlening
aan de burgers bij verdere bezuinigingen
in het gedrang komt. ‘En dan zal je horen dat de
ambtenaren het weer gedaan hebben’, stelt Van
Urk Dam. De COR heeft werkbezoeken gebracht
aan de GGD, de Dienst Werk en Inkomen en
Stadstoezicht. ‘Handhavers missen middelen
om hun werk goed te doen en stadsloketten zijn
onderbezet, waardoor burgers lang moeten wachten.
Medewerkers ervaren stijgende werkdruk,
overbelasting.’
NIEUWE STRUCTUUR
Voor overbelasting vrezen de COR-leden in Amsterdam
ook wanneer de medezeggenschap verder
weg van de werkvloer komt te liggen. Dat deze
vrees reëel is, volgt uit een voor de COR negatief
uitgevallen uitspraak (9 juli 2015) van de Amsterdamse
kantonrechter. De COR had namens de 22
ondernemingsraden bij de gemeente een procedure
aangespannen tegen het plan van de gemeentesecretaris
om de huidige, gelaagde structuur van
medezeggenschapsraden af te schaffen.
De nieuwe medezeggenschapsstructuur moet zich
aanpassen aan de ‘gecentraliseerde organisatie’,
concern genoemd. Dit concern bestaat sinds begin
2015 uit vier clusters (Bedrijfsvoering, Ondersteunende
Diensten, Ruimte en Economie, Sociaal).
Binnen deze clusters opereren weer zeven stadsdelen
en 44 resultaatverantwoordelijke eenheden
(RVE’s). Bij de clusters en de RVE’s houden or’s
zich bezig met afdelingsspecifieke zaken. De COR
is er voor algemene onderwerpen, zoals breed
arbobeleid.
Deze inrichting van de medezeggenschap belemmert
‘voortvarende besluitvorming’, aldus de
gemeentesecretaris, die streeft naar één, 25 leden
tellende ondernemingsraad als vertegenwoordiging
van alle gemeenteambtenaren. Daarnaast
kunnen eventueel onderdeelcommissies worden
ingesteld voor de zogenoemde wat grotere belangen
van de RVE’s.
KWALITEITSVERLIES
‘In deze nieuwe structuur wordt de beslissingsmacht
van de gemeentesecretaris behoorlijk vergroot’,
verwacht Van Urk Dam, ‘maar ook de afstand
van medezeggenschap tot de ambtenaren bij
een stadsdeel of een RVE wordt onaanvaardbaar
groot. Dat staat haaks op het uitgangspunt van de
STROOM REORGANISATIES DEMOTIVEERT MEDEWERKERS
111
׉	 7cassandra://lxTj2fcIWQX02dFxeFmnebde3i_D75IkakgA0Y64tB8`̵ Vt
y7&'QVt
y7&'PFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://pIARY7zs7MhLxWPf2n6p_26_4VUyq8x-UBiTg4OEz2I ` 
׉	 7cassandra://FPBj1pH7NczIcIoJpDaQxLhaBMuW76YflxD0KCoOM5ML`T׉	 7cassandra://8I5bINpn819tNRM6TIpLXyx58Y_AP6V3dr_k4I0srdg`̵ ׉	 7cassandra://MuU3FGz2RwLOQGRjiHCWumHR7OWCqhGyJOYBIG55iqIDk$͠Vt
y7&'Sט # #nu׉׉	 7cassandra://G7ZxNxnWz79HXpVoBc1RBoGVHS8GEYusHelGFYYCGk0V+` 
׉	 7cassandra://WQ3w4s0j9kOscpGc2tqIsJl0Akf7WUcCU_tddEdR400` T׉	 7cassandra://YbalSm5IIkpLieY38olOSWAPuUj6BP3iBGDHbYVdwHU`̵ ׉	 7cassandra://iioslvGsFlJUc1bOyJ_Vqkd8Ag9tsS6_IH5eZKyhuikU(͠Vt
y7&'T׉E}WOR om de medezeggenschap zo dicht mogelijk
bij de werkvloer te leggen en dat de gemeente
steeds heeft omarmd. Specifieke kennis van de
huidige or’s over stadsdelen of werkeenheden zal
straks nauwelijks nog in de centrale or aanwezig
zijn. En waar kennis weglekt, voelen medewerkers
zich al snel niet meer vertegenwoordigd.
‘Bovendien zal in de nieuwe structuur een grote
span of control ontstaan. De or-leden krijgen
mogelijk een overkill aan dossiers en kwesties op
hun bordje. Die kunnen ze, naast hun eigen baan,
onmogelijk behappen. De medezeggenschap zal
er in kwaliteit en kritisch vermogen op achteruitgaan.
We komen voor rare dilemma’s te staan als
we ons ook nog moeten bemoeien met werkroosters
van de plantsoenendienst of openingstijden
van een loket.’
Volgens de uitspraak van de Amsterdamse kantonrechter
blijven er in de ‘concernorganisatie’
voor de RVE’s steeds minder onderwerpen over
waar de or’s over kunnen beslissen. Wanneer
straks bovendien naast de COR onderdeelcommissies
worden ingesteld, verandert er niets
wezenlijks ten opzichte van de bestaande situatie,
aldus de gerechtelijke uitspraak. De COR laat het
hierbij niet zitten en besliste – in september, na
een digitale rondvraag onder alle medewerkers –
in hoger beroep te gaan.
Van Urk Dam: ‘Vernieuwing van de medezeggenschap
is altijd bespreekbaar, maar niet de
inperking of verschraling ervan. Jongeren bij de
gemeente voelen zich best aangetrokken tot medezeggenschap,
maar minder door middel van een
gebondenheid aan de or voor drie jaar. We kunnen
hen uitdagen om in kortlopende projecten voor de
or specifieke kennis te leveren om een adviesprocedure
af te ronden. Dat zie ik als een dynamisch
model voor de toekomst. Maar belangrijker nog
is voorkomen dat door alle reorganisaties jong
talent onvoldoende kansen krijgt en het ambtelijk
apparaat verlaat.’
112
STROOM REORGANISATIES DEMOTIVEERT MEDEWERKERS
׉	 7cassandra://8I5bINpn819tNRM6TIpLXyx58Y_AP6V3dr_k4I0srdg`̵ Vt
y7&'U׉E (STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
113
׉	 7cassandra://YbalSm5IIkpLieY38olOSWAPuUj6BP3iBGDHbYVdwHU`̵ Vt
y7&'VVt
y7&'UFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://E-hCQ4eyyTJyh_XsLBjRJHtKvdK4LqPsW2XgO9Cm4aw͔` 
׉	 7cassandra://JbAoF7DbX34L9DWd38eJOK1GEZIDcnCt3aKx3D9yHho` T׉	 7cassandra://WX5QBq_nXg7lxVVxyzhGi-QVlWVuJkQsdysevRfKMAk`̵ ׉	 7cassandra://Y6gaFGYA_R_dpEwTtHHcZwdPzhnEjdo_nq94NC8msTYR|͠Vt
z7&'Xט # #nu׉׉	 7cassandra://y8pkUSrETy_cdr_N2oTvbtaSF49d4WuqQ0b0LqfyHi0 ` 
׉	 7cassandra://qgXjXM1rBtWfYmHXkevmBNuSiV4Z8PvtVLo6VJLrVL8.` T׉	 7cassandra://eIIQ4NE-rcE4F_r7pXkXQAXEhzDv40Xx1RIu6Hq_NiE`̵ ׉	 7cassandra://GsypocY6t0mMYnId-RRSVngZ6cj2gub9NqY7tCYBeAY%x͠Vt
z7&'Y׉E (114
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://WX5QBq_nXg7lxVVxyzhGi-QVlWVuJkQsdysevRfKMAk`̵ Vt
]7&'׉E ZDeel III.
HRM-beleid in een
veranderende overheid
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
115
׉	 7cassandra://eIIQ4NE-rcE4F_r7pXkXQAXEhzDv40Xx1RIu6Hq_NiE`̵ Vt
z7&'ZVt
]7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://EKZI3yAxIVmEUKskJHQuhkOdvhZzUwaVaAIsZgr-jTw 8` 
׉	 7cassandra://VRBAEMqK6KrW3Wu4fnsI9PLT9NZykxBMoMh_8G-etWkA`T׉	 7cassandra://hiKx567KPJt-NExGN9DK7Rx-10ZvELCppVly5WnZoA4`̵ ׉	 7cassandra://Nu28T3svJOHstOESMF0ZpmyH3Gp_euBzffolSvxBh5I4(͠Vt
z7&'\ט # #nu׉׉	 7cassandra://5vSRjfoNvwRKks021JTM92xKB9cLdvKOTGUXa0DTzHEY` 
׉	 7cassandra://MiwUAsih9zclO87c3v2PwwpylaxtU0PZP9KqEX3REuc
` T׉	 7cassandra://hrN831u1NUucMLYXNRbj7iwXOQjliQ0xsrJUP2uDtdYD` ̵ ׉	 7cassandra://giw5dpgsAZyMdp23J1MBIrILX6Kirdh17Djia-HoO7g$͠Vt
z7&']׉E-Mensen maken een organisatie en ambtenaren
maken de publieke dienst. De wijze waarop
ambtenaren in hun werk staan, maakt veel uit
voor het presteren van een overheid. In tijden van
verandering wordt een groot beroep gedaan op het
verandervermogen van de individuele ambtenaar.
Het HRM-beleid van de overheid is daarmee
medebepalend voor het succes van de overheid
in haar maatschappelijke functioneren. Dit deel
laat zien hoe overheidsorganisaties inspelen op de
demografische ontwikkeling, die ook leidt tot een
vergrijzende ambtelijke organisatie (hoofdstuk 11).
Het blijkt dat de implementatie van het beleid ten
aanzien van ouderen, dat door het ministerie van
Sociale Zaken wordt gepropageerd, minder makkelijk
lukt in de eigen overheidsorganisatie.
Aan overheidsorganisaties en ambtenaren worden
hoge integriteiteisen gesteld. De vele veranderingen
binnen de overheid kunnen tot integriteitrisico’s
leiden. Hoofdstuk 13 laat zien op welke wijze
samenwerking tussen organisaties kan helpen
om de integriteitfuncties binnen de organisatie
te versterken. Ambtenaren staan niet alleen bloot
aan verleidingen die tot integriteitvraagstukken
kunnen leiden, maar worden ook bij tijd en
wijlen blootgesteld aan platte bedreigingen en
zelfs geweld. Hoofdstuk 14 laat zien hoe onveilig
het ambtelijk werk kan zijn en wat de organisatie
hieraan kan doen.
Tenslotte geeft het interview met Johan Remkes
op een goede wijze weer hoe de delicate balans
tussen politieke sturing en meritocratische overwegingen
in de politieke praktijk vorm krijgt.
116
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://hiKx567KPJt-NExGN9DK7Rx-10ZvELCppVly5WnZoA4`̵ Vt
z7&'^׉E ,HRM-BELEID IN EEN VERANDERENDE OVERHEID
117
׉	 7cassandra://hrN831u1NUucMLYXNRbj7iwXOQjliQ0xsrJUP2uDtdYD` ̵ Vt
z7&'_Vt
z7&'^FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://Qgkm_kGEOmEyKDiHYJBqmVM70w--PBZDPFITG1ZutLI͖` 
׉	 7cassandra://Jv3pSlFzSuw1nsWYrM1J52RsUqbdOP9Gmow5IkdAPpQ` T׉	 7cassandra://rVRnftZiAD95mLnWgLcncomvQgnEH2_8rg79CmLlNtU`̵ ׉	 7cassandra://1umzPcn5Ce6zCRtQzkdRIPEolR2-lqnBxjxJ7l3OWKU|͠Vt
z7&'aט # #nu׉׉	 7cassandra://6kRtfxffnGGixWsEa_9uZdZsZFs-5lgr2Wj04_zrg6g ` 
׉	 7cassandra://idI5-6dOic44hGc6bMW3gQ4_58kx2hW5s54U7h6JIz0G` T׉	 7cassandra://8bt93EWClA6FtEdWWIfnsXrJSmfw5mEOjJjYTh2HVscD`̵ ׉	 7cassandra://DiY94u_ZxenAMKZbGmsIb7JTmdOKV2FyOUMvGsct0KA0_x͠Vt
z7&'b׉E (118
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://rVRnftZiAD95mLnWgLcncomvQgnEH2_8rg79CmLlNtU`̵ Vt
]7&'׉E 11. HRM-beleid in een tijd
van verandering en
vergrijzing
Ervaringen van werkgevers in de
publieke sector en hun ambtenaren
met de maatregelen om de duurzame
inzetbaarheid van ambtenaren te
stimuleren
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
119
׉	 7cassandra://8bt93EWClA6FtEdWWIfnsXrJSmfw5mEOjJjYTh2HVscD`̵ Vt
z7&'cVt
]7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://N8zau50R98Be-8w9G9hObd7zABKFb0OTYKkOhleIhuc  ` 
׉	 7cassandra://WMRiMwHoH3DJKWBhe7gE9HbygztSsK5NGOOINIYgpJ0?-`T׉	 7cassandra://dRCB0FHZLSSuReq2dZodcEWlITk2yJtYtu33AtmGw7U `̵ ׉	 7cassandra://zcaTjwURmqOfyXOkA98jXOtT5wUQAAM9dzeaJdAwHmcJP(͠Vt
z7&'eט # #nu׉׉	 7cassandra://TataPosuW9W6vAWRX-g3KZa0ywTZQl6oUVrJg8vL9Xs ` 
׉	 7cassandra://7hIM1YMabpyjzLXu4JihlZFszegf7FL346Cq0HeV6zIh`T׉	 7cassandra://juhkbD_RJMNg_Jm-66S8U2lBFD5srXsGL8J-jGhvtfs`̵ ׉	 7cassandra://3i0n4j-Ulf2nFh00TYnDs-JLrpZyAZC9RacEgJ5sRUsL$͠Vt
{7&'f׉EProf. dr. T. van Vuuren en dr. R.M. Montizaan
1 INLEIDING
De overheid bezuinigt op personeel. Tegelijkertijd
streeft ze ernaar productiever, effectiever en efficiënter
te worden. En dat in een tijd waarin sprake
is van een sterk verouderend ambtenarenbestand.
De overheid is volgens het CBS zelfs ‘kampioen
vergrijzing’. In de periode 1990-2012 is de
gemiddelde leeftijd in het openbaar bestuur en de
overheidsdiensten met acht jaar gestegen naar 43,7
jaar. In geen enkele andere sector in Nederland is
dat zo sterk het geval (Binnenlands Bestuur, 2013).
Deze ontwikkelingen vragen om een aanpassing
van het strategisch human resource management
in de overheidssectoren. Wil de publieke
sector geen knelpunten krijgen in de personeelsvoorziening,
dan zal deze een combinatie moeten
hanteren van beleid gericht op vergroting van het
arbeidsaanbod binnen de sector en de handhaving
en verhoging van de productiviteit van het zittende
ambtenarenbestand. Daartoe zal de publieke
sector het overheidspersoneel moeten faciliteren
en stimuleren om gemotiveerd langer te werken
(Van Vuuren, 2011). Ook zullen overheidswerkgevers
maatregelen moeten nemen om enerzijds
het werk aan te passen aan de belastbaarheid van
werknemers en anderzijds de inzetbaarheid van
werknemers op peil te brengen en te houden.
Kortom, dit vraagt om strategisch human resource
management gericht op de bevordering van
duurzame inzetbaarheid. Een belangrijke vraag
120
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://dRCB0FHZLSSuReq2dZodcEWlITk2yJtYtu33AtmGw7U `̵ Vt
]7&'׉E
is echter in hoeverre het bestaande HR-instrumentarium
(gericht op onder andere scholing,
taakbelasting, flexibiliteit en mentorfuncties) van
de publieke werkgevers bij het Rijk, provincies,
gemeenten en waterschappen geschikt is om de
duurzame inzetbaarheid te bevorderen en of de
ambtenaren hierdoor gemotiveerd en productief
aan het werk blijven. En verschillen werkgevers en
werknemers bij de overheid van inzicht hierover?
Deze bijdrage gaat in op de vraag of het bestaande
HR-instrumentarium van de overheidswerkgevers
in voldoende mate de duurzame inzetbaarheid
van de ambtenaren stimuleert.
Om deze vraag te beantwoorden, putten wij uit
recente inzichten uit de bestaande literatuur en
maken we gebruik van enkele bij het Researchcentrum
voor Onderwijs en de Arbeidsmarkt (ROA)
beschikbare bestanden van data die het ROA in
samenwerking met pensioenuitvoerder APG
heeft verzameld. De dataset is tot stand gekomen
aan de hand van enquêtes van een werkgeverswerknemerspanel
voor de overheid en het onderwijs,
die in 2010, 2011 en 2012 zijn afgenomen. De
werkgeversenquête is verzonden naar alle werkgevers
die zijn aangesloten bij APG. De enquête
is gehouden onder een representatieve steekproef
van werknemers in de leeftijd van 35 tot 65 jaar in
deze sectoren. We zijn in staat om deze enquêtegegevens
van de werknemers en werkgevers
aan elkaar te matchen. Dit leverde bruikbare
gegevens op van in totaal 914 werknemers en
266 werkgevers, waardoor het mogelijk is om
de HR-instrumenten, zoals gerapporteerd door
werkgevers, te linken aan de pensioenvoorkeuren
en de tevredenheid met baan en personeelsbeleid,
verloopintentie, ervaren waardering door de leidinggevende
en de disbalans tussen inspanningen
en beloningen (effort-reward imbalance) van hun
eigen werknemers.
2 WAT KUNNEN OVERHEIDSWERKGEVERS
DOEN OM
DUURZAME INZETBAARHEID
TE VERGROTEN?
Duurzame inzetbaarheid – gezond, productief
en met plezier het huidige én toekomstige werk
kunnen en willen blijven uitvoeren – vraagt om
activiteiten voor de lange termijn (Van Vuuren,
2012). Het vraagt van werknemers om zuinig om
te springen met hun eigen schaarse hulpbronnen.
En van werkgevers om dit te faciliteren.
Analoog aan duurzaam gebruik van natuur en
energie gaat het erom dat ook de werkgevers
deze menselijke hulpbronnen zodanig beheren
dat deze een lange houdbaarheidsdatum hebben.
Volgens de Sociaal Economische Raad (2009)
bestaat duurzame inzetbaarheid uit drie elementen:
vitaliteit, werkvermogen en employability.
Vitaliteit staat volgens Schaufeli en Bakker (2007)
voor energiek, veerkrachtig, fit, onvermoeibaar
door kunnen werken en met een groot doorzetHRM-BELEID
IN EEN TIJD VAN VERANDERING EN VERGRIJZING
121
׉	 7cassandra://juhkbD_RJMNg_Jm-66S8U2lBFD5srXsGL8J-jGhvtfs`̵ Vt
{7&'gVt
]7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://DVzKzza5wsi2tAHFUMWjRltrN9N1k2XG5ZgrJBujvGs +` 
׉	 7cassandra://XFYTO97bOOnrXjmhQKrS2sZVYitCDZIdpoCzak08AiYi`T׉	 7cassandra://nkVSSSn8ss61mMX2emT_rf2eYJklNQ_976sy4BowlKIw`̵ ׉	 7cassandra://ytygeU6mEyfMS_TpDCFdG1pV3TMQEK9KbCk2Mvwskq0C$͠Vt
{7&'jט # #nu׉׉	 7cassandra://E6XZJwLbATFFA0m-5hcBCqsCJR65mjkfc-AfZYkNVUc Y` 
׉	 7cassandra://MjGKIRI8WzQgMc1qyTD_UwMGk44g3WxEbi229f5qXbk`8`T׉	 7cassandra://hYsY6e_SGUfIyWeGYVZ5bZYIaoKvswWNz2akq3fLwys`̵ ׉	 7cassandra://jhOwTS7889D_jwbj5d7qwmUOJYZOmXUz1jLH4eHtTFg@(͠Vt
{7&'l׉E
ytingsvermogen. Werkvermogen is de mate waarin
men fysiek, psychisch en sociaal in staat is om te
werken (Ilmarinen et al, 2005). Employability is
het vermogen om nu en in de toekomst verschillende
werkzaamheden en functies adequaat te
blijven vervullen, zowel in het eigen bedrijf als in
een ander bedrijf of andere sector (De Vries et al.,
2000, Van Vuuren, 2012).
Werkvermogen, vitaliteit en employability zijn in
feite schaarse hulpbronnen, waarmee werknemers
en werkgevers verantwoord moeten omgaan. Het
gaat hierbij niet alleen om maatregelen gericht op
het voorkomen van slijtage, disfunctioneren en
ziekteverzuim (Van Vuuren, 2012). Maar ook om
maatregelen die bijdragen aan het versterken van
het functioneren, de gezondheid en het welbevinden
en die zich ook richten op de omstandigheden
en randvoorwaarden. Zo kan langer doorwerken
en optimaal functioneren mogelijk worden gemaakt.
(Van Vuuren, 2012).
3 HOE BELANGRIJK IS HET DAT
OVERHEIDSWERKGEVERS
MAATREGELEN TREFFEN OM
DUURZAME INZETBAARHEID TE
VERGROTEN?
De noodzaak voor werkgevers om de duurzame
inzetbaarheid van hun werknemers te bevorderen,
wordt benadrukt door de resultaten uit eerder
onderzoek van De Grip et al. (2012) en Montizaan
en Vendrik (2014). Dit onderzoek richtte zich
op de invoering van het ABP Keuzepensioen en
de afschaffing van de FPU-regeling in 2006, die
beoogde de arbeidsmarktparticipatie van oudere
werknemers te verhogen. Werknemers die geboren
zijn in 1950 of later hebben geen recht meer
op de oude meer genereuze prepensioenrechten
(FPU) en moeten daardoor langer doorwerken,
terwijl degenen die geboren zijn in 1949 nog
gebruik kunnen maken van de oude FPU-regeling.
De uitkomsten van dit onderzoek laten zien dat
de baantevredenheid van werknemers die op 1
januari 1950 of net daarna zijn geboren, beduidend
lager is dan van de werknemers die in 1949 zijn
geboren. Ook bleek dat degenen die nét geen recht
meer hebben op een ‘ruimer’ pensioen omdat zij
na 1 januari 1950 waren geboren, zelfs aanzienlijk
vaker depressief zijn dan zij die dat nog net wél
hebben omdat hun geboortedatum voor 1 januari
1950 lag. Het aantal depressieve werknemers nam
met ongeveer 40 procent toe door de vermindering
van het prepensioen (De Grip et al., 2012).
Voor de overheid is de demotiverende werking
van de afschaffing van de FPU-regeling nog eens
veel sterker. Montizaan et al. (2015) laten zien dat
dit komt doordat veel overheidswerknemers hun
eigen werkgever verantwoordelijk houden voor
de daling in hun pensioenrechten en daarom extra
gedemotiveerd raken. Dit geldt specifiek voor
werknemers bij wie sprake is van negatieve we122
HRM-BELEID
IN EEN TIJD VAN VERANDERING EN VERGRIJZING
׉	 7cassandra://nkVSSSn8ss61mMX2emT_rf2eYJklNQ_976sy4BowlKIw`̵ Vt
{7&'m׉E	derkerigheid. Oftewel, het gaat hier om werknemers
die het ‘oog om oog, tand om tand’-principe
hanteren en hun motivatie bewust een tandje
terugschroeven om hun eigen werkgever te laten
voelen dat zij zich onterecht behandeld voelen.
Voor de overheid betekent dit dat de motivatie
van hun oudere werknemers juist een belangrijk
agendapunt moet zijn.
Maatregelen om de duurzame inzetbaarheid te
vergroten zijn echter niet alleen van belang voor
oudere werknemers. Het Nederlandse kabinet
erkent dit. Dat stelt in een brief aan de Tweede
Kamer (Rijksoverheid, 2012, blz. 2): ‘Essentieel is
dat de inzet op duurzame participatie niet begint
bij 55 jaar, maar veel eerder in de loopbaan van
elke werknemer. De nadruk moet dus liggen op
het investeren in alle generaties in plaats van het
in generieke zin ontzien van oudere werknemers,
louter vanwege het bereiken van een bepaalde
leeftijd.’
4 WAT DOEN DE
OVERHEIDSWERKGEVERS OM
DUURZAME INZETBAARHEID
VAN HUN AMBTENAREN TE
VERGROTEN?
Het sterk verouderende ambtenarenbestand zal in
toenemende mate gevolgen hebben voor de balans
die werkgevers ervaren tussen vraag en aanbod op
de arbeidsmarkt, terwijl daarnaast het percentage
oudere ambtenaren aanzienlijk zal stijgen. Hoe
gaan werkgevers in de publieke sector hiermee
om? Erkennen zij het belang van het feit dat oudere
werknemers langer zullen doorwerken? Immers,
beleid gericht op duurzame inzetbaarheid
zal pas ingezet worden als werkgevers hiervan de
noodzaak inzien. En wat doen de overheidswerkgevers
feitelijk om de duurzame inzetbaarheid te
verhogen?
Op basis van werkgeversenquêtes die zijn gehouden
sinds 2011 onder alle werkgevers binnen
de overheid, het onderwijs en de geprivatiseerde
sector (afvalreiniging, energie, kabel, telecom,
water) blijkt dat er maar weinig werkgevers veel
belang hechten aan het langer doorwerken van
werknemers. Maar 18 procent van de werkgevers
binnen de overheidssectoren (Rijk, provincies,
gemeenten en waterschappen) vindt het in 2011
belangrijk dat ouderen doorwerken (zie figuur 1).
Dit percentage daalt tot minder dan 15 procent
in 2013. Ook de werkgevers in het onderwijs en
de geprivatiseerde sector hechten daar niet veel
belang aan, maar zijn in 2012 en 2013 toch wat positiever
hierover. Dit blijkt uit het in 2012 en 2013
grotere aandeel van de werkgevers uit alle sectoren
die het belangrijk vinden dat oudere werknemers
langer werken (Totaal).
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
123
׉	 7cassandra://hYsY6e_SGUfIyWeGYVZ5bZYIaoKvswWNz2akq3fLwys`̵ Vt
{7&'nVt
{7&'mFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://UyoVMAmvUMX_3GfZdnexHtj4ykVKU3-LFnKWPyj2ZSE *` 
׉	 7cassandra://j6WZ8X3eUMA0rRfZu2aOH-o3AtH1yMW_LxLkx9FVzM8_`T׉	 7cassandra://VoAIlkg1OWx8cuP8FvV_sh7yKG-K6hFAyCuDrsZN4qY`̵ ׉	 7cassandra://jyp0LilbEyoiNig83-GfpglWc-AKAIHhpACMDNakWB8O]̄͠Vt
|7&'rט # #nu׉׉	 7cassandra://BwRsHniW-czZVhKwfyNWn2l7cBFMEOBbluJBouxwAXM g>` 
׉	 7cassandra://M4sqUuQ2liYMPXlMLMszgTOnKgGb6hHk06TwvmidJ48L`T׉	 7cassandra://6nfAGwFs-hGiWtiRZwndrLdSsdrgy2a4HAMU3oo2Rtkm`̵ ׉	 7cassandra://4yYOm9YSdlX33A0I1tOUBZxzpqQaIIGG8oFCLh50fBgO͠Vt
|7&'s׉E	[Figuur 1: Hoe belangrijk vinden werkgevers dat
ouderen langer werken (%)
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
2011
Overheid
2012
Totaal
Wat doen de werkgevers in de publieke sector feitelijk
om de duurzame inzetbaarheid te verhogen?
Figuur 2 toont dat het beleid gericht op duurzame
inzetbaarheid vooral bestaat uit maatregelen
gericht op het ontzien van oudere werknemers. In
de figuur wordt telkens het gemiddelde antwoord
van de werkgevers weergegeven op de vraag voor
welk aandeel werknemers zij het desbetreffende
beleid inzetten (op een antwoordschaal van 1
‘voor geen enkele werknemer’ tot 5 ‘voor alle
werknemers’). Duidelijk blijkt dat werkgevers het
vaakst leeftijdsvakantiedagen toepassen om de
duurzame inzetbaarheid te verhogen. Specifiek
worden leeftijdsvakantiedagen vooral ingezet bij
het Rijk en gemeenten en minder bij provincies en
waterschappen. Seniorenverlof wordt eveneens
het meest ingezet bij het Rijk, meer dan bij de provincies
en waterschappen, en het wordt het minst
2013
ingezet bij de gemeenten. De figuur laat ook zien
dat ontziemaatregelen als aanpassing van de werkplek,
taakverlichting en deeltijdpensioen voor
redelijk grote groepen ambtenaren worden toegepast.
Verder maken de werkgevers ook in beperkte
mate gebruik van demotie voor hun werknemers,
al dan niet gepaard gaande met het geven van een
salarisgarantie dan wel teruggang in salaris.
Deze ontziemaatregelen dienen om de balans
tussen de belasting door het werk en individuele
belastbaarheid voor de ambtenaren te verbeteren
(Veerman, 1990; Van Dijk et al., 1990). Ontziemaatregelen
verlagen de werkbelasting door
minder uren en lichtere taken. De balans kan
echter ook worden hersteld door de belastbaarheid
van de ambtenaren te vergroten. Dit kan door HRmaatregelen
gericht op de bevordering van het
vakmanschap, de motivatie en de gezondheid van
de ambtenaren (Van Vuuren, 2011).
Dergelijke maatregelen om de belastbaarheid te
vergroten worden echter voor minder werknemers
toegepast in de publieke sector dan ontziemaatregelen,
zo laat figuur 2 zien. Bijvoorbeeld het
aanbieden van een extra opleiding of cursusdeelname
voor oudere werknemers: gemiddeld geven
de werkgevers bij provincies en waterschappen
aan dit slechts voor een deel van hun oudere ambtenaren
te doen. Bij het Rijk en gemeenten is dit
nog minder het geval. Overigens doen de werkge124
STAAT
VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://VoAIlkg1OWx8cuP8FvV_sh7yKG-K6hFAyCuDrsZN4qY`̵ Vt
|7&'t׉E/Figuur 2: HR-instrumenten om duurzame inzetbaarheid te bevorderen (%)
5
4
3
2
1
0
Rijk
Gemeenten
Provincies en
Waterschappen
Totaal
vers in de provincies en waterschappen dit weer
wel meer dan de werkgevers in de onderwijssectoren
en de geprivatiseerde sector (zie ‘Totaal’). Ook
boden de werkgevers slechts een deel van hun
werknemers de mogelijkheid van een mentorfuncties,
die zou kunnen leiden tot een verhoogde
motivatie en een betere kennisoverdracht binnen
organisaties. Het inzetten van oudere werknemers
in taken waar zij goed in zijn, komt in even
kleine mate voor in de sectoren Rijk, gemeenten
en provincies en waterschappen, terwijl alleen
bij het Rijk vrijwel alle werknemers de mogelijkheid
krijgen aangeboden om door te werken na de
pensioengerechtigde leeftijd.
5 HOE EFFECTIEF ZIJN BESTAANDE
MAATREGELEN OM DE DUURZAME
INZETBAARHEID TE VERGROTEN?
HR-instrumenten zouden een belangrijke bijdrage
kunnen leveren om de duurzame inzetbaarHRM-BELEID
IN EEN TIJD VAN VERANDERING EN VERGRIJZING
125
Leeftijdsvakantiedagen
Seniorenverlof
Toestaan doorwerken na 65
Aanpassign werkplek
Inzetten taken waarin ouderen goed...
Arbeidsduurverkorting
Deeltijdpensioen
Taakverlichting
Salarisgarantie
Extra opleiding / cursus
Mentorfunctie
Cursus pensioen in zicht
Promotie
Vertrekregelingen
Demotie
Teruggang in salaris
׉	 7cassandra://6nfAGwFs-hGiWtiRZwndrLdSsdrgy2a4HAMU3oo2Rtkm`̵ Vt
|7&'uVt
|7&'tFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://XC7bDkG33k6ypg0tVPNg_9_S9MNGv-me68nJ6DbO5Vw ` 
׉	 7cassandra://pYq1WDeG9ks2qQFq5152_E0X7Is64IDmRQFl422YDtcdP`T׉	 7cassandra://6NevgcjCX4Qzdgbju9V3oPt8rcKmc6gLyE9uzl1HiWI`̵ ׉	 7cassandra://f5275NMGZt-ZTXbAVGydGkmZS_Pwu7ZJYi9dDzK2RUA<k$͠Vt
|7&'wט # #nu׉׉	 7cassandra://mtSIPSQ6vCrGFC6zbqYP5tkFEdKzwnn5n1__yRJNGgk ` 
׉	 7cassandra://_X7MtuvwxpB6gcDTuwdTToKcu5dCDaAWtJTIfaOGCrI[o`T׉	 7cassandra://1DQBrg7qU9PwBm14Iis6zDgG97gliwQ2sQFdfw1H0qA`̵ ׉	 7cassandra://69dhqAcFy1s4RmXQcTxdAr_0XjB2JGTVuBJ3ycZUa_M`$͠Vt
}7&'{׉E
heid te bevorderen. Om dit nader te onderzoeken,
illustreert tabel 1 de effectiviteit van de verschillende
soorten HR-instrumenten die werkgevers
aanbieden om hun oudere werknemers duurzaam
inzetbaar te houden. De in de tabel getoonde
resultaten zijn gebaseerd op analyses van de mate
waarin HR-instrumenten volgens werkgevers
worden ingezet en zijn gerelateerd aan de beleving
van hun eigen werknemers. De werknemers is gevraagd
naar verwachte pensioenleeftijd, intentie
om van baan te veranderen, de door hen ervaren
disbalans, de door hen ervaren waardering van
hun leidinggevende, tevredenheid met het personeelsbeleid
en baantevredenheid.
Voor deze analyses zijn de HR-instrumenten die
figuur 2 toont op basis van een factoranalyse in
vijf categorieën ingedeeld. Daarbij gaat het om
maatregelen die gericht zijn op: 1 ‘taakaanpassing’,
2 ‘beloningsprikkels’, 3 ‘training en opleiding’, 4
‘werkurenbeleid’ en 5 ‘pensioenbeleid’. De mate
waarin werknemers een disbalans tussen inspanningen
en beloningen ervaren, is gemeten aan
de hand van een verkorte versie van de EffortReward
Imbalance Questionnaire (ERI-Q: Siegrist
et al. 2009). Een hogere score geeft aan dat de
disbalans groter is. De verwachte pensioenleeftijd
is gemeten door een surveyvraag die gaat over op
welke leeftijd werknemers met pensioen denken
te gaan. De intentie om van baan te veranderen,
de ervaren waardering door de leidinggevende,
tevredenheid met het personeelsbeleid en baantevredenheid
zijn gemeten door surveyvragen
hierover.
Tabel 1 toont dat het aanbod van trainingen, zoals
gerapporteerd door de werkgevers, sterk bijdraagt
aan de motivatie in termen van de wens om
langer door te werken, mindere verloopintentie,
minder ervaren disbalans tussen inspanningen en
beloningen, ervaren waardering door de leidinggevende,
tevredenheid met het personeelsbeleid
en baantevredenheid van hun eigen werknemers.
Werknemers die werken in een organisatie waarin
intensief trainingen aangeboden worden, verwachten
ongeveer vijf maanden later uit dienst
te treden dan werknemers in organisaties waarin
geen trainingen worden aangeboden. Relevant is
dat tabel 1 laat zien dat de verbanden met het aanbod
van trainingen aanwezig zijn, terwijl wordt
gecontroleerd op allerlei persoonskenmerken (opleiding,
leeftijd, loon, aantal contracturen, duur
van het dienstverband) en type sector (overheid,
onderwijs of geprivatiseerde sector). De resultaten
bevestigen dus de rol van trainingsinvesteringen
als een cruciaal HR-instrument om de duurzame
inzetbaarheid te verhogen en de mogelijke demotiverende
werking van pensioenversoberingen te
compenseren.
126
HRM-BELEID IN EEN TIJD VAN VERANDERING EN VERGRIJZING
׉	 7cassandra://6NevgcjCX4Qzdgbju9V3oPt8rcKmc6gLyE9uzl1HiWI`̵ Vt
}7&'|׉EjTabel 1: Welk HR-beleid is effectief? OLS-regressieresultaten op de 2011-dataset voor overheids-,
onderwijs- en geprivatiseerde sectoren
Trainings- beleid
Taakaanpassings-beleid
Beloningsprikkels
Werkuren-beleid
Pensioen-beleid
Leeftijd
45-54
(35-44 is ref.)
Leeftijd 55-65
Laag-opgeleid
Hoog-opgeleid
Overheid
Onderwijs
0.187**
(0.093)
-0.148
(0.095)
-0.051
(0.061)
0.003
(0.121)
0.008
(0.104)
-0.291
(0.368)
-0.703**
(0.319)
-0.245
(0.392)
0.232
(0.239)
0.155
(0.253)
0.472*
(0.282)
-0.023*
(0.012)
0.010
(0.013)
0.004
(0.008)
-0.007
(0.016)
0.007
(0.017)
-0.104**
(0.051)
-0.247***
(0.048)
-0.036
(0.042)
-0.034
(0.039)
0.047
(0.031)
0.079**
(0.038)
-0.044**
(0.017)
0.001
(0.017)
0.012
(0.010)
-0.016
(0.019)
0.045**
(0.020)
-0.025
(0.054)
0.000
(0.054)
-0.159**
(0.067)
-0.009
(0.059)
0.004
(0.042)
0.191***
(0.052)
0.074*
(0.038)
0.063*
(0.036)
0.006
(0.025)
0.017
(0.051)
-0.082*
(0.048)
0.051
(0.137)
0.080
(0.130)
0.194
(0.136)
0.189
(0.123)
-0.120
(0.106)
-0.245**
(0.120)
0.090**
(0.040)
0.069*
(0.041)
-0.007
(0.031)
0.012
(0.056)
-0.153***
(0.051)
0.274*
(0.146)
0.148
(0.136)
0.099
(0.151)
-0.008
(0.094)
-0.296***
(0.084)
-0.305***
(0.107)
0.136***
(0.051)
0.000
(0.061)
-0.035
(0.037)
0.006
(0.074)
-0.192***
(0.065)
0.284
(0.248)
0.224
(0.245)
0.089
(0.203)
-0.010
(0.146)
0.077
(0.095)
-0.257*
(0.134)
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
127
(1)
Verwachte
pensioenleeftijd (in
jaren)
(2)
Op zoek naar een
andere baan (ja/nee)
(3)
Ervaren disbalans
(schaal 1-5)
(4)
Werknemer voelt
voldoende waardering
van leidinggevende
(schaal 1-5)
(5)
Tevreden-heid met
personeels-beleid
(schaal 1-5)
(6)
Baan-tevre-denheid
(schaal 0-10)
׉	 7cassandra://1DQBrg7qU9PwBm14Iis6zDgG97gliwQ2sQFdfw1H0qA`̵ Vt
}7&'}Vt
}7&'|FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://EtGJWAFDZQFz2ZOHbFrkX9h31ZxuK-DUbFQh6-9hFeA mp` 
׉	 7cassandra://x38xF2AyjmAZzDurvjNhm5wHmgRRWbvw7JIYQd6U6Rca`T׉	 7cassandra://69MXVZRK1akGfEeDjd1gIKGo9P8CV-JTNUOHZuN81-Iz`̵ ׉	 7cassandra://decpoaNk5-hW_OkZz5H9cwGfE8DtbZUu1WPW-9UlvLkRM8͠Vt
~7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://D1CU_s6F-BzQtiZGHlUeE9Zr89ac-vLBaliyVW0jnEU /'` 
׉	 7cassandra://2wCHoC57gtS8zUmvAeAhLK3HJIooHm5ieDRzoQw2LDIi`T׉	 7cassandra://n3MoeWp53xmTqr9kjorh653Y_aALP1-2K33bKRXP6UM`̵ ׉	 7cassandra://Fu5OV47PR5mIFCY4sojiHwVHdsPlGNVHDiXSxs0SwD0A$͠Vt
~7&'׉ELoon (ln)
Contract-uren
Duur dienstverband
Geslacht
(man
= 1)
Getrouwd
Constante
Observaties
-0.395
(0.275)
1.373**
(0.568)
-0.017**
(0.007)
0.068
(0.195)
-0.619***
(0.168)
68.878***
(2.973)
845
0.099**
(0.049)
-0.080
(0.082)
-0.003***
(0.001)
0.097***
(0.027)
-0.061*
(0.032)
-0.662
(0.496)
858
-0.105*
(0.058)
0.018
(0.102)
0.001
(0.002)
0.001
(0.040)
-0.029
(0.040)
4.129***
(0.616)
820
Standaard- fouten in parenthese * p < 0.10, ** p < 0.05, *** p < 0.01
Anders dan voor het aanbod van trainingen vinden
wij voor de traditionele ontziemaatregelen die
de belasting verlagen door te verlichten (‘werkurenbeleid’
en ‘taakaanpassing’), vrijwel geen
enkel effect op de wens om langer door te werken
noch op de mindere verloopintentie, de minder
ervaren disbalans tussen inspanningen en beloningen,
de ervaren waardering door leidinggevende,
de tevredenheid met het personeelsbeleid
of de baantevredenheid van hun eigen werknemers.
Het hanteren van een pensioenbeleid (zoals
het aanbieden van vertrekregelingen) hangt zelfs
negatief samen met de ervaren waardering door de
leidinggevende, tevredenheid met het personeelsbeleid,
baantevredenheid en de ervaren disbalans.
6 CONCLUSIE EN DISCUSSIE
Deze bijdrage gaat na in hoeverre het bestaande
HR-instrumentarium van de overheidswerkgevers
in voldoende mate de duurzame inzetbaarheid
van de ambtenaren stimuleert. Recent onderzoek
(De Grip et al., 2012; Montizaan & Vendrik,
2014) laat zien dat zonder flankerend beleid, de
vele versoberingen in het pensioenstelsel een
sterke negatieve invloed hebben op de gezondheid
en motivatie van werknemers. Voor de overheid
zijn de demotiverende effecten nog eens beduidend
sterker (Montizaan et al., 2015). In dit kader
is duurzame inzetbaarheid – gezond, productief
en met plezier het huidige én toekomstige werk
kunnen en willen blijven uitvoeren – van belang
om de productiviteit van oudere werknemers
0.187
(0.138)
-0.124
(0.224)
-0.002
(0.003)
-0.152*
(0.079)
0.108
(0.121)
1.384
(1.450)
854
0.044
(0.154)
-0.000
(0.234)
-0.006*
(0.003)
-0.151*
(0.089)
0.161
(0.119)
2.607
(1.632)
853
0.314
(0.228)
0.807*
(0.437)
-0.001
(0.007)
-0.547***
(0.136)
0.300
(0.212)
2.935
(2.342)
849
128
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://69MXVZRK1akGfEeDjd1gIKGo9P8CV-JTNUOHZuN81-Iz`̵ Vt
~7&'׉E+te behouden. Deze bijdrage gaat daarom na in
hoeverre het bestaande HR-instrumentarium
(gericht op onder andere scholing, taakbelasting,
flexibiliteit en mentorfuncties) van werkgevers
in de publieke sector geschikt is om de duurzame
inzetbaarheid van ambtenaren te stimuleren.
Duurzame inzetbaarheid vraagt de overheidswerkgevers
om activiteiten voor de lange termijn
in te zetten. Ons onderzoek laat echter zien dat
werkgevers bij het Rijk, gemeenten, provincies
en waterschappen langer doorwerken niet zo
belangrijk vinden. Slechts minder dan 15 procent
van de werkgevers bij de overheid geeft in 2013
aan dat zij het belangrijk vinden dat werknemers
langer gaan werken. Dit duidt erop dat werkgevers
in deze sectoren nog weinig oog hebben voor de
langetermijnconsequenties die de verouderende
leeftijdsopbouw van de beroepsbevolking zal
hebben op hun arbeidsbestand. Hierbij speelt
uiteraard mee dat veel overheidswerkgevers door
de economische crisis in de periode 2011-2013 fors
moesten bezuinigen.
Ook blijken de meeste werkgevers in de overheidssectoren
vooral HR-beleid in te zetten dat is
gericht op het ontzien van oudere werknemers,
dat wil zeggen door de werkbelasting voor oudere
werknemers te verlichten, door het aantal uren dat
zij werken te verminderen en/of lichtere taken
te geven. Dit met name door het gebruikmaken
van leeftijdsvakantiedagen en seniorenverlof. De
recente beleidsdiscussie omtrent seniorenverlof
doet echter vermoeden dat dit beleidsinstrument
geen lang leven meer beschoren is. Werkgeversvereniging
AWVN concludeerde na onderzoek dat
het seniorenverlof bij 15 procent van alle werkgevers
is verdwenen. Als de werkgevers in alle
cao-onderhandelingen hun zin krijgen, loopt dat
de komende jaren wellicht op tot ruim 60 procent.
HR-maatregelen als het trainen en scholen van
oudere werknemers of hen inzetten voor mentorfuncties,
wordt voor een minder groot deel van de
oudere werknemers bij de overheid genomen. Dit
terwijl ons onderzoek laat zien dat de inzet van
extra opleiding voor oudere werknemers juist als
enige instrument motiverend werkt. Wij vinden
geen positief verband tussen ontziemaatregelen,
zoals gerapporteerd door de werkgever, en de
wens om langer door te werken, de verloopintentie,
de ervaren balans tussen inspanningen en
beloningen, de waardering die werknemers ervaren
van hun leidinggevende, de baantevredenheid
en de tevredenheid over het personeelsbeleid van
hun eigen werknemers. Overheidswerkgevers
lijken dus niet de juiste dingen te doen. Zij doen
te weinig om hun ambtenaren te motiveren om
langer productief door te werken. De consequentie
is dat de vitaliteit, het werkvermogen en de
employability van werknemers en daarmee uiteindelijk
ook de arbeidsproductiviteit op de lange
termijn in gevaar is. Van belang is daarom dat het
HRM-BELEID IN EEN TIJD VAN VERANDERING EN VERGRIJZING
129
׉	 7cassandra://n3MoeWp53xmTqr9kjorh653Y_aALP1-2K33bKRXP6UM`̵ Vt
~7&'Vt
~7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://I1Grt7xcRDEeQse_YMoYz1WXT1GBY2RBklcHLJQUTO4 ` 
׉	 7cassandra://pGaekBlbiOQ_MuI3D3fUErSQSxiWr9E60MrJeu3JNa8S5`T׉	 7cassandra://fuE0M8xE34YXwYRUCS0graZBlC2auT1pWvqNXYmqCzE/`̵ ׉	 7cassandra://opR2f34wOFoNRSNBzqnvD3nOo7_gr6sHmfcxQ-jBvrcl$͠Vt
~7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://cwP9IQK42ZvLjy7M0dwiIWIvPZC2L3z0wjHSP6yM9Z4 o` 
׉	 7cassandra://hTnT_KWllIA3Y1BhQRQ_gGH_m0fEi15hiPs3SNQMXq4<H`T׉	 7cassandra://6n3P4qmMmpeX0nQqSJNEs0JUQsOopQueowjnFPSe6Es`̵ ׉	 7cassandra://WQwD_nMjmip87dxXrjkjbcwsn6ICQ4xM4MhU9Pyx-Ngd(͠Vt
~7&'נVt
~7&' ;9׉H |http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2012/11/29/duurzame-inzetbaarheid-in-cao-en-praktijk.htmlGׁׁrנVt
~7&' <9׉H |http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2012/11/29/duurzame-inzetbaarheid-in-cao-en-praktijk.htmlGׁׁrנVt
~7&' ΁9׉H |http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2012/11/29/duurzame-inzetbaarheid-in-cao-en-praktijk.htmlGׁׁrנVt
~7&' /HA9׉H khttp://www.binnenlandsbestuur.nl/ambtenaar-en-carriere/nieuws/ambtenaren-kampioen-vergrijzing.9013588.lynkxGׁׁrנVt
~7&' /^&9׉H khttp://www.binnenlandsbestuur.nl/ambtenaar-en-carriere/nieuws/ambtenaren-kampioen-vergrijzing.9013588.lynkxGׁׁrנVt
~7&' /s̫9׉H khttp://www.binnenlandsbestuur.nl/ambtenaar-en-carriere/nieuws/ambtenaren-kampioen-vergrijzing.9013588.lynkxGׁׁrנVt
~7&' ̛ʁ9׉H Rhttp://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/C4EDE847-BA55-447D-90F4-EB6CD281DB8C/0/pb12n073.pdfGׁׁrנVt
~7&' /,9׉H Rhttp://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/C4EDE847-BA55-447D-90F4-EB6CD281DB8C/0/pb12n073.pdfGׁׁrנVt
~7&' /̰9׉H Rhttp://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/C4EDE847-BA55-447D-90F4-EB6CD281DB8C/0/pb12n073.pdfGׁׁr׉Eafschaffen van het seniorenverlof niet uitsluitend
een bezuinigingsactie wordt, maar dat de vrijgevallen
gelden ingezet worden om te investeren in
de duurzame inzetbaarheid en motivatie van het
eigen personeel.
LITERATUUR
Binnenlands Bestuur (2013). Ambtenaren kampioen
vergrijzing. Verkregen op 25 juli 2015 van
http://www.binnenlandsbestuur.nl/ambtenaaren-carriere/nieuws/ambtenaren-kampioenvergrijzing.9013588.lynkx
CBS
(2014). Potentiële beroepsbevolking blijft
straks op peil dankzij 65-plussers. Verkregen op
15 april 2015 van http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/C4EDE847-BA55-447D-90F4-EB6CD281DB8C/0/pb12n073.pdf
De
Grip, A., Lindeboom, M., & Montizaan, R.M.
(2012). Shattered Dreams: The Effects of Changing
the Pension System Late in the Game. The Economic
Journal, Royal Economic Society, vol. 122(559),
pages 1-25, 03.
De Vries, S., Gründemann, R., Van Vuuren, T., _
Willemsen, M. (2000). Employabilitybeleid in
Nederlandse organisaties. Gedrag & Organisatie,
13, 5, 291-303.
Fouarge, D., De Grip, A., Mohamed, A., &
Montizaan R. (2012). Pensioenverwachtingen en
personeelsbeleid: jaarverslag 2012. ROA-R-2012/4,
Maastricht University.
Ilmarinen, J., Tuomi, T, K., & Seitsamo J. (2005).
New dimensions of work ability. International
Congress Series 1280, 3–7.
Montizaan, R.M., & Vendrik, M.C.M. (2014).
Misery Loves Company: Exogenous shocks in
retirement expectations and social comparison
effects on subjective well-being. Journal of
Economic Behavior & Organization. Elsevier, vol.
97(C): 1-26.
Montizaan, R.M., Corvers, F., De Grip, A., & Dohmen,
T. (2015), The impact of negatively reciprocal
inclinations on worker behavior: Evidence from a
retrenchment of pension rights. Management Science,
http://dx.doi.org/10.1287/mnsc.2015.2157
Rijksoverheid. (2012). Duurzame inzetbaarheid
in cao en praktijk. Kamerstuk: Kamerbrief|29-11-2012.
Verkregen op 17 april 2015 van
http://www.rijksoverheid.nl/documenten-enpublicaties/kamerstukken/2012/11/29/duurzame-inzetbaarheid-in-cao-en-praktijk.html
130
HRM-BELEID
IN EEN TIJD VAN VERANDERING EN VERGRIJZING
׉	 7cassandra://fuE0M8xE34YXwYRUCS0graZBlC2auT1pWvqNXYmqCzE/`̵ Vt
~7&'׉EjSchaufeli, W.B., & Bakker, A.B. (2007). Burnout
en bevlogenheid. In: Schaufeli, W.B., & Bakker,
A.B. (Red.). De psychologie van arbeid en gezondheid,
pp. 341-358. Houten: Bohn Stafleu Van
Loghum.
Siegrist, J., Wege, N., Puhlhofer F., & M. Wahrendorf.
(2009). A short generic measure of work
stress in the era of globalization: effort-reward
imbalance. Int Arch Occup Environ Health, Vol. 82,
8, 1005-1013.
Sociaal Economische Raad (2009). Een kwestie
van gezond verstand: Breed preventiebeleid binnen
arbeidsorganisaties. Den Haag: Sociaal Economische
Raad.
Van Dijk, F.J.H., Van Dormolen, M., Kompier,
M.A.J. & Meijman, T.F. (1990). Herwaardering
model belasting-belastbaarheid. Tijdschrift voor
sociale gezondheidszorg 3, 10.
Van Vuuren, T. (2012). Vitaliteitsmanagement: je
hoeft niet ziek te zijn om beter te worden! Vergroot
de duurzame inzetbaarheid van werknemers
door hun vitaliteit, werkvermogen en employability
te versterken. Gedrag & Organisatie, 25 (4),
400-418.
Vuuren, T. van (2011). De vergrijzing van de
ambtelijke dienst vraagt om duurzame inzetbaarheid.
In Staat van de Ambtelijke Dienst: Hoe staan
de ambtenaren er anno 2011 voor?, pp. 54-58. Den
Haag: CAOP.
Veerman, T.J. (1990). Theorieën over ziekteverzuim.
In: Smulders, P.G.W. & Veerman, T.J.
Handboek verzuimmanagement: gids voor de
bedrijfspraktijk. Den Haag: Delwel.
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
131
׉	 7cassandra://6n3P4qmMmpeX0nQqSJNEs0JUQsOopQueowjnFPSe6Es`̵ Vt
~7&'Vt
~7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://tJfGCxGjOY4rNhYutDebwXlepfaZRxbGeaDf36ovRQ8͖` 
׉	 7cassandra://ZJMab0xUR7KQ6gblhYJf-caknMAbfsoyX1lE5yJSJD0|` T׉	 7cassandra://TLozuVn1zSnBgp548vii-7u6AQYcZJDulwshVuINhlE`̵ ׉	 7cassandra://RYJbZ3HHJ_GEe4N-XOwlTPzM2JrDJI9twJGY967PoTE|͠Vt
~7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://kp49hweR8A-zyK8FfmKPBrfrKknhrLaqSN7KrN7Z2RgD` 
׉	 7cassandra://Q60Shj4qMu0UeP_3K6oAb3XUecyzmV14mfwrA9yYhjY*` T׉	 7cassandra://jtOpXWFZo0B6znRosZBZ4r8CsopC4QfmGiE-7szTUW8
'`̵ ׉	 7cassandra://Ikm0ztqJxgRY5C98QAqi21RZnG4rnA5ao2PMPWjr11Y"x͠Vt
~7&'׉E (132
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://TLozuVn1zSnBgp548vii-7u6AQYcZJDulwshVuINhlE`̵ Vt
]7&'׉E F12. MOBILITEIT IN
TURBULENTIE
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
133
׉	 7cassandra://jtOpXWFZo0B6znRosZBZ4r8CsopC4QfmGiE-7szTUW8
'`̵ Vt
~7&'Vt
]7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://uLsAQinn4GyunI__G1O5qloJCxxHZpOGZ-WmrT82rbw ` 
׉	 7cassandra://ZhFiZaF3GtWu4jyi673j6uHS9zbpW_gxvmhxTQJ_ph8>`T׉	 7cassandra://drxgZUdMSg-4r6Fcm7jHajaIWiOZ09f3oShMHMTqpJI`̵ ׉	 7cassandra://6O2LODOucPlCF9doxaYuxkm_lYVjaCbCGAKggsx_r9kH6(͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://RAyf9OwtUnxkYGOT_lPbUkN6pl2Z34UP5ZeN65pNjec w` 
׉	 7cassandra://qQkX5QJqRustBW5DbgwecTytbHAO_dBn9zs7dPuD76QeG`T׉	 7cassandra://Y4YGnzNOBxY8jpYm_IXBh_NS4PJrVBuhOx5ns8mLlPE`̵ ׉	 7cassandra://UOerdWintCNkccCd-a7JbSKLAq3NWnTSgRNFUNpJ6j8Z$͠Vt
7&'׉EAuteurs:
Drs. L. Lombaers
Drs. J. Buljac
1. INLEIDING
Het aanpassingsvermogen, de flexibiliteit en de
kwaliteit van het openbaar bestuur is en wordt
deze jaren op de proef gesteld. In de afgelopen
jaren is door bezuinigingen, hervormingen,
decentralisaties, digitalisering technologische
innovatie en roerige politieke ontwikkelingen een
toenemend beroep gedaan op het vermogen van
het openbaar bestuur zich daaraan aan te passen
en er slim op in te spelen.
Niet alleen organisatorische en technologische
ontwikkelingen hebben de behoefte aan een flexibele
organisatie verder aangewakkerd, ook een
veranderende maatschappij en politiek vergen een
andere rol en houding van het openbaar bestuur.
Enerzijds streven we naar een kleinere en terughoudende
overheid, omdat we in de participatiesamenleving
zo veel mogelijk ruimte en vrijheid
aan de burger willen (terug)geven. Anderzijds
staat de overheid flink in de schijnwerpers. We leven
in een mediacratie, waarin vandaag niet altijd
duidelijk is wat morgen op de politieke agenda zal
staan en hoe de prioriteiten gerangschikt zullen
zijn. We leven (nog steeds) in een age of sell,
waarin maatschappelijk draagvlak verkrijgen voor
je ambtelijke en bestuurlijke handelen belangrijk
is, maar ook in de age of consult, involve and empower.
Van de overheid wordt, terecht, verwacht
om snel stelling te nemen en daadkrachtig op te
treden waar dat nodig is, daar transparant over te
134
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://drxgZUdMSg-4r6Fcm7jHajaIWiOZ09f3oShMHMTqpJI`̵ Vt
]7&'׉E
zijn en waar mogelijk de burgers en organisaties
zo direct mogelijk hierbij te betrekken.
Het Nederlandse openbaar bestuur zet van oudsher
zwaar in op ambtelijke deskundigheid en het
opbouwen van een institutionele kennispositie
en een fijnmazige operationele uitvoeringscapaciteit
in ambtelijke diensten. Dit is geënt op
stabiliteit en continuïteit. Tegelijkertijd zien we
alles veranderen, en constant veranderen. Paul
’t Hart (2014) stelt terecht dat de gemiddelde
ambtelijke organisatie te maken heeft met een
‘tsunami aan omgevingsdynamiek’, waarvan het
einde niet slechts buiten zicht, maar zelfs niet eens
meer voorstelbaar is.42
We hebben het hier over
nieuwe bestuurlijke opgaven, die voortvloeien
uit politieke veranderingen, europeanisering en
globalisering, informatie- en innovatieoorlogen
en demografische veranderingen zoals vergrijzing.
Prudent omgaan met deze meervoudige turbulentie
is daarom de nieuwe laag in ambtelijke opgaven,
aldus ’t Hart. De ambtenaar in de turbulente
samenleving kan omgaan met agenda-, gezags- en
temporale turbulentie, en kan tegelijkertijd balanceren
tussen rollen en interactief handelen in een
netwerksamenleving (’t Hart, 2014). En daar hoort
in de publieke sector eigentijds werkgeverschap,
personeelsbeleid en personeel bij.
In dit hoofdstuk laten we zien hoe het personeel
wel of niet (mee)beweegt. We hebben het dan
over personeelsmobiliteit. In hoofdstuk 14 zullen
we overigens nader inzoomen op het openbaarbestuurpersoneel
in termen van persoonskenmerken.
Wie is de openbaarbestuurambtenaar, hoe
ziet hij zichzelf en hoe ziet de buitenwereld hem
of haar?
Wat is er zo belangrijk aan personeelsmobiliteit?
In principe niets, zolang er een match bestaat
tussen het (te verrichten) werk en (de wensen en
competenties van) de ambtenaar, met voldoende
aandacht voor diens toekomstige inzetbaarheid.
Personeelsmobiliteit is geen doel op zich, maar
kan wel een onmiskenbare bijdrage leveren aan de
vereiste flexibiliteit van de overheidsorganisatie
de komende jaren.
Het lijkt allemaal abstract, de flexibiliteit van het
openbaar bestuur, maar dat is het niet. Een recent
voorbeeld van een situatie waarin een dienst snel
een daadkrachtig actie moest ondernemen, betreft
de aanpak van het gewelddadige jihadisme en de
participatie van Nederlandse jongeren daarin. De
Bulgarenfraude, waarna de Belastingdienst met
systematische oplichting werd geconfronteerd,
is een ander voorbeeld van hoe ambtenaren snel
moeten inspelen op een zeer gevoelige realiteit.
Het optreden van de Nederlandse overheid na de
ramp met het toestel MH17 is een derde voorbeeld
42. Paul ’t Hart. (2014). Ambtelijk vakmanschap 3.0: Zoektocht naar het handwerk van de overheidsmanager.
MOBILITEIT IN TURBULENTIE
135
׉	 7cassandra://Y4YGnzNOBxY8jpYm_IXBh_NS4PJrVBuhOx5ns8mLlPE`̵ Vt
7&'Vt
]7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://BK0T34zphlWsnJlwZj5vBu2tqbblVmC1-YkUWnc7okI ` 
׉	 7cassandra://8QehEKbUBdPSkaT83nu8OYHZFjT5Yip1vzmSkqt4P2Eb`T׉	 7cassandra://Vlu00iLUupI8hmaLR6Gh-x1n1KJvLe9NjZSH9YQCOh4W`̵ ׉	 7cassandra://rVx2m4BiThD43YGmegFPBRVJw2empy5Ttq-34P-it94F$͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://O2ItHIOXX9X69rb0ettmmFOPtTcUuHguQgj1l_lbqEM ?` 
׉	 7cassandra://LnE7PJ8ji4Z0F3lh2aXB5xtaLpLoCUt56DnXQaAx6jox:`T׉	 7cassandra://FmkJJX0VHpqM-M5DDfPODyPqxzyGk_SaxXh5zUjKuXU`̵ ׉	 7cassandra://0kQcLEkMA6Q1xpslj2-aqx9Y9v99o1Kl7vbkYi2tL3wu`͠Vt
7&'׉E
van een gebeurtenis waarop ministeries en andere
overheden snel en feilloos moesten reageren. Een
vanzelfsprekendheid, maar wel een die flexibiliteit
van de organisatie verreist, waarbij (op korte
termijn, maar ook op structurele basis) een fit tussen
de vraag en het aanbod binnen de organisatie
dient te bestaan.
Om mee te gaan in de veranderingen van deze
tijd, wordt van de medewerker verwacht dat hij
in staat en bereid is om van functie te veranderen,
oftewel mobiel te zijn (SCP, 2015). Naast de flexibiliteit
is ook een stevige productiviteit een eis die
wordt gesteld aan het openbaar bestuur. Wie tijdens
zijn loopbaan regelmatig van werk verandert,
is waarschijnlijk ook pro ductiever (SCP, 2015) en
voor de organisatie daarmee veel beter, breder en
succesvoller inzetbaar dan wie dat niet doet. Dus
wederom is mobiliteit daarmee geen doel op zich,
maar een middel om een hoger aanpassingsvermogen
van het openbaar bestuur te realiseren en
bij te dragen aan de inzetbaarheid van de individuele
medewerker.
Het belang van personeelsmobiliteit lijkt ons
duidelijk, nu wellicht meer dan ooit tevoren. Dit
artikel geeft dan ook antwoord op de centrale
vraag: hoe is het gesteld met de personeelsmobiliteit
en waar kunnen we op verbeteren?
2. PERSONEELSMOBILITEIT IN HET
OPENBAAR BESTUUR: DE STAND
VAN ZAKEN.
Voordat we kijken naar hoe het gesteld is met de
personeelsmobiliteit binnen de verschillende
sectoren van het openbaar bestuur, is het goed om
het begrip af te bakenen. Mobiliteit (of personeelsmobiliteit)
definiëren we als: (interne of externe)
positieverandering gedurende de loopbaan (SCP,
2005).
Om een antwoord te geven op de centrale vraag
kijken we eerst naar het complete plaatje. Hoe is
het gesteld met de mobiliteit van de openbaarbestuurmedewerker?
Verschillende ontwikkelingen
raken de mobiliteit. Zoals eerder beschreven
krimpt het openbaar bestuur onder druk van
taakstellingen en bezuinigingen in een tijd dat
er tevens verminderde arbeidsmarktperspectieven
voor medewerkers bestaan. Hierdoor is er
weinig instroom en weinig natuurlijke uitstroom.
Het aantal dienstjaren zal onder invloed hiervan
toenemen. Jongeren worden dubbel geraakt
doordat er weinig instroommogelijkheden en
vaker tijdelijke contracten zijn, en bij reorganisaties
zijn ze vaak als eerste boventallig. Dit heeft
als consequentie dat het werk in het openbaar
bestuur nu en in de toekomst voor een groot deel
door dezelfde medewerkers gedaan wordt. Ten
aanzien van deze groep is er reden voor zorg. Uit
onderzoek blijkt dat hun mobiliteit laag is (en
136
MOBILITEIT IN TURBULENTIE
׉	 7cassandra://Vlu00iLUupI8hmaLR6Gh-x1n1KJvLe9NjZSH9YQCOh4W`̵ Vt
7&'׉Eoverigens al begint te zakken na de leeftijd van 35
jaar43
) en dat er in toenemende mate sprake is van
een groep die vastloopt. Hiermee bedoelen we, in
navolging van de terminologie van het SCP, een
groep medewerker die discrepantie ervaart tussen
het gewenste werk en het werk dat ze (geacht
worden te) doen, zonder dat ze op zoek zijn naar
een andere baan. Het SCP (2010) onderscheidt
daarnaast nog een tweede groep die niet mobiel
is of wil zijn: de gecommitteerden. Het grote
verschil tussen de vastlopers en de gecommitteerden
is dat de gecommitteerde werknemers geen
discrepantie ervaren tussen het werk dat ze doen
Rijk
Niet-mobielen Gecommitteerden
Vastlopers
50%
11%
Het grote verschil tussen deze twee groepen
niet-mobiele werknemers is dat één groep wél een
match vormt met hun huidige baan en de andere
groep werknemers niet en dus discrepanties
ervaart tussen de gewenste werksituatie en hun
huidige werksituatie.45
Het is belangrijk om ons
bewust te zijn van dit onderscheid tussen de verschillende
groepen niet-mobiele werknemers. Niet
op de laatste plaats omdat binnen veel organisaties
een redelijk instrumentele benadering wordt
en hun wensen en ambities. Deze groep vormt
vaak de ruggengraat van de organisatie.
Kenmerken
Gecommitteerden
Vastlopers
Ervaart geen
discrepanties en zoekt
ook geen andere baan.
Ervaart wel
discrepanties, maar zoekt
geen andere baan.
De volgende tabel laat zien hoe het per sector gesteld
is met het aantal niet-mobiele medewerkers in
het openbaar bestuur.44
Dit zijn dus medewerkers
die zelf aangeven niet van baan te willen wisselen.
Gemeenten Waterschappen Provincies Totaal
openbaar
bestuur
50%
9%
63%
9%
50%
7%
51%
10%
toegepast van personeelsmobiliteit, waarbij de
indruk ontstaat dat werknemers mobiel moesten
zijn om het mobiel zijn. Mobiliteit moet helpen om
werknemers nieuwe vaardigheden en ervaringen
te laten opdoen, maar het blijft telkens een
afweging per individuele situatie of een bepaalde
werknemer op zijn huidige plek tot z’n recht
komt en een toegevoegde waarde heeft voor de
organisatie, of dat zijn toegevoegde waarde groter
zou zijn in een andere functie binnen of buiten de
43.
44.
45.
Trends & Cijfers 2015, werken in de publieke sector. Uitgave van het ministerie van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties, september 2015.
Op basis van het Personeels- en Mobiliteitsonderzoek 2014 van het ministerie van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties.
De werksituatie bestaat uit de baan (alles bijeengenomen), organisatie (alles bijeengenomen), inhoud
van het werk, samenwerking met collega’s, mate van zelfstandigheid, hoeveelheid werk, resultaatgerichtheid
van de organisatie, wijze waarop de direct leidinggevende leiding geeft, informatievoorziening
en communicatie binnen de organisatie, loopbaanontwikkelingsmogelijkheden, beloning, wijze waarop
de medewerker beoordeeld wordt, mate van invloed die de medewerker heeft binnen de organisatie en
de aandacht van de organisatie voor zijn persoonlijk welzijn.
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
137
׉	 7cassandra://FmkJJX0VHpqM-M5DDfPODyPqxzyGk_SaxXh5zUjKuXU`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://L2MU3tYQcO91R470xq0APwQyMNTRn_UX2TFV7vDiu-g n` 
׉	 7cassandra://6Mp4NGAO0kQPHgK2madT4ccg2CuiDnP8130n4RS4nFgB2`T׉	 7cassandra://P3HxgtcvLIcXRweL9s5MQlZSACsC7wrwx8eg2hn0H04`̵ ׉	 7cassandra://jDyQn9CsDf4wbtH8lgYlNf0DZbJEDMYuu-pI7v3t-bc[f̢͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://aV7ac7XFihPGISZfw2URWRWxRQRI9pd4tAFp6w-gjcE w` 
׉	 7cassandra://mlQByJt1DCqvPY8osKRja2gK2WV8ORWVdXRsYHHnKKAPG`T׉	 7cassandra://pBVz02i4L_2O4cC8JnebNiwGhALHFBHVZdplidTyVQA`̵ ׉	 7cassandra://TtLlvhHVUZgbsKujjnZm_a2P2Vo4cucLJ8RP_oQnmZ8^͠Vt
7&'׉Eorganisatie. Het is duidelijk dat de groep gecommitteerde
niet-mobiele medewerkers, die aangeven
géén discrepanties te ervaren tussen hun huidige
werk en hun gewenste werk, in principe geen probleem
vormt maar eerder als de ruggengraat voor
de overheidsorganisatie gezien kan worden. De
vastlopers, die een ‘stabiele’ groep van 10 procent
(gemiddeld) vormen, zijn dat daarentegen meestal
De groep ‘vastzitters’
is 5x zo groot als de groep
vrijwillig extern mobielen
INTERN
MOBIEL
11,8%
VRIJWILLIG 2,2%
EXTERN
MOBIEL
5,6%
wél. In de volgende paragraaf gaan we dieper in op
de kenmerken van de groep vastlopers.
3. WIE IS DE VASTLOPER?
De vastloper hebben we gedefinieerd op basis van
de definitie van het SCP (2005) en geoperationaliseerd
en ingevuld op basis van ons Personeelsen
Mobiliteitsonderzoek (2014). De vastloper
Arbeidsmobiliteit
medewerkers
DISCREPANTIES, NIET OP ZOEK 9,7%
(’VASTZITTERS’)
NIET
MOBIEL
82,5%
138
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://P3HxgtcvLIcXRweL9s5MQlZSACsC7wrwx8eg2hn0H04`̵ Vt
7&'׉Eis ontevreden tot zeer ontevreden over onder
andere de inhoud van zijn werk, de organisatie
en zijn leidinggevende, maar geeft tegelijkertijd
aan niet naar een andere baan te zoeken en niet
mobiel te (willen) zijn. Het aandeel vastlopers in
het openbaar bestuur is ongeveer één op de tien.
In absolute aantallen betreft het hier ruim 30.000
werknemers in het openbaar bestuur. In de afgelopen
jaren is de omvang van deze groep gegroeid.
In 2011 was het aandeel vastlopers iets lager, namelijk
9,6 procent. Het gaat hier om medewerkers
die iets minder vaak hoog opgeleid zijn (hbo/wo:
50 procent tegenover 57 procent in het openbaar
bestuur), vaak 55 jaar of ouder zijn (38 tegenover
27 procent), vaak meer dan twintig dienstjaren
erop hebben zitten (38 tegenover 29 procent) en
meer dan tien jaar in dezelfde functie werken (64
tegenover 47 procent). De volgende figuur geen
een beeld van de belangrijkste persoonskenmerken
binnen deze groep.
Vastlopers zijn ten opzichte van andere medewerkers
het minst tevreden en komen niet uit zichzelf
in beweging. Dit vormt een risico voor henzelf,
maar ook voor de werkgever. Voor de vastloper
is de kans groot dat zijn inzetbaarheid lager is en
daarmee zijn ook de perspectieven op werk in de
toekomst minder. Niet in de laatste plaats is het
ook erg aannemelijk dat de vastloper zelf ongelukkig
is op zijn werk. Hoewel niet per definitie
GESLACHT
OPLEIDING
6%
13%
38%
VASTZITTERS
62%
33%
48%
31%
man
vrouw
lager
middelbaar
hoger
universtair
15-24
25-34
35-44
45-54
55 en ouder
25%
1-3
4-5
6-10
11-20
meer dan 20
tijdelijk
vast
overig
37%
LEEFTIJD
1%
12%
19%
39%
8%
11%
17%
97%
DIENSTJAREN
DIENSTVERBAND
2% 1%
MOBILITEIT IN TURBULENTIE
139
׉	 7cassandra://pBVz02i4L_2O4cC8JnebNiwGhALHFBHVZdplidTyVQA`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://_JlfVsUK7K-rsugnkx8Q_aT16JpK444BDi9CeoXHxTw i` 
׉	 7cassandra://q6_w8d_HlKmM7kntHB5KcG4E8Ju0OYL9Bth2triip0kn`T׉	 7cassandra://1B0jC1t7MOiKgRuetD6upwCn7h9DLiubmBdPwBrrTOI`̵ ׉	 7cassandra://W8bFG_CyBiv8rpOtZv8lN-j630YBE2A63JsCuHNPJToQ$͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://rVcyDECFh2hc5UQRZJr-9IiDdP7dvprv5t8g6Qm5vlg `
׉	 7cassandra://tb_lh6BMFfQRli9EHDbNzzZrabH2TiCJ9EA0EidiPEA?`T׉	 7cassandra://EunzrH1OooI6nobX82b4ych12ozfQMeOQp-tSxxWsjA`̵ ׉	 7cassandra://-bPMAwO6d1Dl4jubiPYE58kUoa_ze7xJd4Te9jfWSd8Kd͠Vt
7&'׉Ete zeggen valt dat vastlopers hun werk niet goed
doen, is het op basis van de diverse wetenschappelijk
inzichten (en die uit onze dagelijkse praktijk
en ervaringen op de werkvloer) plausibel dat de
ontevredenheid heel ongunstig is voor de inzet en
prestatie van de werknemer. We kunnen daarom
concluderen dat naarmate de groep vastlopers
groter wordt, de kwaliteit van de organisatie verder
onder druk komt te staan.
En nu raken we in feite de kern van het probleem:
de kwaliteit van de organisatie, of beter gezegd de
kwaliteit van de dienstverlening van de overheidsorganisatie.
We kunnen, zoals gezegd, op
basis van diverse wetenschappelijke en praktische
inzichten stellen dat ontevreden medewerkers
een ongunstige uitwerking hebben op de productiviteit
en kwaliteit van de dienstverlening van de
organisatie. Om dit specifieker te maken zouden
we dus moeten kijken hoe groot de groep vastlopers
is per organisatie. In de volgende paragraaf
geven we daar een antwoord op.
4. IS HET DE OMVANG, HET
ORGANISATIETYPE OF TOCH DE
REGIO?
Binnen het openbaar bestuur als geheel is één
op de tien werknemers een vastloper, maar dit is
‘slechts’ een gemiddelde. Op basis van medewerkersonderzoek
hebben wij een analyse gemaakt
waardoor we meer inzicht kregen in het aantal
vastlopers op organisatieniveau en daarmee ook
in de mogelijke aanpak en oplossingen.46
Wat
blijkt? Tussen afzonderlijke organisaties onderling
constateren we behoorlijke verschillen. Het aantal
vastlopers varieert tussen de minder dan 2 en
meer dan 20 procent per overheidsorganisatie. De
onderstaande figuur schetst de spreiding van de
(geanonimiseerde) organisaties uit het openbaar
bestuur.
