׉?4ׁB!בCט  {u׉׉	 7cassandra://HM-esypBQr_ZtcYEAX7j43BUC620GJWeoqM7fV4QGIQ 9`׉	 7cassandra://37rvJuIqHzp7WzFIe2iljP5Qx_r0Wm90mU6cS6-GAQ8z`S׉	 7cassandra://RKZDs42vLaNgSROk86ovwSZ1frudwNmsAdd4vCFiAvc'0`̵ ׉	 7cassandra://d7rK_7dC403AtzM9gu88x1w1WeA1XtyN2NVgPEj9bos ͠^n2W9n9:נ^n2W9n99 ̝̝9׉Hhttp://www.ingovernment.nlGׁׁrנ^n2W9n99 %K9׉Hhttps://www.publieksdiensten.nlGׁׁrנ^n2W9n99 gQ^9 ׉SG
ׁׁrנ^n2W9n99 ҁSi9 ׉SG
ׁׁrנ^n2W9n99 CYo9 ׉SG
ׁׁrנ^n2W9n99 !M̈9 ׉SG
ׁׁrנ^n2W9n99 "NIq9 ׉SG
ׁׁrנ^n2W9n9:  !ŁJk9 ׉SG
ׁׁrנ^n2W9n9: !4@9 ׉S	G
ׁׁrנ^n2W9n9: ̨59ׁHhttp://inGovernment.nlׁׁЈ׈E^n2W9n99׉EEinGovernment
platform v oor de digi tale o v e rh e i d
juni 2020
02
06
10
12
15
16
19
De coronacrisis brengt een nieuwe toekomst snel dichterbij
Jo Caudron over zijn ‘Managementboek van het Jaar 2020’ De wereld is rond
Uitvoering en beleid onderling onlosmakelijk verbonden
Hugo Aalders blikt terug op tweeënhalf jaar VNG Realisatie
Stand van Webcare 2020
Daphne Hachmang en Arne Keuning over slimme technologie bij klantcontact
Ambtenaren moeten ruimte zoeken om te doen wat
moet gebeuren
Jorinde ter Mors over de vraag hoe je de dienstverlening kunt veranderen
Op weg naar een nieuwe wereld
Jan Fraanje over de vraag vanuit welke waarden wij de toekomst willen vormgeven
Het tijdperk van de vos
Otto Thors over bouwstenen voor een nieuw integraal dienstverleningsconcept
Colofon
1
Ga naar
inGovernment.nl
en word online
abonnee!
׉	 7cassandra://RKZDs42vLaNgSROk86ovwSZ1frudwNmsAdd4vCFiAvc'0`̵ ^n2W9n99^n2W9n99{בCט   {u׉׉	 7cassandra://gHipL03J_bquDDrcrU-EjWjoY8Km4m7lGhy3jAa-4TU  |`׉	 7cassandra://xIEt7TtPq3iiBlf3q1r-lIPazYcLRk6520I-BwZc60Eͷ`׉	 7cassandra://jHBpCmx7WtnG8QXWv7Ee0Mft0hgdrgw6yzLUGX2FmRo:)`j ׉	 7cassandra://S_04eJG_6R7HXR7xe1W-Wx3bqGYfNvJcFsUeARksAQM 
͠	^n2W9n9:נ^n2W9n9: CāR9׉Hhttps://www.gapminder.org/Gׁׁrנ^n2W9n9: =$̓09 ׉S G
ׁׁr׉Edinterview
jo caudron over zijn bekroonde boek
de wereld is rond
de coronacrisis brengt
een nieuwe toekomst snel
Tekst: Otto Thors, hoofdredacteur inGovernment
Toen zijn boek De wereld is rond in april werd verkozen tot ‘Managementboek van het Jaar
2020’ liet de Vlaamse auteur Jo Caudron een digitaal vuurwerk ontsteken. In het juryrapport
staat: ‘Deze auteur schuwt de grote thema’s niet, weet zeer helder te duiden wat
er momenteel in de wereld gaande is, en smeedt vervolgens een volstrekt authentiek en
vooral optimistisch toekomstplan.’ InGovernment sprak met hem over zijn toekomstvisie.
Waarom heb je het boek De wereld is rond geschreven?
‘Ik bespeurde bij mezelf een nervositeit die neigt naar pessimisme.
De huidige coronacrisis versterkt dat gevoel, alles
staat op de helling, en we weten niet of hierna het leven even
goed zal zijn als vroeger. Dit levert bij veel mensen een nostalgisch
gevoel op dat gepaard gaat met onbegrip, wat kan
omslaan in angst en woede – zeker als dat wordt aangewakkerd
door politieke populisten. Er zijn veel onzekerheden,
niet zozeer op de lange termijn, als wel in het hier en nu. In
mijn boek richt ik de blik wat verder vooruit, naar 2030, en
beschrijf ik drie ontwikkelingen die nu in een stroomversnelling
komen. Ten eerste, veranderingen op het gebied van
werk. De effecten van globalisering en robotisering leven
maatschappelijk enorm. Mensen zien een gig economy ontstaan,
waarbij iedereen op een hippe Deliveroo-fiets zit terwijl
ze zich zorgen maken over het behoud van hun pensioenen.