Het eerste wat ons opviel na deze analyse is:
vastlopers komen in meer of mindere mate binnen
alle sectoren voor en bovendien blijken er grote
verschillen te bestaan tussen de verschillende
overheidswerkgevers binnen de desbetreffende
sectoren. De variaties tussen inspecties of uitvoerende
organisaties is groter dan de variatie tussen
organisaties met een beleidstaak, een inspectie of
een uitvoerende organisatie. Dit duidt erop dat het
aantal vastlopers niet samenhangt met de sectorkenmerken
of de hoofdtaak van de organisatie.
Evenmin als de sectorkenmerken lijkt ook de
omvang van de organisatie niet bepalend te zijn:
vastlopers komen voor in zowel grote als kleine
organisaties. De mogelijke assumptie dat er meer
vastlopers binnen een kleine organisatie zullen
zijn, klopt dus niet. Op basis van de cijfers zien
we dat organisaties met meer dan vijfhonderd
werknemers gemiddeld slechts 1 procent meer
vastlopers tellen dan organisaties met minder dan
vijfhonderd werknemers.
46.
Het POMO bevat te weinig waarnemingen om op organisatieniveau in te zoomen, zodoende dat hier
het medewerkersonderzoek voor is gebruikt. De vraagstelling en gebruikte variabelen zijn niet identiek
aan POMO maar wel vergelijkbaar en bruikbaar ter indicatie en globale vergelijking.
140
MOBILITEIT IN TURBULENTIE
׉	 7cassandra://1B0jC1t7MOiKgRuetD6upwCn7h9DLiubmBdPwBrrTOI`̵ Vt
7&'׉E-Verschillen per organisatie
50%
OVERIG PROVINCIE
WATERSCHAP
9,7%
0%
BRANDWEER
GEMEENTE
INSPECTIE
Naast organisatieomvang zou het ook aannemelijk
kunnen zijn dat regionale verschillen (bijvoorbeeld
de beschikbare vacatures op de arbeidsmarkt
in regio) een effect hebben op het aantal vastlopers
per organisatie. Echter, op basis van de data
op organisatieniveau kunnen we deze regionale
effecten niet destilleren. Wel laten andere analyses
MINISTERIE
UITVOERDER, AGENTSCHAP,
ZBO, GEM. SAMENWERKING
zien dat er geen betekenisvolle regionale verschillen
in het aandeel vastlopers zijn.
Kortom, de aanwezige spreiding en verschillen
van het aantal vastlopers tussen organisaties kunnen
we dus niet verklaren door sectorkenmerken,
de organisatieomvang of de regio. De invloeden
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
141
׉	 7cassandra://EunzrH1OooI6nobX82b4ych12ozfQMeOQp-tSxxWsjA`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://cRrKRRL-7l0fppmyDEwDsuyaLMOzzxyPiipDL7L76do ;` 
׉	 7cassandra://fw8eiiU7zCymK6-H50H8cZN3BUeF0K3igqzn5jCDM48L`T׉	 7cassandra://FaFpAydM9JXGo8UkFvHrmd_yXeXvvS6MITHrcsAesAw`̵ ׉	 7cassandra://vIXBq_qzkPidEfsdVOGa8Fjf3BMD3VnQjw2doZhPcUUOaX͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://u04pekAW4c3K8klpDAcsHIkaOn8RGJwomQqQn7KZAwM 5` 
׉	 7cassandra://8j2kUPUEa5kWBRrUkV8qN4OKiW7nt48XSdiOQXbWq74et`T׉	 7cassandra://U0cm50ljDKkf7dB1bm3Xnr5rXq7b71uViPVg3GzHhz0`̵ ׉	 7cassandra://Izveh3Q2u468zw8VMOe2wuobalxzsmTWbSuXK-0kJxs_͠Vt
7&'׉E
die leiden tot vastlopen (of juist niet) zijn waarschijnlijk
te vinden op de werkvloer en bij de
organisatie zelf.
Welke determinanten, waarschijnlijk op een meer
geaggregeerd niveau, zijn dan wel van invloed?
5. IT’S THE MANAGEMENT!
Laten we vooropstellen: als we ons beter bewust
willen worden van de groep vastlopers en de grote
verschillen tussen de organisaties willen zien, dan
kan een analyse van factoren binnen die organisaties
helpen. Als we kijken naar de determinanten
die van invloed zijn op het vastlopen, zien we
dat met name regeldruk komt bovendrijven: een
hogere ervaren regeldruk hangt samen met een
grotere kans op vastlopen. Overheidsorganisaties
houden zichzelf vaak in een wurggreep door complexe
regelgeving en voorwaarden op het gebied
van personeelszaken. Dit leidt ertoe dat vastzittend
personeel niet (of niet snel) geneigd is om in beweging
te komen. Dit geldt ook voor het aantal jaren
dat iemand in een functie heeft doorgebracht. Met
andere woorden, hoe langer je er zit hoe ‘hardnekkiger’
het vastlopen waarschijnlijk wordt.
We kunnen het ook omdraaien: wat verkleint de
kansen op vastlopen? Er is een aantal determinanFiguur:
gestandaardiseerde significante beta’s, R-kwadraat is 0,34 (vastloper)
tijd deze functie als percentage van aantal
Aan de orde gekomen in gesprek: UW
PSM_apolitiek
Geeft u leiding aan medewerkers?
competentie
anticipatie
Hoe tevreden bent u, alles bij elkaar genomen,
acties_persoonlijk
-0,150 -0,100 -0,050 0,000 0,050 0,100 0,150 0,200
142
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://FaFpAydM9JXGo8UkFvHrmd_yXeXvvS6MITHrcsAesAw`̵ Vt
7&'׉Eten die juist samenhangen met een kleinere kans
om een vastloper te zijn. De interactie tussen de
leidinggevende en de medewerker springt hierbij
in het oog: een hogere tevredenheid over de
gesprekken met de leidinggevende correleert met
een lagere kans op vastlopen. Daarnaast hangen
een aantal zaken die in het functioneringsgesprek
aan bod kunnen komen, samen met een kleinere
kans op vastlopen: het bespreken van de persoonlijke
ontwikkeling, de loopbaan en de beloning
kan ervoor zorgen dat werknemers minder snel
vastlopen of dat vastlopers juist ‘losgetrokken’
worden. Als de persoonlijke omstandigheden
ter sprake zijn gekomen in het functioneringsgesprek,
is de kans om een vastloper te zijn overigens
weer wat groter. De binding met de organisatie
heeft eveneens een significant effect: een
hogere binding hangt samen met een lagere kans
op vastlopen.
Opvallend is trouwens ook dat leeftijd en opleidingsniveau
geen significante invloed hebben
op het vastlopen, ondanks dat (zoals we eerder
beschreven in paragraaf 3) vastlopers gemiddeld
genomen ouder en lager opgeleid zijn dan andere
medewerkers. Met andere woorden, er zijn veel
oudere en lager opgeleide vastlopers, maar men is
Figuur: algehele tevredenheid met de leidinggevende
per afdeling, medewerkersonderzoek
ministerie van BZK, 2006
51
44
6 12
23
16
9 12
22
5 16
8
4 13
4 6 18
9
16
9
4 9
16
22
16
25
22
18
6 10 12
4 11 13
17
10 10
12 12
10
4 13
14 8
11 12
12 14
17
0
20
19
25
18
22
16
20
40
25
60
20
17
38
43
58
40
48
46
47
29
49
51
38
42
40
32
49
55
11
21
19
14
43
33
31
29
50
41
41
47
24
80
18
14
12
14
100
29
23
26
32
23
18
26
26
27
29
8
38
22
18
41
31
23
37
28
30
25
MOBILITEIT IN TURBULENTIE
143
׉	 7cassandra://U0cm50ljDKkf7dB1bm3Xnr5rXq7b71uViPVg3GzHhz0`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://4GxewwPwitTH6CsXnx99z7CPSMVNbo-g97nKOOJM738 ` 
׉	 7cassandra://IMIqOcHc0TETSofmOm4Yih30fEdRHB-ObbCWNqW0SGUp`T׉	 7cassandra://nCgQJP2NF7Spu03Rz_TOALn5WPoA5cqCF0TZG0yJrJU@`̵ ׉	 7cassandra://0P1QqkHYfihRMR_eLFYoGvp9r-kYKHvYlKsW4FVIeLcO$͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://PyFmQQzp6h641Ksfsz_Jx47rJTkppLULs1HvGpZcGxI n` 
׉	 7cassandra://kqZ22XXFf_WtUSVDXN8WJVQau21oyEHTmdk_457TMMMR`T׉	 7cassandra://9UUVOuuIgSGgF_aaR5WW8xSY9V0diSeGRprSw09FCxY`̵ ׉	 7cassandra://ZYzPGsCGMPsed9uX890HXZi9_F-m2oCkOCAlEEo9vkk;(͠Vt
7&'׉Egeen vastloper omdat men ouder of lager opgeleid
is. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat oudere
en lager opgeleide werknemers hun kansen op
de (interne of externe) arbeidsmarkt geringer
achten en dat dit de reden is dat zij niet zoeken
naar ander werk, ook al beleven zij de huidige plek
niet als ideaal.47 De slechter ingeschatte arbeidsmarktkansen
voor ouderen en laagopgeleiden kan
ontmoedigend werken om een baan te (blijven)
zoeken, vooral buiten de deur.48 Wat kunnen
we hieruit concluderen? Kortweg, dat een flink
deel van oorzaken van het vastlopen, maar ook de
handvaten om mensen te helpen een nieuwe baan
te vinden, bij het management ligt. De belangrijkste
handvaten lijken te zijn de gesprekken met
de werknemer, de aanpak van de regeldruk en het
personeelsbeleid dat mobiliteit faciliteert.
Als we verder focussen op het management en
dus ook op de significante invloed die de tevredenheid
met de leidinggevende, direct en indirect,
heeft op het aantal vastlopers in een organisatie,
is het interessant om te kijken hoe het daarmee
binnen organisaties gesteld is. Hetzelfde medewerkeronderzoek
dat we hebben gebruikt om in
te zoemen op organisatieniveau, gebruiken we nu
om verder in te zoemen op afdelingsniveau. We
hebben als voorbeeld, toepasselijk, het medewerkersonderzoek
van het ministerie van BZK
gebruikt. We zien dat de tevredenheid met de
leidinggevende per afdeling behoorlijk kan verschillen.
Het onderzoek naar vastlopers hebben
we echter niet doorgetrokken naar afdelings- of
directieniveau. Onderbouwde uitspraken kunnen
we er dus niet over doen. Maar op basis van de
uitkomsten (zie figuur x) kunnen we voorzichtig
stellen dat het aantal vastlopers hoogstwaarschijnlijk
ook per afdeling of directie verschilt, of
zelfs behoorlijk kan verschillen gezien de uiteenlopende
beoordelingen van de leidinggevende.
Het aantal vastlopers per organisatie zal dus, zeker
bij de grotere overheidsorganisaties, ook ‘slechts’
een gemiddelde zijn.
Wat zegt dit ons? En, terugkomend op de centrale
vraagstelling: hoe is het gesteld met de personeelsmobiliteit
in het openbaar bestuur, wat zegt
dit over het aanpassingsvermogen en waar kunnen
we op verbeteren?
6. CONCLUSIE
De eisen die aan overheidsorganisaties worden
gesteld, blijven veranderen door bezuinigingen,
politieke ontwikkelingen en innovatie. Overheidsorganisaties
zijn daarom gebaat bij het vergroten
van hun aanpassingsvermogen. Mobiliteit
van medewerkers levert daar een belangrijke
bijdrage aan.
Uit onderzoek van het ministerie van BZK en
analyse daarvan is gebleken dat gemiddeld één op
de tien ambtenaren bij het openbaar bestuur vast47.
Dit lijkt ook terecht; zie bijvoorbeeld de CBP publicatie ‘Ouderen aan het werk’.
48.
De determinanten zijn in de gepresenteerde grafiek gerangschikt op basis van de grootte van hun
bijdrage aan het verklaren van de betreffende afhankelijke variabele. Daarbij worden eerst de variabelen
weergegeven die een positieve samenhang hebben en daarna de variabelen die een negatieve samenhang
hebben.
144
MOBILITEIT IN TURBULENTIE
׉	 7cassandra://nCgQJP2NF7Spu03Rz_TOALn5WPoA5cqCF0TZG0yJrJU@`̵ Vt
7&'׉Eploopt en zelf niet van plan is om een andere baan
te zoeken. Het is nog zorgelijker dat er overheidsorganisaties
zijn waarbij bijna een kwart van het
personeel ‘het niet ziet zitten’. Wat dit betekent
voor het aanpassingsvermogen en (daarmee ook)
de kwaliteit van de dienstverlening, spreekt voor
zich. Vooral binnen organisaties met een maatschappelijke
taak, betaald uit maatschappelijke
middelen, is dit een zeer onwenselijk situatie.
Een andere conclusie die perspectief biedt, is
de significante rol van de leidinggevende in de
problematiek van de vastloper. Dit biedt mogelijkheden.
Welbewust sturen op mobiliteit door
de leidinggevende maakt mogelijk het verschil
tussen berusting in het vastzitten en actief
zoekgedrag. Ook al garandeert actief zoekgedrag
niet het vinden van een andere baan, niet actief
zoeken levert in ieder geval geen andere baan op.
Onze boodschap is dan ook dat, los van de situatie
op de arbeidsmarkt, de sleutel ligt bij de (direct)
leidinggevenden. Vooral het middenmanagement
kan veel doen om actief arbeidsmarktgedrag te stimuleren,
wat een voorwaarde is voor mobiliteit.
Een goed begin is het aangaan van het gesprek met
de werknemer, en de werknemer met de leidinggevende.
Wij
sluiten af met een concrete vraag die iedereen
zichzelf kan stellen: ben ik een vastloper of ken ik
een vastloper? Ons advies: maak het concreet en
sla de uitkomsten van uw medewerkersonderzoek
erop na. Hoe stroken binnen uw organisatie de
twee elementen ‘ik ben tevreden of ontevreden
met onder andere mijn baan, de inhoud en de
organisatie’ en ‘ik ben wel of niet mobiel’? Onze
inschatting is dat, gezien de steeds strengere eisen
die aan de overheid en haar aanpassingsvermogen
worden gesteld in het licht van de aanhoudende
hervormingen en bezuinigingen, hier de grote
uitdaging van de komende jaren voor onze interne
organisatie en ons personeelsbeleid ligt.
Dit artikel is gebaseerd op de bevindingen uit het
onderzoek naar arbeidsmobiliteit “Werken is bewegen,
arbeidsmobiliteit in het openbaar bestuur’
in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties.
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
145
׉	 7cassandra://9UUVOuuIgSGgF_aaR5WW8xSY9V0diSeGRprSw09FCxY`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://N2nWSmFWwz449xULcbpb_preTyAi5ZZTE-HlrHReT2E͓` 
׉	 7cassandra://QgNODm_fMV_jh4RuM1DHbLG4Rs6gIQrjV_-b3n2ZqT4q` T׉	 7cassandra://vNsOZeXNqK2YiznaL3IzMDWZHh8txaGlrsoPzbAO4Ec`̵ ׉	 7cassandra://Hij4TYpuFcC6f-yLBRq9g9HLh7RiZbt_i0ECdlIxI1A|͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://cDqOARwcIyrbmFKTt-xGpxOE5XrQK5FdVA_7aAh_B08 ` 
׉	 7cassandra://fX-fwjhBaXyghAwu_7ximfF-1T6e91Qkl64Pl5T1rCM1`T׉	 7cassandra://-29Af8GpDzH6hx7hmxOQRHmK14jQYjdH93srNvDLaeo`̵ ׉	 7cassandra://PF9l4QaxXo7AhYWN51Jihwoftg4JWVw0nwz_0m9FudoLx͠Vt
7&'׉E (146
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://vNsOZeXNqK2YiznaL3IzMDWZHh8txaGlrsoPzbAO4Ec`̵ Vt
]7&'׉E~13. Integriteitsverbanden
Vier coöperatieve werkvormen voor
integriteitsmanagement48
49.
Dit artikel is een bewerking van een onderzoekspaper dat in 2014 is gepresenteerd tijdens de
jaarlijkse conferentie van de European Group for Public Administration (EGPA) in Speijer
(Duitsland) in de workshop ‘Quality and Integrity of Governance’.
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
147
׉	 7cassandra://-29Af8GpDzH6hx7hmxOQRHmK14jQYjdH93srNvDLaeo`̵ Vt
7&'Vt
]7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://RkIOzQb5RnHZ44Ex3dCe36LSYCDTnhPFrUso3hVa074 ۩` 
׉	 7cassandra://c5K_cb5Csc0OEDLhFGSK-X7fmUq3Wyw8CUrnrC1BeHs=`T׉	 7cassandra://X1JOgNpceqfwEmCqn2yDEff9YSziQE4yv1iN98Eev08`̵ ׉	 7cassandra://zsi8r2J_JJ2aU0mz2XWJE64dncV-d7zUlJ_dfiqjWlIK(͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://I-4YABO_IoZcGzLvh1wu3s2w3YHf86o0-_p7DO5N1Hw ` 
׉	 7cassandra://uQK6DWgtp0lwQJijMZcN1CbnkRabQphRYke2Q6awtRIf`T׉	 7cassandra://K69uX9pdfuQuvgN22qonjtSN2rUU5fbgtbdqPRJWBxI"`̵ ׉	 7cassandra://3Q7uwzD46d6E1dY489S5P_eYoAyrNmRq-6M3QuNRNPQT\$͠Vt
7&'׉EDrs. A. Hoekstra, G. J. Talsma MA en
prof. dr. M. Kaptein
1 INLEIDING
Sinds het begin van de jaren ’90 van de vorige
eeuw besteden organisaties veel meer aandacht
aan het managen van integriteit (Huberts, Maesschalck
& Jurkiewicz, 2008). Onderzoek wijst uit
dat externe druk ten grondslag ligt aan deze opkomst
van integriteitsmanagement (Treviño, Den
Nieuwenboer, Kreiner & Bishop, 2014). Integriteitsincidenten,
aangescherpte wet- en regelgeving,
versterkt toezicht en toegenomen mediaaandacht
zijn daar voorbeelden van. Volgens de
institutionele (Scott 1995; 2008) en de cultuurtheorie
(Douglas, 1970) leidt druk ook vaak tot
samenwerking tussen organisaties: samen zijn zij
beter in staat om daarmee om te gaan dan alleen.
Dit ligt in lijn met de suggesties van academici dat
samenwerken op het gebied van integriteit verstandig
is (zie bijvoorbeeld Adobor, 2006; Weber
& Fortun, 2005). Temeer daar integriteitsfunctionarissen
vaak nog over weinig intern draagvlak
beschikken en weerstand ondervinden (Treviño,
et al., 2014), kan het zinvol zijn om daar ondersteuning
voor te zoeken bij andere organisaties
(Hoekstra & Kaptein, 2013; Wulf, 2012). Ondanks
de grote wetenschappelijk aandacht voor integriteit
(Huberts, 2014) is het echter opmerkelijk
dat er niet eerder onderzoek is gedaan naar de
vraag of, en zo ja op welke wijze, organisaties met
andere partijen samenwerken om integriteit te
managen.
148
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://X1JOgNpceqfwEmCqn2yDEff9YSziQE4yv1iN98Eev08`̵ Vt
]7&'׉E
Met dit onderzoek brengen wij dit soort coöperatieve
werkvormen voor integriteitsmanagement,
oftewel integriteitsverbanden (IVB’s), voor het
eerst in kaart. Het onderzoek sluit aan bij een
tweetal andere recente ontwikkelingen binnen de
overheid, te weten: de toenemende populariteit
van lokale en regionale samenwerkingen in algemene
zin en de toegenomen financiële druk op
overheden als gevolg van de crisis. Op beide ontwikkelingen
wordt in paragraaf 4 gereflecteerd.
2 THEORIE EN METHODE
In dit onderzoek is gebruikgemaakt van de institutionele
en de cultuurtheorie. Beide besteden
aandacht aan de invloed van externe druk op het
gedrag van organisaties en bieden verklaringen
voor het ontstaan van samenwerking tussen organisaties.
De
institutionele theorie ‘…considers the process
by which structures, including schemas, rules,
norms, and routines, become established as authoritative
guidelines for social behavior’ (Scott 1995:
408). In organisaties wordt dit proces in sterke
mate beïnvloed door de externe druk (Zucker,
1987). Organisaties reageren (vanuit overlevingsdrang)
op deze druk door zich te modelleren naar
andere organisaties die succesvol met die invloeden
weten om te gaan (DiMaggio & Powel, 1983;
Selznick, 1996). Onderlinge afstemming organiseren
of proberen externe eisen en verwachtingen
gezamenlijk te beïnvloeden (Scott, 2008),
zijn andere wijzen om met druk om te gaan. De
cultuurtheorie (Douglas, 1970) houdt zich primair
bezig met de vraag hoe actoren zich tot elkaar
verhouden. De mate waarin zij zich afhankelijk
voelen van anderen alsmede de mate waarin zij
het gevoel hebben onder druk te staan (zoals
bijvoorbeeld regelgeving en toezicht), is bepalend
voor die verhouding. Binnen de cultuurtheorie
worden die verhoudingen geduid in termen van
hiërarchie, formalisme, vrijheid, autonomie,
solidariteit en onderlinge gelijkheid. Vanuit beide
theoretische perspectieven is in dit onderzoek een
aantal vragen gesteld.
Met dit onderzoek wilden wij zicht krijgen op
de verschillende integriteitsverbanden die in
Nederland voorkomen. Daartoe zijn dertig personen
geïnterviewd die in 23 verschillende IVB’s
participeren. Deze personen waren werkzaam
in verschillende overheidssectoren, zoals het
Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen, de
rechterlijke macht alsook binnen het bedrijfsleven.
De interviews zijn getranscribeerd, wat heeft
geresulteerd in 702 pagina’s tekst. Om deze grote
hoeveelheid data overzichtelijk en gestructureerd
te kunnen verwerken, is gebruikgemaakt van
een datamatrix (Miles en Huberman, 1994). De
onderzoeksgegevens zijn vervolgens systematisch
geanalyseerd, onderling vergeleken en geordend
volgens de grounded theory-aanpak (Boeije,
INTEGRITEITSVERBANDEN
149
׉	 7cassandra://K69uX9pdfuQuvgN22qonjtSN2rUU5fbgtbdqPRJWBxI"`̵ Vt
7&'ŁVt
]7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://YETBRcOf8cBzsGXJSmuHRgoiZpfqvwW2wFvZocczCwk լ` 
׉	 7cassandra://oMfL08ewPsx-KmAmD32Fr5iDOnJhOSl8f4582wWbRZgcY`T׉	 7cassandra://oFZTOgt837StEo0pZG2RSmGesOzDNY1_zZHmkK1wT8cM`̵ ׉	 7cassandra://61s97hADd8RD4dCUfz0r5hJhysU8zJ0wAEqYzDBUxVAKe$͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://e9to-SAUuMOfAVClvA0QznoRIGzuMCWYz3931qCXFHE :` 
׉	 7cassandra://QE3d0NGzjl7ZzYn_XNT25eL43cqDxT3QuO9_chcXEhc^`T׉	 7cassandra://BW3uG2iIY4zdbnctWLZGhx9lJf4m6a8b_dIXYb3HDII#`̵ ׉	 7cassandra://YcQ5ZbL3FaxCiwoEBE0zXzJrGARPWJsIwvhh1QpUXSE=(͠Vt
7&'׉E
C2008). Wij hebben zoveel mogelijk IVB’s in kaart
gebracht, maar aangezien het om een verkennend
onderzoek gaat, pretenderen wij niet uitputtend
te zijn geweest. Dit laat onverlet dat we een goed
beeld hebben gekregen van de variëteit van de verschillende
verschijningsvormen. Vanwege deze
opzet kunnen wij geen kwantitatieve uitspraken
doen over het totaalaantal IVB’s in Nederland.
3 ONDERZOEKSRESULTATEN
Coöperatieve werkvormen voor integriteitsmanagement
zijn nog geen gemeengoed in Nederland.
Het kostte ons enige moeite om de 23
onderzochte IVB’s te vinden. Binnen de overheid
zagen wij de meeste samenwerking op dit gebied
tussen gemeenten (wat niet verwonderlijk is, aangezien
dit ook de grootste groep overheidsorganisaties
is) en tussen ministeries (die van oudsher
vaak eerder nieuwe ontwikkelingen omarmen en
elkaar vanwege de fysieke nabijheid eerder weten
te vinden). Desalniettemin waren alle overheidslagen
vertegenwoordigd in de gevonden IVB’s. Er
blijkt dus geen principiële beperking te zijn: alle
overheden kunnen samenwerken aan integriteitsmanagement.
Uit
het onderzoek komen vier soorten IVB’s naar
voren. Het onderscheid komt primair voort uit
de verschillende doelen die de IVB’s nastreven.
Hoewel sommige IVB’s meerdere doelen nastreven,
blijkt er steeds één hoofddoel te zijn. Op
basis hiervan zijn de categorieën geduid als het
Integriteit Atelier (instrumentontwikkeling), de
Integriteit Pool (capaciteitsdeling), het Integriteit
Forum (kennisdeling) en de Integriteit Spreekbuis
(vertegenwoordiging en beïnvloeding). De
waardering voor het functioneren van de eigen
IVB bleek, desgevraagd, goed te zijn. Tabel 1 geeft
een overzicht van de vier IVB-soorten, waarin tevens
de organisatorische kenmerken, alsmede de
voordelen en aandachtspunten, zijn benoemd die
volgens de respondenten kenmerkend zijn voor de
categorieën.
Het Integriteit Atelier
Binnen het Integriteit Atelier richten de samenwerkende
partijen zich op het – voor gezamenlijk
gebruik – ontwikkelen van praktische integriteitsinstrumenten.
Deze instrumenten zijn
veelal verplicht gesteld in de Ambtenarenwet of
in de Basisnormen Integriteit. Samenwerking is
noodzakelijk, omdat individuele organisaties over
te weinig middelen en deskundigheid beschikken
om deze instrumenten zelf te kunnen ontwikkelen.
Samenwerking
vindt plaats tussen soortgelijke
overheidsorganisaties die doorgaans over dezelfde
integriteitsinstrumenten moeten beschikken.
De werkgroep is tamelijk beperkt qua omvang
en wordt gekenmerkt door informaliteit. Dit
bevordert de creativiteit die inherent is aan het
150
INTEGRITEITSVERBANDEN
׉	 7cassandra://oFZTOgt837StEo0pZG2RSmGesOzDNY1_zZHmkK1wT8cM`̵ Vt
7&'׉E
ontwikkelen van instrumenten en maakt het proces
sneller. De deelnemende organisaties blijven
autonoom: of de gezamenlijk ontwikkelde instrumenten
daadwerkelijk door de deelnemende
organisaties worden geïmplementeerd, blijft een
keuze van de afzonderlijke organisaties.
De Integriteit Pool
Binnen de Integriteit Pool wordt integriteitscapaciteit
gedeeld tussen organisaties. Het kan
daarbij gaan om integriteitsbureaus van grote
organisaties, die hun diensten aanbieden aan
kleinere ‘collega’-organisaties, die doorgaans niet
zelf beschikken over alle benodigde integriteitsexpertises.
De samenwerking ontwikkelt zich
veelal geleidelijk van het verlenen van incidentele
hulp bij integriteitsincidenten tot meer duurzame
verbanden, die ook betrekking hebben op preventief
integriteitsbeleid. Het doel is uiteindelijk om
integriteitscapaciteit op een efficiënte wijze voor
meerdere organisaties beschikbaar te maken.
De samenwerking vindt bij de Pool plaats tussen
soortgelijke overheidsorganisaties, die doorgaans
over dezelfde integriteitsexpertise moeten
beschikken. Het aantal deelnemende organisaties
is zeer beperkt en de samenwerking binnen deze
categorie is formeler en minder vrijblijvend van
aard, doordat er bindende overeenkomsten en
convenanten aan ten grondslag liggen. Dit betekent
dat de onderlinge afhankelijkheid groter is en
de partijen aan autonomie inleveren.
Het Integriteit Forum
Binnen het Integriteit Forum worden periodieke
bijeenkomsten georganiseerd om bepaalde integriteitsthema’s
en ontwikkelingen te bespreken,
kennis uit te wisselen en van elkaar te leren. Dit
wordt als nuttig en noodzakelijk ervaren, omdat
veel integriteitsfunctionarissen aangeven een
‘solofunctie’ te vervullen en daarom behoefte
hebben om te sparren met vakgenoten.
De variëteit aan deelnemende partijen is veel
groter dan die bij het Atelier en de Pool. De idee
daarbij is dat organisaties voldoende van elkaar
moeten verschillen om optimaal van elkaar te
kunnen leren. Vandaar dat hier sommige IVB’s
een publiek-privaat karakter hebben. Het Forum
is het meest vrijblijvend en informeel van aard. De
deelnemers zoeken elkaar op vrijwillige basis op
om kennis en ervaringen uit te wisselen en hebben
geen andere doelen. De deelnemers nemen
op gelijke voet en op persoonlijke titel deel aan de
bijeenkomsten, wat impliceert dat hun autonomie
behouden blijft.
De Integriteit Spreekbuis
Deze IVB’s functioneren als collectief vertegenwoordigd
orgaan voor aan integriteit gerelateerde
zaken en treden in overleg met bijvoorbeeld
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
151
׉	 7cassandra://BW3uG2iIY4zdbnctWLZGhx9lJf4m6a8b_dIXYb3HDII#`̵ Vt
7&'ʁVt
7&'ɁFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://GSoPBLPDRTUHy5quZ65Ro0amGmxpccbF_fU6Au3j5w8 ;` 
׉	 7cassandra://7dhdvJ7F2UaXDr02XPUR9MfyoukqIUwTWTqxztwHKHA^`T׉	 7cassandra://w1JG9qMTbvBeMdkOLhH5lZyFStV7ZIKglzSS79wgpH8`̵ ׉	 7cassandra://RytFE6rt1OyJSEiy3zvbJjC6qrO1ykF6Tgq6mHgozOMK0͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://I-s7XPvkmFY6GbnCTzQmnuCGIEMs2ll0zd4QviOcu6k ` 
׉	 7cassandra://itHnDpRLe0rdnEPWxc7ZVQfGNazvC5bp0kWdYScFnxIc2`T׉	 7cassandra://YYL_rHq4PVpQAxQLnv5ePWp4AM_MStHTxyty6WlBOtgI`̵ ׉	 7cassandra://JVKWPZ97HvhnBKnU7_FUGMNcgvDc3a1ejwTTfMT8GIUV͠Vt
7&'׉E	regelgevende of toezichthoudende instanties. De
IVB’s ontstaan doorgaans naar aanleiding van
integriteitsschendingen. Ze proberen de beeldvorming
te beïnvloeden, ondersteunen hun leden
om te kunnen voldoen aan de wet- en regelgeving
en proberen om die regelgeving te beïnvloeden en
beter aan te laten sluiten bij de behoeften van de
sector. Organisaties zijn daar in hun eentje niet
toe in staat en vinden samenwerking verder van
belang, omdat het niet-integer opereren van een
van hun sectorgenoten ook op hen kan afstralen.
Deze vorm van samenwerking komt voor binnen
de overheid, maar vooral binnen het bedrijfsleven.
Het zijn vaak organisaties die deel uitmaken
van dezelfde sector. Zowel de diversiteit als het
aantal deelnemers is daardoor wat groter. De
Integriteit Spreekbuis is wat formeler dan andere
IVB’s vanwege de vertegenwoordigende rol. Het
formuleren van collectieve standpunten alsmede
het in overleg treden met en het beïnvloeden
van regelgevers en toezichthouders, brengt met
zich mee dat er heldere interne afspraken nodig
zijn. De deelname is in principe vrijwillig maar
niet vrijblijvend; de activiteiten en besluiten zijn
dwingender dan bij de andere categorieën, waardoor
de organisaties aan autonomie inboeten.
4 CONCLUSIE
Op basis van ons onderzoek blijkt dat organisaties
op vier verschillende manieren samenwerken op
het gebied van integriteitsmanagement. Elk IVB
heeft zijn eigen kenmerken. De activiteit en aanleiding
verschilt per IVB-categorie, net zoals de
interne organisatie. In tabel 1 zijn de belangrijkste
verschillen per categorie weergegeven en ook de
geïnventariseerde voordelen en aandachtspunten
opgenomen. De vierdeling biedt een handzaam
overzicht van de aangetroffen samenwerkingsvormen
op het gebied van integriteitsmanagement.
Het onderzoek sluit aan op twee actuele maatschappelijke
ontwikkelingen, te weten: de trend
naar meer samenwerking tussen (overheids)
organisaties en de bezuinigingen die zijn ingezet
naar aanleiding van de financiële crisis.
Uit recente bestuurskundige publicaties blijkt
dat samenwerking tussen overheden weliswaar
aan populariteit wint, maar niet geheel onproblematisch
is (Aardema, 2010; Boogers, 2013;
De Boer, 2014; De Man, Kensen & Weitering
2014). Samenwerking komt vaak moeilijk van de
grond en blijkt nog vaak ineffectief. Als oorzaken
daarvan worden genoemd dat organisaties
nog te sterk zijn gericht op hun eigen belangen
en posities, wat zich ook uit in een preoccupatie
152
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://w1JG9qMTbvBeMdkOLhH5lZyFStV7ZIKglzSS79wgpH8`̵ Vt
7&'׉ETabel 1: Overzicht Integriteitsverbanden (IVB’s)
Type Activiteiten & aanleidingen
- gezamenlijk
integriteitinstrumenten
ontwikkelen
- gebrek aan interne middelen om
te kunnen voldoen aan nieuwe
integriteitseisen
Organisatorische kenmerken Voordelen (+) en
aandachtspunten (!)
- komt hoofdzakelijk voor tussen
publieke organisaties
- samenwerkende partijen lijken
sterk op elkaar
- laag aantal deelnemers
(7 tot 10)
- beperkte levensduur (ongeveer
een jaar)
- intensiteit van samenwerking is
hoog
- informele setting
- organisaties blijven autonoom
- integriteitsexperts uitwisselen
- gebrek aan fulltime beschikbare
integriteitsexperts
- komt alleen voor tussen publieke
organisaties
- samenwerkende partijen lijken
sterk op elkaar
- zeer laag aantal deelnemers
(2 tot 3)
- incidentele samenwerking groet
uit tot duurzaam contact
- hoge mate van intensiteit en
afhankelijkheid
- formele setting gebaseerd op
contracten
- organisaties verliezen aan
autonomie
+ realiseert kwalitatief betere
instrumenten tegen lagere kosten
+ participatie leidt tot meer
aandacht voor integriteit in de
organisatie
! noodzaak tot afstemming kan tot
vertraging leiden
! instrumenten sluiten soms
minder goed aan bij individuele
organisaties
! sommige deelnemers leveren
minder inzet, waardoor het werk
bij enkelen terechtkomt
+ organisaties krijgen een grotere
variëteit aan integriteitsexpertise
ter beschikking en hoeven niet
zelf alle expertise zelf in huis te
hebben
+ vergroot de flexibiliteit
en continuïteit van
integriteitscapaciteit
! cultuurverschillen kunnen leiden
tot frustratie en vragen veel
aandacht
! afspraken over de dienstverlening,
financiën en capaciteitsinzet zijn
nodig
! contactpersonen die de
samenwerking coördineren zijn
nodig
- kennis en ervaringen over
integriteit uitwisselen
- gebrek aan interne
‘sparringpartners’ voor
integriteitsfunctionarissen
- komt voor in publieke en private
sector (ook gemengd)
- grotere diversiteit tussen
deelnemende organisaties
- meer deelnemers (soms > 100)
- langdurige samenwerking
(meestal meerdere jaren)
- ongebonden, informele relaties
- deelnemers participeren op
persoonlijke titel
- organisaties blijven autonoom
- sectorale reputatie en regelgeving
beïnvloeden
- gebrek aan invloed van
individuele organisaties
- komt vooral voor tussen private
organisaties
- grote diversiteit tussen
deelnemende organisaties
- veel deelnemers (soms > 100)
- langdurige samenwerking
(meestal meerdere jaren)
- hoge mate van onderlinge
afhankelijkheid
- bindende afspraken en activiteiten
- organisaties verliezen aan
autonomie
+ bijeenkomsten bieden eenpitters
gelegenheid tot sparren met peers
+ grote diversiteit aan deelnemers
optimaliseert de mogelijkheid tot
leren
! te veel deelnemers beperkt
de uitwisseling van kennis en
ervaringen
! bijeenkomsten dienen met de
juiste frequentie plaats te vinden
! grote (snel wisselende)
+ gezamenlijk meer invloed op
regelgevers dan alleen
+ men houdt elkaar scherp door
gezamenlijke normkaders en
ambities
! collectieve actie maakt afspraken
over gezamenlijke standpunten
nodig
! schendingen stralen al snel af op
de gehele sector of op het collectief
! de deelnemers leveren aan
autonomie in, de verbanden zijn
minder vrijwillig en vrijblijvend
van aard
INTEGRITEITSVERBANDEN
153
Integriteit Spreekbuis
Integriteit Forum
Integriteit Pool
Integriteit Atelier
׉	 7cassandra://YYL_rHq4PVpQAxQLnv5ePWp4AM_MStHTxyty6WlBOtgI`̵ Vt
7&'ԁVt
7&'ӁFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://3Xt-Rqc-NaGzcf2KW6-pvpRQVW26s7PUbPLZ6xCDnxA 7` 
׉	 7cassandra://MkA2EFUNvMNV0XUB4VjSUMRqoxsYU8gUOgYFySmJn04g:`T׉	 7cassandra://4y61myRmIfnnFAWJfmGj2lBK7VKSfETNoz2-w5dtlYU`̵ ׉	 7cassandra://UActEjjcqH98wrGiT81326YeRbtmhjC3DDLMVRg1sKwD$͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://jkb27FP559mHOqO1xmBzJaVNH2Sje5GkgSLBKqpmhcs ` 
׉	 7cassandra://T4MKPASbsrzEdQEVI4gNtN7bAGJxGVzs6fOXfptctFg[`T׉	 7cassandra://YriWc-c2pCY10qkU_8bb_bwcQ4mL4oOroNlcJ45ftOs`̵ ׉	 7cassandra://lAVot0n8h1vZwU0Y8A3IIHixjkp7dUBbJGdZpayuESo`(͠Vt
7&'׉EHmet structuren, bevoegdheden, voorwaarden,
controle en zeggenschap. Bovendien ontbreekt
het vaak aan een duidelijke inhoudelijke visie en
concrete samenwerkingsdoelen. Daarnaast blijkt
er sprake van weinig onderling vertrouwen en is
er onvoldoende aandacht voor samenwerkingsvaardigheden.
De gebrekkige totstandkoming
en ineffectiviteit, die in deze publicaties worden
genoemd, blijken echter niet kenmerkend te zijn
voor de onderzochte integriteitsverbanden. De
IVB’s worden juist positief gewaardeerd. Wellicht
komt dat doordat de IVB’s niet gerelateerd zijn aan
de huidige pogingen om te komen tot meer algemene
intergemeentelijke, regionale of bestuurlijke
samenwerkingsarrangementen. De IVB’s lijken
los te staan van die trend en eerder voort te komen
uit een diepere sense of urgency, die zich vertaalt
in bereidwilligheid tot samenwerking op concrete
doelstellingen.
In de literatuur over integriteitsmanagement is
al eerder op de mogelijke voordelen van interorganisatorische
samenwerking gewezen, zoals de
ontwikkeling van de integriteitsfunctie, kennisuitwisseling
en externe steun. De respondenten
herkennen deze voordelen en geven aan dat zij
dankzij IVB’s hun werk beter kunnen doen. Het
integriteitsbeleid, en daarmee de integriteit in de
organisatie, profiteert ervan. Voorzichtigheid met
deze positieve waardering van IVB’s is echter op
zijn plaats. De respondenten hebben zelf geïnvesteerd
in de samenwerking en zijn derhalve
misschien terughoudend met kritiek. Durven zij
het wel toe te geven als de resultaten tegenvallen
en zijn zij niet bang dat zij hiermee hun partners
afvallen? Vanwege de aan de respondenten toegezegde
anonimiteit, en aangezien zij zich tijdens
de interviews ook zeer vrij bleken te voelen om
de nadelen en valkuilen van de samenwerking te
benoemen, zijn wij echter van mening dat de positieve
waardering een reëel beeld geeft. Het vergt
vervolgonderzoek om kwalitatief en kwantitatief
verder in te zoomen op dit beeld.
Verder komt in onze studie duidelijk naar voren
dat samenwerking ook leidt tot meer efficiency en
kwaliteit. Deze voordelen passen in het huidige
tijdsgewricht. Er zijn signalen dat de binnen de
overheid ingezette bezuinigingen tot meer integriteitsrisico’s
leiden, terwijl de tijd en aandacht voor
integriteitszorg afneemt (Hoekstra 2016). De risico’s
nemen toe, omdat bezuinigingen en reorganisaties
bij de medewerkers aanleiding kunnen geven tot
gevoelens van onrust, rancune, baanonzekerheid
en wrok. Dit kan leiden tot niet-integer handelen
tussen collega’s (pesten, discriminatie, intimidatie
et cetera). Dit sluit aan bij een recente studie van
De Graaf en Struwer (2014), waaruit blijkt dat dit
type integriteitsschendingen het vaakst voorkomt.
Daarnaast kunnen werknemers zich uit rancune
tegen de werkgever keren door zich bijvoorbeeld te
vergrijpen aan bedrijfsmiddelen.
154
INTEGRITEITSVERBANDEN
׉	 7cassandra://4y61myRmIfnnFAWJfmGj2lBK7VKSfETNoz2-w5dtlYU`̵ Vt
7&'׉E	Tegelijkertijd bestaat het risico dat ‘… het bevorderen
en behouden van een behoorlijk niveau van
integriteitszorg de komende jaren onder druk zal
komen te staan als gevolg van taakstellingen en
heroverwegingen’ (Algemene Rekenkamer, 2010).
Een doorlichting van het Nederlandse integriteitssysteem
door Transparency International bevestigt
die voorspelling: ‘… organisations are no longer
affording integrity the highest priority. From
here it emerges that integrity is often still regarded
as “something extra” and not as a basic requirement
for an organisation’s good functioning. It is
clear that such an attitude brings along great risks
for ensuring integrity’ (2012: 288). Integriteit blijkt
met andere woorden een conjunctuurgevoelig onderwerp:
de risico’s nemen toe terwijl preventie,
controle en toezicht afnemen. Derhalve zouden
overheden juist nu extra moeten investeren in
integriteit(sbeleid). Ons onderzoek maakt vooral
duidelijk dat organisaties en hun functionarissen
daar niet alleen in hoeven te staan: ze hoeven het
‘integriteitswiel’ niet in hun eentje uit te vinden
en draaiende te houden. IVB’s zijn een efficiënte
manier om de kwaliteit van het integriteitsbeleid
te verbeteren. Juist in tijden van bezuinigingen
bieden coöperatieve werkvormen van integriteitsmanagement
een wenkend perspectief.
Het onderzoek biedt organisaties inzicht in de verschillende
mogelijkheden om samen te werken op
dit gebied. De voordelen en positieve ervaringen
die uit deze studie naar voren komen, nemen niet
weg dat samenwerking nadelen heeft. De geïnventariseerde
nadelen en aandachtspunten maken
inzichtelijk op welke knelpunten organisaties alert
moeten zijn. Naast individuele organisaties kunnen
regelgevers, beleidsmakers, toezichthouders
en koepelorganisaties hun voordeel doen met het
onderzoek, door oog te krijgen voor het nut van
IVB’s. Door IVB’s te stimuleren, kunnen zij het
niveau van integriteitsmanagement binnen de
overheid versterken!
LITERATUUR
Aardema, H. (2010). Naar een spinnenwebconcept.
Tijdschrift voor public governance audit &
control, pp. 4-10.
Adobor, H. (2006). Exploring the role performance
of corporate ethics officers. Journal of
Business Ethics, vol. 69, 57-75.
Algemene Rekenkamer. (2010). Stand van zaken
integriteitszorg Rijk 2009. Den Haag: Algemene
Rekenkamer.
Boeije, H. (2008). Analyseren in kwalitatief
onderzoek. Denken en doen. Amsterdam: Boomonderwijs.
STAAT
VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
155
׉	 7cassandra://YriWc-c2pCY10qkU_8bb_bwcQ4mL4oOroNlcJ45ftOs`̵ Vt
7&'فVt
7&'؁FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://nYBHgZHQqdqw6px1CXLnE1vl8F9O-ieZgv60A_UG0sA ` 
׉	 7cassandra://VdgfkiaU7qK9t4Z-iL--KZCa2qQYqfVFNjQraf0lL2IQ`T׉	 7cassandra://vu3rpJuxFVYEQ-PeRmL_hwpjwOGAIrjNzFs1j-xL3dA`̵ ׉	 7cassandra://gcJt8lxw1w3lbf6waiVqdic1Jjqs6V_daEm5GVfdxfgj1(͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://v4FBFl6nuTmo72IuXx0BqNgKhRNHqaWoF6-c1xjD05k ` 
׉	 7cassandra://6eE46H0iCIbT6OqfY9WXHM_myNOqsZ_yn1R65bNG5sM-K` T׉	 7cassandra://NVnCJ6bdCv6kGf_x4BT74l41icwE-r-zAAMprIq5z2Y
`̵ ׉	 7cassandra://qurX8zBEE5iru_zZmQi8-eVVLbfI0cmfTnFTbqoSFD8T>$͠Vt
7&'׉EBoogers, M. (2013): Het raadsel van de regio;
Waarom regionale samenwerking soms resultaten
oplevert. TU Twente.
De Boer, J.H. (2014). Effectiviteit intergemeentelijke
netwerken. Openbaar Bestuur, pp. 27-29.
DiMaggio, P.J., & Powell W. (1983). The iron cage
revisited: institutional isomorphism and collective
rationality in organizational fields. American
Sociological Review, 48: 147-160.
Douglas, M. (1970). Natural symbols: Explorations
in cosmology. Londen: Barrie & Rockliff.
De Graaf, G., & Strüwer, T. (2014). Aard en
omvang van integriteitsschendingen binnen de
Nederlandse overheid. Amsterdam: VU.
De Man, A.P., Kensen, S., & Weitering, A. (2014).
Kunnen gemeenten samenwerken? Een onderzoek
aar de samenwerkingsvaardigheid van gemeenten.
Utrecht: Sioo.
Hoekstra, A., & Kaptein, M. (2013). The institutionalization
of integrity in local government.
Public Integrity, 15(1), 5-27.
Hoekstra, A. (2016). Institutionalizing integrity
management: Challenges and solutions in times of
financial crises and austerity measures. In Lawton,
A., Van der Wal, Z., & Huberts, L. (Red.), Ethics in
public policy and management. A global research
companion (pp. 147-164). Londen en New York:
Routledge.
Huberts, L.W.J.C., Maesschalck, J., & Jurkiewicz,
C.L. (2008). Global perspectives on good governance
policies and research. In Huberts, L.W.J.C.,
Maesschalck, J., & Jurkiewicz, C.L. (Red.), Ethics
and integrity of governance: Perspectives across
frontiers (pp. 239-260). Cheltenham: Edward
Elgar.
Huberts, L.W.J.C. (2014). The Integrity of governance.
Houndmills: Palgrave Macmillan.
Miles, M.B., & Huberman, A.M. (1994). Qualitative
data analysis: An expanded sourcebook.
Londen: Sage.
Scott, W. R. (1995). Institutions and organizations.
Thousand Oaks: Sage Publications.
Scott, W. R. (2008). Institutions and organizations.
Ideas and Interests (derde druk). California: Sage
Publications.
Selznick, P. (1991). Institutionalism “old” and
“new”. Administrative Science Quarterly 41: 270277.
156
STAAT
VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://vu3rpJuxFVYEQ-PeRmL_hwpjwOGAIrjNzFs1j-xL3dA`̵ Vt
7&'׉ETransparency International. (2012). National integrity
system sssessment Netherlands. Den Haag:
T.I. Netherlands.
Treviño, L.K., Den Nieuwenboer, N.A., Kreiner,
G.E., & Bishop D.G. (2014). Legitimating the
legitimate: A grounded theory study of legitimacy
work among ethics and compliance officers.
Organizational Behaviour and Human Decision
Processes, vol. 123, pp. 186-205.
Weber, J., & Fortun, D. (2005). Ethics and compliance
officer profile; Survey, comparison and
recommendations. Business and Society Review,
vol. 110 (no.2), pp. 97-115.
Wulf, K. (2012). Ethics and compliance programs
in multinational organizations. Wiesbaden: Gabler
Verlag.
Zucker, L.G. (1987). Institutional theories of organization.
INTEGRITEITSVERBANDEN
157
׉	 7cassandra://NVnCJ6bdCv6kGf_x4BT74l41icwE-r-zAAMprIq5z2Y
`̵ Vt
7&'ށVt
7&'݁FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://2YY-_qrpjFKx9yTNwOIKL-ZGBUdMhYPF7eHEC8nUAEI͕=` 
׉	 7cassandra://xHdk2wCPVbayEE3rWYpzg0xPR-pvZj264wXpszap0rU:` T׉	 7cassandra://gkJZlt98-s7Jnk6LspR3WA0tkjte79xKYqCg4I87koo`̵ ׉	 7cassandra://Ja2ZQIEPh1RLJPJk9g2s5SRp8FbFUNPDrshIXqW-dQM|͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://CcTjU99pvRgz1cOuyrMe2FhpPQqTgSFhPnJP1PlZ64M ` 
׉	 7cassandra://2H7q0Oow3t83-CC4A0qqsGqGo0X4L9nxQq4fM71lyPQ-f` T׉	 7cassandra://IDO5Cw8qwqDeL2tF53KmJ0s2rz67cmNfwQz9nRDDToY`̵ ׉	 7cassandra://Rg9SmiHR7LH7G6kyA_Q1swIQp02xk0bIPWdJeIWcUS8(x͠Vt
7&'׉E (158
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://gkJZlt98-s7Jnk6LspR3WA0tkjte79xKYqCg4I87koo`̵ Vt
]7&'׉E Z14. Agressie en geweld
tegen het openbaar
bestuur
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
159
׉	 7cassandra://IDO5Cw8qwqDeL2tF53KmJ0s2rz67cmNfwQz9nRDDToY`̵ Vt
7&'Vt
]7&'ÁFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://FsEkhEzVFoHCxKjhiLjVoPL9sbOZueTzR4H-0BNkP0o ` 
׉	 7cassandra://SlK1wquSA4rzXUIsLOgXQ6b3Evq58Oq71yvEfFLH6Gk;`T׉	 7cassandra://N5XyweYST6ESMx06CjVtTN-kGXJDHtCGud3XEIxEdAo`̵ ׉	 7cassandra://aIP03AGU1Y0vCAYvGIflcS__MwtnfFWo_eLvEIyXtz09y(͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://iR3DZaJ9vW3o6Xx_QC-PhEK3stgGTd8nGcMNtzSjP4g ` 
׉	 7cassandra://jXMXMWs4s4KH6OaBsQk44NJug3XeY6oVZ8HcCnVSSjcf`T׉	 7cassandra://XnIKA6C8cSMvSGh4FxOCwgHw0gD-XzofrwZLRDmCPzg`̵ ׉	 7cassandra://07ZOkZbNmq-DP3RggVYlF-WiF4qZgH_cn0hpPC1hYmEX$͠Vt
7&'׉EDrs. B. Schomaker
1 INLEIDING
‘Buitengewoon Opsporingsambtenaar van gemeente
mishandeld’ Gemeente doet aangifte na
mishandeling medewerkers stadstoezicht’ ‘Aanval
met hamer op ambtenaar gemeente’
De laatste jaren verschijnen in de media regelmatig
berichten over agressie en geweld tegen
politieke ambtsdragers en medewerkers in het
openbaar bestuur. De komst van asielzoekers, de
huisvesting van een pedoseksueel in een woonwijk
of een forse verhoging van de gemeentelijke
belastingen kan veel onrust veroorzaken. Een deel
van die onrust vertaalt zich in agressie en geweld
tegen medewerkers van gemeenten, provincies of
waterschappen. Agressie en geweld kunnen niet
altijd worden voorkomen, maar soms ook wel. Dit
artikel zet de drie meest voorkomende vormen
van agressie op een rij en werkt toe naar vijf
aandachtspunten die het openbaar bestuur meer
in de praktijk zou moeten brengen om de kans op
geweld te verkleinen.
2 MEER AANDACHT VOOR AGRESSIE
EN GEWELD
Onder agressie en geweld tegen het openbaar
bestuur verstaan we: ‘Het welbewust verbaal
uiten, gebruiken van fysieke kracht of macht,
dan wel het dreigen daarmee, gericht tegen een
werknemer, onder omstandigheden die rechtstreeks
verband houden met het verrichten van de
160
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://N5XyweYST6ESMx06CjVtTN-kGXJDHtCGud3XEIxEdAo`̵ Vt
]7&'׉E
wpublieke taak, wat resulteert of waarschijnlijk zal
resulteren in een gevoel van bedreiging, materiële
schade, letsel, psychische schade of de dood.’50
Deze definitie omvat ook agressie via sociale
media. Denk aan het plaatsen van bewerkte foto’s
van ambtsdragers met suggestieve begeleidende
teksten op Facebook of Twitter. De impact van
agressie is groot; het leidt op z’n minst tot minder
werkplezier en meer ziekteverzuim.
Uit een onderzoek dat in 2014 in opdracht van het
ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
is uitgevoerd onder ambtenaren
van gemeenten, provincies en waterschappen51
blijkt dat nog steeds één op de vier slachtoffer is
van agressie en geweld Hoewel het lastig is om
de precieze oorzaken daarvan te achterhalen, is
wel bekend dat steeds meer organisaties in het
openbaar bestuur aandacht hebben voor agressie
en geweld tegen hun medewerkers. Er zijn onder
andere meldingssystemen, protocollen en trainingen
ontwikkeld. Maar ze kunnen meer doen.
Het expertisecentrum Veilige Publieke Taak onderscheidt
globaal drie vormen van agressie:
1. Instrumentele agressie en geweld
Hierbij zet de dader agressie bewust in als middel
om een bepaald doel te bereiken. Bijvoorbeeld
iemand die een geweigerde vergunning
alsnog wil verkrijgen.
2. Frustratieagressie- en geweld
Dit is een emotionele uitbarsting als gevolg
van (een opeenstapeling van) negatieve
ervaring(en). Bij voorbeeld een burger die door
een wijziging in procedures en regelgeving geen
voorziening meer krijgt waarop hij eerder wel
recht had.
3. Onbeheerste agressie en geweld
Dit ontstaat onder invloed van alcohol en/of
drugs of door een psychiatrische aandoening,
waardoor de controle over het eigen gedrag verdwijnt.
Bij voorbeeld agressie door een ‘verward
persoon’.
3 INSTRUMENTELE AGRESSIE EN
GEWELD
Instrumenteel geweld wordt regelmatig in verband
gebracht met ondermijnende criminaliteit.
Dat is de georganiseerde criminaliteit, waarbij
boven- en onderwereld in vaak ingewikkelde
patronen met elkaar verweven zijn. Ambtenaren
krijgen daar ook mee te maken. Ze beschikken
namelijk over informatie die voor criminelen erg
interessant kan zijn, zoals persoonsgegevens van
inwoners van de gemeente. Een reeks artikelen
in de Volkskrant in het voorjaar van 2015 deed de
gemoederen oplopen. Een aantal burgemeesters
gaf daarin aan hoe in hun gemeente ondermijning
plaatsvindt, vaak heel subtiel en soms ongemerkt.
Ook van binnenuit de lokale politiek. Een burge50.
Handreiking Agressie en Geweld. Expertisecentrum Veilige Publieke Taak.
51. Monitor Agressie en Geweld Openbaar Bestuur 2014, I&O Research, juni 2014.
AGRESSIE EN GEWELD TEGEN HET OPENBAAR BESTUUR
161
׉	 7cassandra://XnIKA6C8cSMvSGh4FxOCwgHw0gD-XzofrwZLRDmCPzg`̵ Vt
7&'Vt
]7&'ŁFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://KlMKJbME0YZhA7Oj2eqfanhVX-AvGUjwvnDZtKuA_tE d` 
׉	 7cassandra://nUbezQD4aIAlo365hyiVZpCvGeOhOxZ2N9IwwmMQud0o0`T׉	 7cassandra://Atz2bloxNP8J3A4cp6e0pjjSeElNnAiewxOwE6EVap8w`̵ ׉	 7cassandra://pwfZQxc2Q2XDt0XKGGpsO5XPGOY-FXKbkgGyxxq0-poVz$͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://ZaVnbQrmC7s5vzijmG1xFvFzMsQgTw71hCxyJDvkfZI ` 
׉	 7cassandra://Jcv3SenJPpEYUvpNlVhSoVz1eyYU_Ulp-5Sl4OjmDlku`T׉	 7cassandra://nRpOY9OCOxbWI57riS4n4WqfTa5pFc_1TP6E-mnQRjA`̵ ׉	 7cassandra://E9Od6PKv-q9qOa0xmgGnq8ti2dAUwiF3u-v8h1qSlVw](͠Vt
7&'׉Emeester die uit angst voor represailles voor zijn
gezin anoniem wil blijven, vertelt bijvoorbeeld
over ondermijners die via een lokale fractie starten
als ondersteuner, vervolgens actiever worden en
dan zelf raadslid worden, en zo langzamerhand
steeds meer politieke steun en macht verwerven.
Uiteindelijk hebben zij zo veel steun opgebouwd
dat onroerendgoedprojecten waarin ze grote
belangen hebben, erdoor gedrukt kunnen worden.
Dat gaat zonder agressie, maar de dreiging is niettemin
aanwezig.
Agressie en geweld zitten dan ook dicht tegen
integriteit aan. Bestuurders voelen zich vaak
machteloos in dergelijke situaties en hebben het
gevoel dit probleem niet goed te kunnen delen.
Ook niet met hun ambtelijke ondersteuning, omdat
ze nooit zeker weten welke relaties hun eigen
ambtenaren kunnen hebben met de ondermijnende
criminaliteit. Pieter Tops spreekt in dit geval
van ‘institutionele eenzaamheid’.52
Tops adviseert
burgemeesters collectieve normen te stellen. Maar
in de visie van het expertisecentrum zouden die
normen niet alleen door burgemeesters gedeeld
moeten worden, maar door alle organisaties die
te maken kunnen krijgen met ondermijning,
zoals gemeente, politie, Belastingdienst, UWV
enzovoort. Daarover zou veel meer onderlinge
discussie en uitwisseling van informatie moeten
plaatsvinden. Dus niet alleen samenwerking in
de aanpak, maar ook in het onderkennen van (de
mogelijke dreiging van) intimidatie en agressie.
Een georganiseerde overheid tegenover georganiseerde
criminaliteit.
4 FRUSTRATIEAGRESSIE EN -GEWELD
Ook de frustratieagressie tegen politieke ambtsdragers
was dit jaar veel in het nieuws door de komst
van pedoseksuelen in de wijk en de komst van
asielzoekerscentra. Deze vorm van agressie hangt
samen met wat we ook wel het NIMBY-principe
(not in my backyard) noemen: we vinden dat
asielzoekers een goede plek moeten krijgen en dat
ook pedoseksuelen ergens moeten kunnen wonen,
zolang het maar niet in onze buurt of stad is.
Frustratieagressie heeft verschillende oorzaken.
Allereerst de individualisering, ook wel de ‘dikkeik-mentaliteit’
genoemd. In deze tijd staat voor veel
mensen het eigen individu voorop en gaat het individueel
belang boven het belang van de gemeenschap.
Het respect voor autoriteit en gezag is afgenomen.
Deze mentaliteit wordt ondersteund door
de toenemende tendens bij publieke organisaties
om de burger als een klant te zien, en de klant is nu
eenmaal koning. Burgers verwachten van publieke
organisaties hetzelfde als van de winkel waar ze
hun elektronica kopen: 24 uursservice en een ‘niet
goed geld terug’- garantie. Er ontstaan verwachtingen
waaraan de overheid – als vertegenwoordiger
van het algemeen belang – niet kan voldoen. Dit
leidt bij sommige burgers tot frustraties, die zij
52.
De Prijs van Agressie en Geweld. Interview met Pieter Tops: ‘Institutionele eenzaamheid nog te weinig
in beeld’, pp 20-22. Expertisecentrum Veilige Publieke Taak (juli 2014).
162
AGRESSIE EN GEWELD TEGEN HET OPENBAAR BESTUUR
׉	 7cassandra://Atz2bloxNP8J3A4cp6e0pjjSeElNnAiewxOwE6EVap8w`̵ Vt
7&'׉Ewuiten in agressie. Incidenten in de media, zoals
het leeghalen van raadszalen met behulp van de
politie, doen het imago van het openbaar bestuur
geen goed. Het kan voor sommige burgers zelfs een
rechtvaardiging van agressie worden.
Jacques Wallage53
, voorzitter van de Raad voor het
Openbaar Bestuur, pleit ervoor dat de overheid
meer in gesprek treedt met de burger. Wallage
vindt ‘dat de manier waarop de overheid werkt
minder formeel, minder juridisch moet zijn en
meer erop gericht om geïnteresseerd en serieus
een dialoog te voeren. De overheid moet nieuwsgierig
zijn naar wat de burger vindt en erin investeren
om haar zorgen open te bespreken – in de
media, maar ook rechtstreeks. De verticale organisaties
moeten leren de afstand tussen horizontaal
en verticaal te overbruggen, elke keer opnieuw.
Dus niet: je voert beleid en legt dat één keer uit.
Nee, beleid voeren is in feite communiceren.’
Hubert Bruls54
, burgemeester van Nijmegen en
vicevoorzitter van de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten, vindt dat politieke ambtsdragers
weer moeten werken aan moreel leiderschap.
Bruls speekt dan ook van de burgemeester als een
makelaar in geluk, hoop en liefde. Het gezag en
de autoriteit van weleer moeten weer herwonnen
worden, maar dan wel in een vorm die past
bij deze tijd. Dat kan door onder anderen zelf het
goede voorbeeld te geven. Weliswaar maken burgers
tegenwoordig hun eigen afwegingen, maar
ze hebben nog wel steeds behoefte aan duiding en
perspectief.
De Duitse Bondskanselier Angela Merkel heeft
dat goed begrepen toen ze begin oktober 2015 een
ruim anderhalf uur durend televisie-interview gaf
over haar visie op de opvang van vluchtelingen in
Duitsland. Kijkers mochten vragen stellen. Merkel
legde uit en was begripvol, maar week niet af van
haar standpunt. Door zich als een moreel leider
te gedragen, maakt ze het voor haar mensen in de
uitvoering makkelijker om het beleid te verantwoorden
naar de burgers.
5 ONBEHEERSTE AGRESSIE EN
GEWELD
De agressie door onbeheerst gedrag kwam prominent
in het nieuws door de moord op oud-politica
Els Borst, de moord op een thuiszorgmedewerkster
en de ernstige mishandeling van een conductrice
in Hoofddorp. De laatste maanden is
de aandacht voor de relatie tussen veiligheid en
zorg enorm toegenomen. Door de bezuinigingen
in de zorg zou er meer druk staan op de veiligheid.
Mensen met een psychiatrische aandoening
worden vaker en sneller buiten een zorginstelling
geplaatst of gehouden. Sommigen veroorzaken
daarbij problemen in de wijk, maar kunnen ook
agressief zijn tegen professionals. Maatregelen
die een goede oplossing kunnen bieden voor een
53.
De verbinding tussen bestuurlijk leiderschap en veiligheid. Interview met en presentatie van Jacques
Wallage: ‘Beleid voeren is communiceren met de burger’, pp. 10-15. Expertisecentrum Veilige Publieke
Taak (februari 2015).
54.
De verbinding tussen bestuurlijk leiderschap en veiligheid. Interview met en presentatie van Hubert
Bruls: ‘Laat zien dat je onkreukbaar bent’, pp. 20-23, ‘De burgemeester als makelaar in geluk, hoop en
liefde’, pp. 24-25. Expertisecentrum Veilige Publieke Taak (februari 2015).
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
163
׉	 7cassandra://nRpOY9OCOxbWI57riS4n4WqfTa5pFc_1TP6E-mnQRjA`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://1NkjNchtwCQlbUG_FwmSUqE3f0lnFJwV7GLY_HNx5yQ 
` 
׉	 7cassandra://VTEO0ymS8iHF4NS4pXsYL9TO8ltRkBcSzrVpwpTtx40R`T׉	 7cassandra://BBNbXIswM2KPKX9Tq_AYbcY5umQjnwdisjQxBTt7ovI`̵ ׉	 7cassandra://wTr1PcKmjz73hhqefEmgWEQFpHjEgNELagRJYr5f-cITJ(͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://tEWmxvGgPbA1h4W6cdY3zzwyVQexWIpqI1Zzsi-HvtM G'` 
׉	 7cassandra://LA2cfSDdJMMaeJJgo3yZjm3N52G6zh-_Oky3XYpSZRYD`T׉	 7cassandra://y2AxqPxuHbXVLbcIAh2U-t724xu54RScRypVpWSWpgo3`̵ ׉	 7cassandra://6Hlx4tjTUR22pGLFA3PpuqXu9SPDPWfERdSJ5ZGkEtMK$͠Vt
7&'׉Especifiek probleem, kunnen elders gevolgen hebben.
Politieke ambtsdragers en ambtenaren dienen
zich daarom beter bewust te zijn van de mogelijke
gevolgen die beleid met zich meebrengt. Gerrit
van de Kamp55
, voorzitter van de politievakbond
ACP, pleit daarom voor de invoering van een veiligheidseffectrapportage,
waarin je vooraf bekijkt
wat de effecten van beleid zijn als het om veiligheid
gaat. Dit vanuit de gedachte dat voorkomen
beter is dan genezen. De commissie-Hoekstra
heeft in juni 2015 een aantal aanbevelingen uitgebracht
naar aanleiding van de moord op Els Borst,
waarvan de minister van Veiligheid en Justitie
al heeft toegezegd deze op te volgen. Het betreft
onder meer de samenwerking tussen politie, het
Openbaar Ministerie en de GGZ.
6 CONCLUSIE EN AANDACHTSPUNTEN
Het expertisecentrum Veilige Publieke Taak
houdt met ingang van 2016 op te bestaan. Er is dan
vier jaar lang gewerkt aan het ontwikkelen van
instrumenten, het geven van voorlichting en het
verhogen van het bewustzijn bij organisaties met
een publieke taak dat agressie en geweld niet toelaatbaar
is. Maar daarmee is de taak nog niet klaar.
Het expertisecentrum Veilige Publieke Taak pleit
voor meer aandacht voor de volgende kwesties:
- Een betere voorbereiding
Ontwikkel een veiligheidseffectrapportage gericht
op het inschatten van de veiligheidsrisico’s
van bepaald beleid. Wees dus beter voorbereid.
1. Kritisch zijn op de eigen organisatie
Agressie en geweld tegen professionals gebeurt
niet alleen door externen. De drie vormen van
agressie kunnen ook tussen werkenden onderling
plaatsvinden, bijvoorbeeld in de vorm van
pesten of seksuele intimidatie. Wees daarom
alert op de verhoudingen tussen leidinggevenden
en hun medewerkers en tussen collega’s.
Moeizame of zelfs agressieve onderlinge
werkrelaties hebben effect op de relaties met
externen.
55.
De Prijs van Agressie en Geweld. Interview met Gerrit van de Kamp: ‘Bereken vooraf de veiligheidsgevolgen
van beleid’, pp. 30-33. Expertisecentrum Veilige Publieke Taak (juli 2014).
164
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://BBNbXIswM2KPKX9Tq_AYbcY5umQjnwdisjQxBTt7ovI`̵ Vt
7&'׉E2. Meer samenwerking
Door agressie en geweld alleen als werkgeversverantwoordelijkheid
te beschouwen, worden
incidenten door de werkgever zelf ‘opgelost’.
Maar in de praktijk is er vaak een overlap in
daders. Mensen die zich agressief gedragen tegenover
een professional zijn sneller geneigd dat
elders ook te doen. Dat geldt ook binnen private
organisaties, zoals winkels en supermarkten.
Door meer samen te werken bij de registratie
van daders – vooral in gevallen waarin het incident
nog te licht is voor een aangifte – kan een
gerichtere en effectievere daderaanpak worden
uitgevoerd. Creëer bijvoorbeeld een regionaal
opgezet centraal registratiepunt, bijvoorbeeld in
het Veiligheidshuis.
3. Meer en beter communiceren met burgers
Besteed meer aandacht aan communicatie.
Moeten er impopulaire beslissingen meegedeeld
worden, schakel dan experts in die kunnen
adviseren over wat de beste manier is om de
boodschap te brengen. Dat zal van boodschap
tot boodschap en van doelgroep tot doelgroep
verschillen. Neem de stakeholders, degenen
die het nauwst betrokken zijn bij het resultaat
van de boodschap, serieus en geef ze de ruimte
om te reageren op de boodschap. Creëer een
centraal punt of tijdstip waarop mensen vragen
mogen stellen – en beantwoord die ook.
4. Werken aan moreel leiderschap
Draag als politiek ambtsdrager en als medewerker
normen en waarden uit. Blijf eerlijk en
authentiek. Want naast politiek ambtsdrager en
ambtenaar bent u ook burger. Het kan soms helpen
om te werken vanuit de gedachte: wat zou
ik hiervan vinden als ik die ander was? En geef
zelf het goede voorbeeld, want: wat gij niet wilt
dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.
AGRESSIE EN GEWELD TEGEN HET OPENBAAR BESTUUR
165
׉	 7cassandra://y2AxqPxuHbXVLbcIAh2U-t724xu54RScRypVpWSWpgo3`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://AqR3sEh8uVeAb1FU8pgE18UWDHs27mBVVMfpmx7DgfM͔w` 
׉	 7cassandra://UFmSRBn_RyQ97ifMEPDWBZrCnLWxTOF8YnKDldU-IcQ|` T׉	 7cassandra://Xs7FtzwHwYrXFYKoNAQMZT2icmMGINHB63T55APX-xQ`̵ ׉	 7cassandra://IofoYcwtEB1QHxi3XJ1MJJ07TLLztf_KgRNb_lsNSbg|͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://_SLWtiHdq6SI6L6RzHC8fSDkRwzI7pxWf5SprMofi_w ` 
׉	 7cassandra://QDZIdWU7n-MD1PGKPAd-cYxlG_8me6PTuvaqsFj66ro6`T׉	 7cassandra://F_ZE4iroBw1zjpe_YNjsjy_iIrYW0KF0QuI15yx3y8Y`̵ ׉	 7cassandra://ZLyCs7cfO7nnfr2-ip8mqD0L50IJYvSA5MuDh3ajkK85x͠Vt
7&'׉E (166
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://Xs7FtzwHwYrXFYKoNAQMZT2icmMGINHB63T55APX-xQ`̵ Vt
]7&'׉E 15. Kleinere overheid
kan alleen als taken
wegvallen
Interview met Johan Remkes, commissaris
van de Koning Noord-Holland
Interviewer: Berber Bijma
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
167
׉	 7cassandra://F_ZE4iroBw1zjpe_YNjsjy_iIrYW0KF0QuI15yx3y8Y`̵ Vt
7&'Vt
]7&'ǁFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://YAKlEh_bPIFad5uafZaiCu2-zcUbeQcj-lkJG2oPOLI E` 
׉	 7cassandra://Ek1Bu426j4HVyiSBZYDCATNxldpk7KJPZiSGtJiwv2AcX`T׉	 7cassandra://WkHxapq4k_EWjpZ_ZRSJhc5_l5Lnx4odtP4v6yVL2CE`̵ ׉	 7cassandra://DTOY6zal7slFrC-9-bG5wYo8DGbtdZxEoT0cYl6APVQc(͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://yYy-V4avkkUd_gm0LiF1_VX2jMB2v-pTyz4ccSCP09Y dX` 
׉	 7cassandra://kH4x88zRcXImSnvAHmNXxmFGdufE-EKBsMNwUAac1g8ZQ`T׉	 7cassandra://ToIYKxsNxmYItZZu2_n3GH9XbXGTjTnO2D50q06LYuM`̵ ׉	 7cassandra://__UmRS8Mq0qBHoKRnjcLXwBsFO2saGj7ZrXs0v3NOAgGb$͠Vt
7&'׉EHet kabinet stelt de randvoorwaarden voor de
financiering en omvang van de ambtelijke organisatie
vast. De ruimte aan de onderhandelingstafel
op het departement is daarna beperkt, weet voormalig
minister Johan Remkes uit ervaring. ‘Maar
de minister van Financiën is gevoelig voor goede
argumenten als de vastgestelde kaders te krap blijken.
Een substantiële verkleining van de ambtelijke
organisatie kan alleen als er ook taken wegvallen.’
Jazeker, hij is wel eens bij Gerrit Zalm ‘te biecht
geweest’ zegt Johan Remkes, van 2002 tot 2007
minister van Binnenlandse Zaken en sinds 2010
Commissaris van de Koning(in) in Noord-Holland.
‘Ik heb een aantal keren gevraagd om meer
financiële speelruimte dan eerder was afgesproken,
bijvoorbeeld toen er onderhandelingen
gaande waren over de politie-cao of de cao voor
rijksambtenaren. Als minister ga je die onderhandelingen
in met een bod dat door het kabinet
gefiatteerd is. Dat beperkt de speelruimte enigszins,
maar betekent niet dat je klem zit. Als de
bonden met een reëel punt komen, ga je terug naar
je collega van Financiën om te kijken wat mogelijk
is. Een minister van Financiën moet weten dat er
écht iets aan de hand is als een collega-minister
langskomt met zo’n vraag. Bij Gerrit Zalm kon
ik destijds met redelijke argumenten terecht.
Daarbij geldt wel één belangrijke voorwaarde: die
mogelijkheid moet je spaarzaam gebruiken. Als je
de deur bij Financiën platloopt, verlies je totaal je
geloofwaardigheid.’ Dat het kabinet de financiële
en formatieve randvoorwaarden voor de ambtelijke
organisatie stelt, daar is op zich niets mis mee,
vindt Remkes.
Dat kan toch wel spanning opleveren als het in
de cao-onderhandelingen gaat over bijvoorbeeld
te hoge werkdruk?
‘Als je de omvang van de ambtelijke diensten substantieel
wilt verkleinen, zoals de rijksoverheid
nu al een heel aantal jaren zegt – en met wisselend
succes in de praktijk brengt –, dan moet dat wel
gepaard gaan met ook een substantieel kleiner
takenpakket. Dat is niet meer dan logisch. Nu de
overheid zorgtaken naar gemeenten heeft overgeheveld
en taken op het gebied van natuurbeleid
naar provincies, is het niet onredelijk de ambtelijke
organisatie van het Rijk wat te verkleinen.’
Ook rond benoemingen van hoge ambtenaren
kunnen spanningen ontstaan, bijvoorbeeld als
een minister per se een secretaris-generaal
van de eigen politieke kleur wil. Heeft u zulke
spanningen gezien?
‘Ik heb wisselende praktijken meegemaakt.
Voor mijzelf heeft altijd als een paal boven water
gestaan dat de kwaliteiten van een persoon boven
alles gaan. Als je een directeur-generaal of een
secretaris-generaal benoemt, wil je die voordracht
met overtuiging kunnen brengen aan je collega’s
in het kabinet – het gaat om voordrachten die het
168
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://WkHxapq4k_EWjpZ_ZRSJhc5_l5Lnx4odtP4v6yVL2CE`̵ Vt
7&'׉E	'kabinet moet bekrachtigen. Een ambtenaar is in
zijn werk politiek kleurloos. De politieke kleur
hoort geen enkele rol te spelen. Iets anders is dat
er wel een klik moet zijn met de bewindspersoon.
Dat is niet anders dan in het bedrijfsleven de klik
tussen de directie en mensen met een hoge managementfunctie.’
Maar
u heeft wisselende praktijken meegemaakt?
‘Ik heb collega’s gehad die de neiging niet konden
bedwingen om bij een benoeming de politieke
kleur van een SG een rol te laten spelen. Dat heb ik
ze als minister van Binnenlandse Zaken wel eens
moeilijk gemaakt. De voordracht aan het kabinet
vindt namelijk mede namens de minister van
Binnenlandse Zaken plaats. Die moet zich er dus
in kunnen vinden. Ik ben wel eens niet akkoord
gegaan met zo’n voordracht, omdat ik vond dat
de politieke kleur in de sollicitatieprocedure een
grotere rol had gespeeld dan de kwaliteit van de
betreffende persoon. Dan moet er toch iemand
anders worden gevonden.’
BESCHERMING VAN HOGE
AMBTENAREN
In 2002 deed zich een bijzonder incident voor:
LPF-minister Eduard Bomhoff verklaarde, nog
voor hij officieel was beëdigd als minister van
Volksgezondheid, dat hij directeur-generaal Peter
van Lieshout zou ontslaan. Remkes, als minister
van Binnenlandse Zaken verantwoordelijk
voor hoge ambtelijke benoemingen, stak daar
een stokje voor. Hij weigerde toestemming te
verlenen voor het ontslag. De precieze reden van
de onenigheid tussen Bomhoff en zijn topambtenaar
is nooit opgehelderd. Officieel ging het om
het gedrag van Van Lieshout op een congres, maar
in de wandelgangen werd ook gewezen op Van
Lieshouts openlijke kritiek op de regeringsinspanningen
om zorgwachtlijsten weg te werken.
Hoe kijkt u terug op dat incident?
‘Ik denk dat een botsing tussen karakters de
belangrijkste oorzaak was; de welbekende klik
was er niet. De verhalen kwamen tot mij nog voor
het kabinet officieel was beëdigd. Ik heb Bomhoff
tot de orde geroepen. Je gaat niet als minister een
hoge ambtenaar ontslaan voor je überhaupt met
hem gewerkt hebt. Aan de andere kant is wel duidelijk
dat er na zo’n incident iets moet gebeuren.
Dat wordt geen goede werksituatie meer. Dus daar
hebben we een oplossing voor gevonden.’ Van
Lieshout verhuisde naar het ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid.
KLEINERE OVERHEID KAN ALLEEN ALS TAKEN WEGVALLEN
169
׉	 7cassandra://ToIYKxsNxmYItZZu2_n3GH9XbXGTjTnO2D50q06LYuM`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://_Nj1NT-0wkJMrInXduL3ADItBzFkKR08VEUxmUNdXiw ` 
׉	 7cassandra://MAYxjjh0VCU-6ZIwq96ImSeRGhm8Y-vD4JnPfTGc5kkP`T׉	 7cassandra://IMXtTlXmQP8J_Ohtjfg6nnt8e5D11mzxZZffClDvWow`̵ ׉	 7cassandra://bhhuFJt1gAcF-8zIDDXm6Q7gdE0wUtAp3sfgKhxMJ_0H	$͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://5ubGcJDWuVdtVOhGFgEnZNWHwOqbXeFPfu6a_2BkCxE x` 
׉	 7cassandra://nkaA5sROehmFDIBdWjJxbE_cOyU0N_n0iSTJI2OuPW4.`T׉	 7cassandra://1VhItOdnr2CK3n3xSRIQquYKh5BvVg29yUGYIhrMmqM`̵ ׉	 7cassandra://Ok9sA4K6kGLt3spnFSRTMaJKxEfXvUer9z5hN-xzJL0;X(͠Vt
7&'׉EHeeft u als minister van Binnenlandse Zaken
vaker een hoge ambtenaar in bescherming
moeten nemen?
‘Dit is in mijn herinnering de enige keer geweest.
Gewoonlijk halen bewindspersonen gelukkig niet
zulke rare fratsen uit.’
Naast politieke invloed op de omvang van het
ambtelijke organisatie, is er ook sturing op de
inrichting van die organisatie. Bijvoorbeeld als
schoonmakers in dienst worden genomen. Hoe
kijkt u daartegenaan?
‘Het in dienst nemen van schoonmakers was een
puur politieke keuze. Net zoals het uitbesteden
van bepaalde diensten dat is. Daar is niets mis
mee, als je je als minister maar wel realiseert dat
je bevraagd kunt worden op politieke keuzes. De
secretaris-generaal heeft de verantwoordelijkheid
voor de dagelijkse gang van zaken op een
departement. Net zoals de provinciesecretaris
bij de provincie en de gemeentesecretaris bij de
gemeente. Maar als het gaat om grote verandering
in belangrijke delen van de organisatie, dan gaat
dat niet buiten de bewindspersoon om. En evenmin
buiten de ondernemingsraad, overigens. Een
voorgenomen besluit wordt met de OR besproken
en daarna pas valt er een definitief besluit. Dat
geldt voor zowel Rijk, provincie als gemeente.’
Waarin verschilt het werken met een provinciale
ambtelijke organisatie met het aansturen van een
departement?
‘Met één ambtelijke organisatie werkt een provincie
meer integraal, minder verkokerd dan de
rijksoverheid met allemaal verschillende departementen.
Ik ben er niet zozeer voorstander van
om op rijksniveau alle departementen samen te
voegen. Wat ik wel een goede ontwikkeling zou
vinden, is dat rijksambtenaren in algemene dienst
van de rijksoverheid komen, in plaats van bij
een departement. Dat is méér dan een papieren
verschil. Je krijgt er echt meer flexibiliteit door.
Stel dat er op binnenlands gebied iets aan de hand
is waar de kennis van de medewerkers van justitie
voor nodig is. Als iedereen in algemene dienst
is, gaat die uitwisseling over en weer veel makkelijker.
Mensen horen nu in de eerste plaats bij
een ministerie en dan pas bij het Rijk. Het lijkt mij
goed die volgorde om te draaien.’
170
KLEINERE OVERHEID KAN ALLEEN ALS TAKEN WEGVALLEN
׉	 7cassandra://IMXtTlXmQP8J_Ohtjfg6nnt8e5D11mzxZZffClDvWow`̵ Vt
7&'׉EWat verwacht u van de normalisering van de
ambtelijke status?
‘Of het in de praktijk veel verschil zal maken weet
ik niet, maar ik ben anno 2015 ten principale voor
een tweezijdig contract. Oudere medewerkers zijn
wat huiverig voor het verlies van de ambtelijke
status. Dat is begrijpelijk: als je dertig jaar in ambtelijke
dienst bent, ben je mentaal vergroeid met
die status. Ik denk dat er in de praktijk weinig zal
veranderen. De eisen die aan ambtenaren worden
gesteld op het gebied van integriteit en geheimhouding
veranderen niet.
Ik hoop wel dat de wetgever zich goed heeft
gerealiseerd wat de kosten van de normalisering
zijn. De implementatie is tamelijk ingewikkeld;
er moeten heel wat computersystemen worden
aangepast. En dat terwijl overheidsbeslissingen op
het gebied van ICT extra gevoelig liggen. In mijn
tijd als minister van Binnenlandse Zaken werd er
ook al over gesproken. De hoge kosten waren voor
mij destijds reden om ervan af te zien.’
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
171
׉	 7cassandra://1VhItOdnr2CK3n3xSRIQquYKh5BvVg29yUGYIhrMmqM`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://tdw-FgrQF5m28ayvQVP2ziNpY_PJ9_rLKxoTbOG7QzE͓` 
׉	 7cassandra://R1MMGtch5aMFk6rXafcBNJx2TLSUb7oG4xX5SUYvlOgs` T׉	 7cassandra://NT9-uuE6vYnUxZ6Qp8W2b21nbAVhr1KiUNHm4g1yzX8`̵ ׉	 7cassandra://LltzOgLTdX0WgjacRZhRW2ZF5A-qY65IjFELONZbXtA8|͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://xjY3ppNU93MwHdDZXi2mvI3yb6C4atPN-rKeu8M1NNU nt` 
׉	 7cassandra://lKKqJHzrHU3_nXmZ6cxqzk6A3HhLhChpUlbBjj4-b3o9` T׉	 7cassandra://cKjw4Gu4L6s_54GQuyynQWAippM2pC8Hj4kFAqpt4_Y`̵ ׉	 7cassandra://3Wq8OnV4axBV5zLy87QNg3JJjiysly8uP3n5aHltyB0)x͠Vt
7&'׉E (172
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://NT9-uuE6vYnUxZ6Qp8W2b21nbAVhr1KiUNHm4g1yzX8`̵ Vt
]7&'׉E Deel IV.
Collectieve arbeidsvoorwaarden,
sectoroverleg en
genormaliseerde arbeidsvoorwaarden
STAAT
VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
173
׉	 7cassandra://cKjw4Gu4L6s_54GQuyynQWAippM2pC8Hj4kFAqpt4_Y`̵ Vt
7&'Vt
]7&'ʁFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://bnn_Uj_QVygckbqQKsWe2oH6a7izrTz3sUUvFqYueNU h8` 
׉	 7cassandra://kPrx_rwalNvJeAhktvuMwSkvq-NC-W7uvIJje6tUdIEY`T׉	 7cassandra://gaLIFCBaWsGhCiawQhVxrTm3jtxd5mA4f9C0qd6OFgs<`̵ ׉	 7cassandra://cq4ise-4YrjScNzTncszHvL9hTcUiunMX5hFGm5pRqII(͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://Fd7RO5HHJDpj-v70EHusnAD2V5EvxnooQx3cfd8_K84l` 
׉	 7cassandra://sLeG61izdyFvx17u_7BKy6vGsg4uqLhow4kxMvCu2X8d` T׉	 7cassandra://P6tGGd3tSZu7nuL14skXkT1toW4fvpXzatut0UwsKwA%`̵ ׉	 7cassandra://kbGqyWh6FDUf4QypZu5diKwWL-nX0ffO30nEytlWbKk:$͠Vt
7&'׉E	YDit deel begint met een beschouwing over de
invloed van Europees beleid op de Nederlandse
arbeidsvoorwaarden. De conclusie is dat we meer
invloed ondervinden van Europees beleid dan we
vaak denken aan de onderhandelingstafel.
En aan die onderhandelingstafel ging het, eufemistisch
gezegd, niet allemaal soepel. De afgelopen
jaren waren moeilijke cao-jaren in de publieke
sector. Gegeven de beschikbare financiële ruimte
is er geen of een sobere loonontwikkeling afgesproken.
Na een lange periode van een nullijn, is
in de zomer 2015 een loonakkoord afgesproken
voor een groot deel van de publieke sector. Dit
akkoord is door het kabinet gesloten met drie van
de vier betrokken vakbonden. De FNV wijst het
akkoord af en verzet zich hier actief tegen. Het is
nog onduidelijk welke druk dat zal zetten op het
overlegmodel. Ondertussen worden er wel sectorale
cao’s afgesloten op basis van het loonakkoord,
waarmee er weer sprake is van loonontwikkeling
bij ambtenaren. Hoofdstuk 17 geeft de stand van
zaken weer van de cao’s in de publieke sector en
hoofdstuk 18 analyseert hoe kwalitatieve slagen
in de arbeidsvoorwaarden kunnen plaatsvinden.
Kernpunt daarin is dat er economische groei nodig
is om kwalitatieve veranderingen in de arbeidsvoorwaarden
te kunnen afspreken. Feitelijk vindt
dit plaats sinds medio 2015.
De normalisering van de arbeidsvoorwaarden is
een langdurig proces dat al sinds de jaren ’80 gaande
is. Het initiatiefvoorstel Wet normalisering
rechtspositie ambtenaren heeft tot doel ambtenaren
een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht
te geven als vervanging van de eenzijdige aanstelling.
Het wetsvoorstel kent een lange geschiedenis,
die startte met de indiening bij de Tweede
Kamer in november 2010. Bijna vijf jaar later (september
2015) is het wetsvoorstel in eerste termijn
in de Eerste Kamer besproken. Partijen stelden
zich kritisch op tijdens de behandeling en het is
ten tijde van het opstellen van deze Staat van de
Ambtelijke Dienst onduidelijk of het wetsvoorstel
aangenomen gaat worden. Eind 2015/begin 2016
zal over het wetsvoorstel gestemd worden in de
Eerste Kamer. In dit deel treft u enkele hoofdstukken
aan waarin dezelfde vragen zijn opgeworpen
als die in het laatste Eerste Kamerdebat aan de
orde kwamen. Centraal staat de discussie of de
eigenheid van de overheid een eigen rechtspositie
nodig heeft.
174
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://gaLIFCBaWsGhCiawQhVxrTm3jtxd5mA4f9C0qd6OFgs<`̵ Vt
7&'׉E XCOLLECTIEVE ARBEIDSVOORWAARDEN, SECTOROVERLEG EN GENORMALISEERDE ARBEIDSVOORWAARDEN
175
׉	 7cassandra://P6tGGd3tSZu7nuL14skXkT1toW4fvpXzatut0UwsKwA%`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://WbkqoFM8rRMhP6fMT25FvVVmAvPiCAX1UAgyCuzBvrQ͓` 
׉	 7cassandra://jXPyl_sMq5qzMQep6dABlxLF4CayUSN7o_yI-tZUW2Q` T׉	 7cassandra://AoBnQAUku6O1NPkYTu0cRRNAQB94EMn19HcqQsJqmBY`̵ ׉	 7cassandra://J5JVy6oi9Tmx2VgdA0Li0wkcLLUSnV7YzWXKbx3cmu0|͠Vt
7&'
ט # #nu׉׉	 7cassandra://iKqVFohLIkYMKPKJ9hPoaSW4Sd15CvPBanUye2hjymw ` 
׉	 7cassandra://mNyX58x7HTt88b_vBcqTXXPbtD7uqsZ-e1BCmP4_5mk>`T׉	 7cassandra://V72yK_wDY8ynNCbFIzz0oBrMvKLapoXtPCpoqnmi0j4:`̵ ׉	 7cassandra://8Pd0DXtTxXRsSpwm__ZrmR9p3YNkMFO4_-SDE1ClV-4Ax͠Vt
7&'׉E (176
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://AoBnQAUku6O1NPkYTu0cRRNAQB94EMn19HcqQsJqmBY`̵ Vt
]7&'׉Es16. Niet twee maar
drie pijlers van
onderhandelend bestuur:
het belang van Europa
voor de Nederlandse
arbeidsverhoudingen55
56.
Deze bijdrage betreft een sterk ingekorte passage uit een hoofdstuk van de auteurs over Nieuw
Nederlands Polderen, dat in 2016 verschijnt onder redactie van Maarten Keune bij Amsterdam
University Press.
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
177
׉	 7cassandra://V72yK_wDY8ynNCbFIzz0oBrMvKLapoXtPCpoqnmi0j4:`̵ Vt
7&'Vt
]7&'΁FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://0C94cIKQQB7uNf0NcFeLZxSk9d0k4QW5FXMYN1rX67s )` 
׉	 7cassandra://CkPg_gzWEyMEJ9o_npii2VraytvRFOYwwycXuVvLGwk=`T׉	 7cassandra://6IcvAtCPo4KEUtcT89z3hAH07le_Y1KyxMkgdwIxjR8`̵ ׉	 7cassandra://ahYW-WCMyXMD-Pn_wo10oqqg7IdhU6C2TYzffLUm7OcQ(͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://MwuBRK2IYAGG6lud7Mn35rSLk3QhjFSYyXhsGN-Vhh4 \` 
׉	 7cassandra://n33zfDG-O3YC4QnR0Yg6OaQX0pnhaVrA8NRiwb0yz9Qi`T׉	 7cassandra://AXqgF8QioRaBH3w8knXtyfbl5pdcsbj6Ck4SQhN3AmA`̵ ׉	 7cassandra://HJJlgEg_2S-99GFpENDw1Hp-22QpyfD4b0MhqWCZwIUZ$͠Vt
7&'׉E@Prof. dr A.C. Hemerijck en
prof. dr M.J.S.M. van der Meer
1 INLEIDING
De Nederlandse overlegeconomie heeft de laatste
jaren een nieuwe gedaante gekregen, doordat er
op tal van beleidsdomeinen nieuwe manieren van
overleg zijn geïntroduceerd. De verklaring van
deze verandering heeft zowel binnenlandse als
buitenlandse oorzaken. In deze bijdrage gaan we
in op de rol die de Europese beleidsvorming speelt
in de nationale arena.
2 EVENWICHTSOEFENING
TUSSEN PARLEMENTAIRE EN
MAATSCHAPPELIJKE PIJLERS
Een van de grondleggers van de vergelijkende
Europese politicologie, de Noorse sociale wetenschapper
Stein Rokkan, heeft beargumenteerd dat
de besturing van hoogontwikkelde democratieën
het beste begrepen kon worden aan de hand van
twee pijlers (two tiers): een parlementaire pijler
(parliamentary tier) en een maatschappelijke
pijler (corporate tier). Hierin zijn respectievelijk
politieke partijen en georganiseerde belangen de
drijvende actoren. Voor Rokkan (1970) bestond
democratisch besturen bovenal uit de evenwichtsoefening
tussen de parlementaire en maatschappelijke
pijlers in de beleidsontwikkeling. Van
doorslaggevend belang voor Rokkan, en later voor
Philippe Schmitter en Gerhard Lehmbruch, de
founding fathers in de studie naar neo-corporatistisch
beleid, was hoe de maatschappelijk pijler
178
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://6IcvAtCPo4KEUtcT89z3hAH07le_Y1KyxMkgdwIxjR8`̵ Vt
]7&'׉Ewas georganiseerd en aan welke spelregels de
politieke pijler was onderworpen.
In het Amerikaanse pluralisme betreft de maatschappelijke
pijler een breed en gevarieerd veld van
veel kleine pressiegroepen, die via hun lobbykantoren
in Washington D.C. allemaal op ongecoördineerde
wijze de nationale beleidsagenda trachten te
beïnvloeden. In tegenstelling tot het Amerikaanse
pluralisme, kennen de Europese democratieën,
behalve Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, een
hechter georganiseerde maatschappelijke pijler en
overheden die werkgeversorganisaties en de vakbonden
als geprivilegieerde gesprekspartners tegemoet
treden. De kracht van georganiseerd overleg
is volgens Schmitter en Lehmbruch dat overheid en
sociale partners op basis van langdurig opgebouwd
vertrouwen, afspraken over een bredere beleidsagenda
voor de langere termijn mogelijk maken. De
notie van een ‘gedeelde politieke ruimte’ (shared
public space) van de Britse politieke socioloog Colin
Crouch (1983) geeft een goed beeld van de wederkerigheid
en de nabijheid van belangenvertegenwoordiging
en regeringsbeleid. Door de politieke
ruimte te delen en belangengroepen te betrekken
bij de ontwikkeling en uitvoering van beleid, staat
de overheid in wezen een deel van haar regulerende
bevoegdheden – namelijk het gebruik van wettelijke
dwangmiddelen en het vermogen om bindende
overeenkomsten te sluiten en de naleving ervan af
te dwingen – af aan organisaties waarover de regering
geen directe bestuurlijke zeggenschap heeft.
Zo kunnen belangenorganisaties die nauw betrokken
zijn bij besluitvormingsprocessen, uitgroeien
tot public regarding, krachten die het publiek belang
versterken.
In een van de meest originele empirische studies
over deze thematiek, Small States in World
Markets uit 1985, laat de Cornell-politicoloog
Peter Katzenstein zien hoe de kleine neo-corporatistisch
georganiseerde economieën in WestEuropa
na de Tweede Wereldoorlog proactieve
beleidsstrategieën hebben weten te ontwikkelen.
Dit zijn strategieën van enerzijds externe, flexibele
aanpassing aan veranderingen in de wereldeconomie,
gebaseerd op een diep verankerde consensus
over handelsliberalisering, en van anderzijds
binnenlandse sociale compensatie op basis van een
breed scala aan sociale programma’s gericht op
een acceptabele verdeling van de sociale kosten die
inherent zijn aan een door de liberalisering afgedwongen
economische aanpassing (Katzenstein,
1985). In veel van de kleine en open economieën,
zoals in Scandinavië, de Benelux en Oostenrijk, is
de balans tussen economische wendbaarheid en
sociale weerbaarheid permanent gespreksonderwerp
in stevig verankerde advies- en onderhandelingsfora
van centraal overleg tussen de sociale
partners in bi- en tripartite samenspraak met
de overheid. Polderinstituties, zoals de SociaalEconomische
Raad (SER) als vooraanstaand
Niet twee maar drie pijlers van onderhandelend bestuur:
het belang van Europa voor de Nederlandse arbeidsverhoudingen
179
׉	 7cassandra://AXqgF8QioRaBH3w8knXtyfbl5pdcsbj6Ck4SQhN3AmA`̵ Vt
7&'Vt
]7&'сFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://64X284SNZOqlFiOxTqCPV3PyhRTrXPWgix5GgYwtocw 
` 
׉	 7cassandra://uZA7QG_5M_LSqffl5J0vMkIlc39LL3Vyi8PS6aWw_GMfI`T׉	 7cassandra://BWrj8Yz2Bh2D8q5Iia5A65_WHXOBM8d-6eMo8l8zUe4b`̵ ׉	 7cassandra://C74KtW5LppW6tSDy0w0q-YdlAN1Q2hh2gOffdNOgHl8Xw$͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://Nqbru3Oqld_nF9CyL547MfTKqSt2makK1_GMhy3NUmE P` 
׉	 7cassandra://koiaOaMTa8kAMI8-R6c2_JGZ9Mqes2eO9DKCgudwrBIiL`T׉	 7cassandra://FSb9N1WCKGR78g2Z9OtrXk3g1MEFO8qMnZuaUTvoYwA`̵ ׉	 7cassandra://9B0yULuwjKq2LeSpVBcTmCwVQoC4THhshEPtKdyvzpAQ(͠Vt
7&'׉E
adviesorganen van de overheid en de Stichting
van de Arbeid (StvdA) als nationaal platform voor
cao-onderhandelingen, zijn in dit opzicht zeker
niet uniek in Europa.
3 DE EU ALS DERDE PIJLER
Maar hoe groot zijn de nationale marges voor
probleemoplossend onderhandelen nog in de
nasleep van de internationale kredietcrisis? Wat
valt er nog uit te ruilen naar programmatisch
beleid en politieke steun? De verheviging van
de internationale concurrentie door de principes
van marktwerking, de Europeanisering van
economisch beleid, de toegenomen diversiteit aan
arbeidspatronen, de verdere afname van organisatiegraad
van de vakbeweging en de toegenomen
politieke volatiliteit met de opkomst van het populisme,
hebben de beleidsautonomie en politieke
slagkracht van de nationale polderinstituties en
actoren aangetast.
Begin jaren’80, bij het Akkoord van Wassenaar,
bestonden de hervormingsagenda’s van Lubbers
en Kok uit minutieus uitgewerkte regeerakkoorden,
die konden worden ondersteund door
ruime meerderheden in de parlementaire pijler
(Visser en Hemerijck, 1997). Stevige verticale
discipline van koepelorganisaties opgelegd aan
de lid-organisaties in de maatschappelijke pijler
vergemakkelijkte hiernaast het ruilverkeer tussen
sociale partners en regering. Sluipenderwijs is
het democratisch mandaat van de regering in het
parlement smaller geworden, hetgeen de stabiliteit
van opeenvolgende coalities sinds de paarse
kabinetten danig bemoeilijkt. Voor werkgevers
die internationaal opereren, is de nationale schaal
voor belangenuitruil in de maatschappelijke pijler
te klein geworden en vanwege een dalend aantal
lidmaatschappen is de vakbeweging in een diepe
representativiteitscrisis terechtgekomen. Het
dramatische verloop van het pensioenakkoord in
2009-2011 en de daarop volgende open leiderschapscrisis
bij de FNV is hier de uiting van.
Maar de meest ingrijpende inperking van de
beleidsruimte voor onderhandelend bestuur en
sociaal overleg is zonder meer de verregaande
Europeanisering van macro-economisch beleid,
met name sinds de eurocrisis. Achteraf moeten
we constateren dat de Economische en Monetaire
Unie (EMU) geheel nieuwe, en moeilijk te beïnvloeden,
bestuurlijke verhoudingen in het leven
heeft geroepen. In navolging van Stein Rokkan
kunnen we met recht spreken van de toevoeging
van een derde pijler van bestuur en beleid, de EUpijler
(European tier), naast de bestaande two tiers
van onderhandelend bestuur en sociaal overleg.
Het zogeheten ‘Europees Semester’ (2010), samen
met de afspraken over verscherpt begrotingstoezicht
door de Europese Commissie in het kader
van de Euro Plus Pact (2011), het Six-Pack (2011),
180
Niet twee maar drie pijlers van onderhandelend bestuur:
het belang van Europa voor de Nederlandse arbeidsverhoudingen
׉	 7cassandra://BWrj8Yz2Bh2D8q5Iia5A65_WHXOBM8d-6eMo8l8zUe4b`̵ Vt
7&'׉Ehet Two-Pack (2011) en het Fiscale Compact (2012),
hebben een elementaire bevoegdheid van soevereine
staten – het budgetrecht – ondergeschikt
gemaakt aan de bestuurlijke autoriteit van de Europese
Commissie. Hierbij kan alleen de Europese
Raad van regeringsleiders bij gekwalificeerde meerderheid
interveniëren. Dit is een institutionele waterscheiding.
Zo is afgesproken om de conceptbegrotingen
van de eurolanden in het voorjaar ex ante
te laten beoordelen door de Europese Commissie,
inclusief een mandaat om beleidswijzigingen voor
te stellen. De Europese ‘derde pijler’ van bestuur en
beleid laat bovendien weinig ruimte voor landspecifieke
macro-economische flexibiliteit en houdt
geen rekening met het gegeven dat de Europese
economieën naar sectorstructuur, handelsbalans en
institutionele ordening sterk van elkaar verschillen.
Deze voorjaarscyclus werpt een schaduw vooruit
op de landelijke begroting die wordt aangeboden
op Prinsjesdag, terwijl in de overlegeconomie het
voorjaarsoverleg daarmee aan belang wint ten
opzichte van het najaarsoverleg.
De nieuwe budgetregels van de EU zijn sterk
restrictief van aard, gericht op het afremmen van
de overheidsbestedingen, waarbij economisch
tegenvallers onmiddellijk gevolgd moeten worden
door procyclische bezuinigingen. Om een beeld te
krijgen van de programmatische ingrepen die de
Europese instellingen als derde pijler van beleid en
bestuur in gedachten hebben voor de overtreders
van de budgetregels, spreken de brieven van Mario
Draghi en zijn voorganger Jean-Claude Trichet aan
het adres van de Griekse, Ierse, Italiaanse en Spaanse
regeringen in nood, boekdelen. De brieven laten
een expliciete voorkeur zien voor een ‘one size fits
all’-beleidsmix van bezuinigingen, loonmatiging,
decentralisering van collectieve onderhandelingen,
arbeidsmarktderegulering, een kleinere verzorgingsstaat
en een hogere pensioenleeftijd. Onder
normale omstandigheid zijn dit allemaal onderwerpen
van nationaal sociaal overleg en beleid.
Vanaf 2012 tekent zich een spagaat af in het macroeconomisch
beleid van de Eurozone. Enerzijds
smoort procyclische begrotingsdiscipline, vastgelegd
in het Europees Semester, economische
groei; anderzijds probeert de onafhankelijke ECB
– contre coeur – het deflatiespook af te wenden
met lage rentes, lender of last resort-interventies,
regelrechte monetaire transacties, quantitative
easing en andere onorthodoxe maatregelen. Het
beperkte mandaat – bewaken van prijsstabiliteit –
dat de ECB in het kader van de EMU in 1999 heeft
meegekregen, is ondertussen stevig opgerekt, tot
groot ongenoegen van Duitse (en ook Nederlandse)
centrale bankiers. De euro is weliswaar overeind
gehouden, maar de tegenstrijdige beleidsmix
van restrictieve bezuinigingsoriëntatie in de Eurogroep
en de radicale geldverruiming door de ECB,
kan gemakkelijk tot speculatieve bubbels leiden en
daarmee een nieuwe kredietcrisis inluiden.
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
181
׉	 7cassandra://FSb9N1WCKGR78g2Z9OtrXk3g1MEFO8qMnZuaUTvoYwA`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://8i2vgEme9g5HbKumYFDVzJQfViWV4A6emXuFSRWZKWY z` 
׉	 7cassandra://CC_AG-k9xNfTBy94admKh7IgFVUxsqF-HMi5mnvEPIII`T׉	 7cassandra://LUqV16b0zCAgEGwxzxbuCRBnRGfkW29WEjYMNg1CQpsM`̵ ׉	 7cassandra://hFfDtRmPUeowgTb-O135DCo8ISs7ZWdTJXMRhhONbNEE?(͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://-grYbyMIB9qcWbbrldwKR5REztW2wEBdxr7Aya_Mlzg T` 
׉	 7cassandra://Y390-7oeZK0l8sb5NupddpCHTigSwJRls2Qee2tdSts4`T׉	 7cassandra://r3M8_pZSromTdyFWpLbcZg8nv6_WL5Iq9NcXlNRKGvQ`̵ ׉	 7cassandra://unif4VmAA6NENOa5pr_kEj5cD8oNspbhdSx_zkZ5uHs_Y$͠Vt
7&'נVt
7&'# q419ׁHhttp://J.ViׁׁЈנVt
7&'" 4D9ׁHhttp://S.AgׁׁЈ׉EJ4 CONCLUSIE
Het is evident dat sinds de Eurocrisis de beleidsmarges
voor nationale actoren – regeringen,
politieke partijen en maatschappelijke spelers
– zeer smal zijn geworden. Toch zijn de actoren
die opereren in ‘parlementaire’ en ‘maatschappelijke’
arena’s niet machteloos en misschien zelfs
wel belangrijker geworden in de schaduw van de
derde EU-pijler van bestuur en beleid. In de eerste
plaats moet worden onderstreept dat beleidssoevereiniteit
naar Europese instellingen, zoals de
ECB, is overgedragen op basis van democratisch
gedragen, nationale parlementaire besluitvorming
aan de ‘input-kant’ van het beleidsproces. De
meest recente crisismaatregelen leunen bovendien
sterk op intergouvernementele besluitvorming
door de Europese Raad van democratisch gekozen
regeringsleiders. Ten tweede kan de Europese economische
integratie niet zomaar een positieve rol
worden ontzegd aan de ‘output-kant’ van beleid.
De lange-termijn-successen van het Nederlandse
poldermodel – banen, groei, sociale cohesie en
politieke stabiliteit – staan niet los van de intensivering
van Europese economische integratie sinds
het midden van de jaren ’80. De interne markt
van de EU heeft de handel en de binnenlandse
economie waarschijnlijk versterkt. Van even groot
belang om te benadrukken is dat vanaf de jaren ’90
zo goed als alle internationale recessies in Nederland
zijn bezworen met meer en minder brede
sociale akkoorden in de SER en de Stichting van
Arbeid (Visser en Van der Meer, 2010). Hierdoor
zijn belangrijke aanpassingen in arbeidsregulering,
sociale zekerheid en pensioenen en innovaties
op het terrein van flexibiliteit en zekerheid,
duurzaam bekrachtigd. Aldus moeten sociale
investeringen worden gevonden in de schaduw
van de verdere intensivering van Europese economische
integratie.
182
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://LUqV16b0zCAgEGwxzxbuCRBnRGfkW29WEjYMNg1CQpsM`̵ Vt
7&'׉ELITERATUUR
Crouch, C. (1993). Industrial relations and European
state traditions. Oxford: Clarendon.
Hemerijck, A. (2013). Changing welfare states.
Oxford: Oxford University Press.
Hemerijck , A. en M. van der Meer (2016). Nieuw
Nederlands Polderen: Van brede sociale akkoorden
naar ‘ad hoc’ hervormingscoalities in M. Keune (in
voorbereiding), Het Poldermodel anno 2016: nog
steeds A Dutch Miracle? Amsterdam: Amsterdam
University Press.
Katzenstein, P. (1985). Small states in world markets:
industrial policy in Europe. Ithaca: Cornell
University Press.
Rokkan, S. (1970). Citizens, Elections, Parties.
Oslo: Universitetsforlaget.
Visser, J. en A.Hemerijck (1997). ‘A Dutch miracle’:
job growth, welfare reform and corporatism in the
Netherlands, Amsterdam: Amsterdam University
Press.
Visser, J. en M. van der Meer (2010). The Netherlands:
social pacts in a concertation economy. In:
S.Agdavic, M.Rhodes en J.Visser (eds.), Social
Pacts in Europe: emergence, evolution, and institutionalization.
Oxford: Oxford University Press,
pp. 203-231.
Niet twee maar drie pijlers van onderhandelend bestuur:
het belang van Europa voor de Nederlandse arbeidsverhoudingen
183
׉	 7cassandra://r3M8_pZSromTdyFWpLbcZg8nv6_WL5Iq9NcXlNRKGvQ`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://y99I5DUi1Oy_aNBcbsahyQKhQMA9-BsM94OYV010uto͓` 
׉	 7cassandra://3un_yOo3uerG_1RsH0zJz2MSyTkscuoz08ILD7N2Bocl` T׉	 7cassandra://SvotiI4ddk-ulGjoopRCR584oaYlscMa-Hf0I4Tt038`̵ ׉	 7cassandra://RU3sZSYjDrH5KWjQeZE91MsmhMl5RsNEQw7b83-H3s4/|͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://WDYw2opSzHykotT8pUIt1xTxox-gX3SJlmjVhJNvNUU 1l` 
׉	 7cassandra://1LioH34lhAhkgpZ2YNJLgt6QkOwVzdCzzk8XiKe8We4,7` T׉	 7cassandra://fim3ADB-bbGMy7ixqsX9MfNzj7XOK6l0_y93IkJsp-85`̵ ׉	 7cassandra://nT7s34SG3usA84pOzVSEJllrgOYBalqw9IioBhabSK8+x͠Vt
7&'׉E (184
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://SvotiI4ddk-ulGjoopRCR584oaYlscMa-Hf0I4Tt038`̵ Vt
]7&'׉E ^17. Het cao-overleg in de
sectoren
De stand van zaken
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
185
׉	 7cassandra://fim3ADB-bbGMy7ixqsX9MfNzj7XOK6l0_y93IkJsp-85`̵ Vt
7&' Vt
]7&'ӁFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://Zg510oTE-x1FBgOUklMka4P5GdMidkBJEwF4wxe73fo R` 
׉	 7cassandra://M4FBqaG2gL9KciG11TYLpsce7OTTQwBnCTBXhsxNLsk?-`T׉	 7cassandra://XkpqJxiUSpWfc5fE-svEHQLjpzATNYXj_HvUiVyye2An`̵ ׉	 7cassandra://L0I0phbw7T23rlq7gOSRlRFBvJx98gJb2Nwa_6FYKdgB(͠Vt
7&'$ט # #nu׉׉	 7cassandra://OcW2oYAVC2NezvNZmcWwrDz1g4Q2haN70kWC2UnJeXY *` 
׉	 7cassandra://tafjxrlDvrNOjcHLOBLl0R-Rg-AejicGsQwo3DSMLKcj0`T׉	 7cassandra://F3UjUrdhDPPb7ySPFceZ6Yp9zeNkTLKcL0b3uipMTSE`̵ ׉	 7cassandra://R_-3xfqZNVV8ZgjC0_4chBOQfxctFRFDvXurMbLktjM@$͠Vt
7&'%׉EMr. dr. L.C.J. Sprengers
1 INLEIDING
De jaren 2014 en 2015 hebben een wisselend beeld
gegeven voor wat betreft de ontwikkelingen in
de cao’s in verschillende overheidssectoren. Met
name de kabinetssectoren ondervonden nog hinder
van de naweeën van de recessie, het regeerakkoord
en de nullijn. Dit leidde ertoe dat het in die
sectoren moeizaam was om tot overeenstemming
te komen. In juli 2015 is daarin een doorbraak
gekomen door de opstelling van een overeenkomst
over de loonruimte in de publieke sector.
Daaraan wordt in paragraaf 2 aandacht besteed. In
de overige sectoren was het wel mogelijk om tot
vernieuwing of verlenging van cao-afspraken te
komen. In paragraaf 3 geven we een overzicht van
de stand van zaken. Een andere ontwikkeling die
ook haar weerslag in cao-afspraken heeft en zal
krijgen, is de Wet werk en zekerheid (WWZ). In
paragraaf 4 gaan we na in welke mate de inhoud
van de WWZ al een weerslag heeft gekregen in de
cao-afspraken in de overheidssectoren.
2 LOONRUIMTE OVEREENKOMST
PUBLIEKE SECTOR 2015-2016
Op 10 juli 2015 is een onderhandelaarsakkoord tot
stand gekomen om de impasse te doorbreken aan
de onderhandelingstafel als gevolg van de beperkte
budgettaire ruimte voor arbeidsvoorwaarden.
Een impasse die in verschillende sectoren, met
name politie en Rijk, tot collectieve acties heeft
geleid. Het akkoord is als uniek te kwalificeren,
186
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://XkpqJxiUSpWfc5fE-svEHQLjpzATNYXj_HvUiVyye2An`̵ Vt
]7&'׉E(omdat het gaat om een bovensectoraal akkoord,
dat een uitzondering vormt op het geldende
sectorenmodel. Partijen benadrukken dan ook
uitdrukkelijk dat hier geen precedent vanuit mag
gaan. Om afspraken te maken voor de loonruimte
voor 2015 en 2016, is een koppeling gelegd tussen
de pensioenafspraken en het primair loon. In
de afspraken wordt vastgelegd dat het gaat om
bindende afspraken voor de betreffende sectorale
cao-tafels, tenzij sociale partners aan de sectorale
tafels gezamenlijk besluiten tot een andere
besteding. De uitwerking dient voor 1 januari
2016 gemaakt te zijn. Inmiddels is op basis van dit
akkoord in verschillende sectoren een principeakkoord
bereikt over nieuwe cao-afspraken (zie 16.3)
De overeenkomst is ook uniek omdat aan de zijde
van de ambtenarencentrales maar drie van de vier
het akkoord hebben ondertekend. De FNV heeft
dit niet gedaan, omdat zij van mening is dat de
gevolgen van dit onderhandelaarsakkoord voor
de pensioenopbouw onvoldoende duidelijk zijn
en dat er sprake zou zijn van een sigaar uit eigen
doos, met name door de financiering door middel
van vrijkomende pensioengelden. Omdat de FNV
van mening was dat er geen sprake is geweest van
open en reëel overleg conform de voorschriften
die daarvoor gelden binnen de Raad voor het
Overheidspersoneelsbeleid (ROP), heeft zij een
kortgedingprocedure aangespannen tegen het
akkoord en de verdere uitwerking daarvan. De
rechter heeft de vordering van de FNV afgewezen.
(Vzgnr. Rb Den Haag 1 oktober 2015,
ECLI:NL:RBDHA:2015:11274). Hiertegen is hoger
beroep aangetekend. De uitkomst daarvan was bij
afronding van deze tekst nog niet bekend.
Zowel voor de kabinetssectoren als de onderwijssectoren
wordt bepaald dat er ruimte is voor
structurele loonsverhoging van 5,05 procent in
2015 en 2016, voor 2,2 procent afkomstig uit vrijval
van de ABP-premie, waarvan 0.8 procent per 1
januari 2015. De vakcentrales hebben hierover nog
een kortgedingprocedure gevoerd om uitbetaling
daarvan separaat gerealiseerd te krijgen, los
van de onderhandelingen over het cao-akkoord.
De voorzieningenrechter van de rechtbank
Den Haag heeft zich gebogen over de vraag of
de Staat hiertoe te houden is. Dit leidde tot een
interpretatie van het pensioenakkoord, dat op 13
november 2014 is ondertekend door de partijen
in de pensioenkamer van de ROP. De voorzieningenrechter
concludeerde dat de vrijval van het
werkgeversdeel van de pensioenpremie beschikbaar
is met ingang van 1 januari 2015, dat dit geld
tot besteding moet komen en dat daar binnen de
sectoren afspraken over gemaakt moeten worden.
De stelling van de minister dat eerst een sectorale
cao dient te worden afgesloten voordat tot besteding
van de pensioenvrijval kan worden gekomen,
vindt geen steun in het pensioenakkoord. Maar dit
laat onverlet dat de minister aan de sectorale caoHET
CAO-OVERLEG IN DE SECTOREN
187
׉	 7cassandra://F3UjUrdhDPPb7ySPFceZ6Yp9zeNkTLKcL0b3uipMTSE`̵ Vt
7&'&Vt
]7&'ցFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://Hok_oyEiHDxYUiH1Hbt9bIGTxgrE5qzUEuvkLNiANhI U` 
׉	 7cassandra://4E_0z38NUjwEXTJkZmApulSX7av0AOZdsENznzx5jXAdf`T׉	 7cassandra://TMz_BzJUhtGEj2nlFnp7X13sD29mnRRoAb1qHo0yQawZ`̵ ׉	 7cassandra://3UqJio4b9R3GBogSa7cciB1XM9ijRCf1atx9Bz_kTAAG,͠Vt
7&')ט # #nu׉׉	 7cassandra://3nOfHdQS_LK495WBYQFyOynwH386z7X4IIpDOiEp1DI ` 
׉	 7cassandra://0hnyZYiMJG9kIo9OIiHq8IkY6ybwt5sxkYOjAyOtWoIc`T׉	 7cassandra://039DE2qehiJp9yPt--UzAs9m_a6L_9PadtqrA5IveGM`̵ ׉	 7cassandra://4Ulmiysymgszl_WuaW4KucI24Oqv9UyAhiqGh0VO4wMi̬͠Vt
7&',׉E
9tafel wel het voorstel kan doen om deze koppeling
aan te brengen. Dit leidde tot afwijzing van de vordering
van de vakcentrales (Rb Den Haag 10 april
2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:4045).
De overige 2,85 procent bestaat uit een gefaseerde
structurele loonsverhoging. Daarbovenop komt
een eenmalige uitkering van 500 euro bruto in
september 2015 en mogelijk nog een voordeel van
circa 0,5 procent aan werknemerszijde voor verbetering
van nettoloon door de pensioenaanpassing.
Voor de overige sectoren wordt aangegeven dat
het primaire loon per 1 januari 2016 met 1,4 procent
zal stijgen vanwege de verlaging van de ABPwerkgeverspremie.
Voor wat betreft de (overige)
arbeidsvoorwaarden wordt aangegeven dat de
overige sectoren een eigen zelfstandige verantwoordelijkheid
hebben.
De financiering van deze loonsverhoging is
mede mogelijk, omdat bovensectoraal besloten
is per 1 januari 2016 de ABP-regeling voor
ouderdomspensioen niet meer te indexeren op
basis van de prijsinflatie, maar in plaats daarvan
op de looninflatie. Voorts nemen partijen in het
pensioenreglement op dat tot 1 januari 2021 er
geen premieopslagen geheven worden, omdat
in de huidige financiële situatie de kosten van
een structurele premieopslag niet in verhouding
staan tot het beslag dat het legt op de beschikbare
middelen. Hierbij kan de opstelling van de
toezichthouder De Nederlandse Bank (DNB) nog
een rol spelen; direct na de totstandkoming van
deze overeenkomst meldde DNB dat met ingang
van 15 juli 2015 de rekenrente, waarmee pensioenfondsen
de waarde van hun toekomstige verplichtingen
berekenen, op een andere manier wordt
bepaald. Deze nieuwe, realistischer beprijzing
van de pensioenverplichting en -premies, zoals de
DNB het noemt, kan gaan leiden tot beslissingen
van pensioenfondsbesturen om over te gaan tot
premieverhoging. Of het ABP-bestuur daartoe
over zal gaan, moet de toekomst uitwijzen. In het
loonruimteakkoord is aangegeven dat, mocht de
situatie zich voordoen dat het ABP genoodzaakt
wordt om tot korten over te gaan, partijen dan
opnieuw in overleg getreden om de mogelijkheid
van incidentele premieopslag te bezien.
3 STAND VAN ZAKEN
Onderstaand overzicht geeft de stand van zaken
weer van het cao-overleg in de verschillende sectoren
alsook voor wat betreft bijzondere afspraken
over het sociaal plan en van werk-naar-werkbeleid.
Dit overzicht geeft de situatie per juli 2015
weer. Het kan zijn dat er nadien nog wijzigingen
zijn aangebracht, zeker gezien het feit dat op 10
juli 2015 het eerder besproken onderhandelaarsakkoord
over de loonruimte in de publieke sector is
bereikt.
188
HET CAO-OVERLEG IN DE SECTOREN
׉	 7cassandra://TMz_BzJUhtGEj2nlFnp7X13sD29mnRRoAb1qHo0yQawZ`̵ Vt
7&'-׉E	Tabel 1: Stand van zaken van het cao-overleg
Sector Looptijd cao
1 september 2015
t/m
31 december 2016
Belangrijkste wijzigingen/
onderhandelingspunten
Voordelen (+) en aandachtspunten (!)
(stand 1 oktoberi 2015)
Per 1 september 2015 worden de salarissen
met 1,25% verhoogd en wordt € 500
(bruto) eenmalig uitgekeerd (naar rato
arbeidsduur), per 1 januari 2016 worden de
salarissen met 3% verhoogd.
Over belangrijke onderwerpen uit de
vorige cao en het sociaal akkoord (zoals het
loongebouw, ‘flex’ en derde jaar WW) zijn
procesafspraken gemaakt.
Partijen hebben afgesproken om te gaan
werken aan een agenda voor strategisch
personeelsbeleid voor de rijksdienst.
Het akkoord tussen de minister en de
bonden over ‘Sociaal Beleid Rijk’ en vanwerk-naar-werkbeleid
(VWNW), dat
afloopt af op 1 januari 2016, is verlengd tot
31 december 2016.. Belangrijkste afspraken:
- ambtenaren worden intensief van werk
naar werk begeleid;
- het last in first out principe wordt voor
de duur van afspraken vervangen door
afspiegelingsbeginsel;
- tot 1 januari 2017 wordt geen
reorganisatieontslag verleend, tenzij de
medewerker niet meewerkt aan het vinden
van ander werk.
Partijen hebben afgesproken dat zij uiterlijk
1 oktober 2016 afspraken zullen maken over
een meer structurele verlenging van het
VWNW-beleid.
1 juni 2012
t/m
31 december 2015
In oktober 2014 is een akkoord bereikt over
een cao tot en met 31 december 2015. Dit
omvat:
- structurele loonsverhogingen van 2% per 1
januari 2015 en 1% per 1 juli 2015
- een eenmalige uitkering van € 450 bruto
in de maand december 2014, inclusief
vrijval werkgeversdeel pensioenpremie
per 1 januari 2015;
- invoering van een Individueel
Keuzebudget dat werknemers
meer keuzes biedt om hun
arbeidsvoorwaardenpakket optimaal te
laten aansluiten bij hun levensfase en/of
persoonlijke omstandigheden;
- een handreiking ‘tijd- en plaatsonafhankelijk
werken’ die werknemers
meer verantwoordelijkheid voor en
zeggenschap over hun arbeidsduur,
werktijden en werkplek geeft;
- reparatie van de bestaande ‘AOW-hiaten’
in de rechtspositieregelingen.
Ten slotte zijn er diverse studies
afgesproken: een quickscan naar duurzame
inzetbaarheid, een tweede evaluatie
van het beloningssysteem en een studie
naar een nieuwe boven- en nawettelijke
werkloosheidsregeling, die aansluit bij
de veranderingen in de WW en bij het
nieuwe ontslagrecht, dat straks ook voor
ambtenaren gaat gelden.
Op 22 april 2015 is overeenstemming
bereikt over de tekst van de sectorale
Regeling Begeleiding Van Werk Naar Werk
(Regeling VWNW) bij Reorganisaties. De
regeling is van toepassing op ambtenaren
in vaste dienst en daarmee in de regeling
gelijkgestelden, die herplaatsbaar worden
verklaard als gevolg van een reorganisatie.
Het VWNW-beleid moet aansluiten bij
de afspraken over het bredere beleid van
mobiliteit, loopbaanbeleid, herplaatsing,
reorganisatie en duurzame inzetbaarheid en
is daar het sluitstuk van.
Ook is het VWNW-beleid een wezenlijk
onderdeel van het geheel aan spelregels en
flankerend beleid bij reorganisaties, zoals in
de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling
Provincies (CAP) vastgelegd.
De regeling werkt terug tot 1 januari 2015
en is voorshands een tijdelijke regeling tot 1
januari 2017. Medio 2016 wordt de regeling
geëvalueerd.
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
189
Provincies
Rijk
׉	 7cassandra://039DE2qehiJp9yPt--UzAs9m_a6L_9PadtqrA5IveGM`̵ Vt
7&'.Vt
7&'-FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://n9HzLsTkRrjK7l9SIMPw_mMgMAAdpIFD1WiGUMvl3NE Qx` 
׉	 7cassandra://bT0zeJNdAItxZ_wble_c4nsmj6-bFfDmPL0ywUltRK8[`T׉	 7cassandra://OwmcKwmQI9XL7ld_BFFoTIfPpYPRqpfer-oQb8wSARo`̵ ׉	 7cassandra://LZ6xVZQaAMfJ1mDgqKiR72qpda-p6mO6MQnjxZrPa8EN̘͠Vt
7&'2ט # #nu׉׉	 7cassandra://sJOCevoS0_mWKVK7nw3N2Ruyha_fOj2uxeJTp5zZ1zs >` 
׉	 7cassandra://cv5ylKA49m_XgCRkcMUcd45sRP0wGAJjF_YUmYz3GDIY`T׉	 7cassandra://XQXINHeefebS7a5MX08aSu53QneDFx-UWeI82fxMusk`̵ ׉	 7cassandra://lJuAvHXXzce3LRYyIgfjFLDit_o_YXeZ0FHA-Km6PtMO̔͠Vt
7&'4׉E1 januari 2013
t/m
31 december 2015
De cao voorziet in een loonstijging van
1% per 1 oktober 2014, een eenmalige
uitkering van € 350 per 1 oktober 2014
en € 50 per 1 april 2015. Voorts bevat
de cao-afspraken op het gebied van
werkgelegenheid en werkervaring,
vergroting van de werkzekerheid,
transparante gemeentelijke arbeidsmarkt en
loopbaankansen, de ‘cao van de toekomst’
(waaronder invoering van een IKB per 1
januari 2016 en vereenvoudiging van het
beloningshoofdstuk), studieafspraken
(ervaring met van-werk-naar-werktrajecten;
bewust belonen) en overige
afspraken.
1 januari 2014
t/m
31 december 2016
Begin juli 2015 is het cao-akkoord getekend.
Werkzekerheid, opleiding, vitaliteit en
(loopbaan)ontwikkeling staan centraal in
deze cao. Hierover zijn afspraken gemaakt,
zoals over het actief en fit kunnen blijven
doorwerken en over het investeren in
loopbanen, waarbij medewerkers zelf de
regie voeren over hun carrière. Per 1 januari
2015 worden de salarissen verhoogd met
0,73%. In de zomer van 2015 ontvangen
medewerkers eenmalig een bedrag van
€ 750 bruto. Per 1 januari 2016 vindt een
salarisverhoging plaats van 1,5%.
1 januari 2015
t/m
31 december 2016
Onderhandelaarsakkoord
minister
en
NVVR van 14
september 2015
Over het loon zijn de volgende afspraken
gemaakt:
- van-werk-naar-werk-trajecten;
- een loonstijging van 5,05% en eenmalig €
500 bruto in 2015 (0,8% loonsverhoging
vanaf 1 januari 2015, 1,25% vanaf 1
september 2015, 3% per 1 januari 2016).
Behalve over loon zijn afspraken gemaakt
over:
- een verhoging van de piketvergoeding
voor rechters en officieren;
- de premievrijval voor inkomens boven de
100.000 euro;
- de NVvR en de minister van Veiligheid
en Justitie gaan voor de volgende cao
werken aan een kwaliteitsagenda
voor actualisering van het
arbeidsvoorwaardenbeleid in de sector
rechterlijke macht die recht doet aan de
sector.
En er is een regeling afgesproken voor de
harmonisatie van het ouderschapsverlof
met de sector Rijk.
Al in 2008 spraken sociale partners zich
uit voor een aanpak waarbij het belang
van werk boven dat van een uitkering
wordt geplaatst. Dit uitgangspunt is niet
gewijzigd. Per 1 april 2013 is hoofdstuk 10D
van het CAR/UWO over het van-werknaar-werk-traject
aangepast en in stappen
verdeeld. In het cao-akkoord is afgesproken
te investeren in flexibiliteit, mobiliteit en
loopbaanbeleid, zodat medewerkers goed
zijn toegerust op een van-werk-naar-werktraject.
Het individuele loopbaanbudget en
de aanstelling in algemene dienst zijn daar
uitwerkingen van.
In het onderhandelaarsakkoord is
afgesproken dat er gedurende 6 jaar na
ondertekening van dit akkoord geen
gedwongen ontslagen plaatsvinden ten
gevolge van reorganisatie. Indien (toch)
nodig wordt er meer geïnvesteerd bij het
begeleiden van werknemers van werk naar
werk.
Op 21 december 2011 is een akkoord voor
sociaal flankerend beleid gesloten tussen de
minister en de bonden i.v.m. herziening van
de gerechtelijke kaart.
Onderwerpen zijn onder andere:
- de begeleiding van ambtenaren van werk
naar werk;
- facilitaire voorzieningen voor werknemers
die met reorganisaties te maken krijgen.
190
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
Rechterlijke macht
Waterschappen
Gemeenten
׉	 7cassandra://OwmcKwmQI9XL7ld_BFFoTIfPpYPRqpfer-oQb8wSARo`̵ Vt
7&'5׉EP1 januari 2014
t/m
31 december 2014
Het overleg binnen de sector politie verliep
stroef en ging gepaard met collectieve acties.
Op 23 september 2015 is een verkenner
aangesteld.
In juli 2015 is het loonruimteakkoord
publieke sector 2015-2016 afgesloten.
Dit krijgt een verdere uitwerking op de
sectortafel.
Aanpassing van het Landelijk Sociaal
Statuut in april 2013. Bij de reorganisatie bij
de Nationale Politie zijn afspraken gemaakt
die medewerkers beschermen wanneer er
wijzigingen optreden in de organisatie:
- salarisgarantie voor
herplaatsingskandidaten;
- een 18-maandenregeling;
- een remplaçantenregeling;
- politiejaren in plaats van
overheidsdienstjaren zijn bij
reorganisaties leidend;
- schaalgarantie bij reorganisatie.
1 januari 2015
t/m 31 december
2015 met
loonafspraken
voor 2016
Op 16 april 2015 is het eerste deelakkoord
ondertekend door defensie en drie van de
vier betrokken vakbonden. Dit deelakkoord
bevat een drietal aspecten:
1. de 0,8%-premievrijval uit het
pensioenakkoord;
2. de reparatie van het AOW-gat;
3. de loopbaanontwikkeling voor
burgerpersoneel.
In september 2015 is een tweede
deelakkoord afgesloten met de meerderheid
van de vakbonden met als inhoud:
– 1,25 procent loonsverhoging per 1
september 2015;
– 3 procent loonsverhoging per 1 januari
2016;
– 0,8 procent is eerder dit jaar verwerkt in
het salaris;
– € 500 bruto (naar rato arbeidsduur)
eenmalig in oktober 2015.
Het overleg over een volledig
arbeidsvoorwaardenakkoord gaat verder.
Het eerste deelakkoord van maart 2015 moet
hiervoor nog verder worden uitgewerkt.
1 juli 2014
t/m 30 juni 2015
De cao is
wegens geen
nieuw akkoord
voortgezet,
vermoedelijk tot
1 juli 2016.
Met deze cao is een aantal grote wijzigingen
ingevoerd. Zo is de bapo-regeling
vervangen door een regeling duurzame
inzetbaarheid voor alle werknemers,
is sinds vijf jaar een loonsverhoging
afgesproken (1,2% per 1 september 2014) en
moet uiterlijk 1 augustus 2015 de 40-urige
werkweek zijn ingevoerd.
Het Sociaal Statuut is onderdeel van de cao
primair onderwijs.
Het Statuut Sociaal Beleid is een richtsnoer
waarlangs het sociaal beleid in de
instellingen zich met name in het overleg
tussen de werkgever en het personeelsdeel
van de medezeggenschapsraad dient
te ontwikkelen. Het voeren van een
actief werkgelegenheidsbeleid heeft
een belangrijke functie binnen het
formatie- en personeelsbeleid. Indien
de werkgelegenheidsgarantie niet meer
is te handhaven en dit mogelijk leidt tot
gedwongen ontslag, komt de werkgever in
overleg met de vakbonden in het DGO een
sociaal plan overeen conform het in artikel
10.3 beschreven ‘Kader van een sociaal plan’.
HET CAO-OVERLEG IN DE SECTOREN
191
Het Sociaal Beleidskader (SBK) 2012 is
opgenomen als onderdeel van de cao, en
bevat stimuleringsmaatregelen, interne
en externe herplaatsing, begeleiding en
bemiddeling, ontslag.
Zomer 2013: het Sociaal Statuut
Uitbesteding. Dit is een akkoord over
een sociaal plan voor medewerkers die
door outsourcing hun baan kwijtraken.
Belangrijke onderwerpen zijn: een werken
salarisgarantie bij outsourcing en
faillissement van de nieuwe werkgever.
Primair onderwijs
Defensie
Politie
׉	 7cassandra://XQXINHeefebS7a5MX08aSu53QneDFx-UWeI82fxMusk`̵ Vt
7&'6Vt
7&'5FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://Z5clr9ODUNQ3deCatenK8lC1j39ko63AOoyDO8zNCto l` 
׉	 7cassandra://pP3aPCcWnKps4ygrF7s7pKBtOnUiYmZ90kWYecoXyyUA`T׉	 7cassandra://XwfMGvtAlWnLBrOlR6CPpyWgk4vsqQp77B3kHiXfQlw`̵ ׉	 7cassandra://BKBlzTVuvhsF5yI1DqVKWJcyXG1lSVWQ8CMDllH1Lb4;Ip͠Vt
7&'8ט # #nu׉׉	 7cassandra://ho_PS64r5Vp-uWpXuKaAFUjmo8fm9cj0-22NEgv23F8 FT` 
׉	 7cassandra://d51OnfgTtXIFp8FNFhdykHedE4RiLlUuS-rTbvmDhtkJ`T׉	 7cassandra://jtXWtafzqxh991RaBXboU93QAt4bBsIVXAR9it8qGI0`̵ ׉	 7cassandra://AtSiuWtONlX8vncnJC6-iH6-0TE1Ftad844-TMOoVAkC̘͠Vt
7&'9׉E~Twee onderdelen van deze cao worden op
een later tijdstip toegevoegd. Het betreft
een voorbeeldfunctie onderwijsassistent
met medische taken. De andere toevoeging
is in het hoofdstuk ‘Professionalisering’,
waarbij de Onderwijscoöperatie advies is
gevraagd over de termen ‘basisbekwaam’
en ‘startbekwaam’. Voorts bevat de
cao bepalingen m.b.t. werkdruk en
ontwikkeling.
Voor de periode vanaf 1 januari 2015 zijn
werkafspraken gemaakt (o.a. over de vrijval
van de pensioenpremie in 2015). De cao
bestuurders PO is per 1 september 2014
afgesloten voor de duur van 1 jaar.
De wijzigingen in deze cao betreffen onder
andere:
- de verhoging van de beloning met 1,2%
vanaf 1 september 2014;
- bepalingen over de arbeidsduur en zaken
in het kader van de sociale zekerheid
(pensioen, ziekte/arbeidsongeschiktheid
en werkloosheid)
- Afspraken over de professionalisering en
beoordeling.
1 augustus 2014
t/m
31 juli 2015,
raam-cao
Het cao-overleg
over een nieuwe
cao is op 30 juni
2015 vastgelopen;
er zijn
achterbanraadplegingen.
Een
loonsverhoging per 1 augustus 2014
van 1,2%.
Verhoging per 1 januari 2015, afhankelijk
van loonruimte overheids- en
onderwijspersoneel.
Bepalingen over: werkgelegenheid jonge
docenten, tegengaan kleine aanstellingen,
werkgelegenheid voor mensen met
een afstand tot de arbeidsmarkt,
werkdrukonderzoek, vrijvalgelden door
nieuwe onderwijstijd, zeggenschap en
professioneel statuut, levensfasebewust
personeelsbeleid (i.p.v. o.a. bapo),
professionalisering, loopbaanonderzoek
onderwijsondersteunend personeel,
entreerecht en vakantieregeling.
De onderhandelingen over een nieuwe
cao zijn in april 2015 vastgelopen. Het
gaat hierbij nu met name om de geboden
loonontwikkeling. Het loonruimteakkoord
van juli 2015 zal leiden tot hervatting van de
onderhandelingen.
Decentraal wordt een sociaal plan bij
reorganisaties afgesloten.
192
HET CAO-OVERLEG IN DE SECTOREN
Voortgezet onderwijs
׉	 7cassandra://XwfMGvtAlWnLBrOlR6CPpyWgk4vsqQp77B3kHiXfQlw`̵ Vt
7&':׉E	rDe cao bestuurders VO is per 1 januari
2014 afgesloten voor de periode van 1 jaar.
Partijen hebben afgesproken de nullijn te
hanteren en de beloning niet te indexeren.
De variabele beloningscomponent is
geschrapt, omdat deze in de Wet normering
topinkomens niet is toegestaan. Verder zijn
nadere richtlijnen opgesteld over afspraken
over de inschaling van bestuurders.
1 januari 2015
t/m
30 juni 2016
Op 1 januari 2015 zijn de salarissen
met 2,0% verhoogd. Op 1 januari 2016
worden de salarissen structureel met
1,0% verhoogd. Daarnaast ontvangen
universitaire medewerkers die op 1 juni
2016 een dienstverband bij een Nederlandse
Universiteit hebben, met uitzondering
van studentassistenten, in juni 2016 een
eenmalige uitkering van bruto € 350. Caopartijen
spreken af in 2015 verdere stappen
te zetten in de modernisering van de cao.
Met modernisering van de cao wordt
bedoeld dat deze passend wordt gemaakt
voor moderne arbeidsverhoudingen. Met
de mogelijkheid van individueel maatwerk
wordt recht gedaan aan de verschillen
in persoon, levensfase, individuele
omstandigheden en bepaalde wensen voor
arbeidsvoorwaarden.
Voorts zijn afspraken gemaakt over het
beperken van flexibele constructies.
In het sociaal akkoord van 2013 zijn
afspraken gemaakt over de inzet van
arbeidsgehandicapten bij werkgevers in
Nederland. Partijen komen overeen dat
universiteiten volop uitvoering geven
aan de in het kader van de Participatiewet
binnen het Verbond Sectorwerkgevers
Overheid overeengekomen afspraken
over het aantal te creëren arbeidsplaatsen
per jaar. Conform de Participatiewet
komen deze afspraken bovenop de huidige
inspanningen.
1 januari 2015
t/m
31 december 2015
Belangrijkste afspraken: per 1-1-2015
salarisverhoging met 3,1%, inclusief
0.8% vrijvalwerkgeversdeel van de
pensioenpremie. Een eenmalige
bruto-uitkering van € 300. De cao
is gemoderniseerd: vergroting
van de keuzemogelijkheden in
de arbeidsvoorwaarden, nieuwe
arbeidsplaatsen in het kader van de
Participatiewet.
Bij reorganisaties worden de
reorganisatiecode en het sociaal
beleidskader toegepast.
Decentraal wordt een sociaal plan bij
reorganisaties afgesloten. Voorts bevat de
cao een preambule, die de universiteiten
onder andere uitwerken in het eigen
personeelsbeleid: de intensivering en
verdere professionalisering van-werk-naarwerk-begeleiding
STAAT
VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
193
Onderzoeksinstellingen
Wetenschappelijk
onderwijs
׉	 7cassandra://jtXWtafzqxh991RaBXboU93QAt4bBsIVXAR9it8qGI0`̵ Vt
7&';Vt
7&':FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://DGGp-IyaL85_nkjBdDV8Sz9iE8bnjMDgONmFMetqJcA {{` 
׉	 7cassandra://Wptp4aMFUAWcdPkJqT5_yf0HW5sWNn5n6T22E6Uc51Y[`T׉	 7cassandra://33ID3OxVHjr775QPvL7fdDjpFF2J7mygk_qPd9AyZcQ`̵ ׉	 7cassandra://qLr4aitK_RydbBtu5rvREbC0yiB1hGkmilMQDBRG51oL\͠Vt
7&'=ט # #nu׉׉	 7cassandra://M8j4CM0vOtIkO5y-SG2D7PfRHKT2oDz_q_Flg5hY9bA ` 
׉	 7cassandra://UDLVh-UypYehpfOgNdMTUiLpYdknGsdLS2ZB6_5p7m8e`T׉	 7cassandra://frTBBJ1eZlNk2ZyKJGh5GuzKGC9IN5MbDt6AJMOqKqo#`̵ ׉	 7cassandra://JPhZvBgAoOG_5KgtRERbi2S6Y75Dqwg7Kj-13VdmJRwIk$͠Vt
7&'>׉E	}1 april 2015
t/m
31 december 2017
Het akkoord bevat bepalingen over het
behoud van banen, de verbetering en
modernisering van arbeidsvoorwaarden,
loonontwikkeling, werkzekerheid,
duurzame inzetbaarheid en afspraken voor
specifieke (beroeps)groepen.
Decentraal worden afspraken gemaakt bij
een reorganisatie. Reorganisatieontslag
komt pas aan de orde als na zorgvuldig
onderzoek, ondanks inspanningen van
beide partijen, blijkt dat een medewerker
niet van werk naar werk kan worden
begeleid.
4 DE DOORWERKING VAN DE WET
WERK EN ZEKERHEID
Op 17 juli 2014 is de Wet werk en zekerheid
(WWZ) in het Staatsblad gepubliceerd
(Stb.2014,274). De inhoud van deze wet is bepaald
door het sociaal akkoord van 11 april 2013. In grote
lijnen kent de wet drie verschillende onderwerpen:
- de versterking van de rechtspositie van de flexibele
arbeidskrachten, voor een deel ingegaan op
1 januari 2015 en voor wat betreft de wijziging in
de ketenbepaling voor contracten van bepaalde
tijd per 1 juli 2015;
- de wijzigingen in het ontslagrecht alsmede de
introductie van de wettelijke transitievergoeding
is met ingang van 1 juli 2015 ingegaan;
- de wijzigingen in de duur van de WW alsmede
enkele andere wijzigingen die ingaan op 1
januari 2016, met uitzondering van een andere
invulling van het begrip ‘passende arbeid’, dat
reeds op 1 juli 2015 is ingegaan.
Voor het overgrote deel heeft de WWZ betrekking
op de gevolgen voor (civielrechtelijke) arbeidsovereenkomsten.
Dit betekent dat de wet geen
directe gevolgen heeft voor de overheidssectoren
waar niet krachtens arbeidsovereenkomst wordt
gewerkt. Wanneer het wetsontwerp over de normalisering
van de rechtspositie van ambtenaren
wordt aangenomen (zie daarover hoofdstuk 19),
zal dit anders worden. We kunnen constateren dat
in het cao-overleg op dit moment nog niet wordt
geanticipeerd op de stelselovergang van ambtenarenrecht
naar het civiele arbeidsrecht. Daarvoor
zal de wet eerst in het Staatsblad moeten te staan.
Het vertalen van de WWZ-wijzigingen naar
cao-afspraken in de overheidssectoren kan er wel
toe bijdragen dat de overgang minder groot zal
zijn. Dit is anders voor wat betreft de wijzigingen
in de WW, die zowel voor werknemers als voor
ambtenaren gelden.
Hierna gaan we per deelonderwerp na in welke
mate de WWZ reeds gevolgen heeft of zal gaan
hebben bij het cao-overleg in de overheidssectoren.
194
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
Universitaire
Medische
Centra
׉	 7cassandra://33ID3OxVHjr775QPvL7fdDjpFF2J7mygk_qPd9AyZcQ`̵ Vt
7&'?׉E
5 FLEXIBELE ARBEIDSRELATIES
In het sociaal akkoord is aangegeven dat het nodig
is de verhoudingen tussen werkgevers en werknemers
te herzien. In de arbeidsrelaties moet flexibiliteit
en zekerheid zorgvuldig in balans zijn. Nodig
is aanpassing van het gebruik van (schijn)constructies,
evenals van de doorgeschoten flexibiliteit.
In de WWZ is dit onder andere vertaald in een
aanpassing van de bepalingen over de keten bij
contracten voor bepaalde tijd. De oude regel 3 x 3
x 3 (maximaal drie contracten voor bepaalde tijd
of maximaal drie jaar, waarbij tussenpozen van
maximaal drie maanden meetelden) is vervangen
door de regel 3 x 2 x 6 (maximaal drie contracten
voor bepaalde tijd, maximaal twee jaar en tussenpozen
van maximaal zes maanden tellen mee).
Tevens is er een verplichting gekomen om, wanneer
een arbeidsovereenkomst 24 maanden heeft
geduurd, een transitievergoeding te betalen bij
beëindiging op initiatief van de werkgever, ook in
het geval van een contract voor bepaalde tijd.
Voor die overheidssectoren waar met arbeidsovereenkomsten
voor bepaalde tijd wordt gewerkt,
heeft dit gevolgen. Met name in de onderwijssector
is er veel te doen over deze wijzigingen.
Bijvoorbeeld over hoe om te gaan met invalkrachten
in het primair onderwijs, waar de minister van
SZW zowel binnen als buiten de Kamer herhaaldelijk
over is bevraagd.
Omdat partijen er niet in geslaagd zijn om voor 1
juli 2015 per einde van de looptijd van de opgezegde
cao PO tot overeenstemming te komen over
een nieuwe cao, wordt gezien de bepalingen van
de cao ervan uitgegaan dat deze cao wordt voortgezet
na 1 juli 2015. Gezien het overgangsrecht van
de WWZ betekent dit dat de nieuwe ketenbepaling
nog niet van toepassing is. In de nieuwe cao
voor deze sector zal daaraan aandacht moeten
worden besteed. Dit geldt ook voor de andere
onderwijssectoren.
Binnen de sector gemeente is het meest voortvarend
geanticipeerd op de gewijzigde ketenbepaling.
Met ingang van 1 juli 2015 is een gewijzigd
artikel 2:4 CAR tot stand gekomen, waarin de
ketenbepaling op een zelfde wijze wordt ingevuld
als in de WWZ.
In het kader van de Wet flexibiliteit en zekerheid
uit 1998 is voor het eerst de bepaling over de ketenbepaling
(3 × 3 × 3) opgenomen in het Burgerlijk
Wetboek (BW). Voor ambtenaren is toen niet
tegelijkertijd, bijvoorbeeld in de Ambtenarenwet,
een dergelijke regeling ook opgenomen. Binnen
de kaders van het sectorenmodel is op iedere
sectortafel aan de orde geweest of deze bepaling
overgenomen moest worden, wat nagenoeg
onverkort in alle sectoren het geval is geweest.
Nu in het BW de ketenregeling wordt gewijzigd,
brengt dit met zich mee dat op iedere sectortafel
HET CAO-OVERLEG IN DE SECTOREN
195
׉	 7cassandra://frTBBJ1eZlNk2ZyKJGh5GuzKGC9IN5MbDt6AJMOqKqo#`̵ Vt
7&'@Vt
7&'?FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://BDuC7i2qVi2OYobjyWscG8nwxirq5CEFDIfXfnH7vDA ` 
׉	 7cassandra://ultITkJQWJPHmFa99XHMFlY_XbhcGS9At2VlECdwmpUg`T׉	 7cassandra://fSN3Bp5bmSvai0917yxObzbecI85U-Z3I20IURR88lw`̵ ׉	 7cassandra://hobLgod4TRCQsrjMnkarsv2E1vfyjAtcSS5afS-84MkFJ$͠Vt
7&'Bט # #nu׉׉	 7cassandra://RE02IKonpaWr91m5RRne5NRgo_tqBlaJnNwLHfCUEeE ?:` 
׉	 7cassandra://1-nEwEppJGCMRlvDpgaQQIgPOselt5BLpS5ia5Q2ubojU`T׉	 7cassandra://Baq9hC7QQmapSIZPtfhI5FNOm6UO8hUuZsjCNJYeyHA`̵ ׉	 7cassandra://xM-YQb654UbUOVmmfXfC6yPdPViekn3kKMm3KNc7JpoHS(͠Vt
7&'C׉E
bekeken moet worden of een dienovereenkomstige
aanpassing van de ketenregeling wenselijk
is. Mocht overgegaan worden tot het aannemen
van het wetsontwerp over de normalisatie van
de rechtspositie van de ambtenaren, dan zou dit
betekenen dat het arbeidsovereenkomstrecht voor
het grootste deel van de ambtenaren van toepassing
zal zijn. Als dat het geval is, is het niet meer
noodzakelijk om de standaardregeling in de cao op
te nemen, maar zal het alleen binnen de wettelijke
kaders in de cao nog geregeld moeten worden als
men gebruik wenst te maken van de mogelijkheden
tot afwijking van de wettelijke regeling.
Ook op andere vlakken is merkbaar geweest dat
de overheid als werkgever zich wat gelegen liet
liggen aan de inhoud van het sociaal akkoord op
dit vlak. Zo heeft de rijksoverheid de ‘Circulaire
afbouwregeling inhuurvorm payrolling bij de
sector Rijk’ opgesteld. Daarin is opgenomen dat
overheidswerkgevers gefaseerd moeten toewerken
naar de beëindiging van payrollcontracten
en het niet aangaan van nieuwe contracten voor
1 mei 2015 of, in geval van verlenging, 1 mei 2016
(Stcrt.2014,10082).
Ook heeft de Tweede Kamer een motie aangenomen
waarin de minister wordt gevraagd aan te
geven op welke wijze de rijksoverheid handelt in
de geest van de WWZ (Kamerstukken II, 33818,
nr. 66). Bij brief van 29 mei 2015 informeert de
minister voor Wonen en Rijksdienst de Kamer
hierover. Daarin geeft hij aan dat de rijksoverheid
niet meewerkt aan het omzeilen van de ketenbepaling
door draaideurconstructies te hanteren om
het ontstaan van vaste contracten te voorkomen.
Bij het verlengen van contracten met uitzendkrachten
speelt voor het Rijk, als inlenende partij,
het ontstaan van een vast contract geen rol, net zomin
als het in de toekomst mogelijk verschuldigd
zijn van een transitievergoeding. Het Rijk kondigt
aan in overleg te gaan met uitzendbureaus over de
werkwijze bij uitzendkrachten die langdurig bij de
rijksdienst worden ingezet. Deze ontwikkelingen
maken duidelijk dat de overheid steeds meer de
spiegel voorgehouden krijgt om aan te tonen dat
de politieke doelstellingen van het kabinet ook in
het functioneren van de overheid als werkgever
inhoud krijgen.