De tweede golf van verandering betreft duurzaamheid, waarbij
ik denk aan het klimaat, maar ook aan leefbaarheid.
‘samenwerking is niet langer alleen
wenselijk, maar onontkoombaar’
We zijn ons maatschappelijk zo gaan organiseren dat veel
mensen zich constant moeten verplaatsen van woning naar
werk en naar winkels. De huidige manier van stadsplanning
met gescheiden functies loopt ten einde. Ik verwacht dat we
anders gaan wonen, en dat steden en dorpen anders worden
ingericht dan nu het geval is. De derde beweging gaat over
mobiliteit, wat zichtbaar wordt in ons straatbeeld – met elektrische
voertuigen, micromobiliteit en deelauto’s. Als je deze
drie “stormen” combineert tot een metastorm, dan moet je
constateren dat de uitdagingen groter zijn geworden, als2
mede
de verbanden en relaties daartussen. Je kan de ontwikkelingen
niet los zien van elkaar. Als we anders gaan wonen
en thuiswerken dan heeft dat invloed op mobiliteit. Toch
worden alle vraagstukken in silo’s besproken, en praten afdelingen
onvoldoende met elkaar om met een toekomstplan te
kunnen komen. Maar om tot een nieuwe toekomstvisie te
komen, kan je niet anders dan deze onderwerpen in hun
onderlinge samenhang te beschouwen. Samenwerking is
niet langer alleen wenselijk, maar onontkoombaar.’
Waarom pleit je voor vooruitgangsoptimisme?
‘Omdat het mijn werk is om toekomstplannen te maken voor
bedrijven, moet ik zelf natuurlijk ook wel in een betere toekomst
geloven. Dat is een kwestie van de juiste instelling. Ik
geloof in vooruitgang en een maakbare wereld – ik zie optimisme
als mijn morele plicht. Sinds de verlichting beseffen
we dat we onze situatie zelf kunnen verbeteren, en op websites
zoals Gapminder zie je dat we positief evolueren. Toch
zijn wij biologisch geprogrammeerd om angst te hebben
voor onbekende situaties. Als je op je instincten navigeert,
schieten onze hersenen terug in een verdedigingskramp.
Negatieve berichtgeving in de media voedt dit, en sloganeske
boodschappen van wereldleiders versterken dat gevoel. We
zouden, als tegenwicht voor de positieve boodschap, ook een
vorm van populisme moeten bedenken. Nu schrijf ik er een
heel boek over, maar eigenlijk zou je ervoor moeten zorgen
dat een positief toekomstverhaal net zo goed op een T-shirt
of een petje past.’
Welke ontwikkelingen heeft de coronacrisis versneld?
Miljarden mensen zijn in een situatie terechtgekomen waar
er van de ene op de andere dag een compleet andere gedragsvorm
moest worden gehanteerd – denk aan social distancing,
thuiswerken en online-winkelen. De huidige crisis brengt
beleidsdisciplines bij elkaar om de exit van de lockdown voor
׉	 7cassandra://jHBpCmx7WtnG8QXWv7Ee0Mft0hgdrgw6yzLUGX2FmRo:)`j ^n2W9n99׉E |dichterbij
jo caudron:
‘als je toch al wilde
veranderen, dan heeft
deze crisis de mogelijkheden
daartoe enorm versneld’
^n2W9n99^n2W9n99{בCט   {u׉׉	 7cassandra://9aOaEP4ROeBPVscFpOUGEDnofHzH_nh9brQDVAxWfRY `׉	 7cassandra://AGIg14360WDbXGn3pklOtFg4SgghTzGCrFWb6L9qo6o`׉	 7cassandra://fXkoxg4NO6AIIOyl5S64LOMXcfnMb3VBmgwYJpUO69Q4d`j ׉	 7cassandra://lczOr9qGUwbzSsnf-Zd91-ttAeVy6cvqOAx7ZVSZFgc͠	^n2W9n9:נ^n2W9n9: ;#̕-9 ׉S G
ׁׁrנ^n2W9n9: 'ځ̵9ׁHhttp://www.dewereldisrond.be/ׁׁЈ׉E7interview
te bereiden en uit te voeren. Dat gevoel van momentum kunnen
we breder binnen organisaties gebruiken. De coronacrisis
versnelt de noodzaak tot integraal werken. Steden en
gemeenten hebben de sleutel in handen voor de transformatie
naar een post-coronaperiode. Als zij zich goed organiseren
dan ontstaan nieuwe kansen voor wonen, werken en mobiliteit.