6 ONTSLAGRECHT
De wijziging in het ontslagrecht hebben geen
gevolgen voor ambtenaren, maar alleen voor
werknemers met een arbeidsovereenkomst. Met
name in de onderwijssectoren zijn de directe
gevolgen merkbaar sinds 1 juli 2015. Voor die tijd
kenden de onderwijssectoren geen preventieve
ontslagtoets. De werkgever kon een werknemer
ontslaan, die vervolgens de mogelijkheid had
om dit achteraf, repressief, te toetsen. Ambtenaren
konden dat op grond van de Algemene wet
bestuursrecht, werknemers op grond van het feit
196
HET CAO-OVERLEG IN DE SECTOREN
׉	 7cassandra://fSN3Bp5bmSvai0917yxObzbecI85U-Z3I20IURR88lw`̵ Vt
7&'D׉Edat in de onderwijswetgeving was voorzien in de
verplichting van scholen om aangesloten te zijn
bij een Commissie van Beroep, die bevoegd was
om ontslagbesluiten achteraf te toetsen alsook een
aantal andere rechtspositionele maatregelen kon
toepassen. Bij de totstandkoming van de WWZ is
er discussie gevoerd over de vraag of deze aparte
sectorale vorm van rechtsbescherming gehandhaafd
zou moeten blijven of niet. De wetgever
heeft de onderwijswetgeving aangepast, zodat
er geen bekostigingsgrondslag meer is voor het
aangesloten zijn bij de Commissie van Beroep. Dit
betekent dat voor werknemers binnen de onderwijssectoren
vanaf 1 juli 2015 een ontslag vooraf
preventief getoetst moet worden. Afhankelijk van
de ontslaggrond zal toetsing plaatsvinden door het
UWV of de kantonrechter. Bij bedrijfseconomisch
ontslag, waarvoor het UWV bevoegd is, bestaat
de mogelijkheid om een cao-commissie in te stellen
die deze taak van het UWV overneemt. Voor
ontslagen die een relatie (kunnen) hebben met
de identiteitsgrondslag van de school, is voorzien
in aparte toetsing door een daartoe in te stellen
commissie.
De wettelijke transitievergoeding is niet van
toepassing op ambtenaren. Wel kan hierover discussie
gaan ontstaan in de nabije toekomst: over
de vraag of er nog reden is om voor ambtenaren te
werken met afwijkende regelingen, nu er een wettelijke
vergoedingsregeling is voor de opvang van
de gevolgen van ontslag. Daarbij moet men zich
realiseren dat het Burgerlijk Wetboek de mogelijkheid
biedt om bij cao een aan de transitievergoeding
gelijkwaardige voorziening op te nemen,
waardoor de verplichting tot betaling van de
wettelijke transitievergoeding komt te vervallen.
Kijkend naar de historie is het in het recente verleden
altijd zo geweest dat, wanneer er wijzigingen
doorgevoerd werden in het BW, het onderwerp
vervolgens aan de sectortafels in de overheidssectoren
op de agenda kwam te staan of deze regeling
ingevaren moest worden in de sector-cao.
7 WIJZIGINGEN WERKLOOSHEIDSWET
In de Werkloosheidswet worden een aantal wijzigingen
doorgevoerd, waarvan de belangrijkste is
de verkorting van de duur van de WW-uitkering
van 38 maanden naar 24 maanden. Er is een
overgangsregeling getroffen voor een geleidelijke
afbouw van de WW tot aan 1 april 2019. Vanaf
dan is de WW-duur voor een ieder maximaal 24
maanden. In het sociaal akkoord is echter afgesproken
dat het mogelijk is bij cao af te spreken
dat de WW langer duurt. Daarmee wordt naast de
publieke WW (maximaal 24 maanden) de private
WW geïntroduceerd. Dit is ook wel te beschouwen
als een soort wachtgeldregeling die in de
cao wordt opgenomen. Op 17 april 2015 heeft de
Stichting van de Arbeid een brief aan de decentrale
cao-partijen gestuurd over de aanvullende verzekering
opbouw en duur WW in de cao’s. Daarin
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
197
׉	 7cassandra://Baq9hC7QQmapSIZPtfhI5FNOm6UO8hUuZsjCNJYeyHA`̵ Vt
7&'EVt
7&'DFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://uqzwlP6_9-SBoFfnmQOBwjwbq9bn4UqI6jpMNoyq38M E` 
׉	 7cassandra://dC00IkXWOOj2czPh3oNrbWbzstBX3r_oMn8Gu6s5qRQC``T׉	 7cassandra://G-MPoqGFQBm8PxOa7ve7Glvhy_kG6RFhy6Wo_eT9Y5EL`̵ ׉	 7cassandra://y_YulspH8hNjaO7j6DjSPr6u7qIlyemLTzfCf_2mkyo=(͠Vt
7&'Gט # #nu׉׉	 7cassandra://IssoAcCPD53fK_VzIXHN4oc71e3GaARGZmir9SuRz1YX:` 
׉	 7cassandra://37a6D7vlDiybnGhNDDdYaIK8YxBOd3AugDamgXBoJWw
t` T׉	 7cassandra://rfQM2i1ARZs7FtGt8jpMmSCMrTR8sq1Tx3QWx_gMuX0F` ̵ ׉	 7cassandra://CdNs4ztKh9G4p1jv4lqilDJjStyXFqI2Mve6SUaW5V8$͠Vt
7&'H׉E/staat dat het van belang is om ervoor te zorgen dat
uitvoeringsproblemen en kosten beperkt blijven,
waarbij een belangrijke vraag is wie met de uitvoering
belast gaat worden. De stichting adviseert
cao-partijen om over de reparatie van de maximale
duur tot 38 maanden en de opbouw vanaf
tien jaar arbeidsverleden afspraken te maken. Met
het oog op de invoering van deze wetswijziging
per 1 januari 2016 zal hieraan in de verschillende
overheidscao’s aandacht besteed moeten gaan
worden. Tot nu toe heeft dit nog geen concrete
invulling gekregen.
8 CONCLUSIE
Het jaar 2014 en de eerste helft van 2015 kenmerkten
zich in de meeste sectoren toch vooral door
stilstand of een patstelling in het overleg over de
arbeidsvoorwaarden. Dit is in de tweede helft van
2015 anders geworden, doordat er op basis van
het loonruimteakkoord in verschillende sectoren
afspraken gemaakt zijn over de sector-cao.
Naast ontwikkelingen op het terrein van de
lonen en het van-werk-naar-werkbeleid, zullen
de gevolgen van de WWZ, dan wel de analoge
toepassing daarvan, een belangrijk onderwerp
gaan vormen. Mocht de Eerste Kamer het wetsontwerp
over normalisering van de rechtspositie
van ambtenaren aannemen, dan zal het overgaan
van de ambtelijke rechtspositieregeling naar een
civielrechtelijke collectieve arbeidsovereenkomst
het cao-overleg, met name in de overheidssectoren
waar voornamelijk ambtenaren werkzaam
zijn, gaan domineren.
Voor het jaar 2016 en daarna liggen er dus een aantal
grote onderwerpen te wachten op de cao-tafels
om aangepakt te worden.
198
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://G-MPoqGFQBm8PxOa7ve7Glvhy_kG6RFhy6Wo_eT9Y5EL`̵ Vt
7&'I׉E #HET CAO-OVERLEG IN DE SECTOREN
199
׉	 7cassandra://rfQM2i1ARZs7FtGt8jpMmSCMrTR8sq1Tx3QWx_gMuX0F` ̵ Vt
7&'JVt
7&'IFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://EdD9ULlNXXuZlGWY437-mYqUB2xNkUpiIu4wjImGbr4͐y` 
׉	 7cassandra://6IWEe86rKBUnwDubJvELUeooaWqnTNgAITequ2OiVGwT` T׉	 7cassandra://FTme2HG2ePpVC2tIYUHVXo9c6a93EJabvS7msU6NNVw`̵ ׉	 7cassandra://df9HguhAFwO0Wr1cZggoWDAgWd0GclwnBe9YZc6B3D4|͠Vt
7&'Lט # #nu׉׉	 7cassandra://wGQ3D-dssxfP4zNVqYC4BdlUUYwDlMM8pAXaJuZghOQ Y` 
׉	 7cassandra://2Sb4HYSN8vbS0qLH1Yi4I60UutVWvzIxNlLhRlJDX38/8` T׉	 7cassandra://884IRcqg-rT1UAOkA7ff_cgf5yPrGGENg1e4ehfn4bc`̵ ׉	 7cassandra://0t5ctTNqep17APVh1uELQcUfAWN064-TUgHqd8GJvew)x͠Vt
7&'N׉E (200
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://FTme2HG2ePpVC2tIYUHVXo9c6a93EJabvS7msU6NNVw`̵ Vt
]7&'׉E [18. Hoe kunnen cao-partijen
een stap verder komen?
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
201
׉	 7cassandra://884IRcqg-rT1UAOkA7ff_cgf5yPrGGENg1e4ehfn4bc`̵ Vt
7&'OVt
]7&'؁FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://_ivaFhsXsiyXO3zI4bxj355lrOEnPZPHO7TYAEjp_KI ؏` 
׉	 7cassandra://vEwSTsDmgZpQdjjhsHOqR2H9HC1yclkRVhPV8_l6thw>`T׉	 7cassandra://cbHOA4iye6cRBi5l9v8cZDA6je8cpcyWeM3Cb3T7TWo`̵ ׉	 7cassandra://FPbf-os6IuNy7lCf_IipoIOAhzCSETLRGT79Gw_ao5A=,͠Vt
7&'Qט # #nu׉׉	 7cassandra://8l4ClVfys4urAapK6_gEL5cZNV96gimmcS38Gf70rnA :` 
׉	 7cassandra://PvMQYkX5R1wIyobuKF14kLf2EFGoaTfjd70uHjddvfwi`T׉	 7cassandra://X9dyDKNZsGmfmNxEh1qZLdhMbKhB_ggWR11sI16Q10U`̵ ׉	 7cassandra://vyeooYf5DHK-MJFeqgAMAa5ldZSIS8Le3JOg434-28cN3$͠Vt
7&'T׉EP. van der Meulen en drs. A.W. de Korte
1 INLEIDING
2014 en de eerste helft van 2015 was een lastige
periode voor het afsluiten van cao’s. Nog niet
de helft van het aantal cao’s dat moest worden
vernieuwd, is tijdig rondgekomen (zie het plaatje
aan het eind van de tekst). In de tweede helft van
het jaar is er sprake van een inhaalslag en is de
eerdere achterstand in afgesloten cao’s grotendeels
ingelopen, vooral omdat veel lang openstaande
cao’s (contracten waarvan de einddatum was
verstreken) werden vernieuwd. Maar het blijft
een moeizame exercitie om tot cao-afspraken te
komen. Een fenomeen dat al langere tijd zowel in
de marktsector speelt als in het publieke domein.
Voor de Tweede Kamer was dit zelfs aanleiding
om in juni 2015 een hoorzitting te organiseren:
‘Hoe komt het toch dat sociale partners er niet
in slagen cao’s af te sluiten? Loopt het systeem
van regulatie via cao’s op zijn eind?’ Zijn cao’s
niet hard aan vernieuwing toe? Het in de zomer
gesloten loonakkoord met drie vakcentrales en
kabinet leek op een doorbraak in de zeven grote
overheids-cao’s. Maar de praktijk is weerbarstiger
en het aantal vernieuwende cao-afspraken blijft
achter. In dit artikel geven we een aantal suggesties
om zowel de inhoud van de cao’s als de wijze
waarop ze tot stand komen op een moderne leest
te schoeien. Tevens bieden we u een inkijkje in
een aantal meer structurele vernieuwingen die
wellicht een oplossing kunnen bieden voor de
202
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://cbHOA4iye6cRBi5l9v8cZDA6je8cpcyWeM3Cb3T7TWo`̵ Vt
]7&'׉E?huidige economische, maatschappelijke en demografische
ontwikkelingen.
2 ECONOMISCHE GROEI
De beste voorwaarde voor partijen om een stap
verder te komen in het afsluiten van cao’s, is economische
groei. Economische groei betekent meer
loonruimte, meer werkgelegenheid, een betere
balans op de arbeidsmarkt. Economische groei geeft
zowel werkgevers- als werknemersorganisaties
een steuntje in de rug. Werkgevers kunnen dan
wat meer doen in de loonparagraaf en beschikken
over meer wisselgeld of ‘smeerolie’ om op andere
terreinen, zoals duurzame inzetbaarheid, scholing
en ontwikkeling, anders inrichten van ‘ontziemaatregelen’,
anders omgaan met inconveniënte uren en
toeslagen of meer ruimte voor flexibiliteit, de gewenste
modernisering een stap verder te brengen.
Er is ruimte om eventuele nadelige gevolgen voor
bepaalde groepen werknemers te compenseren.
Vakorganisaties zullen gemakkelijker de gewenste
koopkrachtontwikkeling kunnen realiseren en voor
de aanpassing van afspraken over ontziemaatregelen
of toeslagen voldoende compensatie kunnen
claimen. Bij een aantrekkende arbeidsmarkt zullen
onderwerpen als ‘hoe om te gaan met flexibiliteit?’
of ‘minder flexibiliteit’ gemakkelijker op te pakken
en banen voor mensen met een beperking gemakkelijker
te realiseren zijn. Er is meer financiële ruimte
voor scholing, ontwikkeling en mobiliteit.
Een grondige herziening of modernisering van
de cao is op een aantal plaatsen nodig. Sinds het
uitbreken van de crisis in 2008 is dat proces,
behoudens enkele uitzonderingen, nagenoeg
stilgevallen, terwijl de noodzaak alleen maar is
toegenomen. De economie is in transitie, werkgelegenheid
verschuift, technologische vernieuwing
grijpt om zich heen, internationale concurrentieverhoudingen
wijzigen en de demografische
opbouw van de werknemerspopulatie is aan het
veranderen. De ontwikkeling van de economie en
de maatschappij gaat schoksgewijs en soms disruptive.
De uitspraken van Schumpeter over vooruitgang
en creatieve destructie gelden nog steeds.
Met de veranderingen komen nieuwe winnaars
en verliezers en moeten er, ook in cao’s, nieuwe
arrangementen worden getroffen. En laten we niet
vergeten dat de politiek nogal wat vraagstukken
op de cao-tafel heeft gedumpt: verhoging van de
AOW-leeftijd, wijziging van het pensioenstelsel,
de Wet werk en zekerheid, de normering van
topinkomens, schrappen van het derde WWjaar,
de Participatiewet et cetera. Daarnaast is de
arbeidsmarkt dusdanig veranderd, met een groei
van 330.000 zzp’ers in 1996 naar ruim 800.000 in
2014, dat ook nagedacht moet worden over welk
arrangement voor deze groep geldt. Voorkomen
moet worden dat een groep werkenden onder het
bestaansminimum zakt. Werkgeversvereniging
AWVN pleit in mei ’15 voor een ‘bodem onder de
prijs van arbeid’ en het instellen van een basisreHOE
KUNNEN CAO-PARTIJEN EEN STAP VERDER KOMEN?
203
׉	 7cassandra://X9dyDKNZsGmfmNxEh1qZLdhMbKhB_ggWR11sI16Q10U`̵ Vt
7&'UVt
]7&'ځFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://RhZSXlQOGGzd4Wn3j0Da3LDoJoakLj-4h-YwH8gKi6U i` 
׉	 7cassandra://ELhFR1qPuOjK-bO18zumSaf4P4yFBXfZ4VlRmV6wFv0e`T׉	 7cassandra://9BBpk5Ap-DfF6YuWVfYTTQ0M9FH-tqsUSra5Xt0o6N8`̵ ׉	 7cassandra://m7eyDLc7kMBOlauO6T9Pc-eqBv_IBv54yrCcwBKvpm4JW$͠Vt
7&'Yט # #nu׉׉	 7cassandra://k6ZSrsWnyyEBG6SMr0lwFD7UeRmQMkI9ZCpqod18hqo ` 
׉	 7cassandra://ws2SI7S8K4w4R8Rc60FP4HltP0MkZRX3bu2A758Mn7Id`T׉	 7cassandra://CNRYHRdxn2NvER9Pc86RbDwzOGCq-S5wVQO13ETzCkk@`̵ ׉	 7cassandra://eANmYKaMHRI9N8fw6T_lCaqSbmqJ3yHXUhgN1K5RRKk>(͠Vt
7&'[׉E
}geling voor alle werkenden. Schijnbaar opvallend
als werkgeversoproep, maar feitelijk gaat het om
een herverdelingsvraagstuk, een eerlijke verdeling
tussen oudere en jongeren generatie, vast en
‘flex’. Allemaal vraagstukken waarvoor – deels
aan de cao-tafel – oplossingen gevonden moeten
worden. Maar het gesprek hierover op gang brengen
tussen sociale partners is lastig, het ontbreekt
de afgelopen jaren niet alleen aan vertrouwen
tussen sociale partners, maar ook aan de benodigde
loonruimte en smeerolie om het proces van
vernieuwing van arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen
op gang te brengen.
Ook in het publieke domein, bijvoorbeeld bij de
overheid, is ruimte nodig om dit proces op gang
te brengen. Het in de zomer gesloten loonakkoord
tussen drie vakcentrales en het kabinet leek als
smeerolie voor het benodigde vernieuwingsproces
te fungeren. Het vertalen van deze bovensectorale
afspraak in vernieuwende cao-afspraken blijkt
echter lastig. Er zijn inmiddels onderhandelaarsakkoorden
voor de cao Rijk, defensie en rechterlijke
macht, maar in andere sectoren wordt nog
druk onderhandeld en loopt het vaak moeizaam
(politie). De juridische strijd over de status van het
intersectoraal loonakkoord is hierbij ongetwijfeld
van invloed geweest, maar lijkt nu te zijn gestreden
waarop partijen hun vervolg zullen moeten
bepalen.
De door de overheid gevonden smeerolie wordt
echter, gezien de cao’s die nu zijn afgesloten, niet
aangewend voor vernieuwing van de cao, maar
gaat in het inkomen zitten. Misschien ook niet
zo vreemd na vijf jaar nullijn. Vrijwel alle belangrijke
inhoudelijke onderwerpen (employability,
mobiliteit, duurzame inzetbaarheid, tijd en plaats
onafhankelijk werken, persoonlijk keuzebudget
et cetera) zijn vooruitgeschoven. Het doet denken
aan het belastingplan.
3 SOCIALE INNOVATIE
EN VERNIEUWING VAN
ARBEIDSVERHOUDINGEN.
Met genoeg geld is natuurlijk alles op te lossen,
maar er zijn gelukkig ook andere wegen te bewandelen
die in minder rijke tijden werken. Een deel
van de oplossingen is te vinden in het domein van
de sociale innovatie.
‘Sociale innovatie’ is een begrip dat vele omschrijvingen
kent. Wij hanteren hier een definitie van
Frank Pot (Xavier en Pot, 2012) die ook het Nederlands
Centrum voor Sociale Innovatie (NCSI) van
2006 tot de opheffing in 2012 als ‘werkdefinitie’
gebruikte: ‘Sociale innovatie heeft betrekking
op het participatief en in onderlinge samenhang
vernieuwen van arbeid, organisatie en personeelsbeleid
om het functioneren van mensen te verbeteren
teneinde zowel de organisatieprestaties, de
arbeidskwaliteit als de arbeidsrelaties op een hoger
204
HOE KUNNEN CAO-PARTIJEN EEN STAP VERDER KOMEN?
׉	 7cassandra://9BBpk5Ap-DfF6YuWVfYTTQ0M9FH-tqsUSra5Xt0o6N8`̵ Vt
7&'\׉E
niveau te brengen. Dit gebeurt uiteraard bijna altijd
in samenhang met technologische innovatie.’
Vanuit dit gedachtengoed van sociale innovatie
zijn het afgelopen decennium verschillende initiatieven
genomen om te komen tot modernisering
van arbeidsvoorwaarden en cao’s en vernieuwing
van arbeidsverhoudingen. We geven hier een
aantal voorbeelden.
Eerst de koek vergroten, dan verdelen …
Arbeidsvoorwaardenoverleg en cao-onderhandelingen
lopen een stuk gemakkelijker naarmate er
meer te verdelen is. Als de beschikbare loonruimte
toeneemt, wordt het verdelingsvraagstuk eenvoudiger.
De beschikbare loonruimte wordt voor een
deel bepaald door de productiviteitsstijging in de
organisatie en partijen – werkgever en werknemers
– kunnen samen op zoek gaan naar mogelijkheden
om de productiviteit te laten toenemen
of de kosten te laten dalen. Vanuit het domein van
sociale innovatie worden daarvoor vele handreikingen
gegeven: betere toepassing van technologie,
beter benutten van de ervaring en talenten op
de werkvloer, verhoging van het werkplezier en
verlaging van ziekteverzuim, slimmere inrichting
van primaire processen, verminderin of afschaffing
van belemmerende regeltjes of procedures,
meer zeggenschap van medewerkers over arbeidstijden
of functie-inhoud, meer vertrouwen en
minder controle van het management. Er zijn vele
knoppen waar je aan kunt draaien om de prestaties
van de organisatie te verbeteren en de inzet,
met meer plezier, van je mensen te vergroten.
Het spreekt voor zich dat deze gemeenschappelijke
voordelen gemakkelijker te behalen zijn
op organisatieniveau dan op sectoraal niveau
en daarmee ook eerder inzet kunnen zijn van
arbeidsvoorwaardenoverleg en de kwaliteit van
arbeidsverhoudingen op ondernemingsniveau.
Ook werkt een dergelijke aanpak alleen als medewerkers
betrokken en creatief meedenken over en
meewerken aan het realiseren van productiviteitsverhoging
of kostenbesparingen en als zij erop
kunnen rekenen dat de mogelijke opbrengsten
‘eerlijk’ verdeeld worden tussen werkgever en
werknemer. Als de opbrengst van een dergelijke
aanpak op voorhand in het kader van een ‘bezuinigingsoperatie’
wordt gegoten, eventuele
opbrengsten verdwijnen en niet (deels) onderdeel
van de loonruimte worden, kun je de betrokkenheid
van medewerkers én een soepeler arbeidsvoorwaardenoverleg
wel schudden.
Van collectieve naar individuele arrangementen;
maatwerk en samen sterk
In vrijwel alle cao’s zijn collectieve regelingen
getroffen voor groepen medewerkers. Afhankelijk
van je functie of van je leeftijd kun je aanspraak
doen op bepaalde vergoedingen (voor overwerk,
onregelmatig werken, werken in ploegen,
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
205
׉	 7cassandra://CNRYHRdxn2NvER9Pc86RbDwzOGCq-S5wVQO13ETzCkk@`̵ Vt
7&']Vt
7&'\FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://Zb3Y-XP2yTOXO07CSsZG0EpPyW_15nPaCUYSsnGUzEA +1` 
׉	 7cassandra://Pkytg3nqM6XpW5AqyVuh-nDHS4vln3Qeg0ym9BX_ILQir`T׉	 7cassandra://5BYPtiokR15WL6_8wT0N2ZCA-znLQtDqwKaByDwgf-g`̵ ׉	 7cassandra://jXjx2Lwu9toutOEE0eIhDJtTmUCf2Xgr_NufdQ_gG1QD(͠Vt
7&'`ט # #nu׉׉	 7cassandra://jqTzjjW4_gc9Cz4_U7sP5af7dS6-y1hGaErxG8DHLyk h` 
׉	 7cassandra://jCv6tR3muFNhb0kAzhLYi3k9-Ra5oytIAfogT0_-Yroi`T׉	 7cassandra://qax2lxvp1L3L-fr61_ggikVH1CdOxJ_0JmbTCgC4l7Y`̵ ׉	 7cassandra://-BOsKL9IPWdXDac5wMinxmCB8RxEhoGrPSfPmO1Y1ocQ<$͠Vt
7&'b׉Einconveniënte uren, consignatie), voorzieningen
(bijzonder verlof, ouderschapsverlof, mantelzorgverlof,
seniorendagen, functioneel leeftijdsontslag
(FLO), studieverlof), vrijstellingen (voor
overwerk, ploegenwerk, nachtarbeid) of andere
toeslagen of regelingen. Hierbij kun je niet kiezen
of je er als individuele medewerker behoefte aan
hebt of wat in de collectieve regeling bijvoorbeeld
als ‘inconveniënt’ wordt aangeduid, ook voor jou
daadwerkelijk inconvenient is. Zo is het traditionele
‘dagvenster’: ‘de gebruikelijke arbeidsuren
zijn van maandag tot en met vrijdag van 08.00 tot
18.00 uur’. Daarbuiten is het overwerk of inconveniënt
en moet er extra betaald worden, nog
een residu uit de jaren ’50 van de vorige eeuw. De
kostwinner moest op tijd thuis zijn voor de aardappels
en de kinderen, anders moest de werkgever
ervoor boeten. Voor veel huidige werknemers
gelden andere normen. Maar in de cao geldt: iedereen
hetzelfde, zoals het vroeger was. In dit hele
‘verlof- en toeslagendomein’ gaat al snel 15 tot 20
procent van de loonsom zitten. Dit kun je slimmer
en meer op het individu toegesneden besteden.
‘Herverdeling’ van dit aanzienlijke deel van de
loonsom kan, zonder dat de totale kosten toenemen,
leiden tot als beter ervaren en beter passende
arbeidsvoorwaarden. Er zijn meer mogelijkheden
om tijd en geld tegen elkaar uit te ruilen en er zijn
mogelijkheden om medewerkers meer zeggenschap
te geven, bijvoorbeeld over hun eigen arbeidstijden
(zelfroosteren) (de Korte, 2012). Meer
keuzemogelijkheden en meer zeggenschap sluiten
aan bij de plurifomiteit en het gegroeide zelfbewustzijn
van werkenden in Nederland.
4 DEMOCRATISERING
VAN HET PROCES VAN
ARBEIDSVOORWAARDENVORMING
Veel cao-onderhandelingen verlopen volgens
een met rituelen omgeven proces. Inzetnota’s
of onderhandelingsbrieven tussen werkgever en
vakbonden uitwisselen, de spanning opvoeren,
de pers of de publieke opinie bespelen, dreigen
met acties of acties voeren, lange nachtelijke
onderhandelingen en, in veel gevallen, de witte
rook in de vroege ochtend als er een onderhandelingsakkoord
is gesloten dat beide partijen ‘voor
de poorten van de hel’ hebben weggesleept. Een
spel dat door een beperkt aantal spelers veelal in
afzondering wordt gespeeld. Werknemers spelen
slechts op bepaalde momenten een rol en dan vaak
nog alleen als ze lid van een vakorganisatie zijn.
De laatste jaren zien we een aantal mooie voorbeelden
van democratisering en innovatie van dit
proces. Het NCSI was een tijdje trendsettend met
projecten om het proces van arbeidsvoorwaardenvorming
op een nieuwe wijze vorm te geven met
de ’Cao-wasstraat’, de ‘Battle of concepts’ voor de
cao van de toekomst, het project ‘Zelfroosteren’
en de ‘Destination innovation’-bijeenkomsten
206
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://5BYPtiokR15WL6_8wT0N2ZCA-znLQtDqwKaByDwgf-g`̵ Vt
7&'c׉E
voor vernieuwing van arbeidsvoorwaarden en
arbeidsverhoudingen (NCSI, 2011). Voorbeelden
volgden van bedrijven waar álle werknemers
betrokken worden bij het proces van arbeidsvoorwaardenvorming,
ongeacht of ze lid zijn van een
vakbond of niet. Dit kan door de toepassing van
digitale tools (bijvoorbeeld het cao-platform van
AWVN en a-advies) waarmee alle werknemers
hun wensen en voorkeuren voor arbeidsvoorwaarden
kenbaar kunnen maken, maar ook door
het organiseren van bijeenkomsten met medewerkers
om hen mee te laten praten over de arbeidsvoorwaarden.
Bij bedrijven als ING, NN, Movares
en Aegon, maar ook in een sector als de drinkwaterbedrijven
(WWB), zijn hier mooie ervaringen
opgedaan (Van Essen, 2013). Het breed betrekken
van medewerkers erbij voorkomt ook dat er vragen
worden gesteld over de representativiteit van
de betrokken vakbonden, zonder dat de rol van de
vakbonden bij de besluitvorming over een nieuwe
cao ter discussie wordt gesteld. Het proces van
arbeidsvoorwaardenvorming wordt zo meer een
proces van co-creatie, waar alle betrokkenen een
rol in kunnen spelen.
Sommige cao’s zijn ook in de loop van decennia,
door het stapelen van afspraken, schier onbegrijpelijk
geworden en nauwelijks te lezen. Ook hier
zien we een positieve ontwikkeling om caoafspraken
dichter bij de medewerkers te brengen
door teksten op te schonen, taalgebruik te moderniseren
of een cao te vertalen in een app, zoals
onlangs door de sociale partners in de ziekenhuisbranche
is gedaan (STAZ, 2015).
De toepassing van deze praktijken uit het domein
van de sociale innovatie, zowel op de inhoud van
de cao, in het proces van arbeidsvoorwaardenvorming,
als bij de vormgeving en toegankelijkheid
van de cao, is ook mogelijk als er weinig loonruimte
beschikbaar is. Het vraagt wel om vertrouwen
van de betrokken partijen.
5 DE TOEKOMST VAN DE CAO, DE
CAO VAN DE TOEKOMST
Met zekere regelmaat wordt de toekomst van de
cao ter discussie gesteld. Volgens sommigen heeft
het instrument zijn tijd overleefd, is het een voorbeeld
van een ‘dwingend keurslijf’ en een handboek
vol ‘gestold wantrouwen’, beperkt het de
flexibiliteit in bedrijven of zijn de vakbonden niet
(meer) representatief. Evenzovele keren wordt er
op de voordelen van de cao gewezen. Vanuit de
theorie van de transactiekosten: stel je voor dat de
werkgever met alle werknemers individueel moet
gaan onderhandelen over de arbeidsvoorwaarden!
Maar ook wordt gewezen op de relatief grote
arbeidsrust in Nederland en op de voordelen die
een level playing field heeft te bieden als het gaat
om de kosten van arbeid in een bepaalde sector:
geen concurrentie op loonkosten. En voor sommige
groepen werknemers (en overigens ook voor
HOE KUNNEN CAO-PARTIJEN EEN STAP VERDER KOMEN?
207
׉	 7cassandra://qax2lxvp1L3L-fr61_ggikVH1CdOxJ_0JmbTCgC4l7Y`̵ Vt
7&'dVt
7&'cFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://GF2QLNvE5Yh4GMd2UOuPHE0YhGrT2BYQDyiGLaUQi0E P` 
׉	 7cassandra://DizdX0wmnsTo_TQxiyJDBz2idUugNs6pI0HSV8REyNMh`T׉	 7cassandra://gLOIKUm_xhTzXhyGFIVirVDUo7MuuB9DqRLK4gzEOkIR`̵ ׉	 7cassandra://VEXhczqKOr9CRK-mPedfETg0RtTe4Ey2Sy2izZxMDlgE$͠Vt
7&'gט # #nu׉׉	 7cassandra://CUKgCEsil9H0s6O1Z7fCg0-YPmtUoMIZ2XiUbXrokNY %!` 
׉	 7cassandra://5oRGtoH1YyAVP4NoP_-dE21C07APzhoj_hQ-xi8eoFcf`T׉	 7cassandra://ztVGGNc3Ee2H5pHMnKAOzyVfPQGiR-wZSYQ4M7y30nc`̵ ׉	 7cassandra://zetxEAOLlZhVkrUmXSHEY_nFKtRpcWBNWvVdZ-zMcEgW(͠Vt
7&'h׉E
hun werkgevers) kan het geen kwaad als de basale
arbeidsvoorwaarden en rechten en plichten over
en weer vastliggen; de cao biedt ook bescherming.
Over de toekomst van de cao zijn de meeste stakeholders
en deskundigen het wel eens: het instrument
biedt voldoende voordelen om nog lange tijd
mee te gaan (SER, 2013).
Toch zullen aanpassingen en veranderingen nodig
zijn om de cao te laten aansluiten bij veranderingen
in de economie, de maatschappij en de arbeidsmarkt.
We noemen hier drie ontwikkelingen die op
enig moment hun effect op de cao gaan hebben.
6 VERVAGING VAN SECTORGRENZEN
Er zijn ondernemings-cao’s en sector-cao’s.
Ondernemingen lopen bij fusies en overnames
aan tegen het feit dat ze binnen het bedrijf verschillende
cao’s moeten hanteren. Dat leidt tot
ingewikkelde en soms kostbare harmonisatieprojecten.
DSM rondde onlangs de harmonisatie van
de zeven cao’s af die binnen het bedrijf werden
toegepast. Het project duurde vijf jaar.
Een bedrijf produceert speeltoestellen, glijbanen
en straatmeubilair, veelal van staal en polyester.
Voor deze activiteiten is geen sector-cao van
toepassing, het bedrijf heeft een eigen arbeidsvoorwaardenregeling
en een eigen pensioenvoorziening.
Op enig moment raakt houten straatmeubilair
in zwang en het bedrijf gaat, behalve
van staal en polyester, ook houten straatbanken
maken. Na enige tijd valt er een brief in de bus van
een pensioenfonds, waarin wordt gesteld dat het
bedrijf valt onder de cao en het pensioenfonds
voor de houtverwerkende industrie. Pensioenpremies
worden geheven met drie jaar terugwerkende
kracht plus een forse boete. Het vraagt een
aantal rechtszaken om dit te voorkomen.
De meeste werknemers vallen onder een sectorcao
(65 procent van de werknemers in Nederland).
Sectoren zijn ergens in het verleden ontstaan
als een blijkbaar herkenbaar en afgerond geheel,
geschraagd door werkgeversverenigingen,
vakbonden, A&O fondsen en andere instituties.
Door maatschappelijke ontwikkelingen en politieke
keuzes staan sectorgrenzen op de tocht. De
decentralisatie van activiteiten naar gemeenten en
verandering in de financiering van de zorg laten
gemeentelijke activiteiten, thuiszorg, welzijnswerk
en jeugdzorg door elkaar lopen. Bedrijven
uit de catering en de schoonmaak betreden het domein
van de thuiszorg. Hoe laat je mensen samenwerken
die allemaal andere arbeidsvoorwaarden
hebben? Welke arbeidsvoorwaarden hanteer je als
je moet bieden op een aanbesteding van thuishulp
door een gemeente? Integrale kindercentra
brengen werknemers samen uit de kinderopvang,
het primair onderwijs, buitenschoolse opvang,
peuterspeelzalen. Die van het primair onderwijs
hebben alle schoolvakanties vrij, de rest maar vijf
208
HOE KUNNEN CAO-PARTIJEN EEN STAP VERDER KOMEN?
׉	 7cassandra://gLOIKUm_xhTzXhyGFIVirVDUo7MuuB9DqRLK4gzEOkIR`̵ Vt
7&'i׉EDof zes weken vakantie. Hoe ga je met alle regeltjes
mensen inzetten over de grenzen van hun oude
‘sector’ heen? Hoe laat je ze samenwerken? De
eerder aangehaalde Schumpeter stelde ook dat
innovatie het gevolg is van ‘nieuwe combinaties’.
Stevige sectorgrenzen en sector-regelingen kunnen
het soepel laten functioneren van nieuwe
combinaties moeilijker maken.
De flexwerkers, inside & outside, vervagende
organisatiegrenzen
Waar we eerder hebben vastgesteld dat een steeds
groter deel van de loonruimte buiten de cao om
werd verdeeld (de Korte, 2000), kunnen we nu
vaststellen dat een veel groter deel van de arbeidskosten
buiten de cao wordt uitgegeven. Dit komt
door de grote groei van het aantal flexwerkers:
uitzendkrachten, payrollers, gedetacheerden,
interimmers en zzp’ers die deel uitmaken van onze
werkgemeenschap. Deze mensen vallen (meestal)
buiten de ondernemings- of sector-cao maar
horen er vaak ‘wel bij’. Bij de overheid gaat het om
ongeveer 5 procent van de werknemerspopulatie,
in de markt is het al 25 tot 30 procent. De cao is,
in de gemiddelde organisatie, op een afnemend
aantal werkenden van toepassing. Dit levert binnen
werkgemeenschappen verschillen in behandeling
op en ingewikkelde discussies. Bijvoorbeeld het
gesprek in de directie over ‘wie krijgt er dit jaar een
kerstpakket?’ Inside of outside de cao maakt ook
verschil uit in de loonkosten en leidt tot verdringing.
Werkgevers merken dat ze buiten de cao om
goedkopere werkenden aan zich kunnen binden.
Vaak niet vanwege het primaire salaris. Zo regelt de
cao voor uitzendkrachten bijvoorbeeld de ‘inlenersbeloning’:
een uitzendkracht heeft recht op hetzelfde
salaris, ADV en vakantierechten en toeslagen
als vaste werknemers. Maar wel vanwege allerlei
andere voorzieningen in de cao waar werkgevers bij
flexkrachten niet aan zijn gehouden, zoals verlofregelingen,
afdrachten aan sociale fondsen, pensioenvoorziening
of ontslagvergoedingen. Hierdoor
wordt ‘inhuur’ goedkoper dan eigen werknemers
en komen er steeds meer flexkrachten, tot grote
ergernis van de vakorganisaties. Dit was de oorzaak
van nogal wat arbeidsconflicten in de afgelopen
jaren: de stakingen in de distributiecentra van AH
tegen het grote aantal uitzendkrachten, acties bij
Agentschap EZ wegens het grote aantal payrollers,
rechtszaken over werk in de bouw in de Eemshaven
en aan de A2 in Maastricht met onderbetaling door
buitenlandse subcontractors, veroordelingen van
champignontelers en van werkgevers van vrachtwagenchauffeurs
en de discussie over de pakjesbezorgers
van PostNL.
Flexwerk verschuift ook van het traditionele
uitzendwerk naar andere vormen van flexibele
arbeid. Het uitzendwerk is in Nederland goed
geregeld: een cao met inlenersbeloning, controle
op naleving van de cao (NCSI), certificering van
uitzendbureaus (SNA), een eigen pensioenfonds
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
209
׉	 7cassandra://ztVGGNc3Ee2H5pHMnKAOzyVfPQGiR-wZSYQ4M7y30nc`̵ Vt
7&'jVt
7&'iFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://zm0mUR2_-WbIIYkHQsUJN5V5-pfN3lOOeX-I75-k64U ` 
׉	 7cassandra://Dg-BFLW7rxUOFLQFql6xLWh1l_p4fAFNipBEmB0TIm0f`T׉	 7cassandra://SskxbBb_f6mYKA-Y7hopOttDqX62kgXAEYULJmQ3kVE `̵ ׉	 7cassandra://x0NDsqqaQTLtaTnAjqH2Hs2_FuiMBVUu5F8QbZbNIpsT(͠Vt
7&'lט # #nu׉׉	 7cassandra://i_WCWUBNA3eAtRMkjDkfbhqlCtwwNpMmSLC8eephvXc 9W` 
׉	 7cassandra://6Y1hko3tkET45_ySud5AHWPOhaKDM3LtTKFEfzIV1LEh`T׉	 7cassandra://yFGMmZWE0CQRSi7eZAXpdEr2wWFDuUKl8TDQTXfrYiU`̵ ׉	 7cassandra://9mVUeilw0ISVVjb88vgHE_EQDYXhc93K5OIClIcdYpAL$͠Vt
7&'m׉E
en een eigen scholingsfonds. Nieuwe vormen
van flexarbeid vertonen meer kenmerken van het
wilde Westen, waar relatief weinig regelgeving
van toepassing is: detachering, zzp’ers, contracting,
uitbesteding, (buitenlandse) schijnconstructies.
In deze domeinen is meestal geen cao van
toepassing. Sinds zijn artikel over ‘Code Oranje’
maakt ook minister Asscher er werk van om deze
oneigenlijke concurrentie een halt toe te roepen,
maar een aantal lekken kunnen alleen in overleg
met zijn Europese collega’s worden gedicht.
Het scheppen van een level playing field op het
gebied van arbeidskosten, een van de pijlers onder
de cao, gaat door deze nieuwe vormen van flexarbeid
eroderen.
DE REGIONALISERING VAN NEDERLAND
De wereld wordt groter en kleiner. In Nederland
wint de regio aan importantie. (Centrum)gemeenten
krijgen veel overheidstaken toebedeeld. Er
zijn 35 arbeidsmarktregio’s ingesteld. We hebben
het over Food Valley, Rotterdam Port, Brainport,
Mainport, Energy Valley, grensregio’s. Het besef
ontstaat dat de arbeidsmarkt grotendeels regionaal
functioneert, dat bedrijven in de regio elkaar kunnen
versterken, dat regionale samenwerking met
overheid en onderwijs vruchten afwerpt. Mobiliteit
in de regio wordt echter beperkt als mensen
van de ene sector/onderneming naar de andere
willen overstappen: andere arbeidsvoorwaarden,
ander pensioenfonds, ander scholingsfonds, andere
ziektekostenverzekeraar, verlies van opgebouwde
rechten, opnieuw opbouwen van diensttijd.
Dit verhindert de regionale arbeidsmobiliteit. De
eerste roep om een regionale cao om de regionale
mobiliteit te kunnen bevorderen is al een aantal
jaren geleden geuit, hij kwam uit Brainport.
Deze ontwikkelingen zijn structureel en onomkeerbaar.
Cao’s moeten hierop inspelen. We geven
drie suggesties.
De regionale cao
Om de intersectorale mobiliteit en samenwerking
tussen bedrijven in de regio te bevorderen, zijn
voorstellen gedaan voor een regionale cao. Wat de
regionale cao aan afspraken moet bevatten is nog
niet helemaal helder, maar er wordt gedacht aan
onder meer afspraken over de uitwisseling van medewerkers,
opleidingen en loopbaantrajecten. Een
variant wordt voorgesteld in de regio West-Brabant:
‘Er wordt een pakket gelijkluidende afspraken
vastgelegd binnen zo veel mogelijk verschillende
collectieve arbeidsovereenkomsten die van kracht
zijn in West-Brabant. Dat zal niet leiden tot één
regionale cao binnen de verschillende sectoren,
maar zo’n pakket afspraken zou gemakshalve wel
als ‘regio-cao’ betiteld kunnen worden. Zo’n ‘regiocao’
zou het voor werknemers makkelijker moeten
maken om van het ene naar het andere bedrijf over
te stappen.’ (De Stem, 27-02-2013)
210
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://SskxbBb_f6mYKA-Y7hopOttDqX62kgXAEYULJmQ3kVE `̵ Vt
]7&'׉EVerbreding van de werkingssfeer van
werknemers naar werkenden
Een tweede beweging is het verbreden van de
werkingssfeer van (onderdelen van) de cao van
werknemers in vaste dienst naar alle werkenden
in de organisatie, dus ook flexkrachten als payrollers,
interimmers, gedetacheerden en zzp’ers.
Hierdoor wordt het level playing field binnen een
bedrijf of een sector hersteld en oneigenlijke concurrentie
op loonkosten vermeden. Voor uitzendkrachten
is dit deels – voor wat betreft de primaire
arbeidsvoorwaarden – al geregeld met de zogenaamde
inlenersbeloning. Het is het onderzoeken
waard of deze inlenersbeloning ook niet kan
worden toegepast op andere groepen flexwerkers
of in het geval van uitbesteding of contracting.
Een recent advies van het Europese Hof geeft nu
mogelijkheden om ook afspraken over zzp’ers in
de cao op te nemen. Het maken van bijvoorbeeld
tariefafspraken met zzp’ers was tot voor kort
verboden vanuit mededingingswetgeving, maar
wordt nu toegestaan als hierdoor de verdringing
van werknemers in vaste dienst door oneerlijke
concurrentie op arbeidsvoorwaarden wordt voorkomen.
Een eerste doorbraak is gerealiseerd in de
cao voor de architectenbranche, waar minimumtarieven
voor zzp’ers zijn opgenomen die zijn
afgeleid van de loonschalen uit de cao. Op deze
wijze kan het level playing field worden hersteld
en ongewenste concurrentie op arbeidskosten
worden voorkomen. Wel blijft de vrijheid bestaan
om te kiezen voor verschillende arbeidsrechtelijke
relaties tussen werkgever of opdrachtgever en
werknemer of opdrachtnemer.
De beroepsgebonden cao
Een derde mogelijkheid is die van de functie- of
beroepsgebonden cao. Deze is niet van toepassing
op een bedrijf of op een sector, maar op een
helder af te bakenen beroepsgroep: secretaresses,
ICT-functies, commerciële functies, accountants/
controllers, HRM-functies et cetera. De beroepsgebonden
cao bestaat in wezen al voor politie,
defensie, docenten, verpleging en artsen in loondienst.
Niet toevallig beroepen waar de organisatiegraad
hoog is. De beroepsgebonden cao biedt
naast helderheid over loonschalen of tarieven ook
basale, beroepsgebonden voorzieningen die te
maken hebben met zaken als beroepskwalificatie,
opleidingen, vakmanschap, veilig en gezond werken
en pensioenen. Op basis van een dergelijke
cao krijg je de belangrijkste arbeidsvoorwaarden
die bij je beroep horen en niet die van het bedrijf
waar je (toevallig) werkt. Ook kan hiermee het
verschil tussen eigen mensen en ingehuurde of
gedetacheerde werkenden voor een belangrijk deel
worden weggepoetst. Het vak of het beroep wordt
belangrijker dan de toevallige arbeidsrechtelijke
relatie met je werkgever of opdrachtgever. Dit kan
de mobiliteit op de arbeidsmarkt ten goede komen
en ook zorgen voor een revival van herkenbare
HOE KUNNEN CAO-PARTIJEN EEN STAP VERDER KOMEN?
211
׉	 7cassandra://yFGMmZWE0CQRSi7eZAXpdEr2wWFDuUKl8TDQTXfrYiU`̵ Vt
7&'nVt
]7&'܁FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://6AL7BtEo4MaEkhFC1cCE96XqfzDxk8GrPgKS22MIis8 ` 
׉	 7cassandra://moWJSXw0lhISca1UQ2tUdzc1QPrprHyl11IGNSGymhEi`T׉	 7cassandra://ym9nAV8IbDnhTorXUw0MTa7QqCPWQQvWAbFNqBPJRKQ`̵ ׉	 7cassandra://6Fo64X5qhnCR9BX3qEhqdX_jTNp6KvXdDGfoD8wPMb0G$͠Vt
7&'rט # #nu׉׉	 7cassandra://Qu1f7HPOX6JLOe3rKsDHQWET3_zlLKsf9apKviXD-dQ N` 
׉	 7cassandra://ie22hh-8fyG_OZ-jOrVYpCMjl7KwEdGAtsIYl1QulFg=`T׉	 7cassandra://d3-u7ooasrL9IqrxWggwKtnavVoNcFod8QIbZ7U5RM0`̵ ׉	 7cassandra://LZFBKgW9dFs_nCjuuGB1flZad58NdfDZCfK_QUtbm6Q`(͠Vt
7&'sנVt
7&'p L̚9׉H (http://www.kennisbanksocialeinnovatie.nlGׁׁrנVt
7&'q `b[9׉H (http://www.kennisbanksocialeinnovatie.nlGׁׁrנVt
7&'y adZ9ׁHhttp://leinnovatie.nlׁׁЈנVt
7&'x N̙9ׁHhttp://www.keׁׁЈ׉E vakorganisaties (de Korte, 2012). De organisatiegraad
bij vakorganisaties is verreweg het grootst
bij die vakbonden die heldere beroepsgroepen
organiseren en die de vakbondstaken combineren
met de activiteiten van een beroepsvereniging.
De beroepsgebonden cao is gemakkelijk te realiseren
als er maar een beperkt aantal werkgevers is
waar dat beroep voorkomt: politie, piloten, onderwijs.
Het wordt complexer als het om een beroep
gaat dat in veel bedrijven of sectoren voorkomt.
Twee vragen die in dat geval nog beantwoord
moeten worden zijn: wie onderhandelt er dan namens
de werkgevers? En: wie bepaalt onder welke
beroeps-cao je valt? (KIZO, 2014)
7 CONCLUSIE
De uitdaging is de cao te laten aansluiten op de
huidige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, zoals
vervaging van sectorgrenzen, regionalisering van
de arbeidsmarkt, verbreding van de werkingssfeer
naar alle werkenden en verkenningen naar
een functie- of beroepen-cao. De eerste cao van
de architecten met afspraken over de tarieven van
zzp’ers is een stap in deze richting. Het economische
tij lijkt op dit moment te keren, het kan helpen
als de koek eerst wordt vergroot om de weg van
vernieuwing in te slaan. Duidelijkheid over het
loonakkoord en een breed draagvlak daarvan lijken
noodzakelijk om stappen tot vernieuwing te zetten
in het publieke domein, maar ook daarbuiten helpt
het als het economisch meezit. De loonruimte in
het publieke domein gaat, zoals het er naar uitziet,
geheel in het inkomen zitten en wordt niet als wisselgeld
voor vernieuwing gebruikt.
Maar ook zonder breed gedragen loonakkoord
en economische groei kunnen partijen stappen
zetten en een start maken met strategisch personeelsbeleid.
Het begint met de wil van partijen
om gezamenlijk nieuwe wegen te verkennen en
afspraken te maken. Het betrekken van medewerkers
bij het proces van arbeidsvoorwaardenvorming
kan hierbij helpen. De jongere generatie
pleit hier ook voor. Uit ReflexLAB, het platform
van vijftig jonge denkers over de toekomst van de
arbeidsmarkt, blijkt dat meer dan de helft van de
jongeren vooraf graag betrokken wil worden bij de
arbeidsvoorwaardenvorming. De jongeren pleiten
voor een toegankelijke, begrijpbare en flexibele
cao en digitale keuzemogelijkheden. Maar de
stappen hiernaartoe moeten in gezamenlijkheid
gezet worden. Laat de jongeren hierin het goede
en inspirerende voorbeeld zijn en blijf als sociale
partners niet hangen in de traditionele werkgevers-
en werknemersgroeven. Heb het lef om het
oude los te durven laten en kijk wat er speelt en
wat nodig is om aantrekkelijk te blijven, zowel
vanuit werkgevers- als werknemersperspectief.
Kijk vooral ook over de grenzen van je eigen
onderneming of sector heen, op zoek naar de next
practices. Alleen dan krijgt de discussie over het
212
HOE KUNNEN CAO-PARTIJEN EEN STAP VERDER KOMEN?
׉	 7cassandra://ym9nAV8IbDnhTorXUw0MTa7QqCPWQQvWAbFNqBPJRKQ`̵ Vt
7&'t׉E>behoud en toegevoegde waarde van de cao een
nieuwe impuls en worden daadwerkelijk stappen
vooruit gemaakt.
LITERATUUR
Xavier, M., & Pot, F. (2012). Doorgeven = aanpakken,
tussenstand van 10 jaar sociale innovatie.
Rotterdam: NCSI.
De Korte, T. (Red.). (2000). De cao van de Toekomst.
Den Haag: Elsevier.
De Korte, T., & Van der Roest, B. (Red). (2012).
Arbeidsverhoudingen 2020, Maatwerk en samen
sterk. Assen: Van Gorcum.
De Korte, T. (Red). (1997). Strijd om de Tijd. De
organisatorische gevolgen van de 24 uurseconomie.
Den Haag: Delwel.
NCSI. (2011). Werkende werkvormen voor de cao
Wasstraat. Verkrgen van www.kennisbanksocialeinnovatie.nl
Van
Essen, M., & De Korte, T. (oktober 2013). Caovernieuwing:
van touwtrekken naar co-creatie. In
HR-Strategie. Amsterdam: WEKA Business Media
B.V.
De Korte, T. (2010). Vervagende organisatiegrenzen.
Wie hoort erbij? In Zeggenschap. Amsterdam:
Zeggenschap (april 2010).
Streven naar een ‘regio-cao’ in West-Brabant. In
BN de Stem (27 februari 2013).
STAZ, Stichting Arbeidsmarktfonds Ziekenhuizen.
Eeerste in de zorg: de App Cas Ziekenhuizen
met toelichting en rekentoets. Persbericht 25 juni
2015.
SER. (2013). Verbreding draagvlak cao-afspraken’.
Advies 2013/03. (23 augustus 2013).
KIZO, Leidschendam (2014). De zzp-maatschappij.
Plaats: uitgever?
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
213
׉	 7cassandra://d3-u7ooasrL9IqrxWggwKtnavVoNcFod8QIbZ7U5RM0`̵ Vt
7&'uVt
7&'tFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://PousyFcRpOEQaZfsyY4_ALN9dixgWVxFt_7QwPM2t8k 1` 
׉	 7cassandra://LwD7lTDLrzGg9Y2BuJlbBovL8iqSmTxuu8ctRyb3_xQ.*`T׉	 7cassandra://bl_0UO5omFuheE18Dyu1UW9QS3GhOCXzBAkwdBWy8m8`̵ ׉	 7cassandra://mCqvvgaGVz1Jvt0BRSxpX6-4vRpPvTAGoIglQKNQPBwTv͠Vt
7&'wט # #nu׉׉	 7cassandra://tNsdEMJbkzzdnOzyA1QfwhzGd-l6UC4K6Qc6Jzvi3Ac^` 
׉	 7cassandra://Lf5Lnr-totmG5Jw6HVH7x3qrBGo9iLpKljrGpek0kd4` T׉	 7cassandra://yvqe3RNxqLImi6xGbygohLjkmwp9-6GlapXHXFOIl58` ̵ ׉	 7cassandra://3YltOrLLNEpdzYzEl5D9d-qhvk3THMAH_55cgqTnz3o$͠Vt
7&'z׉EAantal afgesloten cao’s
(incl. akkoorden voor cao’s geëxpireerd voor 2015)
10
20
30
40
50
60
70
80
0
j
f
m
a
m
j
j
a
s
o
n
d
NRC 230515 / RB / Bron: AWVN-data
Gemiddeld ‘08-’14
Gem. min. en max.
2015-akkoorden
214
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://bl_0UO5omFuheE18Dyu1UW9QS3GhOCXzBAkwdBWy8m8`̵ Vt
7&'{׉E 3HOE KUNNEN CAO-PARTIJEN EEN STAP VERDER KOMEN?
215
׉	 7cassandra://yvqe3RNxqLImi6xGbygohLjkmwp9-6GlapXHXFOIl58` ̵ Vt
7&'|Vt
7&'{FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://Bso7mNUDsX4KJ37jnrYGvQxUQ7X-02YXAbcILlC58o8͔*` 
׉	 7cassandra://4yFYnorafFmE-TGkMiRCith0_68Og9N-qjwSB8-Y9qw` T׉	 7cassandra://GzDNDtkK_h71k0aWzmYM8_CYPhiGrj3GZ7QBsK7Lpe8`̵ ׉	 7cassandra://C0XS28MqV-S73y5UwR2EmYq3Qif52mKeaWjkuvfTfFA|͠Vt
7&'~ט # #nu׉׉	 7cassandra://MpslvxhoQtH1eIJXFgoAPcIl7pdo39A6CuNxVwSHwRY L` 
׉	 7cassandra://W-PABc-qkK0DUQxsxAKJuB8USkV8shWWK_WlWNmr0Xg02` T׉	 7cassandra://lLkBgaWUrKqQIzsMKVWlWluPaROx3sLX6Ti5vVXSDRk4`̵ ׉	 7cassandra://heUU_f7YdYuFnO2Wlgu55bB_DrwO2JRUv3guuNC3MSc)x͠Vt
7&'׉E (216
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://GzDNDtkK_h71k0aWzmYM8_CYPhiGrj3GZ7QBsK7Lpe8`̵ Vt
]7&'׉E _19. De overheidswerknemer,
normaal of juist
bijzonder?
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
217
׉	 7cassandra://lLkBgaWUrKqQIzsMKVWlWluPaROx3sLX6Ti5vVXSDRk4`̵ Vt
7&'Vt
]7&'߁FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://QjfYKQrmHleJ8KduBQF7FAMOyhV1By9T31x732HH_6E ` 
׉	 7cassandra://Ves3hpJQ3HhkEgwpoiqUXNX_3DgF-SM-M9IRy5n3nuk?`T׉	 7cassandra://H16yDeDnDB95BsmkcoDfHnc-nr6FXoNpupyCHhYazI8`̵ ׉	 7cassandra://eQ--BlI0gGx5Z5LcsCxryuV2IwHl75HlU0rLknYvZUMPJ(͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://BsBg5kLuAdHz7ynlmKQczHb8a36qeI37kwZHruN-f1Y z` 
׉	 7cassandra://P3YZ8aKJ2ZMAX57z1EbyCUuvFu3klyvML1piIAnA1WIo`T׉	 7cassandra://P7IZQ9WA0MSL2D_1AnjvtjTjktwJ4KHtBCwx98fxzHQC`̵ ׉	 7cassandra://Ee-2QqkdZxhagolXRFY-7wA95uHW7w194kCnNF2_GkkYu$͠Vt
7&'׉EMr. H. Moltmaker
1 INLEIDING
Het proces dat in de regel wordt aangeduid als ‘de
normalisatie van de ambtelijke status’57
, dat vanaf
de jaren ’80 van de vorige eeuw in gang is gezet,
is in een finale fase beland. Met de stemming
door de Eerste Kamer over het initiatiefvoorstel
Wet normalisering rechtspositie ambtenaren
(naar verwachting eind 2015 / begin 2016) zal dit
normaliseringsproces tot een afronding komen.
Een belangrijk openstaand vraagstuk is hoe de implementatie
van dit wettelijk kader (bij aanname
door de Eerste Kamer vorm) zal krijgen en of dit
de ambtenaar inderdaad zal normaliseren of dat
de bijzondere positie van de ambtenaar behouden
blijft. Het wettelijke kader zal pas afgerond zijn
nadat de Eerste Kamer heeft gestemd.
In deze bijdrage bespreken we in vogelvlucht
de belangrijkste veranderingen voor de overheid
als werkgever en de ambtenaar als nieuwe
overheidswerknemer. Dit in combinatie met
enkele bespiegelingen over de mogelijke wijze
van implementatie van het nieuwe wettelijke
kader. In dat verband kan een kort overzicht van
de aanzienlijke veranderingen die de Wet werk en
zekerheid (WWZ) per 1 juli 2015 in volle omvang
in het civiele arbeidsrecht heeft teweeggebracht,
hier niet achterblijven. We sluiten af met een blik
naar de wereld om ons heen en naar de toekomst.
57.
Sprengers, L.C.J. (2011). Normalisatie rechtspositie ambtenaren. In Staat van de Ambtelijke Dienst 2011.
Den Haag: CAOP.
218
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://H16yDeDnDB95BsmkcoDfHnc-nr6FXoNpupyCHhYazI8`̵ Vt
]7&'׉E`2 NORMALISERING VAN DE
RECHTSPOSITIE VAN AMBTENAREN
Uit de parlementaire geschiedenis, en dan met
name de aangepaste memorie van toelichting,
blijkt dat in het nieuwe artikel 2 van de wet, de
overheidswerkgevers uitputtend worden opgesomd.58
Het
betreft alle publiekrechtelijke rechtspersonen
die het Nederlandse staatsrecht kent.
De opsomming komt inhoudelijk overeen met de
opsomming van publiekrechtelijke rechtspersonen
in de Handelsregisterwet en de Wet openbaarmaking
uit publieke middelen gefinancierde
topinkomens. Aanvankelijk was het idee om zo
veel mogelijk ambtenaren te normaliseren, maar
gaandeweg zijn er steeds meer uitzonderingen
op de normalisering gekomen. Die betreffen met
name ambtenaren werkzaam bij defensie, politie
en justitie. Het wetsvoorstel voorziet dan ook niet
in een volstrekte gelijkschakeling van de arbeidsverhoudingen
in de publieke en private sector. Het
maakt wel de tweezijdige arbeidsovereenkomst
tot norm, ook voor de publieke sector. Doordat
de reikwijdte van de nieuwe wet feitelijk breder
is dan de huidige ambtenarenwet, zou dit een
faciliterend effect kunnen hebben op een soepeler
overgang van privaat naar publiek en vice versa.
Een belangrijk gevolg van de wijziging van het
wettelijk kader voor de arbeidsverhoudingen
tussen de staat als werkgever en de (nieuwe)
ambtenaar, is dat er invoeringsmaatregelen van
praktische aard moeten worden getroffen. Een
belangrijke wijziging is dat er collectieve arbeidsovereenkomsten
moeten worden afgesloten
ter vervanging van de op de Ambtenarenwet
gebaseerde algemene maatregelen van bestuur,
ministeriële regelingen en verordeningen van
decentrale overheden. Ik beperk mij hier tot het
aanstippen van deze majeure verandering in de
verhoudingen tussen overheidswerkgever en
overheidswerknemer.
3 ONTSLAGRECHT: OMGEKEERDE
NORMALISATIE!
In de Staat van de Ambtelijke Dienst 2013 refereert
Barentsen59
al aan de grootste wijziging in het civiele
arbeidsrecht sinds de Tweede Wereldoorlog:
de Wet werk en zekerheid. Door de normalisering
van de rechtspositie van de ambtenaar, zal het
procesrecht voor de ambtenaar ingrijpend wijzigen
door de afschaffing van bezwaar en beroep bij
beslissingen die de rechtspositie van de ambtenaar
aangaan. Een belangrijk vraagpunt in dat kader is
hoe er in de praktijk voor zal worden gezorgd dat
de wijziging van het stelsel geen materiële achteruitgang
van de positie van de ambtenaar met zich
meebrengt. Een van de mogelijke oplossingen zou
zijn om de in de WWZ ook gegeven mogelijkheid
te gaan benutten in de cao (ontslag)commissies
af te spreken. In dat kader zou een verkenning
van verbreding naar advies- en arbitragecommissies,
in zekere zin vergelijkbaar met de Advies- en
58. TK wetsvoorstel 32 550 nr. 6, p. 23.
59.
Prof. mr. Barentsen, B. (2013) Ambtenarenstatus. In Staat van de Ambtelijke Dienst 2013. Den Haag:
CAOP.
DE OVERHEIDSWERKNEMER, NORMAAL OF JUIST BIJZONDER?
219
׉	 7cassandra://P7IZQ9WA0MSL2D_1AnjvtjTjktwJ4KHtBCwx98fxzHQC`̵ Vt
7&'Vt
]7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://2fuYAFyAzp8MBjmXofAc-oxmUP0AjpsSsXI-ZycZGY8 s` 
׉	 7cassandra://Uymt5A3j_ZqM_pBrLFTh9TE38b7T3pagndLlvR9zm1Ue`T׉	 7cassandra://ev9IxVFmn9fvapL5fFp6SnOnD0yIXDUf76FsS1V-XGA`̵ ׉	 7cassandra://w8vzje_-tz5mZ828LlVtYz6Su9xE3TqONhuacPDNph8Ls$͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://c17QHdQbfESlWCMcqMypNgaO1VCWWfSRqdlNvQ0cEpw _` 
׉	 7cassandra://Zr7KPJ9cDMJlVCRl8zcMoOy9n674qYEeABtJdStJD4Ab`T׉	 7cassandra://SSN8X2lOq2tZX_bMijqzpG-LSgIHzhWD2DWvLg27d5cv`̵ ׉	 7cassandra://wA7FBuiNtO5qVHgMCZ88Cx_qrr3URpRqCisBEe5RidMC(͠Vt
7&'׉E	Arbitragecommissie Rijksdienst (AAC) maar dan
ook op individueel niveau, een zinvolle exercitie
zijn. Een bredere inzet van dergelijke commissies
zou ook het mogelijk vastlopen van de ontslagprocedures
bij UWV en kantonrechter kunnen
voorkomen. Dat kan ook in de civiele sector van
meerwaarde zijn. Voorwaar een omgekeerde
normalisatie dus.
4 GOED OVERHEIDSWERKGEVERSCHAP
Een ander belangrijk element dat aandacht behoeft,
is het feit dat de overheid in haar private
handelingen ook gebonden is aan de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur. Zo zal conform
artikel 3:14 BW een overheidswerkgever de
beginselen van behoorlijk bestuur moeten blijven
toepassen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden
ingevolge een arbeidsovereenkomst.60
blijkt dit uit het zogenaamde IKON-arrest.61
Ook
Het
is interessant om stil te staan bij de vraag hoe deze
beginselen zich zullen verhouden tot het algemene
beginsel van goed werkgeverschap ex artikel
7:611 BW in het civiele recht, waar het gaat om de
relatie tussen overheidswerkgever en overheidswerknemer.
Ook hier ligt voor de rechtspraak een
schone taak.
5 BEPERKING VAN DE
GRONDRECHTEN
Een belangrijk onderscheid tussen publieke en
private werknemers dat zal blijven bestaan, is
de beperkingen op de grondrechten van ook de
nieuwe ambtenaren. De nieuwe wet brengt geen
verandering in de noodzaak van een integere
overheid en de bevoegdheid om hiervoor maatregelen
te nemen. Ook blijven het afleggen van een
eed, de melding en openbaarmaking van nevenfuncties
of financiële belangen en een procedure
voor het melden van misstanden onderdeel van
de nieuwe wet. Het nieuwe artikel 8 beperkt de
vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging
en vergadering en legt de ambtenaar een
geheimhoudingsplicht op. Het is de vraag of dit
niet ook onderwerpen waren geweest die (deels)
in codes of reglementen hadden kunnen worden
neergelegd of wellicht als onderdeel van de collectieve
arbeidsovereenkomst overeengekomen
hadden kunnen worden. Mogelijk dat de praktijk
hier in de toekomst een nadere rol in gaat spelen,
mede in het kader van een verdere convergentie
in de arbeidsverhoudingen tussen de private en
publieke sector.
6 MEDEZEGGENSCHAP EN PRIMAAT
VAN DE POLITIEK
Een ander bijzonder onderdeel van het werken
in de publieke sector blijft het feit dat de medezeggenschap
van werknemers onder de Wet op
60. TK wetsvoorstel 32 550 nr. 6, p. 9.
61. HR 27-03-1987, NJ 1987, 727 Amsterdam/Ikon.
220
DE OVERHEIDSWERKNEMER, NORMAAL OF JUIST BIJZONDER?
׉	 7cassandra://ev9IxVFmn9fvapL5fFp6SnOnD0yIXDUf76FsS1V-XGA`̵ Vt
7&'׉E
.de ondernemingsraden beperkt blijft door het
zogenaamde primaat van de politiek. Dit beginsel
behelst dat politieke besluiten over beleid, taken
en uitvoering van die taken van medezeggenschap
kunnen worden uitgesloten. Het is echter
wel de vraag of onder het nieuwe wettelijke stelsel
het zwaartepunt van dit beginsel op hetzelfde
punt blijft liggen of dat er een verschuiving gaat
plaatsvinden.
7 WWZ
Zoals hiervoor reeds aangegeven zal de WWZ
een majeure invloed krijgen op vele (collectieve)
regelingen in het publieke domein. Mede door de
grote snelheid waarmee deze wetgeving is voorbereid
en aangenomen, is er veel discussie over de
gevolgen van de wet. De wetgever heeft bedacht
dat de onduidelijkheden door de rechtspraak
moeten worden opgelost. Hieronder volgt een
beknopt overzicht van de belangrijkste gevolgen
van de WWZ.
- Het is niet langer toegestaan om een concurrentiebeding
op te nemen in een arbeidsovereenkomst
voor bepaalde tijd. Alleen als er sprake is
van een ‘zwaarwichtig bedrijfs- of dienstbelang’
kan een dergelijk beding geldig worden overeengekomen.
-
Bij contracten voor een bepaalde tijd van zes
maanden of langer moet de werkgever uiterlijk
een maand voor het einde van het contract
schriftelijk aan de werknemer laten weten of hij
het contract wel of niet verlengt. Als de werkgever
dit verzuimt, moet hij een vergoeding ter
hoogte van maximaal één maandloon betalen.
- Een proeftijd bij een tijdelijk contract van ten
hoogste een halfjaar is niet langer toegestaan.
- Flexwerkers krijgen bij hun vierde arbeidsovereenkomst
of na twee jaar diensttijd verplicht
een vast contract. In de WWZ is de periode
van tussenpozen om de keten te verbreken,
verlengd naar zes maanden.
- Voorheen kon een werkgever in de private
sector een ontslag altijd effectueren bij de kantonrechter
of het UWV. Onder de WWZ kan
dat, bij ontslag op grond van disfunctioneren
of andere redenen gelegen in de persoon van de
werknemer, alleen nog via de kantonrechter.
Ontslag op grond van bedrijfseconomische
redenen verloopt standaard via het UWV.
- De ontslagvergoeding naar billijkheid, voorheen
ingevuld door de kantonrechtersformule,
wordt vervangen door een transitievergoeding.
Werknemers met een contract van tenminste 24
maanden hebben recht op een transitievergoeding
van maximaal 75.000 euro of een jaarsalaris,
afhankelijk van de lengte van het dienstverband.
Afwijkingen zijn alleen mogelijk als de
werkgever of werknemer zeer verwijtbaar is aan
het ontslag.
- De WW-duur wordt vanaf 2016 geleidelijk
afgebouwd. Dit gebeurt met 1 maand per
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
221
׉	 7cassandra://SSN8X2lOq2tZX_bMijqzpG-LSgIHzhWD2DWvLg27d5cv`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://ZR_xHYsdJR8FSB6hsdmDzCNn2t0YfaYgKKmPf1ztjxU *` 
׉	 7cassandra://qb2efzQtU8uJBrZ3DwxgZ486P3-G0VXKUA5L0ew-e4YS-`T׉	 7cassandra://QKbTzaM7MrA0I2MgP6nexvI7rE261vExgCPWL1lsOL8`̵ ׉	 7cassandra://Y9zdnqiJF1lk2gM0HJuI-FpZZpuSCwBTl6Zy7p6-ThI^(͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://WPVxfkSx-lLUswNia9HG9arczu8rJ6dmaHsrKZEr-78a` 
׉	 7cassandra://ajyKeX2LD01DggzPacerd6flhMZ8scZKlb-5GsL3JzU*` T׉	 7cassandra://Oz0QD1A7POA5WHORFk7aSbHjTcbrSmqvHQG7ALJk4HY` ̵ ׉	 7cassandra://mrFRC4mWO7rXKZ_wcoZ1fReEZbK9-R3uYfVPg1gFt2gn$͠Vt
7&'׉EBkwartaal. Vanaf 2019 is de maximale publieke
WW-uitkering dan nog maximaal twee jaar. De
hoogte van de WW-uitkering in deze periode is
gekoppeld aan het laatstverdiende loon. In cao’s
kunnen werkgevers en vakbonden afspraken
maken over aanvulling na die 24 maanden.
8 DE WERELD OM ONS HEEN
Voordat ik afsluit met een conclusie werp ik nog
een korte blik op de wereld om ons heen. De
rechtsvergelijking met Denemarken, Zweden,
Italië en ook het Verenigd Koninkrijk laat zien dat
al deze landen in meer of mindere mate bewegen
naar normalisering.62
In Nederland is de keuze
voor normalisering opgehangen aan een principiële
keuze van gelijkheid in gelijke gevallen.
Kortom, de initiatiefnemers voor de nieuwe wet
zagen de positie van de ambtenaar als niet meer zo
afwijkend van die van de civiele werknemer om de
grote verschillen in rechtspositie nog te rechtvaardigen.
Hiervoor hebben ze nu een meerderheid in
zowel Tweede als Eerste Kamer gevonden.
9 CONCLUSIE
Er zal nog heel wat water door de Rijn stromen alvorens
de ambtenaar respectievelijk werknemer in
het publieke domein eenzelfde rechtspositie heeft
als de werknemer in het private domein. De hoop
dat een normalisering, naast principiële gelijkheid,
ook een aanzienlijke kostenbesparing met
zich mee zal brengen, is mogelijk vergeefs, gezien
onder meer het onderzoek van Van der Meer et al.
uit 2011.63
lange termijn de voordelen zijn van de normalisering
van de rechtspositie van de ambtenaar. Het
feit dat de ambtenaar altijd bijzonder zal blijven,
lijkt echter een gegeven.
De praktijk zal moeten uitwijzen wat op
62.
63.
Zie o.a. De Becker, A.H.L., & Deckers, K. (2013). Normalisering van de ambtelijke status: een rechtsvergelijkende
kijk op de Nederlandse situatie. TRA, Tijdschrift Recht en Arbeid, 2013, 33.
Van der Meer, F.M., Van den Berg, C., & Dijkstal, G. (2011). Naar een overheid en ambtenarenstatus nieuwe
stijl. Het eigene van de overheid en haar personeel in een systeem van multi-level governance vanuit
internationaal perspectief bezien. Leiden: Centrum voor Publieke Sectorhervormingen.
222
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://QKbTzaM7MrA0I2MgP6nexvI7rE261vExgCPWL1lsOL8`̵ Vt
7&'׉E 7DE OVERHEIDSWERKNEMER, NORMAAL OF JUIST BIJZONDER?
223
׉	 7cassandra://Oz0QD1A7POA5WHORFk7aSbHjTcbrSmqvHQG7ALJk4HY` ̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://sSOuTjnFQIpJgjSc9EZ4LoXBMmqRof6qHoGKe6v9yaU͕X` 
׉	 7cassandra://12CQrSwaFzg57OqyrNY1SM-eebAUR7kIZkWuudTrMf8` T׉	 7cassandra://YwAhP3RDLAQRl837w0WZzKz5VNPZe0sI7Z18qJWGVJA`̵ ׉	 7cassandra://_xmk9bN6-KyGN6ND8VQIs4A0AGdnnqzC1ieisA-sca4R|͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://3FBqA_sSWTIP_ZHCNeugs_9FnarG7_BXe4DsY5sO56c %` 
׉	 7cassandra://0nlaNQor_dmQNtkpLSp9CvUSQpT-vJEhVShXwwydCuU0` T׉	 7cassandra://ifbymP-1HSM1E293TU19kbAe4rlo9rvQKEpMItcb5zw`̵ ׉	 7cassandra://i7GEuYvYdunLrnfhG-rRQwNqHH7vdoNMCSinP0clo94)}x͠Vt
7&'׉E (224
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://YwAhP3RDLAQRl837w0WZzKz5VNPZe0sI7Z18qJWGVJA`̵ Vt
]7&'׉E m20. Normalisering. Een
processie van Echternach
of een rituele dans?
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
225
׉	 7cassandra://ifbymP-1HSM1E293TU19kbAe4rlo9rvQKEpMItcb5zw`̵ Vt
7&'Vt
]7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://XZlGk5UqxnWrBLbgNkawB787SrG022fl-3P-j1HjrQk ` 
׉	 7cassandra://GaEnTbsVwRyb6gzv7lOqOM3BXqgSfbaxN9tC9REPUSgK`T׉	 7cassandra://tjbJT7iBf30PpBZ5vSPOTDt5OS8pmppNZENHUHbFgys`̵ ׉	 7cassandra://jYeeTNHW-VaBetSKKUnL_5c8AeiZiMqK32clG2cpR04J(͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://_3gJq9aq6i7RBstrnriMvJLSpG2whi9XbW45_yeKnwg {` 
׉	 7cassandra://CEv4yaWKYQR9b-uKn-oIgY4lz8GuQt9EHcK8MfVxQywdy`T׉	 7cassandra://qLuRf5oyv606SUl4yBQGvGBnWxVPHLBg_e-CJcwx6zU^`̵ ׉	 7cassandra://OCEYPm1InCQDsx2-cKQf1wA1pBF1IczqSuNyyO59V-c?r$͠Vt
7&'׉EfProf. mr. B. Barentsen
1 INLEIDING
Het wetsvoorstel tot normalisering van de ambtelijke
rechtspositie heeft in ieder geval de ambtelijke
gemoederen flink beziggehouden.64
De Eerste
Kamer heeft kritische geluiden laten horen. Ook
vanuit partijen die in de Tweede Kamer (nog) voor
stemden, vielen indringende vragen én serieuze
punten van kritiek te beluisteren.65
Valt het wetsvoorstel te vergelijken met de
processie van Echternach, waarin met drie stappen
vooruit en twee naar achteren, bitter weinig
vooruitgang wordt geboekt? Of is het een rituele
dans, die grotendeels losstaat van de dagelijkse
werkelijkheid van de arbeidsverhoudingen bij
de overheid? Juist omdat het op het moment van
schrijven van deze bijdrage nog onduidelijk is
hoe het dit wetsvoorstel zal vergaan, is het goed
om op die tweede vraag in te zoomen. Op een
aantal terreinen zet de normalisering toch al door,
wetsvoorstel of niet. Op een aantal terreinen
blijft werken voor de overheid bijzonder, om niet
te zeggen ‘abnormaal’, ook als het voorstel het
uiteindelijk wel haalt. In deze bijdrage ga ik in op
contractualisering van de individuele rechtspositie,
verwildering van de collectieve onderhandelingen
en ‘abnormalisering’. De eerste twee trends
leiden tot verdere normalisering, tot het naar
elkaar toe groeien van de ambtelijke rechtspositie
en die van werknemers. De derde trend gaat juist
de andere kant op: op onderdelen wordt juist het
Voorstel van wet van de leden Van Weyenberg en Keijzer tot wijziging van de Ambtenarenwet en enige
andere wetten in verband met het in overeenstemming brengen van de rechtspositie van ambtenaren
met die van werknemers met een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht (Wet normalisering rechtspositie
ambtenaren), Kamerstukken I 2014/15, 32550, nr. A.
65. Zie Handelingen I 2015/16, nr. 1 item 7 (22 september 2015).
64.
226
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://tjbJT7iBf30PpBZ5vSPOTDt5OS8pmppNZENHUHbFgys`̵ Vt
]7&'׉E
bijzondere van het werken in en voor de publieke
dienst benadrukt.
2 CONTRACTUALISERING
In het ambtenarenrecht valt een trend van contractualisering
van de rechtspositie te bespeuren.
Die maakt het verschil met werknemers aanzienlijk
minder groot dan op het eerste gezicht lijkt.
Strikt juridisch gezien berust het werkzaam zijn
als ambtenaar op een aanstellingsbesluit, een eenzijdige
rechtshandeling. Een ambtenaar wordt benoemd,
een werknemer sluit een overeenkomst.
Een eerste relativering van het onderscheid is dat
de verhoudingen tussen werkgever en werknemer
naar burgerlijk recht ook weer niet zo tweezijdig
en gelijkwaardig zijn als ze op het eerste gezicht
lijken. Het hele arbeidsrecht is er nu juist op gebaseerd
dat er een groot machtsonevenwicht bestaat
tussen deze partijen. Daarom is de ruimte om
vrijelijk te contracteren over arbeidsverhoudingen
– te denken valt aan vakantiedagen, ontslaggronden
of loon bij ziekte – met dwingend recht
beperkt. Het gros van de werknemers heeft ook
niet veel te onderhandelen bij het afsluiten van
de arbeidsovereenkomst, zij worden min of meer
eenzijdig ingeschaald in de cao-systematiek of
het functiegebouw van de werkgever. Voorts staat
de werknemer onder het gezag van de werkgever.
Deze is bevoegd om eenzijdig voorschriften te
geven aan de werknemer omtrent de orde rond en
de inhoud van de arbeid.
Belangrijker is echter dat de verhoudingen tussen
overheidswerkgever en ambtenaar ook weer niet
zo eenzijdig liggen. Die zijn veeleer wederkerig,
contractueel van aard. Aan de aanstelling gaan sollicitatiegesprekken
en onderhandelingen over salaris
en werktijden vooraf. Daarover bereiken partijen
op enig moment een akkoord, een wilsovereenstemming.
De aanstelling is niet meer dan een
formele laatste stap om dat akkoord ook bindend te
maken. In zekere zin is de aanstelling een essentieel
vormvoorschrift, maar geen materiële eis.
De wijze waarop de aanstelling de individuele
rechtspositie regelt, is goed vergelijkbaar met hoe
arbeidsvoorwaardenakkoorden tussen overheidswerkgevers
en centrales van overheidspersoneel
de collectieve arbeidsvoorwaarden regelen. Eerst
bereiken partijen een akkoord, dat ook wel eens
‘overheids-cao’ wordt genoemd. Daarna volgt
de vertaling van dat akkoord in de ambtelijke
rechtspositieregelingen; dat zijn formeel eenzijdig
door de overheidswerkgever vastgestelde wettelijke
voorschriften over de onder die werkgever
werkzame ambtenaren, waarop overigens weer
het overeenstemmingsvereiste van toepassing is.
Feitelijk gaat het dus om een wettelijke vertaling, of
eigenlijk een vantoepassingverklaring, van de met
de bonden overeengekomen arbeidsvoorwaarden.
NORMALISERING. EEN PROCESSIE VAN ECHTERNACH OF EEN RITUELE DANS?
227
׉	 7cassandra://qLuRf5oyv606SUl4yBQGvGBnWxVPHLBg_e-CJcwx6zU^`̵ Vt
7&'Vt
]7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://a6MGLqWWGUsv22kz2sm_2KEm1WGHK_RA7eHjVjawvyk ^` 
׉	 7cassandra://hIq9vgSKW31a5Q4LnaybB98VxiRSimzv7njK6SUrClon`T׉	 7cassandra://aMxwLGFgOukHE4R-FlIQg-SF1tSziT8jGq6tBgrUy6U`̵ ׉	 7cassandra://8eQ9LBpefUKhjcNaGb1o4Cdr87ghnouNhck1MtDmOeAQ$͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://kaQtg12nKU3DbD_8OrM3Rh_20lyH1jdjVVsVF-j9dAw I)` 
׉	 7cassandra://uRk63ylfTARj-LHQCTANfEwQ1fbyOhF9ga2Az8x9zx0m`T׉	 7cassandra://GH08z2zyuvfyDMw8XZm2YFv7_ccBB6zemp8w5zVUB5w`̵ ׉	 7cassandra://7RzA3Hr0dXfIQXL8_jNHd4hj3XDVslnKGZjhTvgAHxoSQ(͠Vt
7&'׉EOok in de ambtelijke ontslagpraktijk heeft de
overeenkomst al lang haar intrede gedaan. In de
ambtelijke verhoudingen heeft zo’n beëindigingsovereenkomst
het karakter van een nadere
regeling van de aan de overheidswerkgever toekomende
ontslagbevoegdheid. Net als bij de aanstelling
is het formeel de werkgever die beslist om
de ambtenaar op diens eigen verzoek te ontslaan;
feitelijk is er sprake van een beëindigingsovereenkomst
die moet worden geformaliseerd. Aan de
in die overeenkomst neergelegde afspraken is de
overheidswerkgever én de ambtenaar gebonden.66
Net als in het ‘normale’ contractenrecht kunnen
wilsgebreken, bijvoorbeeld dwaling, tot een uitzondering
leiden. De ambtenaar moet ‘in vrijheid’
tot zijn beslissing zijn gekomen om de arbeidsrelatie
te beëindigen. Net als in het arbeidsrecht
mogen overheidswerkgevers niet zonder meer
afgaan op verklaringen van de ambtenaar, maar
moet uit de omstandigheden blijken dat deze het
verzoek echt meende. Relevant is bijvoorbeeld of
er bedenktijd is geweest, of er op alternatieven is
gewezen en of de ambtenaar een (rechtsgeleerd)
adviseur had.67
In het arbeidsrecht spelen nagenoeg
dezelfde gezichtspunten een rol. Daar komt
dan nog bij dat de inhoud van het contract door de
bestuursrechter en de civiele rechter op dezelfde
wijze wordt bepaald. Het zogeheten ‘Haviltexcriterium’
van de Hoge Raad wordt toegepast. De
strikt taalkundige interpretatie van het contract is
niet beslissend. Er moet ook worden bekeken wat
partijen redelijkerwijs mochten verwachten.68
Bovenstaande ontwikkelingen hebben zich
geleidelijk aan voorgedaan, maar de trend tot
contractualisering is er onmiskenbaar. Een ander
voorbeeld zijn nog de van-werk-naar-werkinspanningen
bij dreigend (reorganisatie)ontslag.
De rechtspositieregelingen geven wel een kader,
maar wat de werkgever precies moet doen en
welke inspanningen er exact van de ambtenaar
verwacht mogen worden, ligt niet vast. Ook daar
komt het contract weer om de hoek kijken, of
worden de wederzijdse rechten en verplichtingen
door middel van gerichte afspraken geconcretiseerd.
Zo kent de CAR-UWO een budget voor
de herplaatsing van ambtenaren wier functie
overtollig is geworden. Wat er met dat budget van
7.500 euro moet gebeuren, is afhankelijk van de
in het van-werk-naar-werk-contract neergelegde
afspraken (art. 10d:16 CAR-UWO). Bij een ontslag
van een gemeenteambtenaar wegens disfunctioneren
stelt de werkgever weliswaar eenzijdig
een re-integratieplan op, maar dit gebeurt wel
in samenspraak met de betrokkene. En het plan
bevat naar de letter van de wet afspraken met en
geen voorschriften aan de ambtenaar (art. 10d:10
CAR-UWO).
Het proces verloopt lang niet altijd even uitdrukkelijk,
en langs lijnen van geleidelijkheid, maar de
66. Vgl. CRvB 15 april 2004, TAR 2005/15.
67. Vgl. CRvB 24 juli 2008, TAR 2009/34 en 23 september 2010, TAR 2010/172.
68. CRvB 22 mei 2008, TAR 2008/171.
228
NORMALISERING. EEN PROCESSIE VAN ECHTERNACH OF EEN RITUELE DANS?
׉	 7cassandra://aMxwLGFgOukHE4R-FlIQg-SF1tSziT8jGq6tBgrUy6U`̵ Vt
7&'׉E@contractualisering en de rechtspraak over contracten
tussen ambtenaar en bevoegd gezag hebben onmiskenbaar
voor een ‘stille normalisering’ gezorgd.
3 VERWILDERING VAN COLLECTIEVE
ONDERHANDELINGEN
Hiervoor is al besproken hoe de collectieve
arbeidsvoorwaardenvorming bij de overheid
plaatsvindt. Per sector wordt er onderhandeld
en vervolgens wordt het bereikte akkoord in
de rechtspositieregeling omgezet. Om ervoor
te zorgen dat de ambtenaren en hun bonden in
die onderhandelingen van gewicht zijn, is het
overeenstemmingsvereiste geïntroduceerd. De
overheid kan de bonden niet passeren, door eenzijdig
van haar wetgevende bevoegdheid gebruik
te maken om de arbeidsvoorwaarden naar haar
smaak aan te passen. Wijziging van de rechtspositieregeling
behoeft instemming van de bonden.
De overheid bereikt in beginsel niets door, als dat
zo uitkomt, de pet van werkgever te verruilen
voor de pet van wetgever. De introductie van het
instemmingsvereiste had tot doel om de arbeidsvoorwaardenonderhandelingen
zo sterk mogelijk
op cao-onderhandelingen te laten lijken.
In vergelijking met de marktsector valt op dat de
arbeidsvoorwaardenonderhandelingen nadrukkelijker
gereglementeerd en geprotocolleerd zijn.
Er is vastgelegd wie de onderhandelingspartners
zijn. Van de onderhandelende partijen wordt ook
verwacht dat zij reëel en open overleg voeren. Bij
geschillen over dat overleg voorzien de regelingen
in advies- en arbitrageprocedures. In de marktsector
geldt een grotendeels ongeclausuleerde
vrijheid van collectief onderhandelen. Vakbonden
genieten daarom een grote vrijheid bij het inzetten
van het stakingswapen. Recent heeft de Hoge
Raad benadrukt dat staken en andere vormen van
collectieve actie in beginsel zijn toegestaan.69
Aan
de andere kant hebben werkgevers de vrijheid om
niet te onderhandelen, of om alleen met bepaalde
vakbonden te onderhandelen. De rechter kan corrigerend
optreden, maar is terughoudend. Vorderingen
van representatieve vakbonden om tot de
onderhandelingstafel te worden toegelaten, zijn
nog wel kansrijk. Rechtszaken van bonden tegen
het afketsen van cao-onderhandelingen, met als
gevolg dat er geen cao of een met andere bonden
tot stand komt, zijn vrijwel altijd tot mislukken
gedoemd. Als een vakbond meer en anders wil,
dan moet die maar een staking gaan organiseren,
is de gedachte.70
De afgelopen jaren hebben geleerd dat het model
van gereguleerd arbeidsvoorwaardenoverleg niet
onverkort is gehandhaafd. De rijksoverheid heeft
misschien niet haar rol van werkgever en wetgever
verward, maar vond het vanuit het algemeen
belang niet wenselijk om tot loonsverhoging over
te gaan. Het gevolg: een jarenlange nullijn voor
rijksambtenaren en aanverwante sectoren. In sec69.
HR 19 juni 2015, JAR 2015/188.
70. Vgl. Jacobs, A.T.J.M. (2012). Collectief Arbeidsrecht (pp. 157 e.v.). Deventer: Kluwer.
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
229
׉	 7cassandra://GH08z2zyuvfyDMw8XZm2YFv7_ccBB6zemp8w5zVUB5w`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://fEt0YZoaUiygmYK-qL5aiJFROWdGF5NLK5LSnf2B0vs ` 
׉	 7cassandra://KxHpueCUXPfJASwaR8f-gfNYVEvHOLe7KisnaS7lLW4uN`T׉	 7cassandra://HLp_eS1KqfRn30c2o82Md24uFFvEKXsrzkCUSGoSPOc!`̵ ׉	 7cassandra://Gs8J7fwI7ibUr8u7GKERvi9wh0i7aL5h0ZDNNOOr24E\x(͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://5JfASdSAOGM3uwdmEB5PDo0cJl5VsHuNSYmvbcIWuig ` 
׉	 7cassandra://z8Bi412y7vk2UjlMKIy4mrPRR6d9TXfbKfAFxQs7iBMc`T׉	 7cassandra://g6_R102-Y-I6Ow_JL37nKocWUzZJ29SigBuOgwYxNjk`̵ ׉	 7cassandra://7F_3LTHm2DJo-J-3FrVn9ywsr-2mrLjKwm6KI68DEaMPF$͠Vt
7&'נVt
7&' ̌K9׉H Nhttp://www.deambtenaar.nl/2015/09/wat-is-ambtelijk-vakmanschap-een-verkenning/Gׁׁr׉EYtoren die op wat grotere afstand van het kabinet
staan, valt er overigens nog wel een loonstijging
op te merken.71
zag de rechter geen ruimte. Dat moeten de betrokken
partijen toch echt zelf regelen.72
Op 1 oktober
De overheid nam de vrijheid, waar
ook werkgevers in de marktsector gebruik van
maken, om geen cao’s af te sluiten. Dat is ook een
verschijningsvorm van de door internationale
verdragen geborgde onderhandelingsvrijheid.
Gesterkt door het stakingswapen en door de
bundeling van belangen, kunnen bonden op basis
van gelijkwaardigheid met de overheidswerkgever
onderhandelen. Of zij het gewenste resultaat
binnenhalen en of de werkgever zich redelijk
opstelt zijn au fond geen juridische vragen. Het
is mogelijk dat een salarisverhoging een sigaar
uit eigen doos is, omdat die uit verlaging van de
pensioenpremie wordt betaald. Als (een meerderheid
van) de bonden daar genoegen mee nemen, is
dat echter hun zaak.
Het heeft er alle schijn van dat de ooit zo keurig
aangeharkte arbeidsvoorwaardenonderhandelingen
bij de overheid wat verwilderd zijn. Van
cricket in keurige witte kledij tot rugby met de
poten in de modder.
Uiteindelijk is er wel een scheidsrechter, maar
die stelt zich terughoudend op. In de uitspraak
van 10 april 2015 oordeelde de rechter in feite dat
partijen maar verder moesten onderhandelen.
Voor toewijzing van de geclaimde pensioengelden
2015 wees de kortgedingrechter het beroep van
de ACOP FNV op de onderhandelingsregels af.
De een-op-een omzetting van het bovensectorale
loonakkoord in de pensioenkamer werd niet
ongeldig verklaard.73
4 ABNORMALISERING
Een heel andere tendens is die van abnormalisering.
Deze term bedoel ik niet pejoratief. Ik doel
op een aantal initiatieven waarmee het bijzondere
van het werken bij de overheid juist wordt
benadrukt. Voor het dienen van de publieke zaak
gelden nu eenmaal bijzondere eisen, zo is de
gedachte.
Te denken valt aan het benadrukken van het
belang van de ambtseed, die hier en daar toch
wat in onbruik was geraakt. Een ander belangrijk
issue is integriteitsbeleid ten aanzien van medewerkers
bij de overheid, waar ook meer aandacht
voor is. Deze tendensen zijn zeker niet nieuw,
maar opvallend is dat zij juist ook tijdens de
behandeling van het normaliseringswetsvoorstel
ook door de indieners ervan van harte worden
onderschreven.74
Binnen het ministerie van BZK
is een team actief dat het ‘ambtelijk vakmanschap’
moet helpen ontwikkelen.75
efficiencyslagen, privatiseringen en klantgerichtheidsinitiatieven
valt op dat ook de laatste jaren
Bij alle marktwerking,
71. Zie Uijlenbroek, J.J.M. (2015). Arbeidsverhoudingen aan de slag (oratie Leiden) (p. 24) Den Haag: CAOP.
72. Vzngr. Rb. Den Haag 10 april 2015, TAR 2015/121 (ECLI:NL:RBDHA:2015:4045).
73. Vzngr. Rb. Den Haag 1 oktober 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:11274.
74. Kamerstukken II 2010/11, 32550, nr. 3, p. 9.
75.
Zie de blog http://www.deambtenaar.nl/2015/09/wat-is-ambtelijk-vakmanschap-een-verkenning/
en ’t Hart, P. (mei 2014). Ambtelijk vakmanschap 3.0, (Essay voor de Vereniging voor OverheidsManagement,
Vereniging van Gemeentesecretarissen en stichting IKPOB).
230
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://HLp_eS1KqfRn30c2o82Md24uFFvEKXsrzkCUSGoSPOc!`̵ Vt
7&'׉E
(weer het eigene van het werken voor de overheid
sterker wordt geaccentueerd, in beleid en in de regelgeving.
Een goed voorbeeld van deze tendens is
ook de aanscherping van de regels rond de vrijheid
van meningsuiting en contacten met de pers van
rijksambtenaren. Verschillende incidenten rond
het gebruik van de sociale media tonen aan dat van
ambtenaren soms meer terughoudendheid wordt
verwacht dan van een doorsneeburger. Nogmaals,
het is niet allemaal nieuw, maar toch krijgt een en
ander weer wat meer nadruk de laatste jaren.
De Wet normering topinkomens is een ander
belangrijk voorbeeld. Op grond van deze wet
mogen het salaris en de ontslagvergoeding van
bestuurders van (semi)publieke instellingen, uiteenlopend
van ministeries tot woningcorporaties,
niet meer bedragen dan een wettelijk vastgelegd
maximum. Ook bonussen zijn verboden. De wet
moet excessieve beloningen voorkomen en moet
ervoor zorgen dat er zuinig met publieke gelden
wordt omgesprongen. De overheid grijpt hier
rechtstreeks in de arbeidsvoorwaarden van bepaalde
publieke functionarissen in. Zeker wat het
bonusverbod betreft zit daar de gedachte achter
dat zij niet door geldelijk gewin gedreven mogen
worden. Zij moeten de publieke zaak op grond
van andere motieven willen dienen. In die zin is
werken voor de overheid dus toch bijzonder.
Opvallend is wel dat de wet zowel op ambtenaren
als werknemers van publieke instellingen van
toepassing is. Niet de ambtenaar als zodanig is
dus bijzonder, maar degene die voor een publieke
instelling werkt. Opvallend is verder dat de wet,
naar de letter genomen, afspraken - contractuele
bedingen - boven de wettelijke plafonds verbiedt.76
De
regels gelden echter ook voor ambtenaren.
Kennelijk is een op afspraken gebaseerde
arbeidsovereenkomst met een te hoog salaris in de
optiek van de wetgever hetzelfde als een ‘eenzijdig’
aanstellingsbesluit als ambtenaar waarin een
te hoge bezoldiging is opgenomen.
5 CONCLUSIE
Het beeld van de karavaan die rustig voorbijtrekt,
terwijl de honden blaffen, heeft een hoog clichégehalte.
Wat de normalisering betreft klopt het
echter wel. Los van de wet die normalisering tot
doel heeft, speelt er een aantal autonome tendensen.
Aan de ene kant lijken werknemer en ambtenaar
steeds meer op elkaar. Aan de andere kant
is er ook een aantal ontwikkelingen dat de positie
van de ambtenaar toch weer verbijzondert.
76.
Art. 2 lid 1 WNT: ‘Partijen komen geen bezoldiging overeen die per kalenderjaar meer bedraagt dan de
maximale bezoldiging, bedoeld in artikel 2.3.’
NORMALISERING. EEN PROCESSIE VAN ECHTERNACH OF EEN RITUELE DANS?
231
׉	 7cassandra://g6_R102-Y-I6Ow_JL37nKocWUzZJ29SigBuOgwYxNjk`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://KRE8GQvs6qpYhdFinQxWPBug8hn0YtJkwHRukvZsyQE͗f` 
׉	 7cassandra://BIFhj7vifeg-8xKKSNdOfcxYlVPwBBlQB0TU2fQ7CCc)` T׉	 7cassandra://ZehSCae-0dQPH1ApiHW2zsWck5xzZ-Fc8AP3GsLxmx8`̵ ׉	 7cassandra://DUCsY5IyfE5bHDSELsBVa00ffKH23BJeA10OdTUd4fY|͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://xt-lepdIoeflO2X5y1rjT-ox6C0RkRYSiGQChk2S4dw ~` 
׉	 7cassandra://WW5_n-OgIv-6kwsEKDjGT43bafX7RwkBQuWalG62WzA;` T׉	 7cassandra://EHhwNddeU3g41j-mvhWwGnn51F0ur0Y-ERDWIueur5o`̵ ׉	 7cassandra://xlRb-JdoZuLSt3Uea8OjjowLzVLfx54vQgw1EnHAgLA7x͠Vt
7&'׉E (232
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://ZehSCae-0dQPH1ApiHW2zsWck5xzZ-Fc8AP3GsLxmx8`̵ Vt
^7&'׉E 21. Arbeidsvoorwaarden
moeten recht doen aan
jongeren
Interview met Michiel Hietkamp,
voorzitter CNV Jongeren
Interviewer: Berber Bijma
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
233
׉	 7cassandra://EHhwNddeU3g41j-mvhWwGnn51F0ur0Y-ERDWIueur5o`̵ Vt
7&'Vt
^7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://eUOlJlMqVRpqBIHEx0GSN6UxGA1g8NNcZITAzNOvBXU ` 
׉	 7cassandra://5V1_sIT8j4D9VawG1AOhpAWdyRXbZc1x_BHvvPyKNjM``T׉	 7cassandra://xZA28qqbn_jrBlyfryn6lu6I9qMPk6_IHVJAMMiNhJs `̵ ׉	 7cassandra://Vc-uAiV7iP7RfrCUPjQpv7hMeRKtYpxJwXIAJl8znuEd(͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://zT_cPW_XhlbOkSXx6uoWXo_vADbFUhm27_SN-1bdSnU ` 
׉	 7cassandra://4enyD-AHqY4bcZC1vtzRhZog3BATTncdPaq0ef3To6w``T׉	 7cassandra://q_QDxInduP_KP1MLIuUTm2kQsLLqG5h_QkDpV1b4n3k`̵ ׉	 7cassandra://V35TP-VZ5dLxTaO7avJYbkz2sxsXsJ4hO-m39GF0BBEL$͠Vt
7&'׉E
wDe overheid is voor jongeren een aantrekkelijke
werkgever, zegt Michiel Hietkamp, voorzitter van
CNV Jongeren. Kansen om je te ontwikkelen zijn er
volop. Het lukt echter maar heel weinig jongeren
om een baan bij de overheid te bemachtigen, omdat
oudere werknemers nauwelijks vertrekken. Modernisering
van de cao, met meer zeggenschap voor
jongeren, is volgens hem noodzakelijk.
Modernisering van de cao, daar kan niemand tegen
zijn. Maar in de praktijk blijkt dat werkgevers
en werknemers iets totaal verschillends bedoelen
met die modernisering, zegt Michiel Hietkamp,
sinds 2013 voorzitter van CNV Jongeren. ‘Als de
werkgevers het hebben over moderne cao’s, bedoelen
ze uitgeklede raamwerken, die zorgen voor
verslechtering van de positie van werknemers.
Werknemers denken juist aan modernisering in
de zin van meer flexibiliteit, bijvoorbeeld met
mogelijkheden voor uitruil van pensioen, vakantiedagen
en extra loon.’
De ambtenaren-cao is bij uitstek conservatief,
vindt Hietkamp. ‘Dat komt vooral door de sterke
vergrijzing onder overheidswerknemers. De oudere
generatie voert in de cao-onderhandelingen
te boventoon. Jongeren komen daardoor in een
slechtere positie, ook qua inkomen. Ze betalen
mee aan de rechten van ouderen.’
Hoe aantrekkelijk is de overheid dan als
werkgever voor jongeren?
‘Toch wel aantrekkelijk. Wij merken onder jongeren
dat een baan bij de overheid hen stabiliteit
geeft. De werkzekerheid lijkt bij de overheid groter
te zijn dan bij marktpartijen. Als je bij de overheid
werkt, heb je een degelijke baan en ruimte
voor ontwikkeling. De overheid investeert relatief
veel in jongeren. Neem zoiets als de prijs voor de
‘Jonge ambtenaar van het jaar’; de winnaar mag
een jaar lang de spreekbuis van jonge ambtenaren
zijn. Dat is een heel mooi initiatief. Waar vroeger
de ambtenaar een duf en saai imago had, krijg je
tegenwoordig juist de ruimte om je te ontwikkelen,
bijvoorbeeld met traineeships. Ministeries,
gemeenten, waterschappen, de rechterlijke macht
en de politie zijn instellingen waar je als jonge
werknemer kansen krijgt.’
De cao, die oudere collega’s bevoordeelt, nemen
jongeren dan wel voor lief?
‘Vaak wel, áls je het tenminste voor elkaar krijgt
een baan bij de overheid te krijgen. Diezelfde
werkzekerheid is namelijk ook een grote belemmering
voor jongeren om binnen te komen: het
bestand van bestaande medewerkers is heel vast.
De gemiddelde leeftijd van werknemers in de
publieke sector stijgt jaarlijks met bijna een jaar.
Dat betekent dat er nauwelijks aanwas is van
jongeren. Die traineeships zijn prachtig, maar
het zijn de lucky few die na zo’n traineeship van
234
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://xZA28qqbn_jrBlyfryn6lu6I9qMPk6_IHVJAMMiNhJs `̵ Vt
7&'׉E
<een tot drie jaar een vaste baan krijgen. Dat we
nu een VVD-kabinet hebben, dat een krimpende
overheid voorstaat, helpt natuurlijk ook niet. De
salarissen liggen in veel publieke sectoren ook niet
zo hoog. Een leraar heeft bijvoorbeeld een prima
beginsalaris, maar kan vervolgens geen grote loonontwikkeling
meer maken gedurende de rest van
z’n carrière. Zeker niet als er ook nog eens vijf jaar
lang een nullijn geldt.’
Er moet dus iets gebeuren om werken in de
publieke sector aantrekkelijker te maken?
‘Zeker. Wat er nu gebeurt is ook een gevaar voor
de overheid zelf: als je nu geen jongeren aantrekt,
heb je straks een enorm probleem als er grote
cohorten ouderen uitgaan. Ik ben vrij optimistisch
over die verandering. Alleen al door diezelfde
vergrijzing móeten er straks wel jongeren worden
aangenomen. Met de oude werknemers zullen
ook de oude regelingen verdwijnen die nadelig
zijn voor jongeren. Dat moet ook wel; wil de
overheid aantrekkelijk zijn voor jongeren, dan
moet ze de pot eerlijk verdelen. Er moet ook meer
perspectief zijn om vanuit een tijdelijk contract
of een flexpositie door te groeien naar een vaste
baan. Anders vertrekken de beste mensen naar de
private sector.’
Met de normalisering van de ambtenarenstatus
zullen de private en publieke sector dichter bij
elkaar komen. Gaat dat veel veranderen?
‘Ik denk dat er enorm veel gaat veranderen. De
overheid wordt een werkgever als andere werkgevers,
de beschermde positie van ambtenaren
wordt opgeheven. Dat heeft twee kanten. Als je
vanwege je functie dicht op bepaalde gevoelige
informatie zit, is het goed om bescherming te krijgen.
De normalisering van de ambtenarenstatus
zou mensen kwetsbaarder kunnen maken, maar
het is de vraag hoe dat in de praktijk uitpakt. Aan
de andere kant staan wij als jongeren niet negatief
tegenover die normalisering, want het kan
de arbeidsmobiliteit vergroten en daardoor meer
kansen voor jongeren bieden. Maar ook op dat
punt is het afwachten: gaat de mobiliteit daadwerkelijk
toenemen? Dat is lastig te voorspellen.’
JONGERENAKKOORD
Hietkamp is een van de initiatiefnemers van het
‘Jongerenakkoord’, dat in het voorjaar van 2015
werd gesloten tussen jongerenorganisaties van zowel
werkgevers- als werknemerszijde. Zij pleiten
daarin voor vernieuwing van de arbeidsvoorwaarden,
om jongeren meer kansen te geven. ‘Bij de
oudere generatie staan werkgever en werknemer
gepolariseerd tegenover elkaar. Wij ontdekten als
jongeren dat we een gezamenlijk toekomstbeeld
hebben en dat we elkaar moeten opzoeken in
plaats van bestrijden.’
ARBEIDSVOORWAARDEN MOETEN RECHT DOEN AAN JONGEREN
235
׉	 7cassandra://q_QDxInduP_KP1MLIuUTm2kQsLLqG5h_QkDpV1b4n3k`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://xnk6XkwM8sClGMQABqo6ACuNgES1cXyzFZ1KGw1UlWs ` 
׉	 7cassandra://F0YBkUvYZrWEJp4Y4ROMzWS9NOWEHDy_ZZ5P6MM3zSA^`T׉	 7cassandra://lnhFUGW9TFCzPWsWCDHetjJHEnpWtNAQd_xEgIe0w_0$`̵ ׉	 7cassandra://9IqA7au5ySw9gYc2x9PzUarvH4QocgH_nMKm5fktwusMT$͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://YxduqMeQ610Y4vDegoK1X8R7cwpRq-OMmMyTpQJb4TM V` 
׉	 7cassandra://31R94MEYGBN3a-c-9eV1wI3TododmLg1fRL6eTB-Sks'Q` T׉	 7cassandra://y9Ak_WzG-STQEsLZys3rJIPI2NlVTDNtS6SL31xbub8	m`̵ ׉	 7cassandra://IVC-gUAt4A4E-9nOwjxo5aJnbYATrCh-oSKcf8zHty44(͠Vt
7&'׉E	Het Jongerenakkoord gaat overigens niet specifiek
over arbeidsvoorwaarden in de publieke sector,
maar over alle sectoren. De jonge werkgevers en
werknemers formuleerden drie speerpunten:
generatieneutraliteit, duurzame inzetbaarheid en
een modernere vorm en totstandkoming van de
collectieve arbeidsovereenkomsten. ‘Generatieneutraliteit
is niet alleen goed voor jongeren, maar
ook voor ouderen’, zegt Hietkamp. ‘Ouderen zijn
nu minder aantrekkelijk voor werkgevers, omdat
ze relatief duur zijn met hun recht op bijvoorbeeld
extra vrije dagen. Aan de andere kant is het
onredelijk dat jongeren bijvoorbeeld in bepaalde
overheids-cao’s meebetalen aan de vutregelingen
van ouderen. Solidariteit is goed, maar blinde
solidariteit is naïef.’
Wat moet er gebeuren om duurzame
inzetbaarheid te stimuleren?
‘Werknemers moeten continu gestimuleerd worden
om zich bij te scholen en verder te ontwikkelen.
Daarnaast vinden wij als jongeren dat demotie
bespreekbaar moet worden. De pensioenleeftijd
van mijn generatie wordt waarschijnlijk rond de
72 jaar; niemand kan beweren dat je op je zeventigste
méér productief bent dan op je veertigste.
Als we zo lang doorwerken, moet het ook gewoon
worden om een stapje terug te doen, ook in salaris.
Het probleem is dat dat niet in onze cultuur
zit, zoiets vertel je niet op een verjaardagsfeestje.
Dat maakt het ontzettend moeilijk om demotie
gewoon te maken.
‘Investeren in duurzame inzetbaarheid kan al aan
het begin van de loopbaan beginnen. Juist door
de overheid, met haar voorbeeldfunctie. Wij
merken dat veel mensen met een flexbaan bij de
overheid binnenkomen en na twee of drie jaar
weer vertrekken, zonder dat er tussentijds in hen
is geïnvesteerd. De overheid zou als werkgever
met deze mensen een ontwikkelpad kunnen
vastleggen, dat verder reikt dan die drie jaar, ook
al gaat de werknemer daarna elders werken. Zo’n
ontwikkelpad helpt een jongere om goed de arbeidsmarkt
op te komen. Een flexwerker zou met
andere woorden niet een arbeidscontract, maar
een arbeidsmarktcontract moeten kunnen krijgen,
inclusief bijvoorbeeld een scholingsbudget dat
meegenomen kan worden.
‘Het derde speerpunt van ons akkoord is een moderne
vorm van de cao. Een cao kan een raamwerk
bieden, met collectieve afspraken die zekerheid
bieden, maar daarnaast veel ruimte overlaten voor
individueel maatwerk. Dat maakt zo’n overeenkomst
meer generatieproof: je kunt je arbeidsvoorwaarden
zo invullen als bij jouw levensfase past.’
236
ARBEIDSVOORWAARDEN MOETEN RECHT DOEN AAN JONGEREN
׉	 7cassandra://lnhFUGW9TFCzPWsWCDHetjJHEnpWtNAQd_xEgIe0w_0$`̵ Vt
7&'׉E;Hoe is het jongerenakkoord ontvangen?
‘De Tweede Kamer vindt het interessant, maar het
is ook een kwestie van de sociale partners zelf om
de arbeidsvoorwaarden te vernieuwen. Politieke
partijen denken er verschillend over. D66 voelt
wel voor individualisering met een raamwerkcao,
maar de VVD wil liefst van de hele cao af.
Wij brengen onze boodschap op zoveel mogelijk
plekken, om de geesten rijp te maken voor
verandering. Wil je jongeren een plek geven op de
arbeidsmarkt, dan moet je die ook aantrekkelijk
voor hen maken.’
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
237
׉	 7cassandra://y9Ak_WzG-STQEsLZys3rJIPI2NlVTDNtS6SL31xbub8	m`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://E_eExou9iAj6-I3Z3sBd8ekril3Zybp7x8OEdsIY_4k͐h` 
׉	 7cassandra://ijUWE1uf6A4YhnfjfBXEtxDw89vwR-uG_I61qi1ZzFge` T׉	 7cassandra://5ENF8zZdJe_PQlAB1xxgp7cTNvCd55213bc0JvbyUq4`̵ ׉	 7cassandra://-Nz4Bk5q-lYvu_RpQzssoy98vecHOsPEISyKfTDsN-I|͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://rKGTIn7bXeqEfXpC5ytr6WJ-_AV4OB7LbkfKkngnufo > ` 
׉	 7cassandra://_pfHpicHkXWa-w1Eyxx1T2uxEWwSvbgW0R5HUpKOCfo1` T׉	 7cassandra://cTWe0_V0H22sKKPd31j-mi4XHGxBl_nkH4_CBjqZsrg`̵ ׉	 7cassandra://jvoPzOL14Lnz3SWItVFpIDhQ18nxkLXNB1SvhSwvh6k.Wx͠Vt
7&'׉E (238
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://5ENF8zZdJe_PQlAB1xxgp7cTNvCd55213bc0JvbyUq4`̵ Vt
^7&'׉E o22. Normalisatie van de
ambtelijke rechtspositie
De ambtenaar vergeten
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
239
׉	 7cassandra://cTWe0_V0H22sKKPd31j-mi4XHGxBl_nkH4_CBjqZsrg`̵ Vt
7&'Vt
^7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://TouM4tfAtapdty8K7eD6gSYc_t7f7yOgXFTYOsFjggo ` 
׉	 7cassandra://3SQLUMy6alKafzka9lcXBxBj5lK-d0ykAVj_pStCO54>`T׉	 7cassandra://bbheM7aDItbJ0DoXY9e8B0T--tE8E_QQr-KswmOKuSo&`̵ ׉	 7cassandra://iQcnueauaVWvJ4J7wHY-4Wy8uekdnwFtPZ3feauEBOQB(͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://uUHQxTtRq3xeMyqfVL0gUIlH-qI5fadEXxVdv03R8Gk ` 
׉	 7cassandra://IH0cKNoEyzW9kJyEUfEDF19XkfL4zbCU85Z4UqpiEmc_`T׉	 7cassandra://l76I3kMP4h9dDagGprWvKP2KcYhDx_nJ1n5JSs7yE30`̵ ׉	 7cassandra://tHKsDf9PmaW8Z_GwT88zja_x2IcNrme9FsD65uFXvhgD5$͠Vt
7&'׉EDrs. R.C. Bos
1 INLEIDING
Het moment van schrijven van dit betoog over
normalisatie is zomer 2015. Alles wijst erop dat
de plenaire behandeling van het initiatiefvoorstel
Wet normalisatie rechtspositie ambtenaren in de
Eerste Kamer plaatsvindt op 22 september en dat
een meerderheid van de senatoren met dit wetsvoorstel
zal instemmen. De verdere procedure van
invoering en uitvoering van dit wetsvoorstel is op
dit moment nog tamelijk ongewis. Zeker is wel
dat het veel tijd gaat kosten. Maar laten we nu eens
aannemen dat het januari 2018 is. Het normalisatieproces
is, op welke wijze dan ook, afgerond en
alle wetswijzigingen zijn doorgevoerd. Welk probleem
is dan opgelost en merkt een ambtenaar er
iets van in zijn dagelijks werk? Of is normalisering
een Haagse oplossing voor een Haags probleem?
2 TERUGBLIK: WAT WAS HET
PROBLEEM?
Laten we vanuit de toekomst eerst eens terugkijken.
In november 2010 werd het wetsvoorstel om
de ambtelijke rechtspositie af te schaffen, ingediend
door twee Kamerleden. In de Memorie van Toelichting
geven zij een aantal redenen en problemen
die opgelost moeten worden om dit ‘sluitstuk van
de normalisering, de afschaffing van de ambtelijke
rechtspositie’ in te dienen bij de Tweede Kamer.
Deze redenen zijn onder te verdelen in vier categorieën:
principiële en praktische redenen, P&Oproblemen
en proceseconomische redenen.
240
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://bbheM7aDItbJ0DoXY9e8B0T--tE8E_QQr-KswmOKuSo&`̵ Vt
^7&'׉E
-Principiële redenen
De indieners willen dat iedereen die in loondienst
werkt onder het civiele arbeidsrecht valt. Hierdoor
worden niet alleen de arbeidsverhoudingen
gelijkwaardiger en transparanter, maar komt ook
een principiële gelijkheid tussen ambtenaar en
overheidswerkgever tot stand. Bovendien maakt
normalisatie een einde aan de vermenging van
rollen van de overheid, namelijk die van wetgever
enerzijds en werkgever anderzijds. In caoonderhandelingen
wordt contractvrijheid nu het
leidend principe, passend bij de ILO-verdragen.
Praktische redenen
De arbeidsmobiliteit tussen de private en de publieke
sector moet groter worden, er is nu te veel
sprake van gescheiden arbeidsmarkten. Normalisatie
bevordert bovendien deregulering: cao’s
werken direct door in de arbeidsovereenkomst en
ook nieuwe arbeidswetgeving geldt gelijk voor de
publieke sector. Vervolgens wordt ingegaan op
de kosten en de duur van de ontslagprocedure in
het ambtenarenrecht. Hierbij wordt gesteld dat de
Algemene wet bestuursrecht, die dit ontslagrecht
reguleert, daarvoor niet geschikt is en er sprake is
van ‘ongerechtvaardigde verschillen in rechtsbescherming’.
P&O-problemen
De
derde categorie problemen die, volgens de indieners
van het voorstel opgelost moeten worden,
is ‘de publiekrechtelijke conditionering van het personeelsbeleid
bij de overheidswerkgevers’. Ik noem
ze de categorie P&O-problemen. De op te lossen
problematiek is samen te vatten als de mogelijkheid
(maar soms ook de verplichting) van ambtenaren
om bedenkingen, bezwaar en beroep te kunnen
aantekenen tegen besluiten waardoor zij in hun
rechtspositie worden geraakt. De werkgeversrol
van de overheid wordt, aldus de indieners, te veel
bepaald door ‘organisatie overstijgende jurisprudentie
of publiekrechtelijke rechtsbescherming die
daar niet op is toegesneden’ en zou veel meer bij de
organisatie zelf moeten liggen.
Proceseconomische redenen
Deze laatste categorie valt uiteen in twee onderdelen.
In de eerste plaats is het duur en inefficiënt
om twee rechtssystemen naast elkaar te laten
bestaan om nagenoeg dezelfde vraagstukken te regelen.
En, volgens de indieners een ‘argument van
een heel ander orde’: de ambtelijke rechtspositie
draagt bij aan het stoffige imago van de ambtenaar,
waardoor jongeren zich niet snel aangetrokken
voelen tot een baan bij de overheid. Bovendien
zal het afschaffen van de ambtelijke rechtspositie
leiden tot een betere concurrentiepositie van
overheden op de arbeidsmarkt, omdat ‘allerlei
beperkende scheidslijnen’ opgeheven worden.
NORMALISATIE VAN DE AMBTELIJKE RECHTSPOSITIE
241
׉	 7cassandra://l76I3kMP4h9dDagGprWvKP2KcYhDx_nJ1n5JSs7yE30`̵ Vt
7&'Vt
^7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://eMljl66_hWmkcFLswjfVG5RD2ZXdTFoYWs1n4i6rj80 p` 
׉	 7cassandra://VtNtHeI1lw44v0XFoxHXDq_jy-Slhdy_OooUsdw7_X0fY`T׉	 7cassandra://g4qN9cY9Q6y0Ukz4FzP1b23-1ML3AE_sG-_dP7uy96Y`̵ ׉	 7cassandra://aRe5nkm7DLKVUZ-VPEgqbL04lmeR5ZzuIrQTfdZw0hcHu$͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://xg69SjRa4pVZkxbnGZecAY3IhtLfkGHAAM2-d0yOaPA ` 
׉	 7cassandra://o97LsjzjbiF6iMBAvANfUUiS54ahL2umx-_DW3BkWrMe`T׉	 7cassandra://L1JBLH0j6v_EBRtw8lnpm1z0vyN86MZ0ib-1JeRKbos`̵ ׉	 7cassandra://AwTuOBbbtbT-AQLJRqGzcW5XYWF1EnlngHFYeKxFL-QQ(͠Vt
7&'׉E
Niet alle genoemde redenen voor normalisatie
van de ambtelijke rechtspositie, of problemen
die door normalisatie opgelost moeten worden,
raken de arbeidsverhouding van de ambtenaar.
De financiële redenen bijvoorbeeld raken de
ambtenaar niet, behalve in zijn hoedanigheid als
belastingbetalende burger. Dat geldt ook voor de
dereguleringswensen, die politiek bepaald zijn.
Voor de ambtenaar zijn de belangrijkste formele
veranderingen:
- van een eenzijdige naar een tweezijdige arbeidsverhouding
onder BW;
- een ander ontslagrecht;
- geen bezwaar en beroep meer mogelijk tegen
besluiten.
Ik ga hieronder in op de vraag of de ambtenaar hier
veel van zal merken in zijn dagelijks werk. Tot slot
komt ook de beoogde verandering waar het gaat om
het stoffige imago van de ambtenaar aan de orde.
3 TERUG NAAR DE TOEKOMST
Januari 2018. De ambtenaar verschijnt voor het
eerst in het nieuwe jaar op zijn werk. Hij is nu
‘ambtenaar nieuwe stijl’ geworden, een ambtenaar
met een arbeidsovereenkomst met de overheid.
Die arbeidsovereenkomst is een tweezijdige
overeenkomst, waar twee handtekeningen onder
horen te staan van gelijkwaardige partijen. Het
wetsvoorstel heeft echter beslist dat de aanstellingen
van rechtswege overgaan in arbeidsovereenkomsten.
Daarvoor is dus geen handtekening van
de ambtenaar nodig geweest. Maar goed, de eenzijdige
aanstelling die de ambtenaar jaren geleden
thuisgestuurd kreeg, was vooral formeel eenzijdig;
uiteraard stemde de ambtenaar al tijdens de
werving- en selectieprocedure in met het dienstverband
bij de overheid. Er lag dus feitelijk wel een
afspraak tussen twee partijen aan ten grondslag,
de aanstellingsbrief – die hij toen ook niet hoefde
te ondertekenen – was slechts een formalisering
van die afspraken.
Zal de ambtenaar iets merken van de principiële gelijkheid
tussen hem en zijn werkgever, die door het
wetsvoorstel tot stand gekomen is? ‘Voor zover er
in de arbeidsverhouding formeel sprake is van een
gezagsrelatie, dient de rechtsverhouding gebaseerd
te zijn op een (tweezijdige) arbeidsovereenkomst.
Deze keuze voor een gelijke rechtspositie voor alle
werkenden is vooral ook een principiële keuze.’
Daarmee geven de indieners eigenlijk al aan dat er,
net als in een ambtelijke aanstelling, in de civiele
arbeidsrelatie een gezagsrelatie bestaat. Sterker nog,
er is pas sprake van een arbeidsovereenkomst als
er sprake is van een gezagsverhouding (BW7:610
spreekt van ‘in dienst van de andere partij’). De
ambtenaar zal in de praktijk van principiële gelijkheid
weinig merken: enerzijds is die er in het civiele
arbeidsrecht ook niet, anderzijds kan niet gezegd
worden dat de ambtelijke arbeidsverhouding zoals
die zich de laatste twintig jaar ontwikkeld heeft,
242
NORMALISATIE VAN DE AMBTELIJKE RECHTSPOSITIE
׉	 7cassandra://g4qN9cY9Q6y0Ukz4FzP1b23-1ML3AE_sG-_dP7uy96Y`̵ Vt
7&'׉E
gekenmerkt wordt door een geheel andere gezagsverhouding
tussen de individuele ambtenaar en de
overheidswerkgever.
Tijdens de behandeling van het initiatiefwetsvoorstel
was het ambtelijke ontslagrecht een van
de meest besproken thema’s. Vooral de media
presenteerden de discussie over normalisatie als
het afschaffen van het ambtelijke ontslagrecht.
Zo kopte de Volkskrant op 11 april 2011: ‘Sneller
ontslag ambtenaren’ en schreef De Telegraaf op
4 mei 2014 onder de kop ‘Voorkeursbehandeling
ambtenaar aangepakt’: ‘De Tweede Kamer wil de
royale bescherming die ambtenaren krijgen als ze
ontslagen worden, afschaffen.’
Waaruit bestaat die ‘royale bescherming’ bij
ontslag? Die leek er te zijn in relatie tot de civiele
ontslagbescherming zoals die vóór juli 2015 gold.
Tot die datum was het voor een werknemer met
een arbeidsovereenkomst niet mogelijk om in
hoger beroep te gaan tegen een ontbinding van de
arbeidsovereenkomst door de rechter, noch tegen
een ontslagvergunning die het UWV verleende.
Voor werkgevers in de marktsector was er een
vrije keuze in de ontslagroute, via de rechter of via
het UWV. Feitelijk was ontslag altijd een mogelijkheid:
wanneer de ontslagvergoeding – onderling
overeengekomen of door de kantonrechter
opgelegd – maar hoog genoeg was, kon de arbeidsovereenkomst
vrijwel altijd beëindigd worden.
Voor ambtenaren gold tot de normalisatie de
Algemene wet bestuursrecht, waarbij tegen een
besluit, dus ook tegen ontslagbesluit, (achteraf)
wel bezwaar gemaakt en beroep en hoger beroep
bij de bestuursrechter ingesteld kon worden.
Bovendien schreven de rechtspositieregelingen
veelal de ontslaggronden en de bijbehorende
formaliteiten voor.
De wijzigingen in het civiele ontslagrecht zoals die
in 2015 ingevoerd zijn, worden door juristen niet
onterecht vaak aangeduid als ‘verambtelijking van
het ontslagrecht’. Niet alleen zijn de ontslaggronden
en de bijbehorende routes in de wet vastgelegd,
ook wordt het makkelijker voor werknemers
om in (hoger) beroep te gaan bij de rechter. En
daarmee is het civiele ontslagrecht veel meer gaan
lijken op het ambtelijke ontslagrecht. In die zin zal
er voor de ambtenaar nieuwe stijl wel iets veranderen
op het gebied van ontslag, maar niet zo veel
als de indieners oorspronkelijk beoogden.
Er is nog een ander punt dat vaak naar voren komt
als het gaat om de ontslagbescherming van ambtenaren:
ambtenaren moeten beschermd worden
tegen politieke willekeur. Nu heeft politieke willekeur
twee verschijningsvormen. Meestal wordt
het gebruikt om aan te geven dat een ambtenaar
beschermd moet worden tegen ontslag vanwege
een andere politieke kleur dan de politiek verantwoordelijke
wenselijk vindt. Dat betreft met name
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
243
׉	 7cassandra://L1JBLH0j6v_EBRtw8lnpm1z0vyN86MZ0ib-1JeRKbos`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://I6O0WmtVF5eOzk8Qlom58ibRLcqzMNPRtsCQI0c7Go8 
` 
׉	 7cassandra://7szi6R16GviTPgCNgQMQnAXw6dIhn_MY4M0HG40FxKcf`T׉	 7cassandra://OkyFom5ugv-K29DSo9VAcs-_OjiBWqdSIpBUsjNQZrw`̵ ׉	 7cassandra://Uh87fVC5UXWd9bNx5KTaYY_DnJTWFzH8klPnvcz_vTEC(͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://KrYb7qDLLBI5l8eOJS8LTSqxku-URljVIQOhWJUvWPw $` 
׉	 7cassandra://6n-7K2pp4EqaUBTGYBXwmMyayIxoQfrfUxIvnLzSbtAg`T׉	 7cassandra://Wp7TvzXoMDjQ3OciFeZwv7KpJR2xVOZg8ZRkytZe-MM`̵ ׉	 7cassandra://-qP6KImSzo3_lIq7TxrKG83O3U5hXIMvFTYK1Vk27JYPB$͠Vt
7&'׉E
de topambtenaren die direct onder een minister of
wethouders werken. Voor de ‘gewone’ ambtenaar
is er echter een andere vorm van politieke willekeur
die hem in zijn baanzekerheid bedreigt. Die
ontstaat door veranderingen van politieke kleur
van het democratisch bestuur. Op lokaal niveau
verandert die, meer of minder drastisch, iedere
vier jaar. Op nationaal niveau hebben we de afgelopen
vijftien jaar zeven kabinetten gehad. Ieder
kabinet neemt nieuwe bezuinigingen op in zijn
regeerakkoord en die brengen nieuwe reorganisaties
met zich mee. Hoe de ontslagprocedures bij
reorganisaties echter gaan lopen, is voor de ambtenaar
in 2018 nog niet duidelijk. Volgens minister
Plasterk zal de ‘normale’ regeling zoals die voor
de markt geldt (een ontslagvergunning aanvragen
bij het UWV), voor de overheid ‘om voor de hand
liggende redenen’ niet gelden. Maar hoe wordt
de redelijkheid van zo’n ontslag dan wel preventief
getoetst? En door wie? Gezien de nadruk die
tijdens de Kamerbehandeling op het makkelijker
kunnen ontslaan van ambtenaren is gelegd, heeft
de ambtenaar in 2018 in deze situatie een flinke
aanslag op zijn ontslagbescherming te vrezen.
In 2018 kan de ambtenaar nieuwe stijl geen bezwaar
meer maken tegen besluiten op grond van
de Awb. Niet tegen een ontslagbesluit, maar ook
niet tegen bijvoorbeeld beoordelingsbesluiten of
plaatsingsbesluiten in het kader van reorganisaties.
De indieners zien dit als een voordeel van
normalisatie, een einde aan de juridisering van het
personeelsbeleid bij de overheid.
Als beleidsadviseur bij FNV Overheid (voorheen
Abvakabo FNV) heb ik tientallen presentaties
gegeven over de gevolgen van het afschaffen van
de ambtelijke rechtspositie. Voor de daar aanwezige
leden was dit onderwerp meestal een van
de grootste bezwaren tegen dit voorstel, vaak gemotiveerd
door het argument dat het juist goed is
dat besluiten van de overheidswerkgever getoetst
worden, omdat er zo veel fouten gemaakt zouden
worden. De vraag is niet of dat waar is, de vraag
is of dat in de marktsector anders is. Ik verwacht
niet dat de markt minder fouten maakt, of minder
slecht onderbouwde besluiten neemt, althans, ik
kan het nergens op baseren. Punt is wel dat door
de toetsing van besluiten van overheidswerkgevers
op grond van de Awb fouten eerder geconstateerd
en hersteld kunnen worden. Maar na de
normalisatie kan dat niet meer, althans niet in de
huidige vorm.
Maar hoe zal dat gaan in 2018? Is de ambtenaar
vogelvrij? Kan een overheidsorganisatie met haar
werknemers doen wat ze wil? Het antwoord is
‘nee’ en wel om drie redenen.
In de eerste plaats kan dat ook in het huidige
civiele arbeidsrecht niet. Eenzijdig ingrijpen in
de tweezijdige arbeidsrelatie, bijvoorbeeld in de
244
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://OkyFom5ugv-K29DSo9VAcs-_OjiBWqdSIpBUsjNQZrw`̵ Vt
7&'׉E
functie die uitgeoefend wordt of zomaar de standplaats
van de werknemer wijzigen, kan alleen bij
zwaarwegende redenen (BW7:613). En die neemt
de rechter niet snel aan, mocht het zover komen.
De VNG schrijft op haar website: ‘In het private
arbeidsrecht kan alles, tenzij het verboden is. Dat
geeft veel ruimte en vrijheid aan partijen. In het
bestuursrecht (in dit geval de rechtspositieregeling)
is het zo dat er in beginsel niets kan, tenzij er
een wettelijke grondslag is om het te doen.’ Dat
zou een ambtenaar in 2018 ongerust kunnen maken.
Maar het is naar mijn mening eerder wishfull
thinking dan de realiteit. Het arbeidsovereenkomstenrecht
kenmerkt zich juist door veel dwingendrechtelijke
bepalingen en beperkt afwijkingsmogelijkheden
vaak tot de cao of de schriftelijke
overeenkomst. In veel marktsectoren onderhandelen
de sociale partners over die afwijkingen en
worden de grenzen in de cao vastgelegd. Dat zal
straks in de overheids-cao’s niet anders zijn.
In de tweede plaats willen de vakbonden bij de
omzetting van de huidige rechtspositieregelingen
in cao’s in ieder geval op belangrijke onderwerpen,
zoals reorganisaties, disciplinaire maatregelen en
functiewaardering, vergelijkbare bezwaar- en beroepsmogelijkheden
afspreken. Iets wat overigens
in veel marktsectoren ook gebruikelijk is.
Tot slot blijven de algemene beginselen van behoorlijk
bestuur, die een belangrijke rol spelen in
de beoordeling van het handelen van de overheid,
via de schakelbepaling Awb 3:1 lid 2 ook van toepassing
op het handelen van de overheid wanneer
het geen besluiten als in de zin van de Awb betreft.
4 TUSSENCONCLUSIE
De tussenconclusie kan dus zijn dat de omzetting
van een formeel eenzijdige naar een tweezijdige
arbeidsverhouding geen substantiële, praktische
veranderingen voor de ambtenaar met zich mee
hoeft te brengen. Dat is enerzijds het gevolg van
de verambtelijking van het civiele ontslagrecht,
Anderzijds is het daarvoor wel noodzakelijk dat
sociale partners het niet langer van toepassing zijn
van de Algemene wet bestuursrecht repareren en
dat de preventieve ontslagtoets goed vormgegeven
wordt. Daarvoor is het nodig dat de vakbonden
hun positie in het overleg behouden en ze
bijvoorbeeld niet, zoals sommige overheidswerkgevers
graag willen, door ondernemingsraden
vervangen worden.
Het imago van de ambtenaar is niet goed. De
‘raamambtenaar’ is een begrip geworden en de
ambtenarenmoppen tieren nog steeds welig.
Uit onderzoek van Motivaction in 2011 blijkt dat
Nederlanders ambtenaren traag, niet doortastend,
inefficiënt en lui vinden. De indieners hebben
het over een stoffig imago, wat in dat onderzoek
bevestigd lijkt te worden. Ze noemen het vooral
een probleem omdat de overheid daardoor voor
NORMALISATIE VAN DE AMBTELIJKE RECHTSPOSITIE
245
׉	 7cassandra://Wp7TvzXoMDjQ3OciFeZwv7KpJR2xVOZg8ZRkytZe-MM`̵ Vt
7&'ǁVt
7&'ƁFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://LGViLI0k93OSj-yYSmaCccqxBhIDQublr6yuLvc11z4 ?` 
׉	 7cassandra://gV3OhZ852u0Rvqo0CsxttjesHuzCMSMqTck2Nh57k24T`T׉	 7cassandra://qMhZapd0_a7G7dOqwHdMvrRMVX-Zrf6aiAY96Lqte9E`̵ ׉	 7cassandra://yrvi33fWTFqMrsj3homOseP9-L0CSl-lUCAxAj7NYZc?$͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://0u9jHC8eAiuoH7VbUahSfmuyEu_OKY3jlxDYyQSQ5EUW` 
׉	 7cassandra://TuKgUYz_Sg_DgBP-BUwSzGT26e9CNwZG5bsjibjfhQM` T׉	 7cassandra://peXXzmL-ytcf-OkaYADJlMsyaTR1a7wVFntNChrKUdM	V` ̵ ׉	 7cassandra://m6nMwPnfGi63daWOP9XKoFkO-HP-66_mTHB6NmEcP5w(͠Vt
7&'׉Eqjongeren een onaantrekkelijke werkgever zou zijn.
Nu is het waar dat de instroom van jonge ambtenaren
bij de overheid klein is. Of dat iets te maken
heeft met een slecht imago van de overheid als
werkgever, is bij mijn weten niet onderzocht. Het
heeft in ieder geval ook te maken met een steeds
hoger wordende uittreedleeftijd en tegelijkertijd
krimpende overheid.
Zal de burger de ambtenaar nieuwe stijl in 2018
beschouwen als snel, doortastend, hardwerkend
en efficiënt? Als dat al zo zou zijn, dan is dat niet
het gevolg van de aanstelling die als gevolg van
een wetswijziging opeens een arbeidsovereenkomst
geworden is. Dat blijkt wel uit het feit dat
er talloze, vaak jonge medewerkers bij de overheid
rondlopen die al lang een tweezijdige arbeidsrelatie
hebben en formeel helemaal geen ambtenaar
zijn. Dat zijn de uitzendkrachten en de payrollers,
vaak al jarenlang aan het werk in gewone
‘ambtenarenbanen’. Dat weet de burger niet, die
beschouwt deze medewerkers als ambtenaren en
zal ze echt niet anders beoordelen op grond van
een andersoortige arbeidsrelatie.
Dat is trouwens jammer voor de ambtenaar (de
oude, de nieuwe én de eigenlijk-geen-ambtenaar).
Want dat gebrek aan waardering en respect, niet
alleen van de burger maar ook van politici die
ambtenaren toch vaak als een kostenpost beschouwen
waarop veel bezuinigd moet worden,
verdient een echte oplossing.
5 CONCLUSIE
Uit de opsomming van redenen om de ambtelijke
rechtspositie af te schaffen, is duidelijk geworden
dat die vooral gelegen zijn in redenen van principes,
financiën en deregulering. Daarmee zijn het
inderdaad Haagse problemen. De problemen van
de ambtenaren komen niet aan de orde en worden
door normalisatie ook niet opgelost. Waar grote
aantasting van de ontslagbescherming in het
verschiet lag, is dit door het sociaal akkoord en
de Wet werk en zekerheid behoorlijk afgezwakt,
hoewel er voor de ambtenaar nog een flinke onzekerheid
bestaat over hoe ontslag bij reorganisaties
in zijn werk zal gaan. De vakbonden zullen in het
overleg de bescherming van overheidswerknemers
uiteraard zo goed mogelijk willen repareren.
246
NORMALISATIE VAN DE AMBTELIJKE RECHTSPOSITIE
׉	 7cassandra://qMhZapd0_a7G7dOqwHdMvrRMVX-Zrf6aiAY96Lqte9E`̵ Vt
7&'׉E (STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
247
׉	 7cassandra://peXXzmL-ytcf-OkaYADJlMsyaTR1a7wVFntNChrKUdM	V` ̵ Vt
7&'́Vt
7&'ˁFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://oXbnPWSi-4c5GCMOU5SSwrfAB1XbvV8HxkE_0_rHkC0͗M` 
׉	 7cassandra://4edhZ4i_VE8Qbzm1z1HakpL8jE3gZ7LRbThxZmglCNUs` T׉	 7cassandra://MT7DjK_L-9DrtZJCxU5586knn9fhI80my89unQVEehQ`̵ ׉	 7cassandra://HIflNwIXId7HFSsTXL9MBhhxHuCgO_4j6UN5ZW3IoSI/|͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://8jfSDP_DOhpa6enLqBcPFm5X4Ro9Jp2wdxKBZuZZDhw 5` 
׉	 7cassandra://8b0ty0cv2yap7UxkplwxO341ydNbnliUYPf8TvqQuEg1` T׉	 7cassandra://i8t2mGkQxrZrtuykYfPTgP0EgiTF2wyRoLA8km-ZCio%`̵ ׉	 7cassandra://rQsCjYnxewMd82WQ1lAkPDzTlqlErnQqOiIFwmf3660(lx͠Vt
7&'׉E (248
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://MT7DjK_L-9DrtZJCxU5586knn9fhI80my89unQVEehQ`̵ Vt
^7&'׉E tDeel V.
De ambtenaar, het vak en
de vergelijking met andere
landen en de EU
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
249
׉	 7cassandra://i8t2mGkQxrZrtuykYfPTgP0EgiTF2wyRoLA8km-ZCio%`̵ Vt
7&'ЁVt
^7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://WW-qo4f7NirOl-xDqwDdkzhqwX_Fplem5MoeGRx-QMs ` 
׉	 7cassandra://KRPu7Bcqs1yWaJMzLJOmnUg96J-CA5eyuQqh2zLnDgM-`T׉	 7cassandra://hMO6RgV6RzmJhdSSukw_8hhA5n5xOPdHsON7kxeBA3A<`̵ ׉	 7cassandra://URg6aNJDCpTtG-4o-ec3QJYpHSeQATypWTQVN0j6rn0/(͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://S2fqkdexNAuNIZlcVW3leY6fade9FXZ-2CYdZYPsn-8d` 
׉	 7cassandra://f6eXfnhbkO7UxrCevl-P-Ixsm6kXE5pEJgru8ERaCcQ` T׉	 7cassandra://nNw_DN0G-8U3wd7flheqC8IoK6ke6VKltySwvYCuvpA` ̵ ׉	 7cassandra://Op61LH8SyhbqZljtN8B42f4x-CkuOyIo5S5lcHDQkNE$͠Vt
7&'׉EHet ambtenaarschap is een vak. In Nederland
wordt dat buiten de publieke sector niet vaak zo
gezien. Dit deel gaat in op het ambtelijke vak.
Hoofdstuk 23 laat zien hoe de beeldvorming over
dat vak veranderd is in de loop van de tijd en dat
het vanuit politieke overwegingen soms kleiner
wordt gemaakt dan het is. Hoofdstuk 24 beschrijft
wat dat vakmanschap behelst en laat zien vanuit
welke perspectieven tegen het vak aangekeken
kan worden. Zoals in elk vak, telt ervaring. Daarom
is in dit deel een interview opgenomen met
de zeer ervaren vakman Ralph Pans die duidelijk
maakt dat juist de eigenheid van het ambtelijke
vak, maakt dat de overheid een organisatie is waar
men graag voor wilt werken.
Dit deel sluit af met de Nederlandse ambtenaar in
vergelijking met ambtenaren uit andere Europese
landen en hoe de Nederlander het doet als ambtenaar
bij de EU.
250
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://hMO6RgV6RzmJhdSSukw_8hhA5n5xOPdHsON7kxeBA3A<`̵ Vt
7&'׉E HDE AMBTENAAR, HET VAK EN DE VERGELIJKING MET ANDERE LANDEN EN DE EU
251
׉	 7cassandra://nNw_DN0G-8U3wd7flheqC8IoK6ke6VKltySwvYCuvpA` ̵ Vt
7&'ՁVt
7&'ԁFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://MdYnwS2mhb2elgrKb_11ha1gnzMaU2A6PZM93n9PRlg͑C` 
׉	 7cassandra://AQT0ojClmcOe_tqqoj-2jdZZ0sRRYEXezgpeQOfL2Ks` T׉	 7cassandra://t-Md3Rfn1HL3gBvvoyEo5rEwCB-mVsAlhRX1Zh4agHQ`̵ ׉	 7cassandra://Hme4ISN1lnLvwzZ_WCCyuIjbfa8IDz6KT0a3RL4c_DI|͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://hH7RQIjHR1dVYUWzJBd8t8nRjvKZ6HPPnINqKrYARiU s` 
׉	 7cassandra://zxuICSN6ecr-RI_SBQbt8UsEpdipana-uqQfkERhLk4'` T׉	 7cassandra://c8eee9_lZN3sZUxVRCxtWWxdqBENbdReqg-0kD2rnIA
*`̵ ׉	 7cassandra://PTpjPIhkYc7S2itpaFoNC3z3ti6F77VHXWUS5aprSHI'x͠Vt
7&'׉E (252
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://t-Md3Rfn1HL3gBvvoyEo5rEwCB-mVsAlhRX1Zh4agHQ`̵ Vt
^7&'׉E J23. Ambtelijke elite of
voetveeg?
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
253
׉	 7cassandra://c8eee9_lZN3sZUxVRCxtWWxdqBENbdReqg-0kD2rnIA
*`̵ Vt
7&'فVt
^7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://2f8BxydD__h1HxAW_HKKg6Ph4YkEC9-bXl9MV6gQolY D` 
׉	 7cassandra://I7lNo_plGzZp5NNCw7mpEXM019QRAtbGUK0lV-0Vac4M_`T׉	 7cassandra://5Ilbt-R9wz-A73U8I3GckTI6dwexn9pbC81K0j8ycjA`̵ ׉	 7cassandra://QMOvgnbbwE_JuGcVX-Hyk9abPx6GFhw_lcphefJlYAMV"(͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://wLiQBIElEb0Ce8BhW5U5uPPWCkT5mQRiaCvkASTZJQ0 R` 
׉	 7cassandra://qZHsG6IGHIDQF5bLHJ6gmP0O87zglXJ8Pg7gxMfEL34t`T׉	 7cassandra://A_zHyrd_PbZCMp7FIE4_u75l9aSdGpkBUUuMKfXKJT4`̵ ׉	 7cassandra://D9t7mofocaTlxW8uJXEmbgoOpUk_sOp3XnBz91zfNF4lF$͠Vt
7&'׉EuDrs. E. Schoonman
1 INLEIDING
Ooit waren er contactadvertenties, in hun compactheid
pareltjes van de waarden die iemand
wenst te ventileren, met de eenvoudige tekst:
‘Ambtenaar zoekt vrouw’. Waarschijnlijk beoogde
de man daarmee te communiceren dat hij een
vaste functie had en de vrouw derhalve met een
betrouwbare economische partner van doen had.
Maar betrouwbaar heeft nog wel meer connotaties.
De onsterfelijke Dorknoper77
in de gemeente
Rommeldam was nog van het type ambtenaar bij
wie men, in publieke dienst, slechts een nieuw
potlood kreeg bij inlevering van het stompje van
het vorige potlood. Van ‘perverse prikkels’ (in
verleiding gebracht worden om een potlood van
kantoor mee naar huis te nemen) kon eenvoudig
geen sprake zijn.78
Betrouwbaarheid is dan synoniem
aan integriteit: ambtenaren zijn onkreukbaar
en men kan op ze bouwen. Anno 2015 komt het
epitheton ambtenaar nog maar zelden voor in
advertenties. De samenleving mag ambtenaren
al snel vereenzelvigen met niet erg hard lopende
papierverplaatsers, die veel verdienen en weinig
presteren. Heeft u een groot project? ICT, Fyra,
Betuwelijn? Vertrouw het toe aan een groep ambtenaren.
Dan weet u zeker dat het niet afkomt en
vier keer zo veel kost: dat is het huidige sentiment.
Er is een mismatch tussen de rolopvatting van de
ambtenaar en de publieke perceptie daarvan. De
ambtenaar is in luttele decennia tijd aan een vrije
glijvlucht begonnen.
77.
78.
Agterberg, Toonder, M. & Weijman, A. (2001) Dorknoper, een voorbeeldig ambtenaar. Maarssen: Uitgeverij
Cliché/Ton Paauw.
Men spreekt doorgaans van een ‘perverse prikkel’ als een neveneffect van een maatregel is dat mensen
in de verleiding worden gebracht om voor de uitvoering van een bepaalde beleidsmaatregel, de financiële
consequenties positief te beïnvloeden ten behoeve van zichzelf of de organisatie waar ze voor werken.
254
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://5Ilbt-R9wz-A73U8I3GckTI6dwexn9pbC81K0j8ycjA`̵ Vt
^7&'׉E2 DE ‘SYSTEMATIEK’ ACHTER DE
MISMATCH
telkens herhaalde opvoering81
Keizers en koningen weten sinds mensenheugenis
hun reputatie op waarde te schatten en hieraan te
werken. Julius Caesar ontpopte zich als schrijver,
getuigend van zijn strategisch inzicht en eminentie
als veldheer.79
op van zijn goede werken80
Keizer Augustus stelde een lijst
, die hij vervolgens
tentoonstelde teneinde de beeldvorming rond zijn
persoon in positieve zin te beïnvloeden. De Franse
president Mitterrand liet acht architectonische
hoogstandjes bouwen: de Grands Travaux. Politici
in de twintigste en eenentwintigste eeuw draaien
tijd- en geldrovende verkiezingscampagnes. De
cause célèbre van de behartiging van een reputatie
en de hardnekkigheid van een slecht imago is het
koningschap van de vijftiende-eeuwse Engelse
koning Richard III, wiens reputatie na zijn dood
werd verwoest, vooral door geschiedschrijver
Thomas More. Richard III zou een wrede vorst en
moordenaar van zijn neefjes Edward en Richard
zijn. More baseerde in deze casus naar verluidt zijn
eigen gezag ter zake onder meer op de claim dat hij
een tijdgenoot van Richard III was. Dat viel strikt
feitelijk wel mee. More was een jaar of zeven toen
Richard omkwam bij de Slag om Bosworth in 1485
en schreef zijn History of King Richard III zo’n 25
tot 30 jaar later (1510-1518). De ruim honderd jaar
na de dood van Richard geschreven en goeddeels
op het werk van More gebaseerde Tragedy of Richard
III van William Shakespeare deed de rest: de
zal in de zeventiende
eeuw hetzelfde effect gehad hebben als bij ons de
televisie die een bepaald beeld zo vaak herhaalt dat
het emblematisch werkt. Wie naar wat dan ook
over de Tour de France kijkt of luistert, hoort er
altijd het drietonige toetertje doorheen snerpen en
we weten als Pavlovs hondje: aha, wielrennen. Zo
ook gaat iedere berichtgeving die te maken heeft
met islam, Midden-Oosten of moslims gepaard
met het achtergrondgeluid ‘Allah Akbar’. Wij
worden geprogrammeerd door beeld, geluid en
narratief. Dat in alle culturen gehanteerde narratief
neemt daarbij altijd de vorm aan van drie spelers:
de booswicht, het slachtoffer en de held. Deze spelers
worden gekleed in de woorden die bij die rol in
het gekozen frame behoren. Een overheid die een
luxe remigratieregeling cadeau doet aan voormalige
gastarbeiders, zit in een heldenrol. De schurkenrol
is voor een overheid die de stakkers met een oprotpremie
het land uitgooit. De arme Richard moest
ondertussen tot 1951 in zijn booswichtenjas blijven
spoken voordat iemand durfde te opperen dat het
wel eens niet waar kon zijn en dat de neefjes niet,
althans niet door Richard, vermoord waren.82
Nog
weer zestig jaar later kwam pas de echte rehabilitatie
op gang83
, resulterend in de vondst van het
stoffelijk overschot van de vorst en een herbegrafenis
op een prominente plaats in de kathedraal van
Leicester. Richard was eindelijk held geworden.
Onze overheid kantelde de andere kant op, de
heldenrol verbleekte.
79. Commentarii de bello civili.
80. Res Gestae.
81. Eerste opvoering 16 november 1633.
82. Tey, J. (1951/1995). The Daughter of Time. New York: Simon & Schuster.
83.
Langley, Ph., & Jones, M. (2013). The Search for Richard III, the King’s Grave. London: John Murray
Publishers.
AMBTELIJKE ELITE OF VOETVEEG?
255
׉	 7cassandra://A_zHyrd_PbZCMp7FIE4_u75l9aSdGpkBUUuMKfXKJT4`̵ Vt
7&'݁Vt
^7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://cQRZwT-hCt5VPd_DyRW5A2v0O9Jx2LRvTk4WZppT_UA 3` 
׉	 7cassandra://kcmc2Rdkxz5U0zbChF6v_j2QXrg5OYg5W3vu9QvCC_sz`T׉	 7cassandra://m-UDFQuhgd0lE5U5meDx5JIMURxXtmVGA970kkX55q4^`̵ ׉	 7cassandra://nGoZ46AdWYzpxd_pXKutoGtqe4h1HV730DGfBtlkqAcf$͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://auAGyUUWrSasLwL1f8pdM5URxUZxMUqJTjWdXshu16o h` 
׉	 7cassandra://GqXOc9yUYUS2TvBCtBMvxtcNKHdQrlCJRlVTOpXp_qApU`T׉	 7cassandra://sw7onPWmFQgIcCXNsn70rp2krRjXAyzYGHz2QQFqUYAu`̵ ׉	 7cassandra://bRA7jUMTecYN4IBUa8NEqwvUwmzTUCRfrJvupa-G_vg`n(͠Vt
7&'׉E3 REPUTATIEBEHARTIGING EN
DRAAGVLAK
4 ‘DE’ AMBTENAAR BESTAAT NIET –
EN WEL
Draagvlak is te zien als noodzakelijk bestanddeel
voor het gezag en het openbaar bestuur, gezamenlijk
‘de overheid’. Het gaat hierbij ten eerste
over de taak die de overheid heeft, en ten tweede
over de waardering dat onze overheid deze taak
ook uitstekend behartigt. Hier zitten mogelijke
discrepanties tussen het interne perspectief van
de overheid zelf en het externe perspectief van
iedereen die daar niet als functionaris toe behoort.
De overheid zal zichzelf deskundig en betrouwbaar
vinden. Het externe perspectief van de rest
van de samenleving hoeft dat beeld natuurlijk niet
(zonder meer) te delen. Wie kent er niet de bard
Assurancetourix uit Uderzo et Goscinny’s Les
Aventures d’Astérix le Gaulois: ‘Les opinions sur
son talent sont partagées: lui, il trouve qu’il est génial.
Tous les autres pensent qu’il est innomable.’84
Onze overheid mag zich enige communicatie-inspanningen
voor de eigen reputatie getroosten – al
mag dit niet in propaganda ontaarden85
– teneinde
de kloof tussen het interne en het externe perspectief
zo klein mogelijk te houden en daarmee
draagvlak te verwerven, maar lijkt in deze pogingen
soms een beetje op de geniale bard.
De overheid is een veelkoppig verschijnsel.
Ondanks de diversiteit, ondanks het onderscheid
tussen ambtenaren bij gemeenten en Rijk en anderen
die werken voor de publieke zaak , ondanks
het feit dat sommigen er ook ‘de politiek’ onder
verstaan, is er toch sprake van een totaalbeeld van
‘de’ overheid, een imago van ‘de’ overheid. Voor
de overheid geldt dat de burger het beleid moet
accepteren, zich ernaar gedraagt en belasting blijft
betalen. Wie van het overheidspersoneel ook
daadwerkelijk ambtenaar is, zal de meeste mensen
koud laten. Toch zijn het vaker ambtenaren dan
overige personeelsleden in bijvoorbeeld zorg
of onderwijs, over wie misprijzend gesproken
wordt. Dat geldt bijvoorbeeld voor de groep ‘beleidsambtenaren’.
Niemand die ze ziet, weinigen
die weten wat zij ertoe doen. ‘Een ambtenarenapparaat
is niets anders dan een hulpmiddel bij
het oplossen van maatschappelijke problemen,
problemen die de meeste burgers – vaak uit eigen
ervaring – kennen, of het nu gaat om door zure regen
aangetaste bossen, om verkeersopstoppingen
of om woningnood. Ambtenaren zijn behulpzaam
om deze problemen op hun ernst te bestuderen,
om ze te definiëren, om doelstellingen voor het
beleid te helpen formuleren, om mogelijke oplossingen
aan te dragen, deze op hun effectiviteit
te onderzoeken en om aldus te komen met een
voorstel voor concreet beleid. Als dit beleid wordt
84.
De meningen over zijn talent zijn verdeeld: hijzelf vindt dat hij geniaal is. Alle anderen vinden hem niet
om aan te horen. Innomable heeft een breed betekenispalet op het gebied van onpruimbaarheid, maar
we blijven in dit verband, de bard zingt immers, binnen zijn beroepsuitoefening.
85.
Propaganda stamt van de in 1622 door Gregorius XV gevestigde commissie van kardinalen Congregatio
de propaganda fide (congregatie voor de verbreiding van het geloof). Het is een activiteit van een organisatie
om aanhangers te winnen voor zekere principes. Van propaganda spreken we vooral wanneer
in het gepropageerde een ideëel element aanwezig is of verondersteld wordt, anders spreken we van
reclame. Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal, 14e druk 2010.
256
AMBTELIJKE ELITE OF VOETVEEG?
׉	 7cassandra://m-UDFQuhgd0lE5U5meDx5JIMURxXtmVGA970kkX55q4^`̵ Vt
7&'׉Egoedgekeurd zijn ze verantwoordelijk voor een
juiste uitvoering. Eerst moet het beleid intern
geïmplementeerd worden. Daarna kan de burger
ervan meegenieten. Gaandeweg in dit beleidsproces
wordt de ambtenaar tot ambtenaar en groeit
de kloof tussen hem en de burger. (...) Op een
bepaald tijdstip is dit proces zover gevorderd dat
de stap terug niet meer gezet kan worden. Anders
gezegd: dan is de ambtenaar niet meer in staat
over het thema te praten in andere termen dan
dat hij gewend is. Hij is zich zelfs van die speciale
taalwereld niet meer bewust, zoals een vis niet
weet dat hij in water zwemt.’86
Beleidsambtenaren,
wij kennen hen niet, zij kennen ons niet.
Er is nog een groep ambtenaren reputatiedrager
van ‘de’ overheid. Zij die relatief ver van de macht
afstaan en relatief dicht bij de burger: ambtenaren
bij uitvoeringsorganen. Zij draaien op voor de
verandering van ieder beleid en iedere regel en
onderhouden het burgercontact.
5 DE BEELDEN GERELATEERD AAN DE
VERSCHILLENDE TAKEN EN ROLLEN
VAN DE OVERHEID
De overheid heeft een ordenende, sturende, presterende
en arbitrerende functie. Ze dient in al deze
rollen onze rechtszekerheid te waarborgen. Als dit
beginsel echter met voeten getreden wordt, met
name door ambtenaren die de politieke wensen in
(juridische) regelgeving moeten omzetten, staan
de burger niet veel wegen open. Natuurlijk, hij
kan naar de bestuursrechter. Maar dat kost al snel
een paar duizend euro, die hij bovendien niet kan
verhalen op de tegenpartij, de overheid. Zelfs niet
als hij de zaak wint. Natuurlijk, hij kan een actiegroep
beginnen of een demonstratie organiseren.
Maar ook werkt hij een ambulancebroeder tegen
het asfalt of slaat ongeremd aan het foeteren op de
sociale media.
De overheid begreep ooit dat het gezag tanende
was en meende het tij te kunnen keren door een
geheel nieuw concept voor reputatie en draagvlak
in te voeren. Ze bedacht dat de (mondige) burger
toe was aan een klantvriendelijke overheid en
promoveerde de burger tot klant. Dat bleek een
denkfout. De burger is helemaal geen klant en
zeker geen klant die tegen de belastingdienst kan
zeggen: “Deze maand maar eens geen loonbelasting,
fiscus.” Zoals hij wel: “Deze week geen kilo
mandarijntjes, groenteman”, kan zeggen. Klant ben
je vrijwillig, burger verplicht. De ‘klant’ gaat naar
het UWV en vraagt om een uitkering, maar hoort
daar: “Nee, die krijgt u niet. U bent niet werkloos
en/of invalide.” Ik moet de eerste groenteman nog
ontmoeten die een dergelijke tekst uitspreekt. Wie
‘klant’ zegt, zegt ‘markt’ en ‘producten’. Een ondernemer
streeft naar winst en heeft daartoe het liefst
zo veel mogelijk klanten. Een gemeente daarentegen
wil zo min mogelijk klanten, bijvoorbeeld voor de
Wmo, anders wordt de regeling onbetaalbaar. De
86.
Van Woerkum, C.M.J. (1988). De onbegrijpelijke onbegrijpelijkheid van overheidsvoorlichting. In Van
Eemeren, F.H., & Grootendorst, R. (Red.). Taalbeheersing in ontwikkeling (p. 230) Dordrecht: Foris
Publications.
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
257
׉	 7cassandra://sw7onPWmFQgIcCXNsn70rp2krRjXAyzYGHz2QQFqUYAu`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://N7oI-XrsgRS3VWjVjDKUriOfAdBM2N4BHxuFOO-U7T8 ` 
׉	 7cassandra://lnx3YzyU6SwTh-SbD2vQqTqOPHTO_CVE7dINkuLkUmsu@`T׉	 7cassandra://wcnWsp_jNgbULLqhVUZXa-Rwe8dLld-HiRiynIfNcOU:`̵ ׉	 7cassandra://oir_VwvgHIHubZs2zZ32aLoXNHzCeBs97DtvBqqKkRAc(͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://jgT1U9UG7oidY95By2FBzCt0xV5oeVxuIk5-g6-1igA gR` 
׉	 7cassandra://71LjfK7p-79AumvlSivfeyI06CAEWzTtse1jDnV2cwỲ`T׉	 7cassandra://8cdZujtdA1UwteTm076S0D5OHmYPrXr3Z-O-vlNnKIM`̵ ׉	 7cassandra://lhp3XtG4z2drC27AhG8-8HDB4gZcnLnTq9z7_zCW400u$͠Vt
7&'נVt
7&' ̏#k9ׁHhttp://rijksoverheid.nlׁׁЈ׉Egemeente heeft aan de Wmo een ‘structureel verliesgevende
activiteit’. Een ondernemer zou het zo
snel mogelijk uit het sortiment halen. De gemeente
kan dat niet, want is geen verkoper, maar uitvoerder
van een regeling. Wat moet de gemeente dan
met een marketingplan dat als doelstelling heeft zo
veel mogelijk klanten te werven? Als de markt geen
markt is, het product geen product en de klant geen
klant, dan is het van een zeldzame paradigmatische
hardnekkigheid om een model, dat gebaseerd is op
markt, product en klant, van toepassing te verklaren
op overheidsdossiers.
Toch ging de overheid monter voorwaarts op dit
heilloze pad. Er kwamen heuse marketingstrategieën.87
De
overheid biedt ‘waar het de voorlichting betreft
een welhaast caleidoscopische aanblik’.88
Binnen
dit caleidoscopische gezelschap, voortdurend veranderend
van naam en kerntaken, bedrijven alle
partijen iets van overheidscommunicatie, veelal
bilateraal. Er is geen enkele regie. Bovendien blijkt
niet alleen dat al die onderdelen van de overheid
onderling geen idee hebben van wat al die anderen
van pakweg het CIZ, het UWV, het CAK en de
DUO zoal communiceren, noch alle gemeentelijke
diensten van Zorg en Samenleven of Werk en Inkomen.
Het blijkt vooral ook dat ze zichzelf geen
enkele matiging opleggen als ze communiceren.89
Een beetje burger krijgt minimaal één brief per
dag! In het tijdperk van de media-explosie90
, de
En ze ging iets doen dat het bedrijfsleven
om een hele goede reden liever niet doet: om
de paar jaar reorganiseren, met nieuwe loketten,
nieuwe namen en nieuwe logo’s. Er kwam
weliswaar één rijksoverheid.nl, maar tegelijkertijd
verdwenen ministeries, en gemeentelijke diensten
kwamen en gingen, met telkens nieuw briefpapier,
nieuwe campagnes om het volk op de hoogte
te stellen en nieuwe medewerkers, die weer helemaal
opnieuw begonnen. Iedere burger die met de
(jeugd)zorg te maken had, werd er hoorndol van
en in die refragmentatie bleef er van een degelijke
reputatie van betrouwbaar gezag steeds minder
over. De uitvoerende overheid werd mede door
haar voortdurende, intern gerichte reorganisaties
onvindbaar en onzichtbaar.
schier onuitputtelijke communicatiemogelijkheden,
weet de overheid zich op Facebook en Twitter
veelal met haar telkens nieuwe identiteiten geen
raad. Waarom is de ongeholpen naamsbekendheid
van Coca Cola zo groot? Zou dat er iets mee te
maken hebben dat de firma sinds 1866 noch haar
naam noch haar logo ooit veranderd heeft?
87.
Zijdelings zij aangestipt dat de budgetten voor communicatie in het bedrijfsleven veelvouden vormen
van wat de overheid eraan uitgeeft. Bierbrouwer Heineken bijvoorbeeld presenteerde bij de halfjaarcijfers
2014 een omzet van 10,2 miljard euro. NRC Handelsblad schrijft: ‘Personeelskosten (81.000
werknemers) waren Heinekens grootste uitgavenpost: 1,5 miljard. Aan niet recyclebare verpakkingen
gaf de brouwer 1,26 miljard uit, aan reclame en marketing 1,24 miljard. De uitgaven aan personeel daalden,
die aan marketing stegen.’ De overheid heeft belastinginkomsten van een ruime 300 miljard euro
per jaar. Daarvan wordt zeker geen 35 miljard, de ruim 10 procent die Heineken hieraan besteedt, aan
communicatie uitgegeven, en de overheid geeft zéker niet bijna net zoveel geld uit aan personeel als aan
communicatie.
258
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://wcnWsp_jNgbULLqhVUZXa-Rwe8dLld-HiRiynIfNcOU:`̵ Vt
7&'׉E06 WIE ‘VOEDT’ DE VERSCHILLENDE
BEELDEN?
Als gevolg van die moderne opvatting over positionering
van de overheid, zagen tal van puntige
pay-offs het licht om het (nieuwe) bestaan toe te
lichten. De politie koos voor ‘dienstbaar en waakzaam’.
Dienstbaar lijkt een overheid die er voor de
burger is, een overheid die ‘in een ondergeschikte
betrekking geplaatst is’. Maar de politie heeft
er niet voor gekozen om samen met de burgers
tegen fietsendieven en frauderende directies op te
rukken. Vanuit een ondergeschikte positie is het
heel lastig boeven vangen en mensen bekeuren.
Maar als men een woord gebruikt waarvan de
dominante betekenis een andere is dan men zelf
op het oog heeft, dan is communicatieve prudentie
geboden en zal men veel energie in de duiding
moeten steken.
De ruimte om een woord als ‘dienstbaar’ van betekenis
te voorzien is zo groot, dat ook de duiding
‘bescherming van de democratische rechtsstaat’
geldig is. Om ‘dienstbaar’ aan de betekenis ‘bescherming’
te helpen, is echter wel enige intellectuele
elasticiteit vereist. Nu is de politie een
wel heel speciale overheidsdienst. Een dienst die
mét ons is als we slachtoffer van een misdrijf zijn,
en tégen ons is als we een overtreding begaan.
Dat wij de, uiteraard altijd onterecht uitgeschreven,
prent niet ogenblikkelijk associëren met
het algemeen belang en de functie van de politie
in de democratische rechtsstaat, lijkt tamelijk
evident. Kahneman91
in termen van systeem 1 en systeem 2 in onze
hersens.92
zou dit vermoedelijk duiden
Systeem 1 beoordeelt rap de situatie:
politie, betrapt, boete. Om het woord ‘dienstbaar’
te begrijpen als betekenend ‘bescherming’, moet
systeem 1 systeem 2 aanzetten. Maar daar is in
deze situatie geen enkele aanleiding toe. Systeem
1 kan heel goed zelf een bekeuring handelen.
Systeem 1 maakt systeem 2 pas wakker als systeem
1 zich realiseert dat iets te ingewikkeld voor hem
is. Maar wat is er ingewikkeld aan dienstbaar?
Niets, zal systeem 1 denken. Dat dienstbaar in dit
verband betekent dat de politie alle weggebruikers
beschermt tegen mensen die overtredingen begaan,
vraagt inspanning van systeem 2. Tot zover
de problemen met ‘dienstbaar’.
En dan komt ‘waakzaam’ er nog achteraan. ‘Waakzaam’,
dat half Nederland achter zijn voordeur
heeft gestickerd. Een herder, een bouvier, een rottweiler,
en allemaal spreken ze de woorden: ‘Hier
waak ik.’ Waakzaam, zo luidt al snel de misvatting,
tegen de búrger, terwijl de politie waakzaam
tegen túig zou moeten zijn. Legendarisch is de uitspraak
van de bekeurde minister: “Ga toch boeven
vangen.”93
Waakzaam op dat hele abstracte niveau
van de democratische rechtsstaat. Wat moet
iemand dan wel niet allemaal weten en ter plekke
bedenken? Dat onze strafvordering in lijn is met
artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten
88.
De Roon, A. (2000) Overheidsvoorlichting: de progressie van een onvolgroeid beleidsinstrument. In
Klandermans, B., & Seydel, E. (Red.). Overtuigen en Activeren, publieksbeïnvloeding in theorie en praktijk
(p. 134). Assen: Van Gorcum.
89.
90.
91.
Zo blijkt uit het (geestige en tegelijk treurigstemmende) boekje De brievenbus van Mevrouw de Vries
van Stephan Steinmetz. Amsterdam: Atlas Contact 2013.
Van Wijk, K. (2011). De Media Explosie. Trends en issues in massacommunicatie. Den Haag: Academic
Service/BIM Media.
Kahneman, D. (2011). Thinking fast and slow. New York: Farrar, Strauss & Girou. Verdere uitwerking
van Tversky, A., & Kahneman, D. (1974). Judgment under Uncertainty. Heuristics and Biases, Vol. 185.
Science, New Series.
AMBTELIJKE ELITE OF VOETVEEG?
259
׉	 7cassandra://8cdZujtdA1UwteTm076S0D5OHmYPrXr3Z-O-vlNnKIM`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://DqCRuBnHfNI59AbitcFT-mnttvOMn8Xm3JV0N8E2Blo _` 
׉	 7cassandra://eKz0Pp3ysgMsuf90l0N7fqlh1jvUq1IKZsCNe37yDyk}`T׉	 7cassandra://l1zCKcxjnn5OOSTmGhAsaGDWsA_1t5L0rc2LZ5yYaHw`̵ ׉	 7cassandra://w97Xx8fi8f6CZcwB-QKNgYCf5FBJcsv1QLmFc_TkWk8oX$͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://ccOCC6p6_Jf_kQUmrITYbLccMCx5EpPdyjfPsyjSqoQ IW` 
׉	 7cassandra://gqSarpX4EMViWWohj_F-wCrevoAb2-IjwR7IM1cNGRAi`T׉	 7cassandra://xf4NGtTBcx4t8Fsep5zV4CGlKsDBP8lonS9c5fx8SdE`̵ ׉	 7cassandra://865M1KKdPIN_BmwRZpL-ADMfbkKKGncy8gdUm76Hkpwbu(͠Vt
7&'׉Evan de Mens, behelzende het ‘recht op een eerlijk
proces’? Dat betekent dat het hele strafproces,
waar het gedrag van de politie deel van uitmaakt,
met hindernissen omgeven is.94
De politie mag
hier niet zomaar de deur intrappen, niet iemand
zomaar van zijn bed lichten, niet zonder meer
vastzetten. Iemand is onschuldig tot het tegendeel
bewezen is. Om dat tegendeel te bewijzen, moet
de politie bewijsmiddelen leveren. Het beste bewijsmiddel
is een schuldbekentenis. En dan komt
er uit het Europese Hof een missive dat de politie
niet mag verhoren buiten aanwezigheid van een
raadsman.95
Die wijst de verdachte op zijn recht te
zwijgen en ... weg is de schuldbekentenis. Honderden
regels maken het de politie moeilijk. Ze
verkleinen echter de kans op het opsluiten van een
onschuldige, want dat is een van de dingen die wij
onder ‘rechtsstaat’ begrijpen. Die moet de politie
allemaal borgen. Dat is waakzaamheid.
Het is misschien niet gek dat maar weinig mensen
‘Rechtsstaat plus artikel 6 EVRM plus onschuldpresumptie
plus Salduz = waakzaamheid!’ staan te
bedenken tijdens een bekeuring. In het narratief
wordt de politie niet vanzelfsprekend de held die
de democratische rechtsstaat beschermt. Maar
als de organisatie niet oppast wel de booswicht
(die zich geen fout kan permitteren zonder op
sociale media op doodsbedreigingen getrakteerd
te worden).
7 PRESTATIES VAN DE PUBLIEKE
SECTOR
Maar reputatie noch duiding zijn geheel los te zien
van de (gepercipieerde) prestaties van de sector.
‘De rijksoverheid negeert vaak de deskundigheid
bij ICT-leveranciers, terwijl de ICT-kennis bij de
overheid bijlange na niet op het niveau ligt van
de leveranciers. De – schaarse – malen dat een
leverancier zijn (potentiële) opdrachtgever waarschuwt
voor vermijdbare problemen, wordt deze
waarschuwing regelmatig niet serieus genomen.
De Kamer maakt haar controlerende taak niet
waar door een gebrek aan interesse voor ICT en
een gebrek aan deskundigheid op ICT-gebied.’96
Dat komt hard aan bij de ambtelijke elite zelf en
bij hen die ambtenaren zien als deze elite. Prutsers
zijn het. De eerdergenoemde kloof leidt tot het
oordeel ‘arrogantie’. Arrogantie wordt onverteerbaar
wanneer ze niet stoelt op prestatie.
Die gepercipieerde arrogantie van de macht
weerspiegelt zich ook in de zendergedomineerde
communicatie van de overheid. De overheid hanteert
nog steeds het zogenoemde ZMBO-model
(zender, medium, boodschap, ontvanger). Ze stort
informatie van bovenaf over de burger uit. Campagnes,
brieven, websites, een lawine van zendergedomineerd
handelen. Een zo oud paradigma
als het zendermodel, dat bovendien zo mooi past
bij een organisatie met het (machts)monopolie,
92.
Systeem 1 in de hersens is, volgens Kahneman en zijn vroeggestorven wetenschappelijke compaan
Tversky, een deel dat snel oordeelt, instinctief de situatie inschat en emotioneel reageert. Systeem 1
regelt zo’n beetje de dagelijkse gang van zaken. Systeem 2 daarentegen is veel langzamer, nadenkend
en logisch. Systeem 2 moet zich over veel moeilijker vraagstukken buigen en als dat niet nodig is, volgt
het de weg van de minste weerstand en laat het zich niet makkelijk aanzetten. De menselijke hersens
bestaan aldus uit twee systemen, eentje is snel, maar dom en de tweede is slim, maar lui. Het blijft dus
behelpen met die hersens van ons.
93. Herman Heinsbroek, LPF-minister van Economische Zaken, augustus 2002.
94.
Damaška, M.R. (1991). The Faces of Justice and State Authority. A comparative approach to the Legal
Process. New Haven, Connecticut: Yale University Press.
260
AMBTELIJKE ELITE OF VOETVEEG?
׉	 7cassandra://l1zCKcxjnn5OOSTmGhAsaGDWsA_1t5L0rc2LZ5yYaHw`̵ Vt
7&'׉Enis echter niet zomaar verlaten, ‘want het zijn nu
eenmaal sterke benen, die de weelde van een
monopoliepositie kunnen dragen.’97
Zo was het
vroeger en zo is het vaak nog, want het is inherent
aan de maatschappelijke positie van de overheid.
Ooit was de overheid monopolist in beleid alsook
monopolist in communicatie. Daarna kwam de
periode dat de massamedia, vooral kranten, later
radio en televisie, een rol in de communicatie
(en daarmee de vorming van de publieke opinie)
opeisten. De overheid nam journalisten in dienst
en de regierol kon behouden blijven. Ook in het
tweede decennium van de 21e
eeuw heeft de overheid
nog steeds een sterke voorkeur voor journalisten
op cruciale ‘woordvoeringsposten’.
Toen kwam de volgende vloedgolf: de macht
van de sociale media, van de burger zelf dus. De
overheid dacht dit met dezelfde beproefde methode
op te lossen: binnenhalen en erbij blijven.
Ambtenaren gingen twitteren, en iedereen ging
op Facebook. Of dit tot de gewenste regiepositie
heeft geleid, valt te betwijfelen. Het op het lijf geschrevene
maakt het paradigma ‘zendmodel’ voor
de overheid zo attractief en zo moeilijk vervangbaar
bovendien. Ambtenaren zullen dan ook ‘een
nieuw kandidaat-paradigma pas accepteren, als
aan twee zeer belangrijke voorwaarden is voldaan.
In de eerste plaats moet de nieuwe kandidaat de
oplossing lijken te brengen voor een algemeen
als zodanig erkend probleem, dat op geen enkele
andere wijze aangepakt kan worden. In de tweede
plaats moet het erop lijken dat het nieuwe paradigma
een tamelijk groot deel van het concrete
probleemoplossend vermogen dat men zich heeft
eigen gemaakt intact laat. Vernieuwing uitsluitend
om de vernieuwing is (...) niet zo’n desideratum
als op zo veel andere gebieden van creativiteit.’98
8 CONCLUSIE
Zo gaat dat in de wetenschap, en zo gaat het bij
ambtenaren eveneens. Met haar zelfverzonnen
beeld van de burger als klant, de onrustige profileringsdrang
gekoppeld aan steeds complexere regelingen
en moeizame ICT, het zichtbare falen bij
de uitvoering van diverse Grand Travaux en het
hardnekkige vanuit de zendstand communiceren,
heeft de overheid zichzelf en haar reputatie geen
dienst bewezen. Zo het publiek ambtenaren vooralsnog
niet als voetveeg of booswicht beschouwt,
dan scheelt dat niettemin niet veel.
95. Voor de fijnproevers: het arrest Salduz. NJ 2009, 214; LJN BH 0402, 27 augustus 2008.
96. Parlementair onderzoek naar ICT-projecten bij de overheid. Vergaderjaar 2014-2015, 33 326 Nr. 5.
Rooij, M., & Nieuwenhuis, J. (1968). Gemeentelijke voorlichting, Bestuurlijke verkenningen. Serie uitgaven
over de werking van het openbaar bestuur, de inrichting daarvan en de verhouding tussen bestuur
en bestuurden, Brasz, H.A. et al. (Red.). Deel 14 (p. 189). Den Haag: Vuga-Boekerij.
98. Kuhn, T.S. (1962/1979). De structuur van wetenschappelijke revoluties (p. 220). Meppel: Boom.
97.
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
261
׉	 7cassandra://xf4NGtTBcx4t8Fsep5zV4CGlKsDBP8lonS9c5fx8SdE`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://UDSBM0FCXFcEBnKrfof11D1DF9K-wmcFGQZ73E1oUOI͗5` 
׉	 7cassandra://k9oyRIGHHg131RXeDmFqZWNKsU9sdrzl9Jf2Gv1C8Y0` T׉	 7cassandra://mTewb-1WJSxDoTr2UPTeOIohTSJc__FPdKY6IUZHMSw`̵ ׉	 7cassandra://tnpYISuxgJ_4Nen49qcMdg86ShOrP_0pv4y9cjiRkyk|͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://ICd67-dWn3HQkDpDH3jknU7BuN4CkhPubGRPmy_o1zM )]` 
׉	 7cassandra://rh7lPCb9IWPoQ7qu6DfMMSiVtaoHm84tMw87XIsarKA/"` T׉	 7cassandra://kwoCC8b9gnANsm7S_hjnFp3QLNEMLz-e_b_AkMYQgN8`̵ ׉	 7cassandra://aDlni9jAWdIB06dsJxLn4VPZaQyUwNnWhGPdQbsQW04**x͠Vt
7&'׉E (262
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://mTewb-1WJSxDoTr2UPTeOIohTSJc__FPdKY6IUZHMSw`̵ Vt
^7&'׉E [24. De gelaagde praktijk van
ambtelijk vakmanschap
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
263
׉	 7cassandra://kwoCC8b9gnANsm7S_hjnFp3QLNEMLz-e_b_AkMYQgN8`̵ Vt
7&'Vt
^7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://vJWuDa3dyxOPvyvPJvoh6NeBLzM5tI6wZ81C00BpXRY ` 
׉	 7cassandra://zSNmXowlaxzrtZCq1ZiUkqbq27sEv59mSOzuBOEsnc4=`T׉	 7cassandra://sA-YfHeXe8naibFypc6zeUHtmG-JZ2vf6DrJ2l96r4k`̵ ׉	 7cassandra://bIWKSUZhKX_x1nwXW9PNbmtyo81DhEdjHI5jocW8LkQ>(͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://hosL703Ykzir1-IXUYCWbasrwl47BQj9IyrycvU4LbU K` 
׉	 7cassandra://izUlldapr5ad31Df3ohCfcU0zzaezKsLVIdmhkYHXwIg`T׉	 7cassandra://U-6YCeQJ1rnlOIY0k0TZoJRw9KM3V4WA7MUFLi3mnig`̵ ׉	 7cassandra://RVaVHUaDCgbRa2LarHDvLa-nrGCc-lbYeiReH4n1cvI@$͠Vt
7&'׉EDr. M.A. van der Steen
1 INLEIDING
De wereld waarin de overheid publieke waarde
realiseert is ingewikkelder geworden (zie ’t Hart,
2014). Wat betekent dit voor ambtelijk vakmanschap?
Het vraagstuk van ambtelijk vakmanschap
op deze manier introduceren omvat al een
belangrijke aanname. Namelijk dat de aard van
het vakmanschap een afgeleide van de omgeving
is: van het soort vraagstukken dat op het bordje
van ambtenaren ligt, de aard van samenleving en
de verbanden waarbinnen ambtenaren hun werk
doen. Maatschappelijke dynamiek, politieke cultuur,
economische omstandigheden en technologie
zijn van invloed op het vak. Wat er nodig
is, wordt in belangrijke mate bepaald door wat er
‘buiten’ gebeurt.
Een belangrijke verandering in de omstandigheden
waarin ambtenaren hun werk doen, is dat
veel vraagstukken een andere dynamiek kennen
dan voorheen. Overheidsorganisaties realiseren
publieke waarde, maar doen dat steeds meer in
verbanden met anderen. Steeds meer partijen zijn
bij vraagstukken betrokken. Niet als omstander,
maar als onderdeel van de oplossing. Soms zijn ze
uit eigen beweging al heel actief, vaak ook zijn ze
zich niet bewust van hun rol of onthouden ze zich
bewust van deelname. Het gebeurt steeds meer dat
het realiseren van publieke waarde gebeurt met of
zelfs geheel door anderen. De overheid is partij in
netwerken, maar is daarin niet de enige partij.
264
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://sA-YfHeXe8naibFypc6zeUHtmG-JZ2vf6DrJ2l96r4k`̵ Vt
^7&'׉E
Tegelijkertijd is de overheid op heel veel terreinen
nog ‘gewoon’ wel de partij die zelf verantwoordelijk
is en zelf voor de productie zorg draagt. In veel
beleidsdomeinen gebeurt niets als de overheid niet
de leiding neemt. Net zoals er domeinen zijn die
door anderen verzorgd zouden kúnnen worden,
maar waarvoor de overheid om politieke redenen
zelf de verantwoordelijkheid in eigen hand wil
houden. Rechtspraak is een voorbeeld daarvan,
net als de handhaving van de openbare orde. De
overheid handelt in onze tijd steeds meer tussen
en te midden van anderen, maar dat betekent niet
dat alles met of door anderen gebeurt. Soms is de
overheid zelf aan zet, omdat niemand anders het
doet, of omdat er een politieke keuze is om de taak
dichtbij te houden.
Opvallend is ook dat de vraagstukken waarmee
de overheid wordt geconfronteerd complex zijn.
En daarmee bedoelen we een specifieke vorm van
complexiteit, niet ‘gewoon heel ingewikkeld’.
Complexiteit is het verschijnsel dat gevolgen
ontstaan in interacties tussen partijen, die geen
voorspelbare uitkomst hebben. Daarmee zijn
de problemen niet vooraf volledig kenbaar. Niet
omdat we niet goed kijken of te weinig tijd nemen
voor een gedegen analyse, maar simpelweg omdat
de problemen beweeglijk, veranderlijk en daardoor
intrinsiek onvoorspelbaar zijn. De gevolgen
van interventies zijn dan pas zichtbaar nadat ze
zijn genomen, we kunnen ze vooraf niet goed
voorspellen. Kleine stappen, experimenten en incrementele
strategie zijn dan nodig om al doende
te ontdekken hoe het probleem in elkaar zit en wat
blijkbaar in de praktijk werkende oplossingen zijn.
Doelverplaatsing, incrementalisme en zoeken zijn
dan de belangrijkste strategieën om tot oplossingen
te komen. Het gaat niet alleen om het bij
elkaar brengen van netwerken, maar ook om het
zodanig te doen dat dit gaandeweg ontdekken van
het doel en de aanpak mogelijk is.
Deze combinatie van factoren maakt dat overheidssturing
sterk in beweging is. Nieuwe
werkvormen komen op, naast de bestaande
werkwijzen. Samen zijn ze bepalend voor wat
goed ambtelijk vakmanschap is. In deze bijdrage
verkennen we eerst de vier perspectieven op
overheidssturing die vanuit de literatuur en de
praktijk af te leiden zijn. Daarna gaan we in op de
onderlinge verhouding tussen die perspectieven.
Ten slotte bespreken we de consequenties van de
meervoudigheid van overheidssturing voor het
ambtelijk vakmanschap. Of simpel gezegd: wat
moeten ambtenaren kunnen om vanuit de toenemende
variëteit en complexiteit in overheidssturing
tot publieke waarde te komen?
2 VIER PERSPECTIEVEN OP
OVERHEIDSSTURING
Het denken over overheidssturing is in te delen
in vier perspectieven (Van der Steen et al., 2015;
DE GELAAGDE PRAKTIJK VAN AMBTELIJK VAKMANSCHAP
265
׉	 7cassandra://U-6YCeQJ1rnlOIY0k0TZoJRw9KM3V4WA7MUFLi3mnig`̵ Vt
7&'Vt
^7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://q6Y5hZ7dT-L4AKRXBz-HrLTqKP1ss7ZGPkiudS1E3CM Ȱ` 
׉	 7cassandra://rbnlzjTyi42CwDme0fKK22wceqr3ZfQx2ickv_xKpwQD`T׉	 7cassandra://Q2csorj_ntP3k9riq3pezWQVsRs-9L2O8frvGFJScMQ6`̵ ׉	 7cassandra://wrheNUafGBZ5MKrEw0YOixOYh-WBGkLZrjffnHR3nacM͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://a1vpCA30oRF9GdnSRAhP44ma1MqwYmSypm_dy29wruQ K` 
׉	 7cassandra://DCdX2tgl195Ij3umLgGgQ2ZbpMQjLzhJnKy-Z1TdADcg`T׉	 7cassandra://6TxqKOHtM-k73AMnyPHLzDQtBPuD65uZ50oL53qD2LA`̵ ׉	 7cassandra://nKd5t4QynjB94u1PYzrUoLa9s4KfOAdR_LTatn2abTEP(͠Vt
7&'׉EFiguur 1: Vier sturingsperspectieven (zie Van der steen et al, 2015)
Vanuit resultaten
naar randvoorwaarden
New Public Management
(NPM)
Vanuit de overheid
naar de samenleving
Public Administration
(PA)
Vanuit randvoorwaarden
naar resultaten
Bourgon, 2011). Het realiseren van publieke waarde
kan op verschillende manieren gebeuren. We
maken daarbij onderscheid op twee variabelen: de
verhouding tussen resultaten en randvoorwaarden
en de relatie tussen overheid en samenleving
(zie figuur 1).
Eerst de variabele randvoorwaarden-resultaten . De
nadruk op randvoorwaarden betekent niet dat het
gaat om bijzaken, maar dat de nadruk ligt op het
proces van het formuleren en realiseren van maatschappelijke
doelen. Bij de nadruk op resultaten
zijn er uiteraard ook te realiseren maatschappelijke
doelen, maar ligt de nadruk op de vertaling daarvan
in concrete prestaties. Vanuit de randvoorwaarden
naar de resultaten betekent dat het erom gaat hoe
maatschappelijke doelen op tafel komen, alvorens
die tot prestaties en beleidsresultaten worden
Network Governance
(NG)
Vanuit de samenleving
naar de overheid
Societal Resilience
(SR)
266
DE GELAAGDE PRAKTIJK VAN AMBTELIJK VAKMANSCHAP
׉	 7cassandra://Q2csorj_ntP3k9riq3pezWQVsRs-9L2O8frvGFJScMQ6`̵ Vt
7&'׉E
gebracht. Vanuit de resultaten naar de randvoorwaarden
betekent dat het erom gaat de afgesproken
prestaties te realiseren, vanuit en/of met gebruikmaking
van de randvoorwaarden die ervoor gelden.
Zo zijn onderin ons schema de randvoorwaarden
fundamenteel en principieel, terwijl deze bovenin
het schema meer instrumenteel zijn.
De variabele overheid-samenleving gaat over
waar de nadruk in de relatie tussen beide ligt. Is
de samenwerking de landingsplaats van overheidsbeleid,
de plek waarin het door de overheid
bedachte repertoire moet werken? Of is de
samenleving een actief en (mee)producerend
deel bij de totstandkoming van publieke waarde?
Links in het schema ligt de nadruk op de overheid
die produceert. Rechts in het schema ligt de
nadruk meer op de samenleving die produceert.
Rechtsboven betekent dat vooral het ‘meedoen
om de beleidsresultaten te realiseren’, dus meer
‘meedoen met de overheid’. Rechtsonder gaat het
om de samenleving die eigen doelen formuleert
en eigen beweging initieert. Niet in antwoord op
een vraag van de overheid of een door de overheid
geformuleerd target, maar vanuit een zelf gevoeld
belang. Daarmee bedoelen we niet dat dé samenleving
een eenduidig geheel is of dat er sprake is van
een breed gedeeld algemeen belang. Veel meer zal
dit gaan over delen van de samenleving die in hun
eigen kring gevoelde doelen formuleren, die elkaar
vinden in gedeelde belangen, of die zich inspannen
voor een bepaalde publieke waarde. Vanuit
hun eigen randvoorwaarden: op hun eigen manier,
in hun eigen tempo, in eigen woorden, met
eigen motieven – soms plezier en soms frustratie.
Vanuit deze twee assen ontstaan vier kwadranten
die elk een perspectief op overheidssturing
benoemen. We bespreken ze hier kort (zie Van der
Steen et al, 2015).
De rechtmatige overheid (linksonder)
De basis van wat overheidsorganisaties en
ambtenaren doen, is altijd de verankering in
het democratisch systeem en het recht (Frissen,
2010). Rechtmatigheid en rechtsgelijkheid
– rechtstatelijkheid – staan aan de basis van alles
wat ambtenaren doen (Bovens et al, 2012). Het
perspectief van de rechtmatige overheid stelt
die legitimiteit en rechtmatigheid centraal. De
verhouding met de samenleving is gericht op het
bewaken en naleven van rechten en plichten, die
de basis voor overheidshandelen vormen. Er moet
een juridische basis zijn, gelijke behandeling en
procedurele zorgvuldigheid. Deels instrumenteel,
via wettelijke bevoegdheden die overheidshandelen
mogelijk maken. Maar ook juist om het
gebruik van die instrumenten in te kaderen: de
wet begrenst het handelen van de overheid en legt
daar inhoudelijke en procedurele beperkingen aan
op. Het perspectief van de rechtmatige overheid
is een legalistisch perspectief. Daarnaast is het een
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
267
׉	 7cassandra://6TxqKOHtM-k73AMnyPHLzDQtBPuD65uZ50oL53qD2LA`̵ Vt
7&' Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://pdzDkkq31b_kQo66XCUJu3w0_LpdmY7eoHiVtRLuHB4 @9` 
׉	 7cassandra://4kXwwx7Uxjwa_uLZKQ-SJqbjWecDzrv4ouEuKP-1zt8i`T׉	 7cassandra://WOfEo41Gu_dZXjJJipfoBSogoOr8Z8bjbOQsJ2BBD38`̵ ׉	 7cassandra://ou_OvwBKjHg_F7DIjhRSCsnZ51iqRsGAFK-6wsTPPZoI*(͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://oQ-BeVwv4psdLCvmdB8Iu9AX09Z243szNRJzDtBOifo J` 
׉	 7cassandra://a2r6NKGQFcVVs1Ekwpslr-zQAyXRwOZReCPPxxOGNdYj`T׉	 7cassandra://BQtNQtAm7wKm1EdbZ69MtieLwW-X1F9EUcfD54tJLXE7`̵ ׉	 7cassandra://pPUllmYHISczDOoHacorTmFe2EBG9x5N3nIYdZvZQHoMw$͠Vt
7&'׉Eperspectief dat de weberiaanse principes van de
overheidsbureaucratie centraal stelt: een strikte
scheiding tussen het politieke en het ambtelijke
domein. Ambtenaren voeren neutraal de politieke
opdrachten uit, binnen de politiek gestelde kaders.
Het goed laten verlopen van het politieke proces is
een kenmerk van een goede overheidsorganisatie:
als het politieke proces zijn weg vindt en goed
verloopt, volgens de procedures en afspraken die
daarvoor gelden, dan is het ‘goed’. De ambtenaar
doet zijn werk goed als het politieke proces zijn
weg vindt, ongeacht wat daarvan de uitkomsten
zijn. De overheid doet het goed als er sprake is
van heldere procedures om politieke doelen te
formuleren en die vervolgens neutraal worden
vertaald in ambtelijk handelen. Dat is in alle
sturingsprincipes het uitgangspunt, maar in dit
geval is het hét uitgangspunt. Handelen is goed als
het op juridische manier deugdelijk is en als het de
basis legt voor of uitvoering geeft aan het politieke
proces. Ambtenaren stellen zich onpartijdig en
integer op, en handelen volgens de wettelijke en
intern procedurele vereisten van goed bestuur.
Uiteraard proberen ze resultaten te bereiken, maar
de randvoorwaarden van waaruit dat gebeurt – in
het bijzonder de rechtmatigheid – staan voorop.
Ambtelijk vakmanschap is dan het vermogen om
de randvoorwaarden te bewaken: het democratische
proces goed te laten verlopen, de principes
van de rechtstaat en rechtmatigheid te borgen
en te zorgen voor het zorgvuldig doorlopen van
afgesproken procedures. Als dat goed is, dan is het
ambtelijk werk goed.
De presterende overheid (linksboven)
In het perspectief van de presterende overheid
gaat het primair om het bereiken van resultaten.
Dit perspectief komt rechtstreeks voort uit het
New Public Management-denken (NPM), dat
sinds de jaren ’90 op allerlei manieren in organisaties
is geïntroduceerd (Pollit & Bouckaert,
2011) De idee achter de opkomst van NPM was
dat de overheid legitimiteit niet alleen ontleent
aan procedurele zorgvuldigheid, maar vooral ook
aan het vermogen om te leveren wat er beloofd
wordt: niet alleen zorgvuldig en juist, maar ook
efficiënt en effectief. Doelmatige besteding van
overheidsmiddelen, het realiseren van gestelde
doelen en het bereiken van de afgesproken
meetbare resultaten. Overheidsprocessen worden
opgevat als bedrijfsmatige productieprocessen,
die leiden tot meetbare prestaties. Het accent ligt
hier niet op methoden, technieken en processen
om prestaties te realiseren; een goede overheid is
de overheid die zijn targets haalt, binnen budget
en op tijd. Wetten en procedurele bepalingen zijn
er wel, maar gelden vooral als instrumenten om
het doel te bereiken. Het zijn randvoorwaarden
om een resultaat te halen. Ze zijn belangrijk,
maar uiteindelijk gaat het om het halen van de
prestatie. Of die prestatie exact de achterliggende
en politiek bekrachtigde waarde vertegenwoor268
STAAT
VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://WOfEo41Gu_dZXjJJipfoBSogoOr8Z8bjbOQsJ2BBD38`̵ Vt
7&'׉E~digt, is niet direct van belang. Vaak lukt het niet
om de oorspronkelijke bedoeling te vertalen
naar prestaties die ‘SMART’ te maken zijn. In dit
perspectief is dat niet direct een probleem. We
benoemen prestaties die in de buurt komen en
gaan die realiseren, waarover heel precies en op
gezette tijden verantwoording wordt afgelegd.
Dat laatste is in dit perspectief van groot belang.
Er ligt een sterke nadruk op verantwoording van
resultaten, op laten zien wat je hebt gedaan en wat
daarvan de opbrengst is. Dat kan periodiek, maar
ook in realtime. Bijvoorbeeld via dashboards die
permanent laten zien hoe het met de veiligheid
in de wijk gaat. In dit perspectief is de ambtenaar
primair resultaatgericht. Hij is in staat om processen
efficiënt in te richten, kan output realiseren en
weet de voortgang te bewaken. Daarbij hoort ook
het belang van de verschillende stafdiensten en
functies die zorgen voor het meten en inzichtelijk
maken van prestaties, zoals auditors, controllers,
financieel beheer de rekenkamer en aspecten van
bedrijfsvoering. Ambtelijk vakmanschap is het
vermogen om de afgesproken prestaties ook meetbaar
te realiseren en daarover verantwoording af
te leggen.
De netwerkende overheid (rechtsboven)
Bij de netwerkende overheid staat het principe
centraal dat beleidsdoelen niet worden bereikt
door de overheid alleen, maar dat de samenwerking
met anderen daarvoor nodig is (Klijn & Koppenjan,
2012). Dat betekent dat om de eigen doelen
en de afgesproken prestaties te realiseren, de
organisatie en de ambtenaren de weg naar buiten
moeten bewandelen. Ze gaan op zoek naar partners
die kunnen bijdragen aan die doelen, omdat
ze dezelfde, gelijksoortige of deels overlappende
belangen en doelen hebben. Het bij elkaar brengen
van die uiteenlopende belangen en het bundelen
van de middelen die organisaties kunnen bijdragen,
vormt de kern van de netwerkende overheid.
Dan gaat het om het formeren van coalities van
partijen, die vanuit gedeelde belangen de benodigde
middelen inbrengen om een probleem op te
lossen. Voor de overheid gaat het daarbij primair
om het realiseren van de eigen doelen: de overheid
zoekt bondgenoten die mee willen optrekken met
de overheid om doelen te realiseren. Tegelijkertijd
vereist het erbij betrekken van anderen ook
dat de overheid op sommige momenten afstand
neemt van haar eigen probleemstelling of de eigen
oplossingen voor het vraagstuk. Het opereren in
dit soort netwerken vereist onderhandelen, het
vermogen om uiteenlopende belangen in een
gedeelde coalitie bijeen te brengen en te houden.
In de regel gebeurt dat door het doorlopen van een
onderhandelingsproces om tot een overeenkomst
te komen, maar ook door contractmanagement en
procesmanagement daarna (Klijn & Van Twist,
2007). Veel van deze type netwerken leggen hun
samenwerking vast in convenanten en akkoorden,
of in publiek-private samenwerkingen, die partijen
DE GELAAGDE PRAKTIJK VAN AMBTELIJK VAKMANSCHAP
269
׉	 7cassandra://BQtNQtAm7wKm1EdbZ69MtieLwW-X1F9EUcfD54tJLXE7`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://QJjWmIzIpyXe9EImbUnPK6jzp4DrW16lV0ckucPGFEM P7` 
׉	 7cassandra://rO5ZVSn2zkCqaHPG0qdYGn-ryzBwggmtpbL_mlwRK5Il`T׉	 7cassandra://d0YY3CTTzUfq7MqcQZBnZohVQaTewHTMl3zQIsgVito`̵ ׉	 7cassandra://to0r7FHbDWlcG4ztVDFr1lCgRIxqrVrlIxCJqWCM15kI$͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://wcVRqPr5zhMfKeVLhZjwvgxAxdIWz1iG4Ysi3s0mOws C` 
׉	 7cassandra://w0CpSZeFzI04_n-87HT_wtsR21iAmsWHYpGg44T7scwi`T׉	 7cassandra://jkCmNvBf2ZPrBW1VUv2Xz8iVIbR6EwsvEfblU9CBERA`̵ ׉	 7cassandra://VdshkSJZIvt-jKsYy46w9S6HhZ_BEWPi0L7zYllaSLsF(͠Vt
7&'׉Ebinden aan bepaalde afspraken. Tegelijkertijd is,
hoe bindend de afspraken contractueel misschien
ook zijn, het ook de kunst om partijen gemotiveerd
en binnenboord te houden. Er zijn tegenslagen,
het project loopt vertraging op of de kosten
vallen hoger uit. Dan is het nodig om de voortgang
erin te houden, partijen eventueel aan te jagen,
maar ze ook betrokken te houden. Dit alles is de
kern van de netwerkende overheid: de kunst van
het smeden van resultaatgerichte coalities en het
vermogen om die coalities ook tot de eindstreep
van gerealiseerde resultaten te brengen. Ambtelijk
vakmanschap is dan het vermogen om verbanden
met andere partijen te organiseren en daarin op
efficiënte wijze de gestelde doelen te bereiken.
Dat betekent het aanknopen van contacten met
partijen buiten, maar ook ervoor zorgen dat de
afspraken worden nagekomen en dat alle partijen
voldoende bijdragen aan de samenwerking.
De participerende overheid (rechtsonder)
In het perspectief van de participerende overheid
staat de maatschappelijke energie van de samenleving
centraal (PBL, 2011; Van der Steen et al,
2014). Publieke waarde wordt niet primair door
de overheid ‘gemaakt’, maar komt van anderen.
Op de manier die zij willen, vanuit de doelen die
zij zichzelf stellen (Rob, 2012; Van der Lans &
De Boer, 2012) De overheid gaat niet naar buiten
om daar bondgenoten te werven voor de eigen
uitvoeringsagenda, maar komt in aanraking met
een maatschappelijke dynamiek die er al is. Soms
is dat maatschappelijk initiatief dat al aansluit bij
de eigen agenda en past binnen kaders die de overheid
hanteert. Vaak ook zijn het initiatieven die
niet of maar gedeeltelijk passen binnen de doelen
van de overheid. Dan gaat het dus om de vraag hoe
de overheid omgaat met praktijken die iets doen
dat al dan niet past binnen de overheidsdoelen.
Dat vereist politieke afweging: soms betekent het
‘gewoon niets doen en laten bestaan’, soms is de
uitkomst dat het initiatief moet stoppen, omdat
het andere belangen schaadt. Dat laatste is de minder
vrolijke kant van maatschappelijke netwerken:
soms produceren ze waarde die ten koste gaat van
anderen en kan het niet verder. Daar komt bij dat
ook als initiatieven wel bijdragen, ze vaak niet
helemaal binnen de regels en kaders passen. Ze
doen iets waarvoor eigenlijk een vergunning nodig
is, of dat formeel gezien alleen op een andere
plek in de stad mag. Tegelijkertijd zitten ze niet in
de weg en passen ze wel in de ‘geest van de wet’
of de bedoeling van het beleid. Dat roept voor de
overheid de vraag op hoe zich tot het initiatief te
verhouden: meebewegen of terugduwen, laten
begaan of toch bijsturen? Of niets doen? Initiatieven
komen vanzelf op en hebben dus een eigen
agenda. De overheid heeft er zelden een formele
positie in, anders dan die van strikte handhaving.
Interessant voor dit perspectief is ook de vraag
hoe maatschappelijk initiatief verder te stimuleren,
uit te lokken of zelfs op te schalen is? Het
270
DE GELAAGDE PRAKTIJK VAN AMBTELIJK VAKMANSCHAP
׉	 7cassandra://d0YY3CTTzUfq7MqcQZBnZohVQaTewHTMl3zQIsgVito`̵ Vt
7&'׉Eakomt van onderop, uit eigen beweging, maar er is
in veel domeinen voor de overheid tegelijkertijd
ook een wens en een belang om er ‘meer’ van te
krijgen. Meer zelforganisatie, als uitgelokt eigen
initiatief of opgeschaalde kleinschalige lokale initiatieven.
Dat zijn spanningsvolle praktijken, die
horen bij het perspectief van sturen in de rol van
de participerende overheid. De gemeenschap stelt
haar eigen doelen en kaders, volgens haar eigen
processen; de overheid moet zich ertoe verhouden
en liefst zo productief mogelijk. Goed ambtelijk
vakmanschap is het vermogen van een ambtenaar
om zich productief te verhouden tot initiatieven
in de buitenwereld. Dat begint al bij het herkennen
van initiatief en het leggen van contact, maar
het gaat ook om het vinden van een goede houding
van de overheid tegenover het initiatief. Dat
kan zijn meebewegen, maar misschien juist wel
het stoppen of reguleren ervan. Het vermogen om
dat in de praktijk goed te doen, is waar ambtelijk
vakmanschap in dit perspectief om draait.
3 VAKMANSCHAP ALS GELAAGDE
PRAKTIJK
Het onderscheiden van vier perspectieven op
overheidssturing suggereert dat het gaat om het
één óf het ander. Links of rechts, onder of boven.
Het wekt ook de suggesties dat vakmanschap
sequentieel verandert: eerst was dit nodig, nu dat.
Dat is niet de bedoeling van deze bijdrage. De perspectieven
zijn tegelijkertijd aan de orde. Rechtmatigheid
vormt de basis van elk overheidshandelen.
Het is de kern van wat publieke organisaties
– en ambtenaren – doen. Ook prestatiesturing is
altijd relevant. De overheid die alleen belooft maar
niet presteert, verliest eerst gezag en uiteindelijk
ook bestaansrecht. Prestatiesturing gaat ook
over verantwoording, een andere basis van goed
bestuur. Ambtenaren en overheidsorganisaties
moeten kunnen uitleggen wat er met publiek geld
is gedaan en tot welke prestaties dat heeft geleid.
In de rechterkant van het schema zijn het sturen in
netwerken van institutionele partners en het werken
met initiatieven van onderop allebei eveneens
aan de orde. Het gebeurt allebei en tegelijk. Een
goede overheid moet met elk van de vier vormen
kunnen omgaan (Van der Steen et al, 2015).
Het gaat dus niet om perspectieven die elkaar
opvolgen, maar die tegelijkertijd aan de orde zijn.
Om sedimentatie, om gelaagdheid. De kwadranten
liggen als laagjes over elkaar heen en zijn gelijktijdig
relevant. Rechtmatigheid en prestatie vormen
de basis waarover andere laagjes komen te liggen.
Overheidsorganisaties zijn mengvormen, waarin
elementen uit de verschillende kwadranten tegelijk
aan de orde zijn. De kunst van ambtelijk vakmanschap
is om de vier perspectieven productief te
combineren, op een manier die past bij de maatschappelijke
opgave én die aansluit bij de politieke
en bestuurlijke ambities. Het ambtelijk repertoire
gaat altijd over rechtmatigheid, de verantwoording
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
271
׉	 7cassandra://jkCmNvBf2ZPrBW1VUv2Xz8iVIbR6EwsvEfblU9CBERA`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://sEFsJLji7t-4Y59DT4OQKBAOT3HRXhS5CsIqei1ezUg ` 
׉	 7cassandra://8YEncBSJOIE14XmaFwdSP3ZYch_s4O1sCY-gn7fKMrch<`T׉	 7cassandra://N9AaiMx63EQ0vpSPMn02aIy1N6prUnEBi0lbmbAh66o`̵ ׉	 7cassandra://BRskKZ0EtvPd5jG66pewr54KMil-UBSsdzRgqjLUHbMA(͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://Y2lFzlLn_TVv3yo653yrRi2MI7j1QcA9glJmOQvS6Cs ` 
׉	 7cassandra://2V5N0EZ_Rc9pMkwOd88NakJUVSS_zo4aZI702gmKi_sR!`T׉	 7cassandra://cUlMBbDtfhTuB3E0OYr8cMuId5OPxw6Tz6694cc0yLcZ`̵ ׉	 7cassandra://Ei8LBkGzDcBeaMsDAYg-M29cKxnL0AfawMW3Vq4JFngk$͠Vt
7&'׉E
van prestaties en om de doelmatige inzet van middelen.
Maar het gaat vaak ook om samenwerking en
responsiviteit richting maatschappelijk initiatief.
Wel het netwerk benutten, maar ook de juridische
basis op orde hebben. Maatschappelijke meerwaarde
centraal stellen bij het omgaan met actieve
burgers, maar ook zorgen voor deugdelijke verantwoording
in het parlement. Ruimte maken voor
verschil in institutionele kaders, maar wel uitlegbaar
en geborgd op een manier die past. Maatschappelijke
dynamiek ondersteunen, waar mogelijk en
wenselijk. Het ambtelijk vakmanschap ‘van 2015 en
verder’ is gelaagd.
Gelaagdheid betekent niet ‘alles tegelijk’. Het gaat
om verhouding, om het maken van een analyse
van wat voor welk probleem de beste manier van
werken is: op welk laagje komt de nadruk te liggen
en hoe krijgen van daaruit de andere lagen goed
invulling? Ambtenaren moeten verschil maken,
maar dat begint bij het vermogen om verschil te
zien: kunnen doorzien wat een situatie vraagt
en wat de best passende aanpak is. In sommige
wijken of dossiers is het netwerk krachtig en kan
de samenleving het zelf wel. In andere wijken,
misschien wel in dezelfde stad, of in dossiers binnen
dezelfde directie, is het juist nodig of politiek
wenselijk om de taak dichtbij te houden. Vakmanschap
is dan het vermogen om het verschil
te kunnen zien tussen wat op welk moment waar
nodig is, en om dan het bijpassende repertoire in
te zetten. Verantwoording afleggen over de rol van
de overheid in wat burgers zelf aan initiatieven
ondernemen, maar dan wel op een manier die ook
in die praktijk van maatschappelijke zelforganisatie
past. Of zelf het initiatief nemen en de lijnen
uitzetten, maar dan wel op een manier die oog
heeft op wat anderen willen en hoe de buitenwereld
gaat reageren. Ambtelijk vakmanschap gaat
dus om het kennen van de verschillen tussen de
vier kwadranten, om het vermogen om te zien
waar de nadruk in dossiers zou moeten liggen, én
om het vermogen om van daaruit ook de andere
perspectieven en onderliggende waarden goed in
te vullen.
4 CONCLUSIE
Een terugkerend punt in de discussie over
ambtelijk vakmanschap is of ambtenaren álle
kwadranten moeten ‘kunnen’ of dat het juist gaat
om specialisatie en het vermogen om een van de
kwadranten heel goed te beheersen. Het lijkt ons
onwaarschijnlijk dat één ambtenaar al deze aspecten
beheerst. Elke ambtenaar zal vanuit talent
en achtergrond een voorkeur hebben voor een of
enkele van de kwadranten. Misschien dat vakmanschap
daarom vooral een teamcompetentie
is: organisaties die werken met teams waarin de
verschillende sturingsperspectieven en bijbehorende
competenties goed vertegenwoordigd zijn.
En waarin het vermogen bestaat om de verschillende
perspectieven in te zetten waar ze nodig
272
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://N9AaiMx63EQ0vpSPMn02aIy1N6prUnEBi0lbmbAh66o`̵ Vt
7&'׉Ezijn. Cruciaal is dat een ambtelijk vakman in staat
is om de verschillen te herkennen, om van daaruit
de strategie voor het vraagstuk te bepalen. Dat
betekent ook het vermogen om anderen in te schakelen
op wat zij goed kunnen en het perspectief
begrijpen van waaruit zij werken. Juristen moeten
eerst en vooral denken vanuit het perspectief van
rechtmatigheid, maar dat belemmert ze niet om
die kwaliteit in te zetten om een goede oplossing
‘rechtsonder’ te realiseren. Net zoals ‘netwerkers’
moeten zoeken naar manieren om verantwoording
af te leggen over wat ze doen en wat ze
bereiken. De kwadranten sluiten elkaar niet uit,
maar vullen elkaar aan. Dat klinkt aangenaam,
maar het is misschien wel de grootste uitdaging
voor de ambtenaar van deze tijd. De verschillende
perspectieven benutten, zonder het verschil weg
te werken of een van de onderliggende waarden
dominant te maken en de andere waarden weg te
strepen. Misschien is omgaan met verschil wel de
kern van ambtelijk vakmanschap in onze tijd.
REFERENTIES
Bourgon, J. (2011). A New Synthesis of Public Administration:
Serving in the 21st Century (Queen’s
Policy Studies). Montreal: McGill-Queen’s University
Press
Bovens, M., P. ’t Hart en M. van Twist (2012).
Openbaar bestuur: beleid, organi- satie en politiek.
Deventer: Kluwer; Noordegraaf, M. (2011)
Handboek Publiek Management. Den Haag: Boom
Lemma.
Frissen, P.H.A. (2010). De staat van verschil. Een
kritiek van de gelijkheid. Amsterdam: Van Gennep.
’t Hart, P. (2014). Ambtelijk Vakmanschap 3.0:
zoektocht naar het handwerk van de overheidsmanager.
Den Haag: NSOB.
Klijn, E.H. & van Twist, M.J.W. (2007). PubliekPrivate
Samenwerking in Nederland; overzicht
van theorie en praktijk. M&O, 61 (3/4), p. 156-170.
Klijn, E.H., J.F.M. Koppenjan (2012), Governance
network theory: past, present and future, Policy
and Politics, vol 40 (4): 187-206
Lans, J. van der & N. de Boer (2011). Burgerkracht.
De toekomst van het sociaal werk in Nederland.
Den Haag: Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling
DE
GELAAGDE PRAKTIJK VAN AMBTELIJK VAKMANSCHAP
273
׉	 7cassandra://cUlMBbDtfhTuB3E0OYr8cMuId5OPxw6Tz6694cc0yLcZ`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://Nxnkvp0tziZ-kNhiTlesb4QQncafhGaiiZcLs0AHTe4 ` 
׉	 7cassandra://b1g3HS8pXE-tfjXzhOFbT8Xu-soRerUyYhcUWc6HfD40|` T׉	 7cassandra://Si4uCfCXOx4gW-I45kV_DKJuC4t3MZQrkAozJJiKtbo`̵ ׉	 7cassandra://LQhdMZEDMmOvQ5Ki2ywx-fBjEuecxhc_PdnJJjDSkwwRp$͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://PJmCxGvrNT3UYm_eii2pKXJ_CtYpuRcZtorVWd8fCOQWp` 
׉	 7cassandra://vaRfLdo1noDyQ2jvl3bWWkVWYmIgP244kirzGoH1PuU` T׉	 7cassandra://EzBI-p0GuGtyjN_La11scs1wrMYW5VLsVP3ljXwJ66c	`̵ ׉	 7cassandra://k-UymPTLo1dbFzk0oJ3OeNqE7pKZtplGyiXceBpJotc(͠Vt
7&'׉EPlanbureau voor de Leefomgeving (2011). De energieke
samenleving. Den Haag: PBL.
Pollitt, C., & Bouckaert, G. (2011). Public Management
Reform: A Comparative Analysis-New Public
Management, Governance, and the Neo-Weberian
State. Oxford: Oxford University Press.
Raad voor het openbaar bestuur (2012). Loslaten in
vertrouwen.
Naar een nieuwe verhouding tussen overheid,
markt én samenleving. Den Haag: Raad voor het
openbaar bestuur
Van der Steen, M., M. Hajer, J. Scherpenisse, O.J.
van Gerven & S. Kruitwagen (2014). Leren door
doen: overheidsparticipatie in een energieke
samenleving, NSOB: Den Haag.
Van der Steen, M., J. Scherpenisse & M. Van Twist
(2015). Sedimentatie in sturing: systeem brengen in
netwerkend werken. Den Haag: NSOB.
274
DE GELAAGDE PRAKTIJK VAN AMBTELIJK VAKMANSCHAP
׉	 7cassandra://Si4uCfCXOx4gW-I45kV_DKJuC4t3MZQrkAozJJiKtbo`̵ Vt
7&'׉E (STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
275
׉	 7cassandra://EzBI-p0GuGtyjN_La11scs1wrMYW5VLsVP3ljXwJ66c	`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://v_HfJbQlbbLlbsnMFvnTtWug9VzY0zf3vs1qbZN9YTg͔z` 
׉	 7cassandra://mYvFcvXcKhqcWbduS5PEqGL9tiQxYoWcBRgyDLrY3jMF` T׉	 7cassandra://d3dljlp5vnfelGGUByrDygeRGIpoJHGRXjLY3h0kVtI`̵ ׉	 7cassandra://iZJFd4p2kLKWzjH4m7Ca2RN57VMj7MVG50VxaqnSsTI|͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://-NA5_oMzt3JnQLLo2I2wX77TF0mctxJZULu6XAZf_Es ` 
׉	 7cassandra://JIp8dpSTAIOHdTUFhFkENR7eQwuQb9-cIEhRzd0HCkI(` T׉	 7cassandra://hiuaTB8QL0sa3jUftSUqUO8OwyPB_w_5KkDV4FYeihA
5`̵ ׉	 7cassandra://G-VkVgpMv8a_GfWsGM7KoiC-xa4XSbHNY-umOhp9vTU&x͠Vt
7&'׉E (276
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://d3dljlp5vnfelGGUByrDygeRGIpoJHGRXjLY3h0kVtI`̵ Vt
^7&' ׉E J25. De ambtenaar als
professional
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
277
׉	 7cassandra://hiuaTB8QL0sa3jUftSUqUO8OwyPB_w_5KkDV4FYeihA
5`̵ Vt
7&'Vt
^7&' FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://JTt0oVhJwhfdGL4I-9kmhbYt_oH_IO6ZI-QPgK5vNt8 h` 
׉	 7cassandra://sMxZ2JnkhSX8XOBmFiY5PWJwp5g-kJH4Rjc6dt667fQ<`T׉	 7cassandra://mbmkb1TTAF9VoxUtKbzZ-1HdPvb3OZA0rXUnp3hZL4I>`̵ ׉	 7cassandra://blwdFxrKC0WMpMtoD_Mk9IP7x_5A85zLyHimIBpaOSI<](͠Vt
7&' ט # #nu׉׉	 7cassandra://L-eN4Mbf_qr4dkUj8InC6IRPKkMcpaoq-ZtkDMKQBZw ` 
׉	 7cassandra://NpBh_gl9c6fVk0O5yEkomAuReKduePpM1Y8kphiu-1scK`T׉	 7cassandra://efNcRetGdmJ1GFFcibC3gklb7V8ovAGFjr1p4MGQFyQb`̵ ׉	 7cassandra://So2IrKb1o77l20K18DwdgYlLz1am7PZ4PX4_iyEZxPA>$͠Vt
7&'!׉EEDrs. D. van Berlo, drs. L. Nijland en M. van Zaane
1 INLEIDING
Ambtenaren worden over het algemeen gezien
in de context van hun organisatie. Zij vormen
een bureaucratische machine, waarmee politiek
geïnitieerd beleid effectief wordt gemaakt. Het
zijn uitvoerders van beleid, die betrouwbaar en
consistent overheidsdiensten leveren aan de samenleving.
Er is langzamerhand echter aanleiding
om dit beeld van ambtenaren te wijzigen, of beter
gezegd: aan te vullen.
In lijn met maatschappelijke ontwikkelingen is de
positie van ambtenaren aan het veranderen. In dit
artikel kijken we naar de opkomende rol van de
ambtenaar als professional. Daartoe bekijken we
in eerste instantie wat het begrip professional inhoudt
en passen we dat begrip vervolgens toe op
de veranderende overheid. Ten slotte inventariseren
we wat er nodig is om ambtelijk vakmanschap
te ontwikkelen als daadwerkelijke professie.
2 MAATSCHAPPELIJKE ÉN
ORGANISATORISCHE VERANDERING
Nederland is bezig te veranderen in een participatie-
en een netwerksamenleving. Het is ondertussen
al vaak gezegd, maar die verandering betekent
voor de overheid in de eerste plaats een zoektocht
naar een andere rol (in relatie tot die energieke
samenleving) en in de tweede plaats een andere
manier van werken (in netwerken en andere horizontale
verbanden).
278
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://mbmkb1TTAF9VoxUtKbzZ-1HdPvb3OZA0rXUnp3hZL4I>`̵ Vt
^7&'׉E
=Zoals ook Martijn van der Steen aangeeft in
hoofdstuk 24 (De gelaagde praktijk van ambtelijk
vakmanschap) betekent dit niet zozeer dat de oude
rol van de overheid verdwijnt, maar dat nieuwe
rollen worden toegevoegd. De rechtmatige en
presterende overheid blijft bestaan, maar wordt
aangevuld met een netwerkende en participerende
rol. Deze omslag (noem het paradigmaverandering,
transitie of kanteling) stelt nieuwe
vragen aan organisaties, maar verandert ook de
organisaties zelf.
Om te kunnen functioneren als rechtmatige
en presterende overheid, is gekozen voor een
bureaucratisch organisatiemodel met hiërarchische
sturing en verantwoording, protocollen en
monitoringsystemen. Deze systemische wereld
heeft als doel een gelegitimeerd en eenduidig resultaat
en een onzekerheidsreductie voor politiek
verantwoordelijken. Echter, een netwerkende en
participerende overheid vraagt om een ander, horizontaler
model, aangesloten op de samenleving.
Cruciaal in dat organisatiemodel is de positie van
medewerkers. De ambtenaren zijn in dit model
niet meer de anonieme uitvoerders van opdrachten
‘van boven’, maar de verbindingspersonen
tussen de verwachtingen vanuit de bestuurder en
de organisatie enerzijds en die vanuit de samenleving
anderzijds. Zij zijn het die namens de participerende
en netwerkende overheid het contact met
de samenleving invulling geven (lees ‘De boom en
het rizoom’ en ‘Wij, de overheid’).
De participatie- en de netwerksamenleving
hebben zo tot gevolg dat ambtenaren vaker hun
resultaten moeten behalen in samenwerking met
(zowel overheids- als maatschappelijke) partners
en in directer contact met de buitenwereld. Door
deze en andere ontwikkelingen worden ambtenaren
minder anoniem (met voor- en nadelen tot
gevolg) en komt bij hen meer verantwoordelijkheid
te liggen voor het succes (of het falen) van
overheidshandelen.
Om deze ontwikkeling kans van slagen te geven,
moet aan de kant van overheidsorganisaties het
nodige veranderen (en bij partners in de samenleving,
maar dat terzijde). Hoe ga je ruimte en
verantwoordelijkheid geven? Welke nieuwe
sturings- en verantwoordingsafspraken moeten
worden gemaakt? Hoe organiseer je de ondersteuning
en bescherming van medewerkers?
Echter, niet alleen organisaties moeten veranderen.
Ook ambtenaren zelf moeten mee in deze
transformatie. Zij moeten hun vakmanschap
uitbreiden met de kennis en kunde die nodig zijn
in een participerende en netwerkende overheid,
maar tevens moeten zij zich bewust zijn van hun
veranderende positie: hun nieuwe rol en groeiende
verantwoordelijkheid bij het creëren van
DE AMBTENAAR ALS PROFESSIONAL
279
׉	 7cassandra://efNcRetGdmJ1GFFcibC3gklb7V8ovAGFjr1p4MGQFyQb`̵ Vt
7&'"Vt
^7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://ymRZXWQohJQcGj716E5XCG7e3iJXcJo4RvHQMH1bMOo /` 
׉	 7cassandra://olVMBVt6YdCzSdfelPYcGy_jpEavqvUg9UfvhIQqkmMb`T׉	 7cassandra://kZi7Qgcfn2CppDiuuYxBHjZtZrWlTq_dEq-JheiMF2Q`̵ ׉	 7cassandra://7N6oBoWWYjaP3Y0hIxEOLxDPV2YAimOhC4XplE9_iCgEJ$͠Vt
7&'$ט # #nu׉׉	 7cassandra://CGifgJtJDJwt3OBo5rFLkjV8kYq1YXoi92ppr__DWXs ` 
׉	 7cassandra://Ph6TGDv64EXKA_Pf8SkE22znrUZhDWdg-J9QQethOfsfq`T׉	 7cassandra://XdT6LhVef7GYQ5wJCrf0aWXQCH_jVLg3rrUjGl_2PAQ`̵ ׉	 7cassandra://SctEZiMp29R7e05QhzINigi5wAfexSnRyHU5nyZb0P0F(͠Vt
7&'%׉E	maatschappelijke meerwaarde. Deze verschuiving
van instituut naar individu vraagt om een versterking
van het ambtelijk vakmanschap en om de
professionalisering van ambtenaren.
3 PROFESSIONALISERING VAN
AMBTENAREN
In zijn essay over ambtelijk vakmanschap 3.0
heeft Paul ‘t Hart de veranderende opgaven onderzocht
die aan de overheid en aan ambtenaren worden
gesteld. Net als Van der Steen concludeert hij
dat de oorspronkelijke opgave en het bijbehorende
vakmanschap (ambacht 1.0) in de loop van de tijd
is uitgebreid met nieuwe opgaven en toenemende
eisen aan het ambtelijk vakmanschap, te weten
ambacht 2.0 en 3.0.
‘t Hart stelt dat ambtenaren in de participatie- en
de netwerksamenleving te maken krijgen met
steeds meer ‘turbulentie’ en het ambtelijk vakmanschap
3.0 is er dan ook met name op gericht
om daarmee om te gaan. Echter, de ‘oudere’
opgaven blijven ook bestaan, met als gevolg een
opstapeling van eisen die aan ambtenaren (individueel
dan wel in teamverband) worden gesteld.
De lat komt steeds hoger te liggen.
Zoals hierboven betoogd bestaat de verandering
voor ambtenaren niet alleen uit het uitbreiden
van het ambtelijk vakmanschap met de kennis en
kunde die nodig zijn om te werken in de turbulente
samenleving. Ambtenaren krijgen ook een
andere positie in relatie tot bestuurder, organisatie,
partners en samenleving. Meer nog dan de
toenemende eisen betekent deze verschuiving
een fundamentele verandering van het ambtelijk
vakmanschap.
Om deze tussenrol effectief en succesvol te
kunnen vervullen, moeten ambtenaren steeds
opnieuw hun positie bepalen, niet alleen tot partners
en samenleving (buiten de eigen organisatie),
maar ook tot organisatie en bestuurder. Ze moeten
rekening houden met de politiek-bestuurlijke
context én ze werken voor het algemeen belang.
Het is een eigenstandige positie, waarin zij de
juiste balans moeten vinden tussen verschillende
loyaliteiten. In het vinden van die balans schuilt
het ambtelijk vakmanschap.
Daarvoor zijn ambtenaren nodig die in staat zijn
om professionele identiteit te ontwikkelen (naar
Manon Ruijters) en op basis daarvan morele afwegingen
te maken, bijvoorbeeld in het contact met
hun bestuurder (truth to power) en in contacten
met de samenleving (bijvoorbeeld om ongelijke
gevallen ongelijk te behandelen). Deze professionele
identiteit wordt deels gevormd door de
organisatie waar zij deel van uitmaken en de eigen
persoonlijkheid, maar ook bepaald door een collectieve
kijk op het vak van ambtenaar.
280
DE AMBTENAAR ALS PROFESSIONAL
׉	 7cassandra://kZi7Qgcfn2CppDiuuYxBHjZtZrWlTq_dEq-JheiMF2Q`̵ Vt
7&'&׉E
Door deze verschuiving komt de positie van
ambtenaren dichter in de buurt te liggen van
‘klassieke’ professionals, zoals artsen, advocaten
en notarissen. Volgens Mirko Noordegraaf wordt
professioneel werk in de eerste plaats gekenmerkt
door het belang van een vertrouwde verstandhouding
tussen de professional en de ‘relatie’, bijvoorbeeld
de patiënt of verdachte. In een overheid die
steeds meer moet aansluiten bij activiteiten in de
samenleving en waar ambtenaren steeds vaker de
verbinding zijn met die activiteiten, kan professionalisering
een manier zijn om die aansluiting
te versterken en een ‘vertrouwende’ verbinding te
creëren.
Deze beweging wordt versterkt door de digitalisering
van een groot deel van de dienstverlening
van de overheid. Door de standaardcontacten
tussen overheid en burger digitaal af te handelen,
blijven alleen de ‘bijzondere gevallen’, ofwel de
unieke contacten, over. Zo voorspelt de Nederlandse
Vereniging voor Burgerzaken (NVVB) dat
de meeste lokethandelingen bij gemeenten zullen
verdwijnen, maar dat de zaken die overblijven
juist de aandacht, kennis en betrokkenheid van
professionals nodig hebben.
Een tweede kenmerk dat Noordegraaf noemt, zijn
de individuele eigenschappen van professionals
(en het vertrouwen daarin), te weten de vakkennis,
motivatie en waarden die horen bij de professie.
Bij ambtenaren bestaat daar nog geen eenduidig
beeld van. Hoewel we dus kunnen constateren
dat de positie van ambtenaren meer en meer gaat
lijken op die van andere professionals, kunnen we
tegelijkertijd constateren dat ambtenaren nog niet
voldoen aan de bijbehorende eisen van professionaliteit.
Zo zijn het ambtelijk vakmanschap en de
ambtelijke waarden niet eenduidig beschreven en
ontbreekt het aan een collectief bewustzijn.
4 BUREAUCRATISCHE EN
PROFESSIONELE WAARDEN
Overigens constateert Noordegraaf dat de werelden
van professionals en van functionarissen in organisaties
naar elkaar toe aan het groeien zijn. Artsen
en advocaten voeren hun professie immers steeds
nadrukkelijker uit in een organisatorische context,
als deel van grotere systemen, binnen hiërarchische
verbanden en te midden van hoger liggende belangen.
Hij heeft het over de ‘hybridisering van professionalisme’,
waarbij een balans wordt gezocht
tussen kwaliteit die voortkomt uit de professie en
de kwaliteiten van een bureaucratie.
Hij bepleit dus dat beide systemen niet tegenover
elkaar worden geplaatst, maar dat een werkwijze
wordt gevonden waarin de voordelen elkaar aanvullen.
In deze hybride situatie is de professional
niet meer de ‘eigenaar’ van kwaliteit, maar speelt
hij een cruciale rol in het organiseren van kwaliteit.
Georganiseerd professionalisme (organizing
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
281
׉	 7cassandra://XdT6LhVef7GYQ5wJCrf0aWXQCH_jVLg3rrUjGl_2PAQ`̵ Vt
7&''Vt
7&'&FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://WQcCW4e8e4YdQdMsth7ebuQlxIWwuOOTbSyyxgZpsU8 ` 
׉	 7cassandra://MgyXcgzNsm3HPXkNPqR_PVaJ7ybI_Me7_22ZtIp_deEb`T׉	 7cassandra://j-Z2dHLcLoGedMxq6_WRo5Mgze7vGpO4bW6IkxGNozcJ`̵ ׉	 7cassandra://WAj6pUij4CB-1L7igQSojUW_qBEoPO1kBU_4AZLFzFEN(͠Vt
7&'*ט # #nu׉׉	 7cassandra://8uC19x8aD3ViBpXymgHdEcU_HQPEopZqTDz94UHpahc nZ` 
׉	 7cassandra://h8t28_HsMe7ENUEbBdFSV_tQ6wI3Auu3VtE4m5nrF8oH `T׉	 7cassandra://EBJLv5cY68qux1PV2k3u60PX7vFzQDai8pvaveTbLw4`̵ ׉	 7cassandra://zkG0GQaj1F_pXfESe3LbZJHpEUy1zh2HM6FKyh9kLls_$͠Vt
7&'+׉E	professionalism) vraagt om toegeruste professionals
in een op kwaliteit ingerichte organisatie.
Het vraagt om een gelijkwaardige benadering van
professionele en bureaucratische waarden.
Waar Noordegraaf zich concentreert op de rol
van de professional, beschrijft Margo Trappenburg,
ook hoogleraar bij de USBO in Utrecht, de
voorwaarden voor het zijn van een professional.
Volgens haar wordt een professie gekenmerkt
door specialistische kennis, een gemeenschappelijke
ideologie (een hoger doel dus) en een
ruime mate van autonomie. Die autonomie uit
zich doordat de leden van de beroepsgroep zelf de
kwalificatie-eisen bepalen, daarop controleren en
in staat zijn om leden die daar niet aan voldoen uit
het vak te zetten.
Bij ‘klassieke’ professionals (artsen, advocaten
et cetera.) is al sprake van een vergaand ontwikkelde
professie, met curriculum, vakgenootschap
en tuchtrecht. Door institutionalisering is aan die
professionele kwaliteit steeds meer bureaucratische
kwaliteit toegevoegd. De professional wordt dus
steeds meer ingebed in en ondersteund door de
organisatie en die beide kwaliteiten horen elkaar
daarbij te versterken. Hoe verhoudt deze ontwikkeling
zich tot de ambtenaar als professional?
Een dergelijk model zou voor de overheid ook
kunnen werken, zij het komend van de andere
kant. Voor ambtenaren is de systeemwereld over
het algemeen goed geregeld: organisatorische inbedding,
protocollen en procedures. De professionele
kant is echter veel minder goed ontwikkeld.
Hoewel de publieke motivatie (de ‘ideologie’)
sterk is, ontbreekt het aan een gemeenschappelijk
beeld van ambtelijk vakmanschap en zijn ambtenaren
niet als professionals georganiseerd (autonomie).
Daar ligt de komende tijd de uitdaging.
5 CONCLUSIE: INVESTEREN IN DE
AMBTENAAR ALS PROFESSIONAL
De beweging naar een participatie- en een netwerksamenleving
vraagt om een nieuwe balans
tussen bureaucratische waarden, geïmplementeerd
via instituties en protocollen, en professionele
waarden, toegepast via daartoe toegeruste
personen. Gezien de sterke systeemwereld waarbinnen
ambtenaren nu al hun werk doen, is vooral
een investering nodig in de professionaliteit van
de ambtenaar.
De professionele ambtenaar is in staat om te
werken in een context van verschillende partijen:
bestuurder, organisatie, vakgenoten, burgers (en
bedrijven, bijvoorbeeld als partner) en (andere
spelers in de) samenleving. Hij is in staat om
te midden van de turbulentie van de huidige
samenleving te werken ‘volgens de bedoeling’, op
282
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://j-Z2dHLcLoGedMxq6_WRo5Mgze7vGpO4bW6IkxGNozcJ`̵ Vt
7&',׉Ebasis van zijn ambtelijke waarden. Dat vraagt om
kennis en bewustzijn van die waarden en om een
gedeeld beeld over wat die waarden zijn.
Daar ligt dan ook de eerste stap: om als ambtenaren
gezamenlijk het gesprek aan te gaan over onze
professionele waarden, om een gemeenschappelijk
beeld te vormen van het ambtelijk vakmanschap.
Terwijl de samenleving steeds sneller
verandert en juist nu de overheid daar in mee
verandert, is het tijd om pas op de plaats te maken
en te bedenken waar we voor zijn. Het antwoord
op de turbulentie is stilstaan en reflectie.
LITERATUUR
Van Berlo, D. (2012) Wij, de overheid. Cocreatie in
de netwerksamenleving. Den Haag: Ministerie van
Landbouw, natuur en Voedselkwaliteit
Hart, P ‘t. (2014). Ambtelijk vakmanschap 3.0.
Zoektocht naar het handwerk van de overheidsmanager.
Den Haag: IKPOB
Van Hassel, D., Tonkens, E., & Hoijtink, M.
(2012) Vluchten in bureaucratie. Bureaucratische
gehechtheid onder professionals in de jeugdhulpverlening.
In Beleid en Maatschappij 39 (1): 5-24.
Den Haag: Boom Lemma uitgevers
Noordegraaf, M. (2015). Hybrid Professionalism
and Beyond: (New) Forms of Public Professionalism
in Changing Organizational and Societal Contexts.
In Journal of Professions and Organization 2,
(2): 187-206. Oxford: Oxford University Press
Ruijters, M. et al. (2010) Je Binnenste Buiten. Over
professionele identiteit in organisaties. Deventer:
Vakmedianet
Van der Steen, M., Peeters, R., & Van Twist, M.
(Jaar). De boom en het rizoom. Overheidssturing in
een netwerksamenleving. Den Haag: NSOB
Trappenburg, M. (2011). Managers en professionals.
In M. Noordegraaf, K. Geuijen & A. Meijer
(Red.). Handboek publiek management. Den Haag:
Boom Lemma uitgevers
DE AMBTENAAR ALS PROFESSIONAL
283
׉	 7cassandra://EBJLv5cY68qux1PV2k3u60PX7vFzQDai8pvaveTbLw4`̵ Vt
7&'-Vt
7&',FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://153jYVcE2T3wF6-mLOwmABjBlNNwgRi-Xm3jTf05wxU͔` 
׉	 7cassandra://m5Utw_AE2OR1pc3VLv6Ct-NXhwh-VulNym2RfoNULlg` T׉	 7cassandra://lEmO8c9lcfs_4rWw8RjkxA0ebzxsRqaF3yi3GfsA31I`̵ ׉	 7cassandra://0NDhTaFZavF05Ic1xmcovShgBqQIilEUc3aX-0CdfJA/|͠Vt
7&'/ט # #nu׉׉	 7cassandra://6xfaCWfvdJomZT367_3v1bOX4NRYAbSrs0Y8unJVhuI ` 
׉	 7cassandra://nVw3Fm1ldjonf0jk6nSUH_6PIMa4D63vj92xQpckbQI;`T׉	 7cassandra://jk6NITCWzESk9bpcZoRqKA4YgSDuG0avIvAGoJZDCO0`̵ ׉	 7cassandra://ijyVxhh6F_UKmpq_XHRotStX1xpL4PruvVbGR77hBkc;x͠Vt
7&'1׉E (284
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://lEmO8c9lcfs_4rWw8RjkxA0ebzxsRqaF3yi3GfsA31I`̵ Vt
^7&'׉E 26. De verhouding tussen
overheid en ambtelijke
organisatie
Overheid blijft aantrekkelijke werkgever,
ondanks bezuinigingen – interview met
Ralph Pans, staatsraad
Interviewer: Berber Bijma
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
285
׉	 7cassandra://jk6NITCWzESk9bpcZoRqKA4YgSDuG0avIvAGoJZDCO0`̵ Vt
7&'2Vt
^7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://4v3yoE60-LBMQXKPzocLOy-magTM91f5R3AYO0_9Pyg ` 
׉	 7cassandra://hdBfWVvep1VHj1qluAe0keQSHL8FqewfU8hx3obkehg_Q`T׉	 7cassandra://cO2ZLPiIkDHHXh1F-pntDKddrfDdgp5C3bWrnYJoBMw`̵ ׉	 7cassandra://5e8qzPUZcq6Q4Fd_RtmpSY8VOCfiM8Ecz_oTS4D2qFIft(͠Vt
7&'4ט # #nu׉׉	 7cassandra://JMqeknr336g8d6YTIDYTvsH5YzZltE-9T96n6mCYE70 ` 
׉	 7cassandra://60k1-4i9t4kH_xjIHA0yAO7lJqxe4XG_OAg314Dkfl4ba`T׉	 7cassandra://FPyJCjtCAs4ZPFQBh5aIHC8Y_eNkZ66l2Q6-7sMgX8I`̵ ׉	 7cassandra://1v1wuWnVx5-4dHxczUgsn8HPN3EF7QB08qtYgDq4KpoH$͠Vt
7&'6׉E
@Rijksambtenaren ervaren de overheid in de eerste
plaats als werkgever. Dat die overheid ook wetgever
is, levert soms spanning op, is de ervaring van
staatsraad Ralph Pans, eerder werkzaam bij het
ministerie van Verkeer en Waterstaat. De aantrekkelijkheid
van de overheid als werkgever is volgens
Pans nog steeds groot, al is een baan in de buurt
van het Binnenhof wel iets heel anders dan bij een
gemeente.
Ralph Pans heeft vanuit heel verschillende functies
gewerkt voor en met de overheid: als wethouder
en burgemeester, als secretaris-generaal
op het ministerie van Verkeer en Waterstaat, als
voorzitter van de directieraad van de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten en sinds 2013 met
wat meer afstand als staatsraad bij de Raad van
State. Een loopbaan die hem een breed perspectief
heeft gegeven op de verhouding tussen overheid
en ambtelijke organisatie.
Hoe heeft u die verhouding ervaren in uw tijd op
het ministerie?
‘Als secretaris-generaal heb je een wat buitengewone
positie. Je bent werknemer, maar ook de
bestuurder die namens de minister het overleg
met de ondernemingsraad voert. In de praktijk zit
je dichter bij de minister als werkgever dan bij je
collega-werknemers.
‘De gemiddelde werknemer ziet het ministerie
in de eerste plaats als werkgever, niet als overheid.
Mensen werken met ziel en zaligheid aan de
klus waarvoor ze zijn aangenomen. Je rechten en
arbeidsvoorwaarden zijn vergelijkbaar met die van
werknemers in andere sectoren. Maar natuurlijk
werk je in een politieke context en zo nu en dan
zijn er situaties waarin die context heel belangrijk
is. De overheid heeft een voorbeeldfunctie; de
manier waarop de organisatie werkt, ligt onder
een vergrootglas. Fouten in de werkwijze van
de organisatie worden de overheid extra zwaar
aangerekend.
‘Soms is er spanning tussen de politiek en de organisatie.
Als er een politieke keuze wordt gemaakt
die de organisatie treft – reorganisatie, diensten
uitbesteden of juist in huis halen, een nullijn vaststellen
voor ambtenarensalarissen – dan heeft de
politiek het primaat. Voor zo’n keuze wordt niet
eerst met de or overlegd. Bij Verkeer en Waterstaat
heb ik meegemaakt dat de or zich verzette tegen
een voornemen van de minister. Het enige dat je
dan als or kunt doen, is naar de Ondernemingskamer
gaan, die een uitspraak doet over het conflict.’
Een overheid die een voorbeeldfunctie heeft én
wil bezuinigen – dat levert toch spanning op?
‘Zeker. De overheid zegt al jarenlang geen geld te
hebben voor verbetering van de ambtelijke organisatie
en rechtspositie, waardoor het kan gebeuren
286
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://cO2ZLPiIkDHHXh1F-pntDKddrfDdgp5C3bWrnYJoBMw`̵ Vt
7&'7׉E
dat er vier, vijf jaar geen nieuwe ambtenaren-cao
is. Het is onderdeel van de overheidsideologie om
te bezuinigen op het ambtelijk apparaat, zowel in
aantallen als in loonhoogte. De nullijn is weliswaar
afgelopen zomer losgelaten, maar het extra
geld komt voornamelijk uit de pensioenpot. Er
wordt vooral uitgesteld loon naar voren gehaald.
‘Tegelijk met die bezuinigingsdoelstelling zie je
dat de overheid veel ambitie heeft op het gebied
van wetgeving, handhaving en toezicht. En de
overheid wil bijvoorbeeld koploper zijn op ICTgebied.
Dan kun je je geen fouten permitteren,
maar het moet wel met steeds minder mensen.
Lange tijd is dat opgelost door externe mensen in
te huren, maar dat ventiel is inmiddels gesloten.
Ik zeg niet dat het fout gaat, maar er dreigt wel een
onbalans tussen de ambities en de bewerktuiging.
Als je wilt dat werknemers zich ontwikkelen en
met plezier werken, moet je in hen investeren en
ervoor zorgen dat ze het volhouden om langer
door te werken. In plaats daarvan levert de overheid
consequent maar weinig op het gebied van
primaire en secundaire voorwaarden.’
Wordt de overheid daarmee een minder
aantrekkelijke werkgever?
‘Dat valt mee, omdat er nog steeds belangrijke
voordelen zijn ten opzichte van andere sectoren.
Er is veel baanzekerheid, het werk is over
het algemeen leuk en gevarieerd, met complexe
afwegingsprocessen. En ondanks de focus op een
terugtrekkende overheid zie je dat de overheid
op sommige punten juist belangrijker wordt –
bijvoorbeeld als het gaat om regelgeving voor de
financiële sector. Voor zulk boeiend werk zijn
mensen vaak best bereid een prijs te betalen. De
nationale politie windt zich weliswaar op over een
te lang durende reorganisatie en de trend dat agenten
makkelijker voor de rechter worden gesleept,
maar je hoort niemand zeggen: “Ik vind dat ik een
waardeloze baan heb.”
‘Mensen die voor de overheid werken, vinden
over het algemeen dat ze interessant en mooi
werk hebben. Nadeel is wel dat er weinig modern
leiderschap is. Werknemers willen ruimte en richting
– een combinatie waarmee veel overheidsmanagers
niet uit de voeten kunnen. Zij denken
eerder verticaal.’
Hoe groot is de invloed van bewindspersonen
op de benoeming van zulke managers? Met
name in de topfuncties willen ministers en
staatssecretarissen misschien liefst iemand van
hun eigen kleur?
‘Een minister doet er natuurlijk verstandig aan
de beste mensen te benoemen, ongeacht hun
politieke kleur. Daarin zie je enorme verschillen
tussen ministers. De een selecteert ook op kleur,
de ander helemaal niet. Ook vindt de ene partij
het belangrijker dan de andere. In de 4,5 jaar dat
DE VERHOUDING TUSSEN OVERHEID EN AMBTELIJKE ORGANISATIE
287
׉	 7cassandra://FPyJCjtCAs4ZPFQBh5aIHC8Y_eNkZ66l2Q6-7sMgX8I`̵ Vt
7&'8Vt
7&'7FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://Cj6Wtm2aLf0kIEycQPK61b_TQYz9Cn_69cIQssfkw6g ` 
׉	 7cassandra://LaNxvTIpBvW_YXUIjynCfXF9gPm698aT2rPtrG2C7uA``T׉	 7cassandra://LEJlJ2emQ_KR_bDvkvNDNA0HGFFBlUG_AFDfVLM-LLg%`̵ ׉	 7cassandra://p2c5VKRDmofy32C4mrHZMdfu8W2ku5qG9hMi0PA46icER$͠Vt
7&':ט # #nu׉׉	 7cassandra://7pQv8tnixQe6w5gGNEgZo366_oFCEIqH4wKhiXQtTsUW` 
׉	 7cassandra://GGwmfuJs_BuhYXhaUBBld8vcVBAHFxg3VRwTzmBfz1k` T׉	 7cassandra://B_L2IEFc8NNfV9vDH_lvJv7w2BeP1IwfhurYyYhlXkY`̵ ׉	 7cassandra://mtrmXQn7jXTyvY1uY6EsTguvKhMbMqqPYlbW7BYG9wI(͠Vt
7&';׉E
(ik bij de rijksoverheid heb gewerkt, heb ik geen
politieke benoemingen van hoge ambtenaren
meegemaakt. Ik ben zelf als PvdA’er door een
VVD’er benoemd.
‘Ik vermoed dat de politieke kleur van hoge
ambtenaren steeds minder belangrijk wordt, ook
al door het feit dat mensen politiek steeds minder
honkvast worden. Als je als bewindspersoon
de politieke kleur van een ambtenaar dan toch
belangrijk blijft vinden, doe je jezelf wel enorm
tekort.’
In hoeverre is er volgens u sprake van politieke
sturing op de ambtelijke organisatie?
‘Tot op zekere hoogte is dat onvermijdelijk. Bewindslieden
houden zich niet alleen bezig met het
‘wat’, maar ook met het ‘hoe’. Het is niet meer dan
logisch dat ze zich verdiepen in de vraag hoe iets
georganiseerd is – daar zijn ze tenslotte ook voor
verantwoordelijk. De organisatie moet ook weten:
wat hier gebeurt, heeft de steun van de minister.
Het is de kunst het juiste midden te vinden tussen
de hoe-vraag en de daadwerkelijke operatie van
het ambtelijke apparaat.
‘Om de ambtelijke organisatie goed te kunnen
besturen, zie je een trend om beleid, uitvoering en
toezicht steeds meer te scheiden. Voor ambtenaren
die altijd hebben gewerkt met een combinatie
van regelgeving en toezicht, kan die scheiding
lastig zijn, maar politiek gezien is het belangrijk
dat het onderscheid transparant is.
‘De keuze om schoonmakers in dienst te nemen
in plaats van in te huren, is ook zo’n politieke
keuze met duidelijke gevolgen voor de ambtelijke
organisatie. Dat druist weliswaar in tegen het
uitgangspunt om als overheid zo krap mogelijk
bemenst te zijn, maar politiek kunnen daar goede
redenen voor zijn, in dit geval: betere arbeidsvoorwaarden.’
U
heeft zowel bij de rijksoverheid als bij
gemeenten gewerkt. Zijn dat heel verschillende
ambtelijke organisaties?
‘Als je bij de rijksoverheid werkt, gonst het Binnenhof
op de achtergrond altijd mee. Werken bij
een departement wordt gedomineerd door die
kaasstolp en de enorme mediadruk die dat met
zich meebrengt. Bij alle bewindslieden op de
Kamer staat continu Teletekstpagina 101 aan, zodat
ze voortdurend zien en horen wat er gebeurt. Voor
het minste of geringste worden ze naar de Kamer
geroepen. Alles moet heel snel: vandaag nog een
reactie, morgen naar de Kamer. Er is geen andere
overheid waar je de stukken zó laat krijgt.
‘De gemeentelijke politiek is veel minder hijgerig,
juist omdat de mediadichtheid zo veel kleiner is.
De energie is veel meer gericht op de klus zelf, op
de inhoud en uitvoering van het beleid.’
288
DE VERHOUDING TUSSEN OVERHEID EN AMBTELIJKE ORGANISATIE
׉	 7cassandra://LEJlJ2emQ_KR_bDvkvNDNA0HGFFBlUG_AFDfVLM-LLg%`̵ Vt
7&'<׉E (STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
289
׉	 7cassandra://B_L2IEFc8NNfV9vDH_lvJv7w2BeP1IwfhurYyYhlXkY`̵ Vt
7&'=Vt
7&'<FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://GVJdoPXxyZeCW37DqlArz_d0Iae_t5O7qjoBHYQ8HJw͗` 
׉	 7cassandra://4svbcsJoxvT3gOrxTZisApsBbq93ih37ovMlbyLtQxcR` T׉	 7cassandra://yuHet0hSyEmsDjm6cvyHEoDFJTC__um9QKu030ccjWc`̵ ׉	 7cassandra://eXSSp5jTnUNltcYGBUcy0QrI2q_8A9WFEhFmbpI3pko|͠Vt
7&'?ט # #nu׉׉	 7cassandra://xW40KCPhaTGh7l6OwwaXDFwpeVQCVdnwT3Dy6ybhQjk 6` 
׉	 7cassandra://6rxSJHtl4n84_w_bj7Wdvf3BikOThViy7Ek4DB6K8Oc0'` T׉	 7cassandra://zeXUjxwJ75Z9tHxOaVsLzQUmJLLluSCMYkh6s5fLiaY`̵ ׉	 7cassandra://afEsFvEbOPmRIAh31ysxRrkoop4JRr7cjeITKz2hwzw)x͠Vt
7&'@׉E (290
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://yuHet0hSyEmsDjm6cvyHEoDFJTC__um9QKu030ccjWc`̵ Vt
^7&'׉E b27. De Nederlandse ambtenaar
in vergelijking tot
de EU 28
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
291
׉	 7cassandra://zeXUjxwJ75Z9tHxOaVsLzQUmJLLluSCMYkh6s5fLiaY`̵ Vt
7&'AVt
^7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://xufBJGu5jFJ7s102JfBGT5uwQxXmqxlPHTIBK6-XR-o N` 
׉	 7cassandra://IdJ9d0xmtZvl5Tq58VA1wP_2oOwU-B2ONLXM1tw7_YY=`T׉	 7cassandra://nW4PdhWGj8zONGsXnbbUFgb9sTMCQgB0if6WGUQnbgU`̵ ׉	 7cassandra://VpUaM5egx4ftJTAbCPKZveqWOiQsOSNyY1QxWlc6Myo<7(͠Vt
7&'Cט # #nu׉׉	 7cassandra://_ClcdcsLE1edkGFUFN1fBFeR4TDV5MA6iXS2BLiAOzU d` 
׉	 7cassandra://MdKUl9pLhxxKerrext9RzDoMDXd3_L-SmqcyUYRe78ss8`T׉	 7cassandra://Qjv98yjdY145AxPfhMMd1PF_aDrkoZwpKCv_g1vDHcE|`̵ ׉	 7cassandra://G-9_eJUoYBzRRJ_tTXKzS9NjBqknh7JdLcgAadsH5Y8i$͠Vt
7&'D׉EIr. H.M. Kuperus
1 INLEIDING
In 2016 is Nederland voorzitter van de EU. Op
vele terreinen komen dan ambtenaren uit alle
EU-lidstaten en de Europese Commissie of andere
EU-instellingen bijeen om in formeel en informeel
verband over de belangrijkste dossiers op
hun werkterrein met elkaar kennis en ervaringen
uit te wisselen, standpunten te bespreken en
besluiten te nemen. Enig inzicht in de ambtenarij
in andere lidstaten in vergelijking met de ambtenarij
in Nederland kan eraan bijdragen om elkaars
positie en achtergrond te begrijpen. Maar het helpt
ook om te zien waar onderlinge uitwisseling en
verdere congruentie tussen lidstaten de kwaliteit
van de ambtenarij in Europa kan versterken.
Welke verschillen en overeenkomsten bestaan er
tussen de Nederlandse ambtenaar in rijksdienst en
die in andere lidstaten? En wat maakt het Nederlandse
ambtenaarschap anders?
De verantwoordelijke DG’s voor de (centrale)
overheid als organisatie en werkgever vanuit de
Europese lidstaten en de Europese Commissie
komen regelmatig bijeen in EUPAN (European
Public Administration Network). In dat verband
wisselen ze kennis en ervaringen uit en initiëren
vergelijkende onderzoeken op het gebied van het
inrichten, sturen, functioneren en instrumenteren
van de overheidsorganisaties. Organisatieontwikkeling,
personeel- en arbeidsmarktbeleid
staan daarbij centraal. Samen bouwen ze aan de
292
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://nW4PdhWGj8zONGsXnbbUFgb9sTMCQgB0if6WGUQnbgU`̵ Vt
^7&'
׉E[verbetering van de kwaliteit en prestatie van de
(rijks)overheden in Europa. De Europese Commissie
heeft (nog) geen formele bevoegdheid op
dit terrein, maar streeft naar meer convergentie en
een bepaald minimumniveau dan wel gezamenlijk
gedeeld beeld van de benodigde kwaliteit en
prestatie van overheden als basisvoorwaarde voor
economische groei en duurzame ontwikkeling
binnen de EU. De recente discussies over Griekenland
illustreren deze samenhang. Tijdens het
Nederlandse voorzitterschap organiseren wij de
bijeenkomsten van EUPAN.
2 VERSCHILLEN IN ORGANISATIE
De systemen van (rijks)overheden in Europa verschillen
nogal. Zowel in wat eronder valt als hoe
ze zijn georganiseerd. Daarbij speelt de politieke,
historische en geografische context een rol. Ook
de mate waarin taken belegd zijn bij regionale en
lokale overheden heeft invloed op de omvang van
de centrale overheid. Verder heeft in veel landen
de crisis geleid tot reductie van ambtenaren.
In vrijwel alle lidstaten lopen min of meer permanent
hervormingen, die deels leiden tot meer
divergentie en deels tot convergentie binnen
Europa. Diverse rapporten van EIPA (onder andere
C. Demmke99
et al.) en Transforming for Europe100
gaan uitgebreid hierop in. Hier beperken we ons
tot enkele saillante voorbeelden van de huidige
situatie.
In Nederland werkt, volgens de tweejaarlijkse
OECD-publicaties Government at a Glance, ruim
12 procent van de beroepsbevolking bij de publieke
sector. Dit is iets meer dan in Duitsland, Polen en
Oostenrijk, maar veel minder dan in Scandinavische
landen en Frankrijk (22 tot 30 procent). In
Nederland werkt daarvan ongeveer 23 procent op
centraal niveau, net als in Finland en Denemarken.
Luxemburg, Griekenland en Ierland zijn het meest
gecentraliseerd (meer dan 70 procent), Duitsland
en België kennen een federaal systeem en liggen
onder of rond 15 procent. Frankrijk, Italië en veel
andere Midden- en Zuid-Europese landen vormen
de middenmoot met 45 tot 55 procent. De centrale
overheid is in Nederland dus relatief klein. Het
Rijk is daar slechts weer een onderdeel van.
In Nederland vallen onder de rijksoverheid zowel
het Rijk (alle ministeries en de agentschappen die
onder ministers vallen) als zelfstandige bestuursorganen
(ZBO’s), het defensiepersoneel en personeel
in de rechtspraak en Hoge Colleges van Staat.
De sectoren onderwijs en gezondheid vallen
buiten de rijksoverheid. In Frankrijk en Engeland
vallen de gezondheidszorg en sociale diensten wel
onder de centrale overheid.101
De indeling in ministeries
verschilt ook nogal tussen de lidstaten,
net als de samenstelling van de ministeries. Sommige
landen (zoals de Baltische Staten en Polen)
hebben een vrij breed coördinerend ministerie
(vaak ‘Kanselarij’ genoemd) met een veel breder
99.
Zie ook Demmke, C., & Moilanen, T. (2010). Civil Services of the EU 27, Reform Outcomes and the Future
of the Civil Cervice. Frankfurt am Main: Peter Lang.
100. Van der Berg, C.F. (2011). Transforming for Europe. Leiden: University Press.
101. OECD. (2015). Building on Basics, Value for money in Government. Parijs: OECD Publishing.
DE NEDERLANDSE AMBTE-NAAR IN VERGELIJKING TOT DE EU 28
293
׉	 7cassandra://Qjv98yjdY145AxPfhMMd1PF_aDrkoZwpKCv_g1vDHcE|`̵ Vt
7&'EVt
^7&'
FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://H295nRvax3dsQJibsHXEq-2y6n0hj8WZ-4oYqS0enII ` 
׉	 7cassandra://w5qtGOb_fLnov2YnVZ5aCrXbbVXF2zL4Xkis01PdnF0F`T׉	 7cassandra://AZibrZDnMjstjRw7lR3iXuxybRP7cmdox5nzIF4uQjY`̵ ׉	 7cassandra://MsSNf3ygibFtMTnzlcWP0fqNKDmquOM-Jf3PmQRiCUo͈͠Vt
7&'Gט # #nu׉׉	 7cassandra://UWmlfhOsBWDBV8QemuGJ-WLtfIYoXNYanNhKlfBg6D8 n` 
׉	 7cassandra://kZAa6K3XgbWDsHjpdHhpGtEpAF0zSi6fLP2jedk5jzMn`T׉	 7cassandra://yDXZmF4kGfxc5RF9wDEGlU7nsANYk-_zORDaXJdAOLk?`̵ ׉	 7cassandra://8yPJeY0EUqCCWYNf0hb5ZkktZPcG0jSaxuvuh0AcBtEb(͠Vt
7&'H׉Etakenpakket dan ons Algemene Zaken. Andere
landen, zoals Nederland, hebben coördinerende
taken bij diverse ministeries belegd (onder andere
bij AZ, Economische Zaken, Financiën en Binnenlandse
Zaken). Zweden heeft vrijwel alle taken in
agentschappen ondergebracht en daardoor heel
kleine ministeries, Luxemburg belegt juist veel
taken bij de ministeries zelf.
Figuur 1: Administratieve modellen in Europa
Development of Administrative Models
0% = traditional bureaucracy, 100% = post-bureaucracy
100
SE
80
UK
60
NL
40
20
BRON: C. Demmke,
presentatie EIPA
10 februari 2012
0
1
2
3
4
5
Public administration tradition
6
MT
IE
SI
FR
AT
DE
BE
LU
CY
EL
IT
ES
EE
DK
FI
CZ
Angelo-Saxon Tradition
Continental European
Tradition
SK
LV
PL
LT
HU
BG
RO
Medierranean/South
European Tradition
Scandinavian Tradition
Eastern European
Tradition
New Member
States/South-Eastern
Tradition
Vaak worden de Europese landen gegroepeerd
naar geografische ligging en politiek bestuurlijke
traditie. De combinatie met ieders plek op
het continuüm van traditionele bureaucratie tot
postbureaucratie laat zien dat er weliswaar overeenkomsten
zijn tussen groepen landen, maar dat
tegelijkertijd ook geen eenduidig beeld ontstaat
(zie figuur 1).102
Hoewel Nederland valt onder de
102. Demmke, C. Civil Services in the EU of 27. Presentatie EIPA, Maastricht, 10 februari 2012.
294
DE NEDERLANDSE AMBTE-NAAR IN VERGELIJKING TOT DE EU 28
Traditional bureaucracy - post-bureaucracy continuum
׉	 7cassandra://AZibrZDnMjstjRw7lR3iXuxybRP7cmdox5nzIF4uQjY`̵ Vt
7&'I׉Egroep landen met een continentale traditie, past
het met de hogere scores richting postbureaucratisch
beter bij de Scandinavische landen en
Engeland dan bij de traditionele bureaucratieën
als Duitsland, Luxemburg, Oostenrijk, België en
Frankrijk. De voormalige Oostblokstaten kennen
ook een redelijk grote spreiding, mede afhankelijk
van oorspronkelijke invloeden bij de inrichting
van hun overheid. Estland lijkt in vele opzichten
op Scandinavische landen, Litouwen en Polen
passen meer bij de continentale traditie. Letland
zit daartussenin.
Hoewel deze classificatie voor discussie vatbaar
is103
, is er niet erg veel toegankelijk vergelijkend
onderzoeksmateriaal op dit gebied beschikbaar.
De hiervoor gesignaleerde verschillen tussen de
Europese Lidstaten hangen mede samen met de
verschillen in personeelsbeleid: ambtenaar of niet,
de manier van werven en selecteren, loopbaanmogelijkheden
en overige arbeidsvoorwaarden.
3 VERSCHILLEN IN
PERSONEELSBELEID
In de meeste (centrale) overheden werken mensen
met een ambtenarenstatus. Dit betekent dat hun
rechtpositie is gebaseerd op specifieke wetgeving,
waarin ook meer specifieke rechten en plichten
zijn opgenomen dan in de algemene arbeidswetgeving
voor ‘gewone’ medewerkers. Dit is tot nu
toe het geval in Nederland, maar er ligt een wetsvoorstel
om veel meer ambtenaren onder normale
wetgeving te brengen en slechts voor een beperkt
aantal functiegroepen of organisatieonderdelen de
specifieke ambtenarenwetgeving te handhaven,
bijvoorbeeld voor politie, defensie en de rechterlijke
macht.
Voor zover sprake is van ambtenaren werken
die met name in de centrale overheden. Uit
onderzoek104
blijkt dat de centrale overheid in
Nederland, samen met die van Estland, Finland,
Hongarije en Slowakije, aan de ene kant van het
spectrum zit, met bijna 90 procent ambtenaren
(na Ierland, Malta en Litouwen met 100 procent).
Tsjechië en Zweden zitten geheel aan het andere
einde, met vooral medewerkers vallend onder de
gewone arbeidswetgeving. Daartussen zit een
groep landen met tamelijk veel ambtenaren, zoals
Oostenrijk, Luxemburg, België, Griekenland, Cyprus,
Frankrijk en Spanje. En een groep met vooral
veel ‘gewone’ medewerkers, zoals Polen, Denemarken,
Italië en Portugal. Andere zitten min of
meer in het midden van het spectrum (Letland,
Duitsland en Bulgarije).
Binnen Europa worden nogal verschillende manieren
van werving, selectie en loopbaanontwikkeling
gebruikt. De twee belangrijkste systemen
zijn het zogenaamde meer gesloten ‘carrièregerichte’
systeem aan de ene kant en het meer open
‘vacaturegerichte’ systeem aan de andere kant,
103.
104.
Zie bijvoorbeeld de boekrecensie van F.M. Van der Meer & C.F. van den Berg in Common market law
review, Vol. 48, No. 6, December 2011, Kluwer.
Demmke, C., & Moilanen, T. (november 2012). The future of public employment in central public administration.
Study for the Polish Presidency of EUPAN, EIPA.
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
295
׉	 7cassandra://yDXZmF4kGfxc5RF9wDEGlU7nsANYk-_zORDaXJdAOLk?`̵ Vt
7&'JVt
7&'IFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://DZM_mNO_AFMaYZoNvotjxraP7qQ_spj3YHtPIEFyHJw 0` 
׉	 7cassandra://imeLJwDdwvvBYxWSrVSicjYsW6wq2qvxcEG0ml9IHvgf`T׉	 7cassandra://QzdzyWrb45MGPjBjb2IHstl8V6vGGqWe4Do0bLuzGYU`̵ ׉	 7cassandra://TEI60PpHzFDnzfJlqOZHP1aSOksouqBl7cuhqWe3zs8?(͠Vt
7&'Lט # #nu׉׉	 7cassandra://K0YiWzi8EeAD8h9E1uvG8uaKsDixetA_Sxxuf7Djo4k ` 
׉	 7cassandra://XSBfxxWz3AsrGo6M2gl2oia-oxAWFw6-JzYlKIl_R70im`T׉	 7cassandra://RQJdM5eZA-CgaCnEAl2e282HX7oLgsUxb31t9NYuA_Y`̵ ׉	 7cassandra://nDNLD1GRl1B7DgsfpMDAni_NOBeRmF_zIUguwY8MCFI`$͠Vt
7&'M׉E
maar inmiddels zijn er heel wat ‘hybride’ systemen
tussenin, die elementen van beide uitersten
combineren. In het vrij gesloten carrièregerichte
systeem – vanouds gebruikelijk in continentale
landen als Frankrijk, België, Duitsland en Luxemburg,
Ierland, enkele Zuid-Europese landen
(bijvoorbeeld Griekenland) en bij de Europese
Commissie – vindt werving van ambtenaren vooral
plaats onderaan de loopbaanladder, meestal via
groepsexamens of groepscompetitie (concours).
Soms georganiseerd per functiegroep, soms meer
algemeen. Daarna volgen interne opleidingen.
Loopbaanstappen zijn intern geregeld via een
vast systeem, gebaseerd op verblijfstijd of het
aantal jaren in functie, behaalde opleidingen of
via een (jaarlijkse) interne competitie. Functies op
hogere niveaus worden vrijwel uitsluitend intern
ingevuld.
In het open vacaturegerichte systeem (met name
in de Scandinavische landen, nieuwere lidstaten,
Tsjechië, het Verenigd Konikrijk en Nederland)
worden vacatures op elk niveau in principe ingevuld
door specifieke werving en selectie voor die
vacature. Interne en externe kandidaten kunnen
hierop solliciteren en worden op hun geschiktheid
geselecteerd. Dit geldt ook voor functies op
hogere niveaus.
Het voordeel van het carrièregerichte systeem is
dat na de aanstelling voor een ambtenaar duidelijke
en gestuurde loopbaanstappen mogelijk zijn,
mits men voldoet aan de eisen van verblijfsduur
in een bepaalde positie en wellicht tussentijdse
opleidingen. Soms vindt promotie naar het eerstvolgende
niveau hoger min of meer automatisch
plaats, soms is daar een vacature voor nodig, waar
men al dan niet via interne competitie of ranking
voor in aanmerking komt. Nadeel is dat de
selectie niet altijd op kwaliteit plaatsvindt, maar
soms meer op verblijfstijd en wellicht leeftijd.
Verder kan de organisatie, als die wil veranderen
en vernieuwen door mensen van buiten of andere
organisaties aan te trekken of modernere competenties
te eisen, dit niet snel doen. Het duurt
vele jaren om een nieuwe lichting ambtenaren via
interne promoties zover te krijgen.
Het voordeel van het vacaturegerichte systeem
is dat tot op hoog niveau mensen van binnen en
buiten de organisatie kunnen worden geworven
op basis van de vereisten voor de functie.
Nieuwe eisen zijn dus onmiddellijk om te zetten
in nieuwe mensen met die kwalificaties. Vernieuwing
is dus veel sneller bereikbaar, ook in het
topmanagement. Daartegenover staat als nadeel
dat echte loopbaanplanning, beloftes of gestuurde
loopbaanstappen niet of nauwelijks mogelijk zijn.
Iedere vacature staat open voor iedereen die over
de gevraagde kwalificaties beschikt en selectie
vindt plaats op kwaliteit. Eigen loopbaanambities
van interne kandidaten op niveaus eronder kun296
STAAT
VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://QzdzyWrb45MGPjBjb2IHstl8V6vGGqWe4Do0bLuzGYU`̵ Vt
7&'N׉E
nen daardoor gefrustreerd worden als de verwachtingen
niet goed gemanaged worden.
Om de voor- en nadelen van beide systemen beter
te ondervangen, is inmiddels een scala aan hybride
systemen ontstaan. Zo kent de Nederlandse
overheid bijvoorbeeld voor de politie, defensie,
de rechterlijke macht en sommige andere functiegroepen
deels al langer een systeem dat veel
elementen heeft van het carrièregerichte systeem,
terwijl bij het Rijk van oudsher sprake is van een
echt ‘vacaturegebaseerd’ systeem. Maar in de laatste
tien tot vijftien jaar zijn aan de onderkant van
de loopbaanladder onder meer diverse traineeprojecten
ingericht, die in feite een vorm van groepswerving
via examens of competitie zijn, met een
interne opleiding. Om in te dalen in de organisatie
is meestal (niet altijd) wel een vacature nodig en
vindt vaak geen nieuwe selectie meer plaats met
meerdere kandidaten. Aan de top is er een topmanagementgroep
(TMG) ontstaan van secretarissen-generaal
en directeuren-generaal die uiterlijk
na zeven jaar van functie moeten verwisselen. De
Algemene Bestuursdienst faciliteert dit proces,
waarbij met name de interne kandidaten van de
hele rijksoverheid meer of minder gestuurd van
functie veranderen. Enige instroom van buiten is
mogelijk, evenals vanuit andere functieniveaus
dan direct eronder. Maar er gelden duidelijke eisen
om te kunnen toetreden tot de TMG, die los staan
van specifieke eisen voor een specifieke functie.
Van oudsher typische carrièregerichte systemen
hebben inmiddels vaak juist voor de topfuncties
meer open vacature-vervullingselementen ingevoerd
om ook goed gekwalificeerde kandidaten
van buiten de eigen organisatie te kunnen aantrekken
om sneller te vernieuwen. Het landschap van
de EU-lidstaten is op dit punt dus zeer veelkleuriger
geworden en minder gepolariseerd dan vroeger.
Nederland zit op het continuüm dichter naar
het uiteinde van het vacaturegerichte systeem,
maar niet meer zo sterk als voorheen.105
4 VERSCHILLEN IN SAMENSTELLING
VAN HET PERSONEEL
De gemiddelde leeftijd van rijksambtenaren stijgt,
doordat er minder jongeren bij het Rijk werken en
het aantal ouderen snel toeneemt. Op dit moment
is een kleine 12 procent van de rijksambtenaren
zestig jaar of ouder en 46% is vijftig+. Van de 564
TMG-/ABD-managers is bijna 65 procent vijftig
jaar of ouder. De gemiddelde leeftijd van het rijkspersoneel
stijgt en varieert per ministerie tussen
de 44 en 49 jaar. Eind 2014 was de gemiddelde
leeftijd van de rijksambtenaar 47 jaar.106
105.
Kuperus, H., & Rode, A. (2008). Top Public Managers in Europe. Maastricht: EIPA. (Update te verschijnen
in 2016).
106. Ministerie van BZK. (mei 2015). Jaarrapportage Rijk 2014. Den Haag.
DE NEDERLANDSE AMBTE-NAAR IN VERGELIJKING TOT DE EU 28
297
׉	 7cassandra://RQJdM5eZA-CgaCnEAl2e282HX7oLgsUxb31t9NYuA_Y`̵ Vt
7&'OVt
7&'NFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://Zh0L_XMCd91deJewEufgwnIPo0dQNjxlmKYGYQsiUDI ` 
׉	 7cassandra://3mzO6VTNe06j6muIU9Y5duQfhz4QPPylBzMjKlHyWTIj`T׉	 7cassandra://PEag5fe3UO5OLYHq2L9kGSSoy2kS04eiPzRcJzXancY`̵ ׉	 7cassandra://hBm4j6kS1LUt9qhfsQXI0aIYj4Ukt31NA25hlv_3qEM͈͠Vt
7&'Sט # #nu׉׉	 7cassandra://cowJYlQgnEZSq2_9ygxPOw6c61FuvyF4P0TQk5eLqxQ 6` 
׉	 7cassandra://QpOPsif0CYi_EWfmsMpenHPgPaHp5n3oN2VVEKcJ8fYJr`T׉	 7cassandra://Hi_3hBHnxwRCUyjI3Jpw-yBMtTo1MwuoulG-4VUHjjA`̵ ׉	 7cassandra://aHoPJ_qbm5EmnN7jmxGEr1fHDKzBBRZJQm3VjRR7gLYm},͠Vt
7&'T׉E
Tabel 1: Leeftijdsopbouw bij het Rijk
Leeftijdopbouw Rijk
tot 30 jaar
30-40
40-50
50-60
60+
Totaal
Bron: P-Direkt
Volgens de OECD107
lag in 2009 het aandeel
jongeren (tot en met dertig jaar) in de centrale
overheid in nieuwere lidstaten in Oost-Europa
(Estland, Polen, Hongarije) op ongeveer 20
procent en in oude lidstaten in de EU op 3 tot 15
procent. Het aandeel vijftigplussers ligt vooral
hoog in oudere lidstaten, zoals Spanje en Italië
(meer dan 50 procent), Zweden, Denemarken,
Oostenrijk en Nederland (35 tot 45 procent).
Een recente inventarisatie van Letland voor zijn
voorzitterschap EUPAN in 2014108
toont dat ook
Frankrijk en Luxemburg relatief veel jongeren in
hun centrale overheid hebben (respectievelijk 15
en 17 procent) en dat het aandeel ouderen ook hoog
(tussen 40 en 50 procent) is in Duitsland, Finland,
Verenigd Koninkrijk, Portugal, Ierland en Litouwen.
Van de in totaal 116.883 rijksambtenaren was in
2014 56 procent man en 44 procent vrouw (zie
figuur 2). Vooral de oudere ambtenaren (45 jaar en
ouder) zijn van het mannelijk geslacht. Onder de
45 jaar is het aantal vrouwen in de meerderheid.
Het aandeel vrouwen binnen de TMG/ABD steeg
in 2014 met 0,9 procentpunt naar 28,4 procent.109
Binnen de EU110
is het aandeel vrouwen bij de
Nederlandse rijksoverheid nog steeds lager dan
in veel andere landen. Met name bij de centrale
overheid van voormalige Oostbloklanden en Italië
werken van oudsher (veel) meer vrouwen (oplopend
tot boven de 70 procent) dan mannen. Maar
ook in de noordelijke lidstaten en in Midden- en
West-Europa ligt het aandeel rond de 55 procent
en dus hoger dan in Nederland en Duitsland. Uit
de genoemde Letse informatie van 2014 blijkt dat
ook Slovenië relatief weinig vrouwen (43 procent)
heeft bij de centrale overheid, terwijl dit aandeel
in Ierland inmiddels ook al op 60 procent ligt.
2010
7,90%
22,90%
31,80%
31,00%
6,30%
100%
2011
6,90%
21,80%
31,30%
32,50%
7,40%
100%
2012
6,40%
20,80%
30,50%
33,60%
8,70%
100%
2013
6,10%
20,20%
29,40%
34,20%
10,20%
100%
2014
6,10%
19,40%
28,40%
34,30%
11,80%
100%
ABD/2014
3,00%
33,20%
50,40%
13,50%
100%
107. OECD. (2015). Government at a Glance 2015 (pp.29-30). Parijs: OECD Publishing.
108. Survey for EUPAN by the Latvian State Chancellery during their Presidency in 2014. (Nog te verschijnen).
109. Ministerie van BZK. (mei 2015). Jaarrapportage Rijk 2014. Den Haag.
110. OECD. (2013), Government at a Glance 2013. Parijs: OECD Publishing.
111. European Commission. (januari 2010). More women in senior positions (pp. 60-62).
298
DE NEDERLANDSE AMBTE-NAAR IN VERGELIJKING TOT DE EU 28
׉	 7cassandra://PEag5fe3UO5OLYHq2L9kGSSoy2kS04eiPzRcJzXancY`̵ Vt
7&'U׉EFiguur 2: Aandeel vrouwen bij het Rijk in Nederland en in OECD lidstaten
Man-Vrouw verdeling naar leeftijd in 2014
72
67
62
57
52
47
42
37
32
27
22
16
Share of women in central government
employment
100
2010
20
40
60
80
0
2000
Vrouwen
Mannen
Bron: P-Direkt
De participatie van vrouwen aan betaalde arbeid
is pas relatief laat in de vorige eeuw gemeengoed
geworden in Nederland. Met Ierland stond Nederland
lange tijd op de laatste plaats. Deze achterstand
loopt ons land echter duidelijk in, maar wel
langzamer dan Ierland. Onder de 45 jaar is het
aandeel vrouwen ook bij het Rijk al groter dan dat
van mannen. Op universiteiten en in bijvoorbeeld
de rechterlijke macht zijn vrouwen inmiddels in
de meerderheid. Overigens blijken in Italië, Polen,
Portugal, Estland en Frankrijk naar verhouding
vooral veel meer vrouwelijke professionals te werken
dan in bijvoorbeeld Nederland, Zwitserland,
Duitsland en Noorwegen. In de eerste vier van de
vijf genoemde landen zijn bovendien veel meer
vrouwelijke middenmanagers.
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
299
Poland
Italy
Iceland
Chile
New Zealand
Slovenia
Australia
Austria
Canada
United Kingdom
OECD
Denmark
Belgium
Estonia
France
Switzerland
Sweden
Spain
Luxembourg
Netherlands
Norway
Germany
Finland
Japan
׉	 7cassandra://Hi_3hBHnxwRCUyjI3Jpw-yBMtTo1MwuoulG-4VUHjjA`̵ Vt
7&'VVt
7&'UFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://S98dEm4-K5QxRd5QGVlvdPYagC5nLYOnOth9908OGTU `
׉	 7cassandra://BXsVww8JeQtj01B5ABHyKKgZ61MRcXpXA7z2otsTgh4F`T׉	 7cassandra://v650rz3ql8fOeKYsHWSKQrpw9qJuCtHLkZ9bUD9_w_km`̵ ׉	 7cassandra://k24Y9i_nTqP_9mWFtxXLVSMgLks0bKCzB6yL3GBRZ-E~͠Vt
7&'Yט # #nu׉׉	 7cassandra://M4216b_67auu3yxybthU55w0yCWPOKGQmBF69VJWAm0 ` 
׉	 7cassandra://5R3fUtpIDOtQ6vclu4ZK7OueCKL8tU41-iMdSwvDE6Up`T׉	 7cassandra://yHrjxppFi62yyxs5Z-iDdIgIS9YCSwFkAqjlcyUoZkg`̵ ׉	 7cassandra://aBAj2y073PaLRjDGAcowmg-VB0xXkbP_ZMvEn2OCn3QS$͠Vt
7&'Z׉EB = Basic functions
Figuur 3: Aandeel vrouwen in top managementfuncties
Gender
balance amongst the highest ranking civil
servants in national administrations, 2009
100
80
E= Economy
I = Infrastructure
S = Socio-cultural functions
Country Total
SI
BG
LI
60
40
LV
SK
SE
PL
20
0
SI BG LI SE LV SK PLRO IS EE PT LTNOEL HRMKES EUCZ RS FR AT IT HU FI UKMTNLDKCY BE IE DELU TR
Mannen
Vrouwen
FL: level 1 only; EL: incomplete data
Source: European Commission, DG EMPL, Database on women and men in decision-making
NO
EL
HR
MK
ES
CZ
FR
RS
AT
IT
HU
FI
UK
MT
NL
DK
CY
BE
IE
DE
LU
TR
RO
EE
PT
IS
LT
53
51
45
44
44
44
40
40
38
38
38
36
35
34
34
34
33
31
30
60
28
27
27
25
25
22
22
21
19
15
14
13
6
3
B
43
25
38
63
42
41
22
40
28
34
47
29
37
31
29
33
32
37
22
26
23
31
17
27
28
25
22
21
20
28
11
11
0
5
E
57
56
43
37
33
39
43
35
43
33
26
54
29
28
38
24
26
28
28
30
29
25
16
13
20
22
15
15
14
5
8
8
0
0
I
45
50
50
25
33
64
60
37
38
44
44
12
26
37
27
70
37
14
29
21
28
15
0
43
36
16
20
25
0
50
16
0
33
0
S
68
67
60
40
60
51
51
50
46
43
45
48
40
40
39
33
37
38
40
41
34
30
46
26
19
20
30
24
33
0
22
29
9
5
> 50%
30-49%
10-29%
0-9%
300
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://v650rz3ql8fOeKYsHWSKQrpw9qJuCtHLkZ9bUD9_w_km`̵ Vt
7&'[׉EZoals blijkt uit figuur 3111
is het aandeel vrouwen
onder topmanagers (2009) in Nederland ook
relatief laag vergeleken met vele andere Europese
lidstaten. Alleen Denemarken, Cyprus, België,
Ierland, Duitsland en Luxemburg liggen nog lager
dan Nederland. Uit de Letse informatie (2014)
blijkt dit percentage bij met name voormalige
Oostbloklanden inmiddels vaak al tussen 50
en 62 procent te liggen en scoren alleen België,
Duitsland en Frankrijk lager of gelijk aan Nederland.
De doorgroei tot topmanagersposities loopt
natuurlijk nog meer achter dan de vertegenwoordiging
van vrouwen onder rijksambtenaren in
het algemeen en de inhaalslag duurt dus ook wat
langer. De vrouwelijk topmanagers in Nederland
werken vooral in sociaal-culturele banen, terwijl
in lidstaten met hogere aandelen vrouwen zij
ook in de basis-, economische en infrastructurele
functies beter vertegenwoordigd zijn.
5 VERSCHILLEN IN BELONING
Vergelijkingen tussen beloningen van ambtenaren
in de diverse lidstaten van Europa is lastig.
Brutolonen zijn mede afhankelijk van de levensstandaard
in ieder land en bijvoorbeeld het aantal
werkuren per week, het aantal vakantiedagen, de
werkgeversbijdrage in sociale lasten en beloningsbestanddelen
in natura. Dit verschilt nogal binnen
Europa. Nettolonen worden bovendien beïnvloed
door verschillen in belastingregimes.
Uit OECD-onderzoek112
is wel enig beeld te geven
voor verschillende groepen ambtenaren in centrale
overheden in een aantal OECD-landen, dus geen
vergelijking voor alle Europese lidstaten. Hierbij
wordt voor een aantal van bovengenoemde verschillen
tussen lidstaten gecorrigeerd en de gemiddelde
jaarlijkse beloning uitgedrukt in US dollars
conform de PPP-methode113
. Voorzichtigheid bij de
interpretatie blijft echter geboden, omdat andere
verschillen, zoals de omvang van de groep en (hun
positie op) de arbeidsmarkt, niet zijn meegenomen.
De groepen die worden onderscheiden zijn:
topmanagers, middenmanagers, professionals en
secretarieel medewerkers. Daarnaast is een vergelijking
gemaakt voor inspecteurs bij uitvoerende
organisaties, zoals politie, douane, Belastingdienst
en immigratiedienst.
Hieronder enkele grafische voorbeelden van
dergelijke vergelijkingen voor 2010 binnen Europa
(een beperkt aantal landen is opgenomen in de
OECD-studie, de rest is grijs), namelijk voor topen
middenmanagers en voor secretarieel personeel.
Voor alle drie de groepen, maar ook voor professionals,
kent Nederland naar verhouding hoge
beloningen en staat daarom voor secretarieel personeel
op nummer 1, voor middenmanagement
op de derde plek en topmanagers op de zesde plek.
Ook in 2012, waarvoor Frankrijk en Duitsland
ook zijn meegenomen in het onderzoek, blijft de
Nederlandse positie vrijwel hetzelfde.
112. OECD. (2011 en 2013). Government at a Glance 2011 en 2013. Parijs: OECD Publishing.
113.
PPP = Purchasing Power Parities: ‘This compensates for differences in exchange rates and in relative
price levels’. Zie Government at a Glance 2011 (p. 205). Parijs: OECD Publishing.
DE NEDERLANDSE AMBTE-NAAR IN VERGELIJKING TOT DE EU 28
301
׉	 7cassandra://yHrjxppFi62yyxs5Z-iDdIgIS9YCSwFkAqjlcyUoZkg`̵ Vt
7&'\Vt
7&'[FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://188m_xiAYxn_T69GBlZuWW6plQ_jPLs_PkOQ5IrrdQc }G` 
׉	 7cassandra://AnJDxhGJB48Lm9ByebmVG8G7ILAq-CIyj9OBijELqukV`T׉	 7cassandra://8cG1HYcxP5AuJCBL4M4r1Q6K3i98LLGw7ySHa3grA2c{`̵ ׉	 7cassandra://1k-wpYarmjlKqSyDvF9bsQat8VaQIJHBK97Wj-wtTPk V^͠Vt
7&'^ט # #nu׉׉	 7cassandra://zG9mgBi1yL09XKOumhcyzNyEkPIjubTPVzTizTle92w l` 
׉	 7cassandra://Imjq5awl-QJLlm7G6m4ptrfdD9PwG3St5qbLZnSYYXAM-`T׉	 7cassandra://jdTVjvmt5rX6YMUo9RMiC6dRqBF_brOTAqa3m2Kbui4`̵ ׉	 7cassandra://DOijyYFPUNRmD7yIzHOMsWWSaH7pGcafjC8Uc9LCpxk͏X͠Vt
7&'_׉EFiguur 4: Beloningsverschillen tussen nationale ambtenaren in Europa
Executive secretary remuneration
Avarage annual compensation (USD$ AT PPP)
Netherlands
Finland
Belgium
Denmark
Norway
Italy
Ireland
Spain
Sweden
UK
Austria
Slovenia
Estonia
Hungary
Senior management remuneration
Avarage annual compensation (USD$ AT PPP)
Italy
UK
Belgium
Ireland
Denmark
Netherlands
Austria
Norway
Sweden
Finland
Hungary
Spain
Slovenia
Estonia
Middle management remuneration
Avarage annual compensation (USD$ AT PPP)
Italy
UK
Netherlands
Belgium
Ireland
Denmark
Spain
Finland
Austria
Norway
Sweden
Hungary
Slovenia
Estonia
Bron: Institute of International and European Affairs (IIEA-blog 14 juli 2011, Ierland), bewerking van
OECD-gegevens
Voor professionals heeft de OECD twee groepen
onderzocht: economen en statistici. Nederland
staat ook hier, samen met de Belgen, op de eerste
plek voor economen en op nummer 3 voor statistici.
Bij de uitvoerende beroepen valt op dat in
Nederland (2011) belastinginspecteurs veel meer
verdienen dan vergelijkbare groepen bij de politie,
douane en immigratiedienst en ook veel meer dan
in de andere Europese lidstaten in dit OECDonderzoek
(inclusief Frankrijk). Voor de andere
groepen hoort Nederland bij de middenmoot.
Daarbij worden over het algemeen douane en immigratie
iets beter betaald dan politie.
6 VERSCHILLEN IN MARKTSITUATIE
Voor de positie van ambtenaren op de arbeidsmarkt
speelt de algemene situatie in een land een
grote rol. Tussen de EU-lidstaten bestaan grote
verschillen in die situatie. In de meeste Zuid- en
Oost-Europese lidstaten is de werkloosheid in
het algemeen de laatste jaren hoog (meer dan 10
procent) tot zeer hoog, met name in Spanje en
Griekenland (meer dan 25 procent).
Nederland ligt, met Denemarken, Engeland,
Luxemburg, Malta en nog enkele landen, redelijk
gunstig rond de 6 à 7 procent (de tiende plaats),
terwijl Oostenrijk en Duitsland de minste werkloosheid
hebben. Voor jongeren scoort Neder302
DE
NEDERLANDSE AMBTE-NAAR IN VERGELIJKING TOT DE EU 28
׉	 7cassandra://8cG1HYcxP5AuJCBL4M4r1Q6K3i98LLGw7ySHa3grA2c{`̵ Vt
7&'`׉Eland nog beter, op de vijfde plaats na Duitsland,
Oostenrijk, Denemarken en Malta. In Spanje en
Griekenland is de zeer hoge jeugdwerkloosheid
in 2014 tenminste iets gedaald. In Italië ligt de
jeugdwerkloosheid naar verhouding hoger dan
de algehele werkloosheid en het is een van de
weinige landen waar deze nog verder is gestegen
in 2014.
Figuur 5: Werkloosheid en jeugdwerkloosheid in Europa
Unemployment rate 2012-2014
10
15
20
25
30
0
5
Source: Eurostat, LFS.
2012
2013
2014
%
10
20
30
40
50
60
-20
-10
0
Source: Eurostat, LFS.
Note: age group 15-24. 2012 level and change to 2013 and 2014.
2012
2013
2014
%
Youth unemployment rate, 2012-2014
Bron: Labour Market and Wage Developments in Europe, EC DGEMPL 2015
Vooral de Baltische staten Estland, Letland en
Litouwen alsmede Hongarije en Ierland zagen
niet alleen hun algehele maar ook hun jeugdwerkloosheid
stevig dalen. In deze landen zijn al in
het begin van de financiële en economische crisis
ingrijpende maatregelen getroffen, ook voor de
overheid als werkgever. Soms werden de lonen
bevroren of gekort, soms de aantallen ambtenaren
of tijdelijk personeel verminderd, soms de werktijden
– inclusief het loon – (tijdelijk) verlaagd,
of er was een mix van dergelijke maatregelen. De
werkgelegenheid bij de overheid is in meer dan
de helft van de EU-lidstaten (vooral de zuidwestelijke)
en gemiddeld voor de EU afgenomen in
de periode 2008-2013. In Letland zelfs met 29
procent! Slechts in negen landen vond (enige)
groei van de werkgelegenheid plaats, met name in
noordoostelijk Europa. In Hongarije en Slowakije
met meer dan 20 procent.114
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
303
DE
AT
MT
LU
CZ
UK
DK
RO
EE
NL
HU
SE
BE
FI
PL
EU28
SI
FR
LT
LV
IE
EA
BG
IT
SK
PT
CY
HR
ES
EL
DE
AT
DK
MT
NL
LU
EE
CZ
FI
UK
SI
LT
LV
SE
BE
RO
FR
HU
IE
PL
BG
SK
PT
CY
IT
HR
ES
EL
׉	 7cassandra://jdTVjvmt5rX6YMUo9RMiC6dRqBF_brOTAqa3m2Kbui4`̵ Vt
7&'aVt
7&'`FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://Oxi2TskJP8aV-dAC44D0fqDkUcux-7nCztN6vPyxb6s ` 
׉	 7cassandra://f9N8Hstdh9EoIqwbsg77Hh65y2c5ubgoqBiGCC8u8E0q`T׉	 7cassandra://atNYXZmea0I6wD8Tws_UqqJekEK73Iey7qiXjNCZeK8`̵ ׉	 7cassandra://swMyA2Xik6uww7QAUXk_iDg1_qiOGO9VfK04sqNMSkE^(͠Vt
7&'cט # #nu׉׉	 7cassandra://PGPPNPlpQujM2vgzHoXxsCB7EBSJfya3wpGahO31bcs ` 
׉	 7cassandra://pIxj5N1KiZvGLPRakoqzzYK0_2uD9x7JbP6w23iz-kQh`T׉	 7cassandra://U83yaJqLun7QzPJaKQLPGbuveFPrv8ANacJhYtHOf6A`̵ ׉	 7cassandra://qh5JIT-Kc1FbRjx223yXOGVnxLdBxokq2q1AYoRC8C4M$͠Vt
7&'d׉EDe vergrijzing van de werkzame bevolking is in
veel landen groot. Maar overheden zijn vaak nog
meer vergrijsd. Het aandeel vijftigplussers bij de
centrale overheid ligt vooral in de noordelijke
en westelijke lidstaten meer dan 10 procentpunt
hoger dan in het algemeen. De enige uitzondering
is Estland, waar bij de overheid meer jongeren en
minder vijftigplussers werken dan in het algemeen.
In een land als Duitsland, waar de economische
groei en de vergrijzing hoger is dan in omringende
landen, is de arbeidsmarkt duidelijk krapper
en zijn er ook de komende tijd meer kansen voor
werkzoekenden. Uit enkele voormalige Oostblokstaten
zijn veel jongeren vertrokken, onder meer
vanwege de crisis, en daar zal naar verwachting de
bevolkingsgroei beperkt zijn. Bij enig aantrekken
van de economie kunnen hier snel weer tekorten
ontstaan. Veel jongeren uit Spanje zijn vertrokken
om in andere lidstaten werk te zoeken. Werkmobiliteit
over landsgrenzen heen kan perspectief
bieden en is in principe binnen de Europese Unie
makkelijk mogelijk. Toch blijkt dit maar beperkt
te gebeuren en ook nog zeer ongelijk verspreid.
Volgens de EC115
werkte in 2014 in de EU 27 (nog
zonder Kroatië) gemiddeld slechts 3 procent van
de werkende bevolking in een ander EU-land.
Alleen in Luxemburg werken veel andere EUburgers
(bijna 40 procent). In België, Ierland en
Cyprus tussen de 5 en 10 procent en in de overige
landen vrijwel niet. In Nederland ook maar ongeveer
2 procent.
Het mobiliteitspercentage in 2013116 laat zien dat
sinds 2009 vooral mensen uit Letland en Litouwen
in andere EU-lidstaten zijn gaan werken.
Ook al is het aantal personen dat elders wil gaan
werken toegenomen, de feitelijke mobiliteit is
maar beperkt en minder dan voor de verbetering
van de situatie op Europese arbeidsmarkt goed
zou zijn. Zelfs vlak over de grens met Duitsland en
België werken minder mensen uit Nederland dan
in theorie mogelijk zou zijn, en omgekeerd.117
7 CONCLUSIES
De verschillen tussen EU-lidstaten zijn groot, zowel
wat betreft de organisatie als het personeelsbeleid
van de (rijks)overheid. Maar de Europeanisering
gaat gestaag voort en het wederzijds van
elkaar leren en overnemen van goede voorbeelden
uit andere systemen leidt op een aantal gebieden
zeker tot convergentie, maar soms ook niet. Ook
tijdsverschillen spelen hierbij een rol: sommigen
bewegen nog in een richting waarvan anderen
alweer wat terug komen.
Om de verschillen in arbeidsmarktsituatie en perspectieven
voor de komende tijd tussen landen te
verbeteren, zou meer werkmobiliteit over grenzen
van lidstaten heen soelaas kunnen bieden.
114.
115.
Eurofound (2015),Eurofound yearbook 2014, Living and working in Europe, Publication Office of the
European Union, Luxemburg.
Europese Commissie/DGEMPL. (2015). Demography report. Luxembourg: Publications Office of the
European Union.
116. Council of the European Union (2015). Joint Employment Report. Brussel.
117. Weterings, A., & Van Gessel-Dabekaussen, G. (2015). Arbeidsmarkt zonder grenzen. Den Haag: PBL.
304
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://atNYXZmea0I6wD8Tws_UqqJekEK73Iey7qiXjNCZeK8`̵ Vt
7&'e׉EVoor ambtenaren geldt dit zeker ook. Vanuit
arbeidsmarktoverwegingen, waarbij meer mensen
langer doorwerken en duurzaam inzetbaar
moeten blijven in wellicht plattere organisaties,
is meer variatie in loopbaanpaden gewenst.
Vanuit het uitwisselen en opdoen van ervaring
kan het daarbij nuttig en gewenst zijn om een
(tijdelijke) periode in de overheid van een andere
lidstaat te gaan werken, of bij een van de Europese
instellingen. Veel jongeren komen in Nederland
studeren, maar weinigen stromen vervolgens
in bij de overheid. En als dit gebeurt, dan vooral
op gemeentelijk niveau. Omgekeerd verblijven
Nederlandse studenten graag een tijdje in het
buitenland, maar daar instromen bij de overheid is
ook niet gebruikelijk. Voor mensen die al werken
bij de overheid ligt dit kennelijk nog minder voor
de hand, behalve voor de diplomaten en enkelen
werkzaam op Europese dossiers. Hierbij spelen
diverse belemmeringen een rol, waaronder taal,
afstand, verstedelijking of niet, specificiteit van de
sector en de mate van openheid van de grenzen.
Voor de overheid komen daar dus ook de specifieke
kenmerken zoals eerder beschreven bij.
Een mogelijke overstap van een Nederlands ministerie
naar een Duits of Belgisch ministerie of de
Europese Commissie betekent van een vacaturegericht
systeem willen overstappen naar een
carrièregericht systeem met examens en interne
opleidingen. Dat kan dus niet gemakkelijk zomaar
ergens middenin de loopbaan, maar juist voor
topmanagers gaan de systemen steeds meer op
elkaar lijken. Bovendien hebben zowel Duitsland
als België een federale overheid, waar slechts
een beperkt aantal taken bij de centrale overheid
ligt en veel meer bij de Länder of de Vlaamse en
Waalse overheid. Taalproblemen zijn in deze
landen wellicht nog te overkomen, maar worden
ingewikkelder bij de Scandinavische landen, de
Baltische staten en Polen of landen in Oost- en
Zuid-Europa. Echter, menigeen blijkt bij nadere
bevraging een ouder uit een ander land te hebben,
elders te hebben gestudeerd of gewoond of uit
interesse een andere taal te hebben geleerd. Verder
kunnen relatieve verschillen in beloning een rol
spelen. Maar die hangen deels ook weer samen
met de arbeidsmarktsituatie in een land. Ook bij
werkmobiliteit tussen lidstaten en met de EC is
dus maatwerk nodig.
De globalisering is alom, maar nog maar beperkt in
de (tijdelijke) werkmobiliteit van ambtenaren tussen
Europese lidstaten en de EU-instellingen. Daar
kan en wil Nederland tijdens zijn voorzitterschap
van EUPAN een bescheiden bijdrage aan leveren
door ervaringen uit te wisselen, belemmeringen
waar mogelijk te verhelpen, gezamenlijke activiteiten
te stimuleren en op kleine schaal daadwerkelijk
ambtenaren tijdelijk uit te wisselen. Topmanagers
kunnen daarbij het goede voorbeeld geven.
DE NEDERLANDSE AMBTE-NAAR IN VERGELIJKING TOT DE EU 28
305
׉	 7cassandra://U83yaJqLun7QzPJaKQLPGbuveFPrv8ANacJhYtHOf6A`̵ Vt
7&'fVt
7&'eFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://XG8qPpY1ljI8eOzNL5KrL1lGX865IFv2_hDyQ1afuR8͑` 
׉	 7cassandra://uMqEfk6k0B5OcCR8QRsF11IuGGpg-A-4OLRFsNYUL4gO` T׉	 7cassandra://D0lCLZfsvGpKxOjfeF5pT8Bpx0yvdXHDVU3XkKPE2zo`̵ ׉	 7cassandra://MpxzPo4oR5YMmy2oRH19NRXGNjK5W7_uXwu-CgGLw1Q`|͠Vt
7&'hט # #nu׉׉	 7cassandra://BY6UEFgVJIS29wVrk71ZgGpvjM3PtKNgq8ehRXxwL2Y ` 
׉	 7cassandra://753_AvQTOFxL5Yuwdlpd_MQE0OdaYjM7Bhh1X_6CLnU)w` T׉	 7cassandra://fatIbTmQW34MYtMserOus3ahTIBAftn7goBzsj3jqVw
`̵ ׉	 7cassandra://vyAN9XIO7XJIYKONToi38Ef8JT2jlokpVty2nGlWz0M(x͠Vt
7&'i׉E (306
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://D0lCLZfsvGpKxOjfeF5pT8Bpx0yvdXHDVU3XkKPE2zo`̵ Vt
^7&'׉E N28. Nederlanders bij de
Europese Unie
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
307
׉	 7cassandra://fatIbTmQW34MYtMserOus3ahTIBAftn7goBzsj3jqVw
`̵ Vt
7&'jVt
^7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://1dvqbYy5LSPMf8tW08ZPyzSxNXuqhYQIHtV4H7hvF8w ` 
׉	 7cassandra://cxvtdKN-o1jQJ0h9DyMYKV8KGyrSgoOiKsQZaC5Y3aI@`T׉	 7cassandra://dc6MuaNErQMm8UBep0LayjewtkmnW8tbZw4MXDhzgPc`̵ ׉	 7cassandra://dI7JESjTTwuXS-Z7WWfecmyDJiNmYWhPnRL60gB-NZgY5(͠Vt
7&'rט # #nu׉׉	 7cassandra://JlksudxRavMvmhnScmMJDQokmjHJ6Q7HrbLG-Cv1hHA 4`
׉	 7cassandra://i5kBQfUCUqYyw9wIu53ku1opnXYeDyBcvU-YOsZzfN4>G`T׉	 7cassandra://PuVlsZy5ODrcv5QUdsM1pj9radgTnfMf8CJJsgm9DlE'`̵ ׉	 7cassandra://Mxe8-DR4G84Fx0LuyXGrnwxPZiXrD9aesCXbMfYLf0g͙$͠Vt
7&'tנVt
7&'l ̎9׉H Mhttp://www.europa-nu.nl/id/vh7goo0jfubw/wie_doet_wat_europese_instellingen_enGׁׁrנVt
7&'m .!̋9׉H =http://www.europa-nu.nl/id/vg8xdjeo1zoj/europese_commissie_ecGׁׁrנVt
7&'n 6̃9׉H =http://www.europa-nu.nl/id/vg9hjjllgxmz/europees_parlement_epGׁׁrנVt
7&'o w`9׉H 8http://www.europa-nu.nl/id/vg8wpxh23yz5/europese_unie_euGׁׁrנVt
7&'p E\F9׉H .http://europa.eu/about-eu/institutions-bodies/GׁׁrנVt
7&'q Eo[9׉H /http://europa.eu/about-eu/agencies/index_en.htmGׁׁr׉EDrs. D. van Altena
1 INLEIDING
Jouw carrière. Onze Europese Unie.
Werken voor de EU, betekent werken voor meer
dan 500 miljoen mensen. Het betekent werken
bij één van de tien instellingen118
veertig agentschappen.119
of de meer dan
De Europese Raad, het
Europees Parlement en de Europese Commissie
zijn daarbij de grootste werkgevers. Het merendeel
van de functies bevindt zich dan ook in Brussel
en Luxemburg. In (bijna) ieder EU-land zijn er
ook agentschappen. In Nederland zijn dit Europol
en Eurojust. Dan zijn er ook nog onderdelen van
de Europese Commissie gevestigd in de EU-lidstaten,
zoals in Petten het Institute for Energy and
Transport (IET).
Alles bij elkaar werken er zo’n 55.000 mensen bij
Europese instellingen. Ongeveer 33.000 ambtenaren
werken voor de Europese Commissie, 6000
bij het Europees Parlement en 3500 bij de Raad
voor de Europese Unie. De rest is medewerker bij
een van de overige instellingen en agentschappen
van de Europese Unie of werkt als
De totale bevolking van de EU bedroeg op 1 januari
2015, 508 miljoen mensen (figuur1). Een ambtenarenapparaat
van 55.0000 is daarbij vergeleken
klein (0.0011%). Vergelijk dat met de Nederlandse
Rijksoverheid (beperkt tot sector Rijk) 109.487 fte
op 16,9 miljoen inwoners, goed voor 0.64%.120
118. http://europa.eu/about-eu/institutions-bodies/
119. http://europa.eu/about-eu/agencies/index_en.htm
120. bron: Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2014 - pagina 20
308
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://dc6MuaNErQMm8UBep0LayjewtkmnW8tbZw4MXDhzgPc`̵ Vt
^7&'׉EFiguur 1: Aandeel van de EU lidstaten in de totale EU bevolking
Bij de grootste werkgever, de Europese Commissie
(EC), heeft 2,5 procent van het personeel de
Nederlandse nationaliteit. Het aandeel van Nederland
in de Europese bevolking bedraagt, zo’n
3,3 procent. Je zou misschien verwachten dat het
aandeel overeenkomstig zou zijn met het aandeel
in de bevolking. Er zit echter een wereld achter,
die zich niet in statistieken laat vangen.
NEDERLANDERS BIJ DE EUROPESE UNIE
309
׉	 7cassandra://PuVlsZy5ODrcv5QUdsM1pj9radgTnfMf8CJJsgm9DlE'`̵ Vt
7&'uVt
^7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://NHo55KS51W70GvmAsQ4R7tz_-7Qdn0uWoRJ9p7HBH7Q `
׉	 7cassandra://PwyINSYXKyz0_CXJzRJZdL06-bbqHiDfUNpIqbDBsEEG`T׉	 7cassandra://4t1R-F71dgTjLNotE8wKqGOg3kU29-YRWzgh_5i_VEk,`̵ ׉	 7cassandra://Y5duEoXoqkJatHuO9UCZqU_fPH962cX4TX9MgR4U9j0ͧ(͠Vt
7&'yט # #nu׉׉	 7cassandra://CzHID0oeGoNQL1EDL3aJUDiog-XkV3592dwlWSzIR-E ]` 
׉	 7cassandra://631GsUZanD6V4cXrsDsSxuNIW4lKF17PMNfyfFy8YFo[`T׉	 7cassandra://8iLwUrh-msLt-AloH3TNkdWXCOXsx7oVdek4l-jciUw`̵ ׉	 7cassandra://UnNqUT85h1otqsLK_SrtHMkQp1hiioKmLzWBgKFWYykKA(͠Vt
7&'z׉EVeel EU instellingen (waaronder de EC) zijn in
België gevestigd en daarmee ook lokaal omvangrijke
werkgevers. In de Belgische lijstjes voor aantrekkelijke
werkgevers, staat de organisatie permanent
in de top drie. Het Joint Research Centre
is een van de grote EC-onderdelen, met instituten
op locaties in België, Duitsland, Italië, Nederland
en Spanje. Binnen het JRC werken, vergeleken
met de andere EC onderdelen, de meeste Duitsers,
Italianen, Nederlanders en Spanjaarden. Ook zijn
er verschillen in omvang per lidstaat op welk type
contract en op welk niveau binnen de organisatie
mensen werkzaam zijn.
Figuur 2: EU nationaliteiten binnen de Europese Commissie (AD/AST/AST-SC functiegroepen)
310
NEDERLANDERS BIJ DE EUROPESE UNIE
׉	 7cassandra://4t1R-F71dgTjLNotE8wKqGOg3kU29-YRWzgh_5i_VEk,`̵ Vt
7&'{׉E	HDit artikel gaat in op Nederland en Europa als
werkgever, waarbij we alleen kijken naar de EC,
de grootste werkgever. Een (openbaar) overzicht
met geaggregeerde personeelsgegevens van alle
EU-instellingen is er niet. Er is gebruikgemaakt
van openbare informatie van de EC, gegevens
van het Europees Bureau voor Personeelsselectie
(EPSO) over de aanmeldingen voor het profiel van
startend beleidsmedewerker (AD5-generalistenconcours),
en Eurostat.
2 DE ORGANISATIE
De verdeling naar nationaliteit van functionarissen
binnen de onderdelen van de Europese Commissie
is opgenomen in figuur 2 (peildatum 1 mei 2015).
De gegevens over functionarissen (AD-, AST- en
AST-SC-rangen) binnen de EC worden regelmatig
bijgewerkt en gepubliceerd. Voor de gegevens
van arbeidscontracten is dit niet het geval. Figuur
3 geeft een indicatie van de omvang van het type
contracten naar nationaliteit. Er zijn gegevens van
twee verschillende jaren gebruikt. Bij de weergave
is het aandeel AD-functionarissen het meest
bepalend. De AD-rang – Administrator – is de
hoogste binnen de hiërarchie.
De gegevens over de Nederlandse nationaliteit in
detail:
- 592 functionarissen bestaand uit 426 AD, 167
AST, geen AST-SC (01-05-2015)
- 57 arbeidscontractanten. (31-12-2013)
Voor de AD-functiegroep is minimaal een diploma
van een bacheloropleiding (hbo of wo) nodig.
Daarna volgt de AST-groep – Assistant – waartoe
de minimale eis is een diploma van middelbaar
onderwijs dat toegang geeft tot hoger onderwijs,
gevolgd door minimaal drie jaar werkervaring.
Sinds 2013 bestaat er de categorie AST-SC voor
secretarieel ondersteunende functies. Hiervoor is
minimaal vereist een beroepsopleiding evenwaardig
aan het Europees kwalificatiekader niveau 4
van ten minste één jaar, aangevuld met ten minste
drie jaar werkervaring.
Naast de indeling AD, AST en AST-SC die van
toepassing is voor contracten van onbepaalde tijd
en voor tijdelijke functionarissen (TA – temporary
agent), is er ook de categorie arbeidscontractanten
(CA – contract agent) waarbij het niveau van de
functie aangegeven wordt door FG I (laagste) tot
en met IV (hoogste). Temporary agents hebben
dezelfde arbeidsvoorwaarden als vaste functionarissen.
Contract agents vallen onder een andere
regeling, met een beperkte loonschaal en arbeidsvoorwaardenpakket
(zie tabel 1 in de annex).
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
311
׉	 7cassandra://8iLwUrh-msLt-AloH3TNkdWXCOXsx7oVdek4l-jciUw`̵ Vt
7&'|Vt
7&'{FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://nPkEdSvA-dKCUq1ivDBtYrI-b2njOo3I9enuHH5Fuaw `
׉	 7cassandra://Xx7xpJJyW-e0EwW16gVBo7Fq1VrtH1gFAKNxnyQ-qiM*}`T׉	 7cassandra://vjONqXUQOr35coRuxwVAFuMxgQ7TQMLfisWrFxIXCr4P`̵ ׉	 7cassandra://_jDmLQl-jvjOnMcBxF5bbCQzvUdOhK5ahuqAF9FP-Sso,͠Vt
7&'~ט # #nu׉׉	 7cassandra://DaGmypqvDJRp5VlXVWBhOwPqinMu7rssq09wN4maxx4 y` 
׉	 7cassandra://T8C7tGktC-9i5wMwtQ7Dqh6SFeNNJqU7xiMuE2JXesMS`T׉	 7cassandra://pS8jAsMY8ypFPXkBt6TJ6z3IlNTMJYBieTyXgVwPRm00`̵ ׉	 7cassandra://swCidkU5ro5cNEg9BAt5OzgnMgLbTjZg6VRYgwTDIdg>$͠Vt
7&'נVt
7&' #9ׁHhttp://WerkenbijdeEU.nlׁׁЈ׉E eFiguur 3: Type contract per nationaliteit van EU medewerkers
312
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://vjONqXUQOr35coRuxwVAFuMxgQ7TQMLfisWrFxIXCr4P`̵ Vt
7&'׉EFNederlanders zijn veel minder werkzaam als
arbeidscontractant dan andere nationaliteiten. Van
de in 2013 totaal 5807 arbeidscontracten (contract
agents) hadden 57 (1 procent) een Nederlands
paspoort. België was daar met 1299 (22 procent)
en Italië met 1061 (18 procent) sterk in vertegenwoordigd.
Andere relatief slecht vertegenwoordigde
landen zijn het Verenigd Koninkrijk (93 (1,6
procent)), Duitsland (208 (3,5 procent) en Polen
(255 (4 procent)
Niet opgenomen zijn de trainees. Twee keer per
jaar is een traineeronde van vijf maanden. In totaal
zijn er rond de 619 te vergeven plekken, met een
verdeelsleutel (quota) voor de 28 lidstaten- en
niet-lidstatenplaatsen. Het programma dat al meer
dan veertig jaar bestaat, bereikt voornamelijk
afgestudeerden onder de dertig jaar.
Voor oktober 2015, hebben zich 408 Nederlanders
gemeld voor tussen de 19 en 22 plaatsen. Effectief
levert het de EC jaarlijks een impuls van bijna
1400 recent afgestudeerden op. Het aandeel jonge
mensen binnen de EC verdubbelt dan tijdelijk van
3 naar 5 procent. De gemiddelde leeftijd binnen de
EC bedraagt overigens 46,7 jaar (mannen 48,2 jaar,
vrouwen 45,4 jaar).
In de huidige selectieprocedures bestaan geen
quota’s per EU-lidstaat. Uitgezonderd hiervan
zijn het aantal plaatsen bij de traineeshipposities
en de speciale concoursen, wanneer er een nieuwe
lidstaat toetreed – meest recentelijk Kroatië.
De EU heeft de wettelijke verplichting om in het
personeelsbestand een geografische balans te houden.
Geen lidstaat mag relatief voor veel meer of
veel minder EU-ambtenaren tekenen dan andere
lidstaten. Veel van de personeelsleden die binnenkort
uitstromen, zijn afkomstig uit lidstaten
van het eerste uur. Dit gecombineerd met relatief
weinig sollicitanten uit deze landen, kan op enige
termijn gaan knellen.
WerkenbijdeEU.nl, onderdeel van het ministerie
van Buitenlandse zaken, organiseert voorlichtingsbijeenkomsten
en trainingen om meer
(jonge) Nederlanders te interesseren voor een
baan bij de EU. Met succes, want de afgelopen
jaren is de interesse voor het traineeship gestegen
NEDERLANDERS BIJ DE EUROPESE UNIE
313
׉	 7cassandra://pS8jAsMY8ypFPXkBt6TJ6z3IlNTMJYBieTyXgVwPRm00`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://x73heaZ9udDvzd4dvy1ISGz7Tb2To2sInVpH6eOgsnw ^` 
׉	 7cassandra://zIwUhFIOwaT2vwFA_nVoTIEw5Kn-M-bQ4Ze3sgEa40o\`T׉	 7cassandra://LzJJrW56-IoSurkGj4K2uNVHiTwmMECOs2u85ZE2QR0`̵ ׉	 7cassandra://Sh6kZZI6MLoP0eGzULVk56G8JDWAVfYjvv24s-2EdlII(͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://F_YKbF_oSxfaT1Oxi7HDgXvXQXFRJeBnlSolwQgfV94 ` 
׉	 7cassandra://yO-oXAQgutlpT-ThEpRympi3eG4boeZJsKMrRQoxaxM^-`T׉	 7cassandra://ovEBf1iMRstC4hpJJJovDfHols4jsj4l4TZc5A-yzzI`̵ ׉	 7cassandra://54kNJbE6jSaMz01RcrzDDF0Qfq-1PlR6MnhYKtXhvvYE,͠Vt
7&'נVt
7&' dW9ׁHhttp://eu-careers.euׁׁЈ׉E	pen het aandeel succesvolle Nederlanders voor
het AD5-concours bedraagt sinds een aantal jaar
tussen de 5 en 10 procent. Voor het traineeship
van de Europese Commissie, dat van start gaat in
oktober 2015, geldt zelfs een nieuw record van 408
aanmeldingen.
3 INSTROOM – HET CONCOURS
Instromen bij de EU-instellingen kan op meerdere
manieren. Het concours is de selectieprocedure
voor specifieke instroomniveaus, zoals AD5 (startend
beleidsmedewerker) en AST-SC (secretarieel
ondersteunende functies).
Hoe ziet de procedure eruit? Voor een vaste baan
bij de EU-instellingen solliciteer je niet op een
specifieke functie met cv en brief met motivatie.
Een concours of in het Nederlands een ‘vergelijkend
onderzoek’ heeft verschillende rondes.
De Engelse vertaling, open competition geeft de
dynamiek beter weer: alleen de beste sollicitanten
halen de eindstreep.
In het voorjaar van 2015 meldden zich voor het
concours voor startend beleidsmedewerker met
149 posities op de reservelijst (daarover zo meer),
31.400 kandidaten uit heel Europa. Begin 2016
(circa tien maanden later) zal bekend zijn wie de
beste zijn én hoeveel van de 530 Nederlandse deelnemers
daartussen zitten.
Voldoen aan de profielvereisten is de eerste stap.
In de basis is dit voor alle concoursen: in het bezit
zijn van een Europees paspoort en beschikken
over een uitstekende kennis van een van de 24
officiële EU-talen en een goede beheersing van
een tweede taal (Engels, Frans of Duits). Voor het
AD5-profiel is minimaal een diploma van een bacheloropleiding
(hbo of wo) nodig, maar relevante
werkervaring is niet vereist.
Hoewel? Uit een analyse van de cv’s van bijna
vierhonderd succesvolle deelnemers aan de AD5procedure
in 2010-2012 bleek dat twee derde
(66 procent) een master had als hoogst genoten
opleiding, voor iets minder dan een kwart (22
procent) was dit een PhD. Ongeveer 43 procent
had werkervaring bij de EU-instellingen. De
meest voorkomende nationaliteiten: Italiaans,
Duits, Belgisch, Spaans en Frans. Behalve dat men
in deze (en andere) landen gestudeerd had, hadden
meerdere mensen een studie in het Verenigd
Koninkrijk voltooid.
In de praktijk blijkt dat mensen die de concoursen
succesvol doorlopen, vaak over fors meer bagage
beschikken dan de standaardvereisten voor een
profiel. Deelnemers kunnen niet van procedures
uitgesloten worden omdat zij overgekwalificeerd
zijn.
314
NEDERLANDERS BIJ DE EUROPESE UNIE
׉	 7cassandra://LzJJrW56-IoSurkGj4K2uNVHiTwmMECOs2u85ZE2QR0`̵ Vt
7&'׉E	De procedure kent drie ronden. In de eerste ronde,
de preselectie, gaat het om het toetsen van intelligentie
met meerkeuze vragen in de 1e taal en
in 2e taal. Dit is bedoeld om de topscoorders te
selecteren. In de 2e en 3e ronde, beide in de tweede
taal Engels, Frans of Duits, staan competenties
centraal.
De tweede ronde (ingevoerd in 2015) bestaat uit
een digitale inbakoefening (e-tray). Een vooraf
vastgesteld aantal kandidaten met de beste scores
in de eerste ronde wordt hiervoor uitgenodigd.
De assessmentfase is voor de bestpresterende
kandidaten uit ronde 2. Onderdelen zijn: een
casestudy, groepsdiscussie, competentiegericht
interview (STAR) en presentatie. In dit onderdeel
komt de kandidaat naar Brussel; de overige testen
worden afgenomen achter de computer in een
testcentrum in Europa.
Ongeveer tien maanden na sluiting van de deadline
is de procedure afgerond en de lijst met de
allerbeste kandidaten bekend. Zij worden opgenomen
in een database, de ‘reservelijst’, overigens
zonder baangarantie. Zodra een EU instelling een
extern opengestelde vacature op hetzelfde niveau
als het concours heeft, kunnen mensen van de lijst
uitgenodigd worden voor een sollicitatiegesprek
of solliciteren op vacatures die zij ontvangen.
Succesvolle kandidaten wordt aangeraden om zelf
actief te lobbyen bij de organisatieonderdelen waar
zij graag zouden willen werken. De reservelijst is
voor een bepaalde tijd geldig en het komt voor dat
mensen binnen dit tijdvak geen baan vinden. Als
Trainen om te solliciteren
Het Europese Bureau voor Personeelsselectie (EPSO), het organisatieonderdeel dat verantwoordelijk
is voor de organisatie van het concours, heeft op zijn website eu-careers.eu voorbeelden van de testen
die gebruikt worden in de verschillende rondes van de selectieprocedure. Het competitieve karakter
– het gaat om de beste zijn in een omvangrijke groep – zorgt ervoor dat mensen trainen om zo goed
mogelijk te presteren in de verschillende testen. Bij de boekhandel vlakbij het Schumanplein, waar de
EC zetelt, zijn de handboeken te koop met titels als The Ultimate EU testbook. Googlend op ‘EU-concours’
kun je materiaal tegenkomen van vakbonden en ‘experts’ die trainingsseminars, webinars en
testboeken aanbieden. Sommigen gaan er prat op dat ze trainers hebben die ooit onderdeel waren van
EPSO-selectiepanels. Voor alle duidelijkheid: EPSO is niet bij deze trainingsaanbieders betrokken.
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
315
׉	 7cassandra://ovEBf1iMRstC4hpJJJovDfHols4jsj4l4TZc5A-yzzI`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://Jgiv48l07noVQYcWCiPnC2GralDxRDIlVxIG1sQqRKc `
׉	 7cassandra://0AOJqwV2YvzEgMs1Hmawu7wLxKtzmSTM1lTNvxzzeHo?c`T׉	 7cassandra://QjGbS3pExHhHNtl8mTL2X8OhHAKyrlIxrGaMNFUEN5k`̵ ׉	 7cassandra://alkjmzypGIr0HVp_zfiK1ciZk_aNbEJ8xQ_9a-74LCE͟,͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://qJBgBVjrwG9JaZPMEVVEgS-xrhrG4krxNHj4DK2kK9g ^` 
׉	 7cassandra://7lhVmomZ8hWFXWgaP1eoK9F8Ja7Z0BZr89C4gn1dOsgax`T׉	 7cassandra://ENLl9TyZQamt4C1_C7CsKDff83raAfJuRrBR0KXn3f0`̵ ׉	 7cassandra://onWtAIdDaFAdwVgMIkPoxvqoi7uZrVMac3CTdCtEQ98K$͠Vt
7&'׉EFiguur 4: Aanmeldingen naar rato van nationaliteit
de kandidaat wordt aangenomen, wacht op hem
de toegangspas met de F van het Franse woord
fonctionnaire . Na een proeftijd van negen maanden
is het contract van onbepaalde tijd van kracht.
De verhoudingen in de aanmeldingscijfers uit
de EU-landen voor het AD5-concours zijn niet
vergelijkbaar met de percentages in de Europese
bevolking. Een deel van de sollicitanten is
al in Europese sferen werkzaam. Deze pool van
316
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://QjGbS3pExHhHNtl8mTL2X8OhHAKyrlIxrGaMNFUEN5k`̵ Vt
7&'׉E
9talent werkt vaak al voor de EU met een tijdelijk
contract, zoals arbeidscontractanten en trainees,
in een lagere graad of in aanverwante organisaties
(public affairs, NGO’s, serviceproviders). Als
iemand dan succesvol een procedure doorloopt,
kan het ook eenvoudiger zijn om, dankzij een al
bestaand netwerk en/of bij de huidige werkgever,
in vaste dienst te treden.
Figuur 4 geeft de aanmeldingen naar rato van de
nationaliteit weer. Op basis daarvan kunnen we
het volgende constateren:
- De grootste interesse komt uit Italië, Spanje,
Roemenië en België. Van de 27.500 aanmeldingen
in 2014 waren zij samen goed voor 45
procent van de sollicitanten.
Op de reservelijst met 146 namen (geen grafiek
beschikbaar)is dezelfde groep goed voor 51
procent: (Italië 26, Roemenië 7, Spanje 8, België
10 procent)
- Het aantal sollicitanten uit Noord-Europa ligt
lager. Frankrijk, Duitsland, Denemarken, Zweden,
Verenigd Koninkrijk, Ierland zijn samen
goed voor: 18.6 procent. Op de reservelijst zijn
ze goed voor 24 procent (Frankrijk 10, Duitsland
10, Denemarken 0,7, Zweden 1,4, Verenigd
Koninkrijk 1,4 en Ierland 0,7 procent)
- Nederland was goed voor 2 procent (584) van de
aanmeldingen en 5 procent (zeven personen) op
de reservelijst.
4 ANIMO IN CONTEXT
Willen, kunnen en gaan werken voor Europa.
Bij een selectie-procedure waar het om het beste
talent van Europa gaat, is het van belang om naar
de Europese context te kijken. Denk daarbij aan
de populariteit van Europa zelf, de bekendheid
als werkgever en de geografische mobiliteit, die
nauw verbonden is met de werkgelegenheid in de
EU-landen en, hoe banaal het misschien klinkt, de
‘gelukkigheidsindex’.
De perceptie van Europa in de lidstaten wordt regelmatig
gepeild met de Eurobarometer (publieke
opinieonderzoek in opdracht van de Europese
Commissie). In tijden waar het Europese project
onder druk staat, blijkt dit beeld positief. In het
onderzoek uit november 2014 was gemiddeld
genomen de eerste associatie met Europa (gelukkig)
nog altijd positief: de ‘vrijheid om te reizen,
studeren en werken waar dan ook in de EU’. Gevolgd
door de associaties euro, vrede en culturele
diversiteit. Pas op de vijfde en zesde plaats kwamen
negatievere associaties, zoals bureaucratie en
verspilling van geld. Ook blijkt dat jonge mensen
en meer bevoorrechte mensen Europa eerder met
positieve kenmerken associëren.
Voor Nederland levert de vraag ‘Wat betekent de
EU voor u persoonlijk?’ een iets andere top vier
op. Nummers 1 en 2 zijn identiek aan het Europese
gemiddelde, maar op 3 staat bureaucratie, gevolgd
NEDERLANDERS BIJ DE EUROPESE UNIE
317
׉	 7cassandra://ENLl9TyZQamt4C1_C7CsKDff83raAfJuRrBR0KXn3f0`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://GwjpUnelUM3N2cXGNraYpjBtf8E9j2aV1Zk08Qethms G` 
׉	 7cassandra://Kzwr5yofErRzurJDkOV7Uhalqf_s5HtELyguUsbjHvwe`T׉	 7cassandra://zmhBfCioNykG6LjeflMJqrhAyaysDY1cTMG9KwQbQys+`̵ ׉	 7cassandra://mYneslPeB7-TptPzr1Bkxykb9OIp41VkVtQqMfIb-t4U$͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://zEXxJj9fRtb9fjiIALqQZf3FmQBbycgF5Gy8BQkYH0Y ` 
׉	 7cassandra://wJPUkd0HIrE6QC73fvmyPccS1kIUQ3Z7IKX7AosAG58a%`T׉	 7cassandra://IC1qR7clsQaeMk3Zw2jzZEEY0IojYUw1kL69G13LqGo`̵ ׉	 7cassandra://JmsEEYCY_r2dcFbtyZj9OuiKNcUI5Pc0IgInhwKoPsEDt(͠Vt
7&'נVt
7&' a9ׁHhttp://Glassdoor.comׁׁЈ׉E
gdoor nummer 4 ‘stronger say in the world’. Het
onderwerp bureaucratie komt ook voor in de top
van Ierland, Denemarken, Verenigd Koninkrijk,
Finland, Tsjechische Republiek en Slowakije. De
eerste drie landen zijn eveneens landen waar het
aantal aanmeldingen voor de EU sollicitatieprocedures
achterblijft.
5 EUROPA ALS WERKGEVER
Positieve associaties met de EU zijn mooi meegenomen.
Maar hoe kijken jonge mensen aan tegen
Europa als werkgever? Jaarlijks onderzoeken
partijen als Trendence, Universum en Staufenbiel
in Europa (en daarbuiten) de gepercipieerde aantrekkelijkheid
van werkgevers. Deze vragenlijsten
worden uitgezet onder studenten. In verschillende
lidstaten prijken de Europese Commissie en
andere Europese instellingen in de toptienlijstjes.
In België staat de EU vrijwel altijd op de eerste
plaats, niet verwonderlijk: ze is zichtbaar, dichtbij
en biedt heel goede arbeidsvoorwaarden vergeleken
met de lokale markt.
De recensies op de internationale beoordelingswebsite
voor werkgevers Glassdoor.com geeft
meningen weer van oud- en huidige employees.
De site geeft inzicht in de sterke en zwakke punten.
‘Interessant werk’, ‘veel intelligente collega’s’
en een ‘fantastische internationale ervaring’ zijn
zeer positieve kenmerken. Daartegenover staan
negatieve punten als ‘verlammende bureaucratie’,
‘beperkte carrièremogelijkheden’ en ‘laag gewaardeerde
kwaliteit van management’.
Mensen die aan de basisprofielvereiste van
meertaligheid voldoen, hebben al meer kansen op
de arbeidsmarkt. Dit is mogelijk een verklaring
waarom voor Nederland en aantal andere landen
de vertegenwoordiging in de AST-, AST-SC- en
arbeidscontractant profielen lager is dan voor de
meer zuidelijke landen. De taalvereisten zijn een
struikelblok voor het Verenigd Koninkrijk en
Ierland om potentieel een groot publiek te interesseren.
Iemand met Engels als moedertaal heeft
de keuze uit Frans of Duits. Terwijl bijvoorbeeld
Spaans ook een grote tweedetaalgroep is in het
VK en Ierland. Meertaligheid is er schaars en goed
betaald, een meertalige secretaresse kan in de Londense
City zonder te verhuizen meer verdienen
dan bij de EU-instellingen.
6 GEOGRAFISCHE MOBILITEIT
GEDREVEN DOOR DE
ARBEIDSMARKT
Wat beweegt mensen om buiten hun eigen land te
solliciteren? Daar kunnen legio redenen voor zijn.
Eurostat onderzocht in 2013 de bereidheid om geografisch
mobiel te zijn in Europa voor het werk.
De belangrijkste motivatoren om een baan in een
ander EU-land te zoeken is een ‘hoger salaris’, met
een gedeelde tweede plaats voor ‘betere professionele
ontwikkeling/carrièremogelijkheden’ en
318
NEDERLANDERS BIJ DE EUROPESE UNIE
׉	 7cassandra://zmhBfCioNykG6LjeflMJqrhAyaysDY1cTMG9KwQbQys+`̵ Vt
7&'׉E
7‘de onmogelijkheid om een baan in eigen land te
vinden’. Voor de verschillende lidstaten loopt dit
wel sterk uiteen.
Nederlanders scoren niet zo hoog op ‘geografische
mobiliteit’. Gemiddeld gezien lag in Europa
deze bereidheid op 25 procent. Nederland scoorde
daar 19 procent, terwijl dit in 2011 nog 29 procent
bedroeg (de vraagstelling was wel iets anders).
Oostenrijk (12 procent), Tsjechische Republiek,
Duitsland en Luxemburg (beide laatste 16 procent)
scoorden nog lager. Een aantal van deze landen
had ook de laagste werkloosheidscijfers. Dit
indiceert dat mensen minder geneigd zijn om in
het buitenland te werken als zij goede mogelijkheden
hebben in eigen land. Voor de EU 15-landen,
waar Nederland toe behoort, ligt de nadruk op
de reden ‘betere professionele ontwikkeling of
carrièremogelijkheden’, de wens om in een ander
land te wonen en te werken, of is de behoefte aan
‘geografische mobiliteit’ gerelateerd aan persoonlijke
omstandigheden.
Als deeltijdwerken bij deze persoonlijke carrièrewensen
hoort, dan biedt de EU beperkte
mogelijkheden. Vier dagen werken is er geen
vanzelfsprekendheid. In 2014 is, in het kader van
bezuinigingen, de officiële werkweek opgetrokken
van 37,5 uur naar 40. Er is een flink pak regels
waaraan voldaan moet worden om voor deeltijdwerken
in aanmerking te komen. Burgers in de
zuidelijke EU 15-lidstaten noemen daarbij wel
veel vaker, vergeleken met de meer centrale en
oostelijke lidstaten, ‘de onmogelijkheid om een
baan in eigen land te vinden’. Terwijl de nieuwere
lidstaten (de EU 12) vaker ‘een beter salaris, betere
werk condities en betere sociale garanties’ als
motivatie noemen.
Italië en Spanje, samen goed voor 30 procent van
de aanmeldingen voor het AD5-concours, horen
tot de Europese landen met lage werkgelegenheid:
60 procent van de bevolking heeft een baan. In
Nederland is dit 75 procent.
Al is het niet helemaal reëel om de gemiddelde
minimumlonen in Europa te vergelijken met de
salarissen bij de EU, het geeft wel achtergrond
waarom het extra motiverend kan zijn – of juist
niet, afhankelijk van waar je woont – om te solliciteren
bij de EU-instellingen. Hieronder zijn ze
weergeven – waarbij ook de laagste loonschalen
bij de EU voor contractant (functiegroep 1) en
voor AST-SC 1 zijn opgenomen.
Figuur 5 laat zien dat Bulgarije het laagste minimumloon
heeft met 184 euro per maand. Het
hoogste minimum loon van 1923 euro heeft
Luxemburg. Nederland zit met 1500 euro aan de
hoge kant. Vertrekken voor een beter salaris is
dan logischerwijs niet de eerste gedachte. DeneSTAAT
VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
319
׉	 7cassandra://IC1qR7clsQaeMk3Zw2jzZEEY0IojYUw1kL69G13LqGo`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://iHAFwiWaTm32YSgqYwJyOqqp34S8Lrk4B5ruJUoFf6o qI`
׉	 7cassandra://goZhwQGMBOeB4pzaAe-sdQi6YYw-dNW08pHUnRp1nT09`T׉	 7cassandra://Pl9ojvHbhs3zdIZ1vucNCOdlrysatE2md9NB9kwM8_0`̵ ׉	 7cassandra://ICyDzV_S7ibTdPT63RAZSrYxTlw1Xfsel3Cu1fLNLkcl1,͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://w7mGHyTafU4ILen3qOsu4LhWJagrReYJzqaxQdgISMs n` 
׉	 7cassandra://mG7GyBojDWcO7oXeWrkL3Pgap_6dEokPmIYk6qJKWeEQ`T׉	 7cassandra://nPyrazom-eoAUmAPk3qpaFJ2hBBn7ovSjdpTVuJ8rUE`̵ ׉	 7cassandra://LEbhKbEV-HXVqRsenk0jFlzAcZKERuYNsMJpPx2HAY4V$͠Vt
7&'נVt
7&' 0	{9ׁHhttp://WerkenbijdeEU.nlׁׁЈ׉EFiguur 5. Minimumloon in Europa – 1 januari 2015 vergeleken met laagste salarisschalen bij de
EU instellingen (Contract Agent FG I en AST-SC 1).
marken, Italië, Cyprus, Oostenrijk, Finland en
Zweden kennen geen minimumloon.
Nederland staat in de top tien van het World Happiness
Report 2015, een studie uitgevoerd voor de
Verenigde Naties. Zwitserland voert de lijst aan,
andere EU-landen in de top tien zijn Denemarken,
Finland en Zweden. Een rijk land zijn helpt,
maar voor geluk telt onder ander ook dat je in een
tolerante samenleving leeft met een overheid met
een lage corruptiescore. Daarin schuilt wellicht
een deel van het antwoord op de vraag waarom
320
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://Pl9ojvHbhs3zdIZ1vucNCOdlrysatE2md9NB9kwM8_0`̵ Vt
7&'׉Ehet aantal Nederlanders dat voor Europa werkt,
niet zo hoog is. Of zoals Ryan Heath, voormalig
speechschrijver van Neelie Kroes, tegenwoordig
journalist bij het Brusselse Politico het formuleerde
in een interview met The Guardian over
Brussel:
“There are so many reasons people end up here
(…) For some people, Brussels is an escape – if
your home country is corrupt, say, or homophobic.
That’s why Italians and Bulgarians and gay men
are so overrepresented here.”
Misschien denkt een groot deel van de Nederlanders
wel: waarom vertrekken als ik het thuis goed
heb?
5 CONCLUSIE
Het Europa van 508 miljoen mensen kent grote
politieke, economische en maatschappelijke verschillen.
Nederland zit in een fortuinlijke positie,
onze context biedt beperkte aanleiding om andere
arbeidsoorden op te zoeken. Lage werkloosheid en
hoge salarissen zouden mogelijk als een verklaring
gezien kunnen worden voor het beperkte
aantal arbeidscontractanten, AST-SC- en ASTfunctionarissen
met de Nederlandse nationaliteit.
Voor de arbeidscontractantprocedures geldt ook
dat zij minder regelmatig georganiseerd worden,
dus de bekendheid lager is. De interesse om voor
Europa te werken, als deze gestoeld zou zijn op
financiële motivatoren, lijkt daarom laag. Nederland
is daarin niet het enige Noord-Europese land,
hetzelfde geldt voor de andere landen die in de top
van de ‘positieve’ rijtjes als het gaat om werkgelegenheid
en salaris staan, zoals Denemarken,
Zweden, Duitsland, Ierland en Engeland.
Gelukkig weet WerkenbijdeEU.nl jaarlijks sterk
gemotiveerde Nederlandse kandidaten met
internationale opleidings- en ervaringsprofielen
te bereiken en de weg te wijzen naar het AD5-concours
en specifieke AD-specialistenconcoursen.
Voor mensen die geïnteresseerd zijn in Europa,
internationale publieke organisaties, bestuurlijke
betrekkingen en vraagstukken, is dit een place to
be. Europa is ten slotte wel de plek waar je niet een
land, maar een continent kunt vertegenwoordigen
en een wereldspeler kunt zijn.
NEDERLANDERS BIJ DE EUROPESE UNIE
321
׉	 7cassandra://nPyrazom-eoAUmAPk3qpaFJ2hBBn7ovSjdpTVuJ8rUE`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://p73aWea1WR43T0iQ9RlmqckaBHCHp5eMEAWjTfXLgko ` 
׉	 7cassandra://hLLxMP3QIvTwmWou81Aq1nEa9rNitxA0c-HHwnUKQw09E` T׉	 7cassandra://PlU8zliwbyOSV4CVNRphBt-x8ZvKTN-Nmtxw0IjS03U`̵ ׉	 7cassandra://ygzJ7vojNfvTpNnmkNiwIc2br7XDJyyIpmvtJEOe9KU7(͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://6HW2A3mG15zJoXv3yo_10OHjp4ejzYUhFi7LO8sQ7VA f` 
׉	 7cassandra://LgvrEaSgOQjxSS87Vy14yr3z93u2-opAjEFg5ZtX39w;i` T׉	 7cassandra://bjWYRakvnVZrEycDQHh8MliRZvCeH8icyp47aJ1vwCIY`̵ ׉	 7cassandra://CixHXMUpWKI2CgflTbamBx7I06NWEPId9KYK8mxihfQ6$͠Vt
7&' !נVt
7&' /Ɓ9׉H =http://www.europa-nu.nl/id/vh93qqnk8atd/nederland_over_europaGׁׁrנVt
7&' /w9׉H Thttp://europa.eu/about-eu/facts-figures/administration/images/howmany/howmany_en.jpgGׁׁrנVt
7&' /̭9׉Hhttp://werkenbijdeeu.nl/GׁׁrנVt
7&' /H9׉H "http://europa.eu/epso/index_en.htmGׁׁrנVt
7&' /s9׉Hhttp://ec.europa.eu/eurostatGׁׁrנVt
7&' /9׉H <http://ec.europa.eu/civil_service/about/figures/index_en.htmGׁׁrנVt
7&' /9׉H Ghttp://ec.europa.eu/civil_service/docs/europa_sp2_bs_nat_x_grade_en.pdfGׁׁrנVt
7&' L9׉H 'http://ec.europa.eu/stages/index_en.htmGׁׁrנVt
7&' Gw9׉H |http://ec.europa.eu/dgs/education_culture/more_info/evaluations/docs/traineeships/traineeship-evaluation-final-report_en.pdfGׁׁrנVt
7&' /9׉H |http://ec.europa.eu/dgs/education_culture/more_info/evaluations/docs/traineeships/traineeship-evaluation-final-report_en.pdfGׁׁrנVt
7&' ̰9׉H Dhttp://ec.europa.eu/public_opinion/archives/eb/eb82/eb82_publ_en.pdfGׁׁrנVt
7&' `9׉H Vhttp://www.glassdoor.com/Overview/Working-at-European-Commission-EI_IE147109.11,30.htmGׁׁrנVt
7&' H9׉H phttp://ec.europa.eu/eurostat/documents/2995521/6652357/3-26022015-AP-EN.pdf/42097ff5-231b-4116-b0cf-8a28ca316f84GׁׁrנVt
7&' `^79׉H phttp://ec.europa.eu/eurostat/documents/2995521/6652357/3-26022015-AP-EN.pdf/42097ff5-231b-4116-b0cf-8a28ca316f84GׁׁrנVt
7&' `9׉H Dhttps://www.werkenvoornederland.nl/arbeidsvoorwaarden/salarisschalenGׁׁrנVt
7&' 9׉H ;http://ec.europa.eu/civil_service/job/official/index_en.htmGׁׁrנVt
7&' `9׉H <http://ec.europa.eu/civil_service/about/figures/index_en.htmGׁׁrנVt
7&' `9׉Hhttp://worldhappiness.report/GׁׁrנVt
7&' `649׉H Lhttp://www.theguardian.com/world/2015/jun/18/can-politico-make-brussels-sexyGׁׁrנVt
7&' `bN9׉H Ohttp://www.economist.com/blogs/economist-explains/2015/05/economist-explains-12GׁׁrנVt
7&' `9׉H khttp://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php?oldid=208239#Part-time_and_fixed-term_contractsGׁׁrנVt
7&' `<9׉H khttp://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php?oldid=208239#Part-time_and_fixed-term_contractsGׁׁrנVt
7&'ρ a9ׁH 'http://ec.europa.eu/eurostat/statisticsׁׁЈנVt
7&'΁ adN9ׁH (http://www.economist.com/blogs/economistׁׁЈנVt
7&'́ a949ׁH 0http://www.theguardian.com/world/2015/jun/18/canׁׁЈנVt
7&'́ a9ׁHhttp://worldhappiness.reׁׁЈנVt
7&'ˁ a9ׁH <http://ec.europa.eu/civil_service/about/figures/index_en.htmׁׁЈנVt
7&'ʁ 9ׁH ;http://ec.europa.eu/civil_service/job/official/index_en.htmׁׁЈנVt
7&'Ɂ a9ׁH Dhttps://www.werkenvoornederland.nl/arbeidsvoorwaarden/salarisschalenׁׁЈנVt
7&'ȁ J9ׁH 8http://ec.europa.eu/eurostat/documents/2995521/6652357/3ׁׁЈנVt
7&'ǁ a9ׁH )http://www.glassdoor.com/Overview/WorkingׁׁЈנVt
7&'Ɓ aށd9ׁHhttp://Glassdoor.comׁׁЈנVt
7&'Ł ̳9ׁH Dhttp://ec.europa.eu/public_opinion/archives/eb/eb82/eb82_publ_en.pdfׁׁЈ׉E|BRONNEN
http://www.europa-nu.nl/id/vh93qqnk8atd/nederland_over_europa)
http://europa.eu/about-eu/facts-figures/administration/images/howmany/howmany_en.jpg
http://werkenbijdeeu.nl/
http://europa.eu/epso/index_en.htm
http://ec.europa.eu/eurostat
Gegevens over personeelsbestand en contracten Europese Commissie:
http://ec.europa.eu/civil_service/about/figures/index_en.htm
http://ec.europa.eu/civil_service/docs/europa_sp2_bs_nat_x_grade_en.pdf (state of play 01/07/2015)
Verslag van de Europese Commissie aan de Europese Raad over de inschakeling van arbeidscontractanten
in 2012 en 2013: COM (2015) 67 final
Traineeship Europese commmissie: http://ec.europa.eu/stages/index_en.htm
Evaluatie EC Traineeship – pagina 28 & 29: http://ec.europa.eu/dgs/education_culture/more_info/evaluations/docs/traineeships/traineeship-evaluation-final-report_en.pdf
322
STAAT
VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://PlU8zliwbyOSV4CVNRphBt-x8ZvKTN-Nmtxw0IjS03U`̵ Vt
7&'׉EEuropa/Europa als werkgever
Eurobarometer 2014: http://ec.europa.eu/public_opinion/archives/eb/eb82/eb82_publ_en.pdf
Glassdoor.com:
http://www.glassdoor.com/Overview/Working-at-European-Commission-EI_IE147109.11,30.htm
Geografische mobiliteit / salarissen/deeltijd /tevredenheid
Minimumloon in Europa: http://ec.europa.eu/eurostat/documents/2995521/6652357/3-26022015-APEN.pdf/42097ff5-231b-4116-b0cf-8a28ca316f84
https://www.werkenvoornederland.nl/arbeidsvoorwaarden/salarisschalen
Staff
regulations: http://ec.europa.eu/civil_service/job/official/index_en.htm
http://ec.europa.eu/civil_service/about/figures/index_en.htm
http://worldhappiness.report/
http://www.theguardian.com/world/2015/jun/18/can-politico-make-brussels-sexy
http://www.economist.com/blogs/economist-explains/2015/05/economist-explains-12
http://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php?oldid=208239#Part-time_and_fixed-term_
contracts
NEDERLANDERS BIJ DE EUROPESE UNIE
323
׉	 7cassandra://bjWYRakvnVZrEycDQHh8MliRZvCeH8icyp47aJ1vwCIY`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://xtWux184j0YhGOY2SERmYiTjmvRMOiRb0IiddOy0K-g 4` 
׉	 7cassandra://Bm1VsOMAL28qOrB-DuEP2N4jUrLYwqe2IGN3d5npGCsAz`T׉	 7cassandra://3t3r3LVjuxkioMXSpG5f5575BX2dWwKMDGaYuKfsaNsa`̵ ׉	 7cassandra://0Lwn52VtdOKiCOvB97XnrE-C3V8bFIcNMB5ZaBJLmnYP>͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://buvP0SvP9EYK3A392KooJ_jezQMQYvI12II_aYKvdis p` 
׉	 7cassandra://qj7CD1dbDazGoRUjnLR5Z6DbhOl2EIIAkzhyTOD8CMQ&`T׉	 7cassandra://triOzD68EratUpYxZtFag3ETzFlyYz8McoyfOnDQ-yk`̵ ׉	 7cassandra://gL5OEFfC936kJ0NdwPhWnAUEhVXYNO5lrcHSWsMWyJ08;̀͠Vt
7&'њנVt
7&' ̛9׉Hhttp://europa.eu/index_nl.htmGׁׁrנVt
7&' _{̯9ׁHhttp://index_en.htׁׁЈנVt
7&' ^i̱9ׁHhttp://ec.europa.eu/civil_ׁׁЈנVt
7&' mC̒9ׁHhttp://index_en.htׁׁЈנVt
7&' 3g9ׁHhttp://ec.euׁׁЈנVt
7&' f̠9ׁHhttp://index_en.htׁׁЈנVt
7&' b̩9ׁHhttp://europa.eu/aboutׁׁЈנVt
7&' d;9ׁHhttp://Europa.euׁׁЈנVt
7&' jÁ̙9ׁHhttp://werkenbijdeeu.nl/ׁׁЈנVt
7&' }̳p9ׁHhttp://WerkenbijdeEU.nlׁׁЈ׉E}Tabel 1: Overzicht contractvormen en bijbehorende procedures (zie voor gedetailleerde informatie werkenbijdeeu.nl,
eu-careers.eu en de website van de EC: http://europa.eu/index_nl.htm)
Afkorting op
personeels-pas
F
Type
Ambtenaar in vaste dienst
‘Official’/ Fonctionnaire
AST-Secretaries & Clerks
(AST-SC)
Assistant (AST)
Administrator (AD)/
Onbepaalde tijd
Selectie-procedure
Concours
Instroomposities +
specialisten
AST-SC 01/02
AST 1 t/m 3
AD5 t/m AD9
AD
Management/ adviseurs
posities
(geen concours)
Sollicitatie met motivatie en
assessment
Hogere posities worden
anders geworven
Voor de EC zie:
http://ec.europa.eu/
dgs/human-resources/
working_senior_mgt_
en.htm
EPSO is hier niet bij
betrokken
TA
Tijdelijke functionaris
(Temporary agent)
Bepaalde tijd
Maximaal 6 jaar
Afhankelijk van EU
Instelling
Veelal: cv + brief
gevolgd door assesment
EPSO-website:
http://eu-careers.eu
http://WerkenbijdeEU.nl
heeft een completer aanbod.
Zie websites van
instellingen en
agentschappen.
Sommige vacatures
worden verzonden
naar de permanente
vertegenwoordigingen
Publicatie van vacatures
Website: eu-careers.eu
324
NEDERLANDERS BIJ DE EUROPESE UNIE
׉	 7cassandra://3t3r3LVjuxkioMXSpG5f5575BX2dWwKMDGaYuKfsaNsa`̵ Vt
7&'׉EnEXT
Onder andere Trainee
5 maanden
Online
sollicitatie-formulier
met punten-toekenning
WerkenbijdeEU.nl:
http://werkenbijdeeu.nl/
traineeships/
Europa.eu overzichtspagina:
http://europa.eu/about-eu/
working-eu-institutions/
traineeships/index_en.htm
Traineeship Europese
Commissie: http://ec.europa.
eu/stages/index_en.htm
END
Gedetacheerd Nationaal
expert/Seconded national
expert (SNE)
Expert national detache
(END)
Bepaalde tijd
Maximaal 6 jaar
Via de permanente
vertegenwoordiging bij de
EU
Cv + motivatie
Over procedures zie
http://ec.europa.eu/civil_
service/job/index_en.htm
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
325
׉	 7cassandra://triOzD68EratUpYxZtFag3ETzFlyYz8McoyfOnDQ-yk`̵ Vt
7&'ӁVt
7&'ҁFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://gepiatYz6Q_8RLG1ZrFW7nFaqXhCAHvwrhBVpecwF5E͑` 
׉	 7cassandra://7RwlgBQal7dRhzAvgGPS9RpMCkR7XGh3W-NCAgHXPzw` T׉	 7cassandra://h2XJEN3mvbO6pgtjI10_2Iz9eREqNaD9DX_rXED2Cxg`̵ ׉	 7cassandra://mOBY9k2ygI3OzoOkwD7ox9H6aONrRL0iDkDaNW2ddx8`|͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://BZ2znDKbVSlkLnM9_bLGqf2Lg1az4m3umqVlBANz-1Qz` 
׉	 7cassandra://iw_NqbVCZuAFWf3MEUXcUP-KHXvN2BXggasUlhTpvdk&{` T׉	 7cassandra://w4oLoPpAdfTdz7rxFypftL1vFtu3dxerWDpvYLzTkzk	W`̵ ׉	 7cassandra://K6fwpAiSSOW_MmiYjruP_V6t1MRrAKSp72xOhkO_4s0'x͠Vt
7&'׉E (326
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://h2XJEN3mvbO6pgtjI10_2Iz9eREqNaD9DX_rXED2Cxg`̵ Vt
^7&'׉E CInformatie over de auteurs
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
327
׉	 7cassandra://w4oLoPpAdfTdz7rxFypftL1vFtu3dxerWDpvYLzTkzk	W`̵ Vt
7&'߁Vt
^7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://_haXYqF26eMC3lSn8vyWZ6Zr4iwGt9hxlrc3ajn4KLo Q` 
׉	 7cassandra://_kF1ITJvuW8HFi48f7AwUuEWk6DMWG5PJBpGmuHOZ5k2m` T׉	 7cassandra://svEAW6IZ4zBHphL3hZufbjuJ2htkNncBz0fq7ZB4PxE-`̵ ׉	 7cassandra://htkqsBoZI1yNR9PMt-lty93Hkc1SR2hoXMd_OFjWt649(͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://L253oU0ANu685ekOJpt_heHy9OWvm7A-s4BbonEzlOw ` 
׉	 7cassandra://kPHxMYazWFJyQlZNz1Dl71F7LU7IsPLNjx8W6bTnihAe`T׉	 7cassandra://aKMLZFhPP2qA4jF7LEeoX51eRhykECHmBcLC0wbVlnME`̵ ׉	 7cassandra://eiP2Z-LFwuA644w3cCRst4n6fmdwar3Ls2n0HgPr9yUY$͠Vt
7&'׉EOVERZICHT AUTEURS:
Prof. dr. J.J.M. Uijlenbroek
Mr. dr. G.S.A. Dijkstra
Prof. dr. F.M. van der Meer
Dr. C.F. van den Berg
Mr. drs. F. van Kuik
Dr. J. van der Voet
Dr. B. Vermeeren
Drs. G. Bayens MBA
P.J. Banis
Drs. G. Evers
Prof. dr. T. van Vuuren
Dr. R.M. Montizaan
Drs. L. Lombaers
Drs. J. Buljac
Drs. A. Hoekstra
G.J. Talsma MA
Prof. dr. M. Kaptein
Drs. B. Schomaker
Prof. dr A.C. Hemerijck
Prof. dr M.J.S.M. van der Meer
Mr. L.C.J. Sprengers
Dr. P. van der Meulen
Drs. A.W. de Korte
Mr. H. Moltmaker
Prof. mr. B. Barentsen
Drs. R.C. Bos
Drs. E. Schoonman
Dr. M.A. van der Steen
Drs. D. van Berlo
Drs. L. Nijland
M. van Zaane
Ir. H.M. Kuperus
Drs. D. van Altena
INTERVIEWERS:
Drs. B. Bijma
L. Kusiak
328
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://svEAW6IZ4zBHphL3hZufbjuJ2htkNncBz0fq7ZB4PxE-`̵ Vt
7&'׉E
 PROF. DR. J.J.M. UIJLENBROEK
Prof. dr. Jaap Uijlenbroek bekleedt sinds september
2014 de, door het CAOP in stand gehouden,
Albeda Leerstoel (Arbeidsverhoudingen
Publieke Sector) aan de Universiteit Leiden. Hij
is tevens directeur-generaal Rijksvastgoedbedrijf
bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties.
MR. DR. G.S.A. DIJKSTRA
Mr. dr. Gerrit Dijkstra is verbonden aan het Instituut
Bestuurskunde van de Campus Den Haag,
Universiteit Leiden. Hij is opgeleid als jurist en
bestuurskundige en begeeft zich zowel wat onderwijs
als onderzoek betreft op het snijvlak van
beide disciplines. Zijn onderzoeksthema’s betreffen
onder andere civil service systems, juridisering
en de structuur van de publieke sector. Hij is
ook rechter-plaatsvervanger bij de rechtbank Den
Haag (sector bestuursrecht) en voorzitter van de
Commissie bezwaarschriften personele aangelegenheden
van het ministerie van Financiën.
PROF. DR. F.M. VAN DER MEER
Prof. dr. Frits van der Meer is bijzonder hoogleraar
met als leeropdracht ‘Comparative Public Sector
and Civil Service Reform’. Hij heeft onderzoek
gedaan naar en internationaal gepubliceerd
over vergelijkend publiek management, vooral
over hervormingen in de publieke sector
en civil service. Houdt zich ook bezig met
bestuurshistorische onderwerpen.
DR. C.F. VAN DEN BERG
Dr. Caspar van den Berg is als universitair hoofddocent
verbonden aan het Instituut Bestuurskunde
van de Universiteit Leiden. Hij werkt aan
een vierjarig onderzoek naar meritocratie en
politisering onder topambtenaren in veertien
westerse landen, gefinancierd vanuit het NWOVeni
programma. Zijn proefschrift Transforming
for Europe: The reshaping of national bureaucrcies
in a system of multi-level governance werd in 2013
bekroond met de Van Poelje Jaarprijs voor het
beste proefschrift in de bestuurs- en beleidswetenschappen
in Nederland en Vlaanderen. In 20132014
was hij als visiting research fellow verbonden
aan het Princeton University.
MR. DRS. F. VAN KUIK MBA
Mr. drs. Frank van Kuik is coördinerend beleidsmedewerker
bij de directie Organisatie en Personeelsbeleid
van het directoraat-generaal Organisatie
en Bedrijfsvoering Rijk van het ministerie van
BZK. Tijdens zijn studie bestuurswetenschappen
aan de Universiteit Utrecht werkte hij bij de Algemene
Leiding van het ministerie van Binnenlandse
Zaken. Na een korte overstap naar het ministerie
van Onderwijs en Wetenschappen (project
Bezetting Hogere Functies Rijksdienst) vervulde
hij bij Binnenlandse Zaken diverse functies in het
INFORMATIE OVER DE AUTEURS
329
׉	 7cassandra://aKMLZFhPP2qA4jF7LEeoX51eRhykECHmBcLC0wbVlnME`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://YdlHEw442Or_Y8eYP3c8YOJ2J3PAH09Uu_loXUcCHGg <` 
׉	 7cassandra://lK37_TeCS7ExvzWHufb1Y40WNSeRsXU0ZGMAf2y-8B8c`T׉	 7cassandra://sKARi-ZYbvsrD9CSgUqYWHgZQXe3RbLny34tJLW0LAYJ`̵ ׉	 7cassandra://1RaFB06p2ubsMdbqM07C9RxCSRlZhKQ7Y3rR3De5T1cJ|$͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://nQfw0cphEbulkH9FFLbaUJ0X1M3eCDr2etkGF7yV_W4 ` 
׉	 7cassandra://jXh-3KK8f7YMEMQGdNZt6vVFFXgWxRA81Ftv7ZKKXqk`,`T׉	 7cassandra://hHP3Adrvl9wqZXvTCdu8Ab-iB2e03oiu9hLoOzOIYHc`̵ ׉	 7cassandra://M1_4di_e1bD7EOtyAjb75QqhuIz7DcO3fHs3FZzpzRgH(͠Vt
7&'נVt
7&' /L̰9׉Hhttp://www.jorisvandervoet.comGׁׁr׉E
minderhedenbeleid. Hij trad op als secretaris van
verschillende interdepartementale overleggen
– waaronder het SG-beraad- en van de interbestuurlijke
projectgroep sociale vernieuwing.
Sinds eind jaren negentig werkt Van Kuik op het
terrein van de organisatie van de rijksdienst.
DR. J. VAN DER VOET
Dr. Joris van der Voet is Assistant Professor of
Public Management aan de Universiteit Leiden,
Campus Den Haag. Hij promoveerde in 2014
aan de Erasmus Universiteit Rotterdam op een
proefschrift over Veranderleiderschap in Publieke
Organisaties en was in 2014 en 2015 als postdoctoraal
onderzoeker verbonden aan het Institute of
Public Governance and Management van ESADE
Business School in Barcelona. Zijn onderzoek is
gericht op organisatieverandering in de publieke
sector, bezuinigingsmanagement en de arbeidsmotivatie
van ambtenaren. Publicaties en meer
informatie zijn beschikbaar via
www.jorisvandervoet.com.
DR. B. VERMEEREN
Dr. Brenda Vermeeren is universitair docent
bij de afdeling Bestuurskunde van de Erasmus
Universiteit Rotterdam. Zij promoveerde in 2014
op een proefschrift over HRM en prestaties in de
publieke sector. Haar onderzoek richt zich op het
bevorderen van prestaties van publieke organisaties
vanuit een HR-perspectief, de werkbeleving
van ambtenaren en de rol van de leidinggevende
hierbij. Naast haar aanstelling op de Erasmus Universiteit
Rotterdam werkt zij als adviseur/onderzoeker
bij het ICTU-programma ‘InternetSpiegel’
(in opdracht van het ministerie van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties), waar zij betrokken
is bij de uitvoering van HR-onderzoek voor
diverse publieke organisaties.
DRS. G. BAYENS MBA
Drs. Guido Bayens MBA studeerde sociologie aan
de Rijksuniversiteit Utrecht en Master of Business
Administration aan de Henley Business School
- University of Reading. Hij werkte onder meer
voor de Industriebond FNV, het Nederlands Instituut
voor Arbeidsomstandigheden en het UWV.
Hij is tegenwoordig partner van Adviesgroep
Novius. Bayens is een autoriteit op het gebied
van bedrijfsarchitectuur en wordt beschouwd
als de grondlegger van de Nederlandse Overheid
Referentie Architectuur, een afsprakenstelsel dat
de basis vormt voor het ontwerpen van bedrijfsprocessen
en de informatievoorziening van
overheidsorganisaties. Hij adviseert vooral ministeries,
provincies, gemeenten en uitvoeringsorganisaties.
Zijn boeken over bedrijfsarchitectuur
zijn in veel organisaties te vinden.
P.J. BANIS
Patrick Banis is directeur arbeidsmarkt bij het
CAOP. Hij begon zijn loopbaan in het onderwijs
330
INFORMATIE OVER DE AUTEURS
׉	 7cassandra://sKARi-ZYbvsrD9CSgUqYWHgZQXe3RbLny34tJLW0LAYJ`̵ Vt
7&'׉E	Dals leraar aardrijkskunde en heeft jarenlang bij zowel
FNV als CNV gewerkt als cao-onderhandelaar.
Bij CNV Onderwijs was hij dagelijks bestuurder
als vicevoorzitter en voorzitter van de ambtenarencentrale
voor het CNV, de CCOOP.
DRS. G. EVERS
Drs. George Evers is onderzoeker/adviseur op het
brede terrein van arbeidsvraagstukken. Hij werkte
tot 1 september 2015 als onderzoeker bij het CAOP
en daarvoor als programmamanager bij het A+O
fonds Gemeenten. Zijn werkzaamheden richten
zich veelal op de vraag hoe de kwaliteit van werk
kan bijdragen aan de duurzame inzetbaarheid van
medewerkers.
PROF. DR. T. VAN VUUREN
Prof. dr. Tinka van Vuuren is bijzonder hoogleraar
Strategisch Human Resource Management, in het
bijzonder Vitaliteitsmanagement, aan de Open
Universiteit Nederland en senior consultant bij
Loyalis Kennis & Consult. Zij is sinds 2002 ook
actief voor de sectie Arbeid & Organisatie van
het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP).
Daarnaast was zij onder meer vijf jaar voorzitter
van de sectie Arbeid & Gezondheidspsychologie
van het NIP.
DR. R.M. MONTIZAAN
Dr. Raymond Montizaan is researcher bij het
research centrum voor onderwijs en de arbeidsmarkt
(ROA) aan de Universiteit Maastricht. Hij
is opgeleid als econoom en promoveerde op onderzoek
naar de gevolgen van hervormingen van
het Nederlandse pensioenstelsel voor de ontwikkeling
van ‘menselijk kapitaal’ en het welzijn van
werknemers.
DRS. L. LOMBAERS
Drs. Lucas Lombaers is interim-directeur/adviseur
bij de Algemene Bestuursdienst. Tot 1
september 2015 was hij directeur Arbeidszaken
Publieke Sector bij het ministerie van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties.
DRS. J. BULJAC
Drs. Jelena Buljac is strategisch communicatieadviseur
bij het ministerie van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties. Na haar studie bestuurskunde
heeft zij gewerkt voor Leefbaar Rotterdam
en de Erasmus Universiteit Rotterdam, waar zij
onderzoek deed naar agendavormingsprocessen in
de politiek en de invloeden van (met name social)
media. Als communicatieadviseur bij BZK is zij
voornamelijk betrokken bij de ontwikkeling en
invulling van publicatiebeleid.
DRS. A. HOEKSTRA
Drs. Alain Hoekstra is coördinerend beleidsadviseur
integriteit bij het Bureau Integriteitsbevordering
Openbare Sector (BIOS) en promovendus
aan de RSM Erasmus Universiteit. Hij studeerde
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
331
׉	 7cassandra://hHP3Adrvl9wqZXvTCdu8Ab-iB2e03oiu9hLoOzOIYHc`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://3DnF-fWOc0NNNCdFIs97KJxlGpoXzXqHL3elL_fGePo d` 
׉	 7cassandra://F3l4FFK_EqY_nG5Ezb2x-y5-AMX65jzzZkDfyidCKzsa`T׉	 7cassandra://nxytbGhHP7cvYN6Lf0IF7uADjGKvOdZpabwSQ6j51xU`̵ ׉	 7cassandra://_VqAvWH6NwMsKk4hR8xowYVkoiPJ4azWg86kHc794EU\(͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://sV10kKRtktO5i_ssYY7aIQ07-V9kzKKg0aJ2OCxr0vk ` 
׉	 7cassandra://cctfW3UekPpS4smu1SgUUyf77HHVdSd0VWP6u3-L2IYe`T׉	 7cassandra://hNEdYNbTmmTBK3pk5c35BDdkR3gxdPOae6HTBbk2664`̵ ׉	 7cassandra://-zWVxexEdNlYO2Ppd2mDVKAMEk13zcg2DIY_WYKoC9EE{$͠Vt
7&'׉E	qBestuurskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Werkte als beleidsadviseur bij het ministerie
van BZK en is een van de oprichters van het
BIOS. Hoekstra verricht onderzoek naar integriteitsmanagement
en participeert in verschillende
internationale netwerken.
G.J. TALSMA MA
Jitse Talsma MA is adviseur integriteit bij het
Bureau Integriteitsbevordering Openbare Sector
(BIOS). Hij studeerde filosofie met als specialisatie
wijsgerige ethiek aan de Radboud Universiteit
Nijmegen. Als ethicus houdt Talsma zich bezig
met het versterken van de integriteit van de overheid
door middel van onderzoek en advies op het
gebied van integriteit en integriteitsbeleid.
PROF. DR. S.P. KAPTEIN
Prof. dr. Muel Kaptein is hoogleraar Bedrijfsethiek
en Integriteitmanagement aan de Rotterdam
School of Management van de Erasmus Universiteit
en partner bij accountants- en adviesorganisatie
KPMG. Hij verricht onder meer onderzoek op
het gebied van managementethiek en complianceprogramma’s.
Kaptein schreef zes boeken en ruim
vijftig artikelen in bladen als Journal of Management
Studies, Journal of Organizational Behavior
en Academy of Management Review.
DRS. B. SCHOMAKER
Drs. Bernadette Schomaker is sinds 2011 het hoofd
van het expertisecentrum Veilige Publieke Taak.
Het eVPT is een samenwerkingsproject van het
CAOP, het Centrum voor Criminaliteitspreventie
en Veiligheid en Slachtofferhulp Nederland. Zij
werkt bij het Centrum voor Criminaliteitspreventie
en Veiligheid, en daarvoor bij de Algemene
Rekenkamer en het toenmalige ministerie van
Justitie.
PROF. DR. A.C. HEMERIJCK
Prof. dr. Anton Hemerijck is Centennial Professor
of Social Policy aan de London School of Economics
and Political Science (LSE) en Hoogleraar
Institutionele Beleidsanalyse aan de Vrije Universiteit
Amsterdam. Hij was van 2003 tot 2009
directeur van de Wetenschappelijke Raad voor het
Regeringsbeleid (WRR). Daarna werkte hij van
2009 tot begin 2015 als decaan van de Faculteit der
Sociale Wetenschappen aan de Vrije Universiteit
Amsterdam.
PROF. DR. M.J.S.M. VAN DER MEER
Prof. dr. Marc van der Meer is bijzonder hoogleraar
Onderwijsarbeidsmarkt bij het onderzoeksinstituut
ReflecT/ Tilburg Law School van Tilburg
University en van het CAOP. Hij is tevens als
onafhankelijk wetenschappelijk adviseur verbonden
aan de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs
Bedrijfsleven (SBB) in het mbo. Van 2009
332
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://nxytbGhHP7cvYN6Lf0IF7uADjGKvOdZpabwSQ6j51xU`̵ Vt
7&'׉E	tot begin 2014 was hij directeur van het landelijk
Expertisecentrum Beroepsonderwijs (ecbo). Van
der Meer studeerde economie in Tilburg en Madrid
en promoveerde in de sociale wetenschappen
in Amsterdam. Werkte eerder bij het Amsterdams
Instituut voor Arbeidsstudies en het Nederlands
Centrum voor Sociale Innovatie.
MR. DR. L.C.J. SPRENGERS
Mr. Loe Sprengers heeft van 2002 tot 2012 als bijzonder
hoogleraar de Albeda-leerstoel bekleed aan
de Universiteit Leiden. Hij werkt sinds 1984 als
advocaat bij het Advokatenkollektief Utrecht,
tegenwoordig ‘Sprengers advocaten’ geheten.
Sprengers is gespecialiseerd in het individueel en
collectief arbeids- en ambtenarenrecht en medezeggenschapsrecht.
P.
VAN DER MEULEN
Paulien van der Meulen is aan het CAOP verbonden
als senior-adviseur en projectleider caodienstverlening.
Zij geeft op klantgerichte wijze
invulling aan allerlei vormen van cao-dienstverlening
en is gedreven partijen te helpen bij de realisatie
van eigentijdse cao-afspraken. Zij heeft de
landelijk verkenner cao Politie en cao Ambulance
ondersteund en een paritaire werkconferentie
‘Cao van de Toekomst’ voor een overheidssector
ontwikkeld. Momenteel houdt zij zich bezig met
de modernisering van een bedrijfs-cao in het
publieke domein.
DRS. A.W. DE KORTE
Drs. Ton de Korte is hoofd afdeling Projecten en
Advies van het CAOP. Hij begeleidt adviseurs en
projectleiders bij het CAOP die zich toeleggen
op HR-vraagstukken en arbeidsverhoudingen in
het publieke domein. De Korte studeerde economische
en sociale geschiedenis aan de RUU. Van
1989 tot 2006 werkte hij als managing director en
consultant bij adviesbureau Berenschot. Vervolgens
was hij tot 2012 directeur van het Nederlands
Centrum voor Sociale Innovatie (NCSI). Dit kennis-
en actiecentrum was opgericht door werkgeversorganisaties,
vakorganisaties en universiteiten
met als doel om sociale innovatie (slimmer
werken) in Nederland aan te jagen.
MR. H. MOLTMAKER
Mr. Hans Moltmaker is coördinerend adviseur
van het CAOP. Hij is een expert op het gebied van
het individueel en collectief arbeids- en ambtenarenrecht
en medezeggenschap binnen het
CAOP. Hans is momenteel bij de Albeda Leerstoel
bezig met een promotieonderzoek gericht op de
normalisering van de positie van de ambtenaar.
PROF. MR. B. BARENTSEN
Prof. mr. Barend Barentsen is bijzonder hoogleraar
arbeidsverhoudingen publieke sector aan
de Albeda Leerstoel. Daarnaast is hij hoogleraar
Sociaal Recht aan de Universiteit Leiden. Hij doet
onderzoek naar onder meer de arbeidsrechteINFORMATIE
OVER DE AUTEURS
333
׉	 7cassandra://hNEdYNbTmmTBK3pk5c35BDdkR3gxdPOae6HTBbk2664`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://uXBG-nz9PHcQUr_gCRmgJh2iAway0iOCbjjSlxlypMQ T` 
׉	 7cassandra://RGXDUsdLbKvitBcuo74q9LVtK3KhoLHye2lguRnBNQEbA`T׉	 7cassandra://U-QY_D3TAMVW3jNfRA2LndqIlN65v-9DqjTn_zc1Az4`̵ ׉	 7cassandra://U0iRdciOFAzceWMTY8grTpG_zOP5w7T_IqPDLSo8bv8B$͠Vt
7&' ט # #nu׉׉	 7cassandra://9OTiCthutQFVcgA7EyalIOz7FCLDRBuaQaluaXnidDw ` 
׉	 7cassandra://IQtqmYpdqIehPpgbT2vo9mEZUmXXpWStzJDJSxgteLUT`T׉	 7cassandra://dK98KSkTXonq7PHpH4Lkg2W3EkysDh98Ea4bQc_bLGQC`̵ ׉	 7cassandra://VbrpMth3AtCoC3nhpFHm-n23-yueG7sDOQpa49tlVjADB(͠Vt
7&'נVt
7&' ̝{9ׁHhttp://WerkenbijdeEU.nlׁׁЈנVt
7&' :9ׁHhttp://2016.vaׁׁЈ׉E	lijke, ambtelijke en socialezekerheidsrechtelijke
regelingen voor ziekte en arbeidsongeschiktheid.
Ook werkgeversaansprakelijkheid is voor hem een
belangrijk thema. Hij publiceert regelmatig over
deze onderwerpen.
DRS. R.C. BOS
Drs. Renate Bos is sinds 2010 werkzaam als beleidsadviseur
Rijk en Overheid bij FNV Overheid
(voorheen AbvaKabo FNV). Daarvoor werkte zij
tien jaar in het hoger onderwijs als docent recht
aan de Academie Mens & Arbeid (een opleiding
voor P&O’ers). Ze was ook zelf P&O-manager
bij verschillende organisaties in de private sector.
Bos studeerde kunstgeschiedenis en rechten in
Nijmegen en Amsterdam. Vanuit haar huidige
functie heeft zij de discussie over het afschaffen
van de ambtelijke rechtpositie steeds op de voet
gevolgd en daarover verschillende opiniestukken
gepubliceerd.
DRS. E. SCHOONMAN
Drs. Eliane Schoonman (Argumentatie & Retorica,
Universiteit van Amsterdam) is consultant
bij het Issues Management Institute in Amsterdam.
Zij adviseert overheid en bedrijfsleven over
sociale legitimatie en waardering. In haar visie is
draagvlak nodig voor de acceptatie van beleid en
daartoe moet men beheersen ‘wat’ men zegt en
‘hoe’ men het zegt. Zo’n linguïstische benadering
vormt de basis van het begrijpen van publieke
opinie en het werken aan begrip voor de eigen
organisatie. Schoonman fungeert ook als interim
corporate communications manager en is inspecteur
HBO/WO in Nederland en Vlaanderen.
DR. M.A. VAN DER STEEN
Dr. Martijn van der Steen is co-decaan en adjunct-directeur
van de NSOB in Den Haag. Zijn
onderzoeksinteresse gaat uit naar het sturen in
netwerken en strategie en toekomst in overheidsbeleid.
Van der Steen is verantwoordelijk voor de
inhoudelijke ontwikkeling van de denktank van
de NSOB en voor een aantal van de door de NSOB
verzorgde opleidingen.
DRS. D. VAN BERLO
Drs. Davied van Berlo werkt als is strategisch
adviseur netwerksamenleving, ambtelijk vakmanschap
en kennisnetwerken bij het ministerie van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Hij
is actief met het versterken van het ambtelijk vakmanschap
in Nederland. Van Berlo is initiatiefnemer
van het netwerk Ambtenaar 2.0 en van Pleio,
het samenwerkplatform van de overheid.
DRS. L. NIJLAND
Drs. Lotte Nijland is senior beleidsmedewerker
Arbeidszaken Publieke Sector bij ministerie van
BZK. Zij is gespecialiseerd in onder meer opdrachtgeverschap,
strategie, omgevingsbewust334
INFORMATIE
OVER DE AUTEURS
׉	 7cassandra://U-QY_D3TAMVW3jNfRA2LndqIlN65v-9DqjTn_zc1Az4`̵ Vt
7&'׉Ezijn, evidence based beleid, e-government en
identiteitsmanagement.
M. VAN ZAANE
Maarten van Zaane is projectmanager bij de Vereniging
voor Overheidsmanagement.
IR. H.M. KUPERUS
Ir. Herma Kuperus is strategisch beleidsmedewerker
Arbeidsmarkt, P&O, EU/internationaal
bij het ministerie van BZK . Zij houdt zich nu
vooral bezig met de voorbereiding van de drie
bijeenkomsten in 2016.van het European Public
Administration Network (EUPAN) tijdens
het Nederlandse EU-voorzitterschap. Voordien
ontwikkelde zij het strategisch personeels- en
arbeidsmarktbeleid Rijk 2020. Verbinding leggen
tussen beleid en onderzoek deed zij ook in eerdere
functies, onder meer:bij het European Institute of
Public Adminstration (EIPA), afdelingshoofd en
plaatsvervangend directeur PO&I bij het ministerie
van VROM, programmamanager arbeid en
samenleving aan de Open Universiteit Heerlen.
DRS. D. VAN ALTENA
Drs. Diana van Altena is namens het ministerie
van BZK gedetacheerd als nationaal expert bij het
Europees Bureau voor Personeel Selectie (EPSO)
in Brussel. Zij brengt Europa als aantrekkelijke
werkgever onder de aandacht bij toptalent en geeft
zo vorm aan ‘EU Careers’, het werkgeversmerk
voor de EU-instellingen. Van Altena werkt met
WerkenbijdeEU.nl samen om meer Nederlanders
te interesseren in het werken voor Europa. Haar
loopbaan begon in de HR-dienstverlening, gevolgd
door een traineeship bij de Belastingdienst.
Tussen 2006 en 2010 was ze bij het ministerie van
Binnenlandse Zaken betrokken bij de arbeidsmarktcommunicatie
van de rijksoverheid.
DRS. B. BIJMA
Berber Bijma is zelfstandig tekstschrijver en
eindredacteur. Voorheen werkte ze tien jaar bij het
Friesch Dagblad.
L. KUSIAK
Loek Kusiak, van oorsprong sociaal-economisch
verslaggever, is zelfstandig journalist/tekstschrijver.
Hij is gespecialiseerd in onderwerpen over
medezeggenschap, zorg en welzijn, duurzaamheid,
ICT en innovatie, arbeidsomstandigheden,
arbeidsmarkt, openbaar bestuur en ruimtelijke
planning. Hij publiceert hierover in uiteenlopende
(vak)media.
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
335
׉	 7cassandra://dK98KSkTXonq7PHpH4Lkg2W3EkysDh98Ea4bQc_bLGQC`̵ Vt
7&'Vt
7&'FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://XTe1tQpv3SxnjpsNXXr0C34aN_ROM3-buOUmz4FqDbIU` 
׉	 7cassandra://oMt9WZaxyhDsIYTxHoCKRWaQDauCemYCB8VfA0Uqa7wG` T׉	 7cassandra://mS1yjum1A-diX7AsMVPSwyNicPCyWGTB4hcotxNaYww`̵ ׉	 7cassandra://tZAuixKkBfDpUQjCBodhMzxFuCode1TM0URFEHy89pEz(͠Vt
7&'ט # #nu׉׉	 7cassandra://kOUwUegFnIVQ9LTPxlvaypUqk_COO92PBVJuOfKqmXI =`
׉	 7cassandra://I2fNeQKKl0BgFGT-SCIPDeIxvMhzjhyDgNdWGO6HhQwY`T׉	 7cassandra://O78bHWv__NDwvW2sFIVgsrJs3dmG5RPRx6GWT5Odc1c`̵ ׉	 7cassandra://dO5c7JaO0UvZ2VGElW-Xn0CgVyXO3XQEkXoFnoc8tJ4 E͠Vt
7&'׉E (336
STAAT VAN DE AMBTELIJKE DIENST 2015
׉	 7cassandra://mS1yjum1A-diX7AsMVPSwyNicPCyWGTB4hcotxNaYww`̵ Vt
7&'	׉E ISBN 978-94-90171-13-1
Coördinatie: Loes Spaans
Eindredactie: CAOP
Fotografi e: Shutterstock, Rijksvoorlichtingsdienst
en Sebastiaan ter Burg
Vormgeving: Paul Pleijs
Opmaak en druk: G3M Zoetermeer
© 2015 CAOP, Den Haag
׉	 7cassandra://O78bHWv__NDwvW2sFIVgsrJs3dmG5RPRx6GWT5Odc1c`̵ Vt
7&'
Vt
7&'	FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://ftAtwh2tiFPu1npcN9w4Jz7lwV4JPvGPbfy8TB_R99s ` 
׉	 7cassandra://Rj0psF9djTOjB6jAZ77zgfzK6KSh0TgX8boXxjHWUJQC`T׉	 7cassandra://dCAt4McA_Cti3QXgOi26Y_KC6kg-8ZB4yzUc7uPC5BUW`̵ ׉	 7cassandra://Lv9TJ5fM3Sl33OtpSpH9-VpJEg83_rVEcDkcLiUNukcSl͠Vt
7&'נVt
7&' dX9ׁHhttp://www.caop.nlׁׁЈנVt
7&' Qu9ׁHmailto:l.spaans@caop.nlׁׁЈנVt
7&' }X9ׁHmailto:info@caop.nlׁׁЈ׉EBEZOEKADRES Lange Voorhout 13, 2514 EA Den Haag
POSTADRES
Postbus 556, 2501 CN Den Haag
TELEFOON 070 - 376 57 65
FAX
INTERNET
E-MAIL
info@caop.nl
INFORMATIE
Voor meer informatie over deze publicatie kunt u contact opnemen met Loes Spaans,
telefoon: 070 - 376 57 11, e-mail: l.spaans@caop.nl
070 - 345 75 28
www.caop.nl
vertrouwd
met arbeidszaken
ISBN 978-94-90171-13-1
9 789490 171131
2015
42
PUBLICATIEREEKS OVERHEID & ARBEID
׉	 7cassandra://dCAt4McA_Cti3QXgOi26Y_KC6kg-8ZB4yzUc7uPC5BUW`̵ Vt
7&'׈EVt
7&'Vt
7&'Fn)STAD 2015De ‘Staat van de Ambtelijke Dienst' (STAD) is een kritisch, analytisch overzicht van hoe de ambtelijke dienst ‘er kwalitatief en kwantitatief bij staat’. Wetenschappers en beleidsmakers maken daarvoor onafhankelijke analyses en observaties. De derde STAD laat zien welke veranderingen gaande zijn, wat dit doet met de ambtenaar en wat beter kan. Ook onderwerpen als mobiliteit in turbulentie, integriteitsverbanden en het cao-overleg komen aan bod. Vt
[.kL+K