Maak nu je binnenstad autovrij, stimuleer deel-mobiliteit
en introduceer nieuwe oplossingen om wonen en werken
te combineren in urban villages. Voorheen kostte dat ons
tien jaar om in te plannen. Nu kunnen we onze aanpak
intensiveren en versnellen. Zo heeft Brussel recent 40 kilometer
wegen omgetoverd in nieuwe fietspaden. Het postcoronadenken
heeft daar een beslissing versneld die al
gaande was, en leidt tot structurele veranderingen waarbij
veel disciplines betrokken waren. Vergelijk dat met de slingerbeweging
van een pendule. De coronacrisis heeft ons naar
een nieuwe realiteit “geslingerd”. Dat heeft ons een andere
mentaliteit gebracht, functies zijn opeens veranderd. Als je
nu helemaal terug wilt slingeren naar de oorspronkelijke
situatie dan stuit je op veel weerstand bij mensen – dus dat
kan niet. En als je toch al wilde veranderen, dan heeft deze
crisis de mogelijkheden daartoe enorm versneld.’
‘bedrijven die snel digitaliseren,
lopen steeds verder voor op de rest’
Hoe zie jij de economie van de toekomst voor je?
Onze huidige economie is volledig gebouwd op het produceren
en verkopen van zo veel mogelijk spullen. Daar zit een
grens aan, dus moeten we een nieuw economisch groeimodel
ontwerpen. De huidige kwaliteit van spullen is niet
gericht op de lange termijn. “Koop een nieuwe”, is het devies.
Maar wat nou als de fabrikant eigenaar blijft van het product
dat de consument als dienst kan gebruiken? Dan zal hij dit
meer duurzaam gaan produceren, om zo lang mogelijk het
gebruiksgenot te kunnen leveren. Als een auto bijvoorbeeld
een miljoen kilometer zou kunnen rijden, dan is dat een
duurzame investering die bovendien beter is voor de planeet.
Hetzelfde geldt voor meubels, die kunnen net zoals vroeger
wel honderd jaar mee. Ikea is al aan het experimenteren met
het verhuren van meubels, dus de eerste stappen worden al
gezet. Binnen dit nieuwe dienstenmodel is het bezit van
spullen niet langer de voorwaarde voor gebruik. Overheden
kunnen een landschap creëren waarin deze duurzame dienstenvariant
wordt gestimuleerd. Denk aan het fiscaal bevoordelen
van duurzame producten ten opzichte van producten
met een korte levensduur. Of aan het afschaffen van fiscale
voordelen voor auto’s, waardoor het minder aantrekkelijk
wordt om verder van het werk te gaan wonen. Het is de rol
van de overheid om ervoor te zorgen dat de nieuwe dienstenmodellen
voor alle inwoners toegankelijk en divers zijn. De
diversiteit van diensten versterken past niet in de generalistische
aanpak van platforms van de bigtech-bedrijven, dus de
4
overheid zal daarop moeten gaan toezien. Vergelijk dit met
de rol van een bibliotheek waarin alles verkrijgbaar is, ten
opzichte van de rol van een boekwinkel die zich vooral richt
op bestsellers.
Welke rol spelen de bigtech-bedrijven bij nieuwe
dienstenmodellen?
‘Bigtech-bedrijven – zoals Apple, Facebook, Google en Amazon
– rollen wereldwijd hun businessmodellen uit, en laten
weinig ruimte over voor concurrentie. Juist deze bedrijven
hebben geprofiteerd van de coronacrisis. Corona is een
“brandversneller” gebleken voor alles wat er toch al gaande
was. De wereld digitaliseert, en onder aanvoering van bigtech
is dat verder versneld, waardoor onze afhankelijkheid
van deze bedrijven en diensten is toegenomen. In Europa
gebeurt niks spannends – we hebben hier geen Facebook of
Netflix. Misschien dat er een strategische impuls komt om
onze eigen bigtech in Europa op te richten. Zeker gezien de
diversiteit van standpunten, de financiële kaders en benodigde
investeringen, denk ik niet dat Europa hier technologisch
sterker uit zal komen. Ik zie eerder dat de bestaande
bigtech-bedrijven nog sterker worden, maar dat hoeft geen
probleem te zijn als we ze kunnen reguleren. Met de techniek
van bigtech-bedrijven kan je perfect een lokale economie
organiseren. Winkelen vindt al plaats op internationale
platformen, zoals Shopify en Amazon. De lokale webshops
die deze gebruiken, creëren daarmee werkgelegenheid en ze
leveren belasting op. Vooralsnog richt bigtech zich alleen op
groei en commodity’s. Dit biedt de kans om zelf diensten met
een bijzondere toepassing te laten ontstaan in de lokale economie.
We hebben daarbij de verantwoordelijkheid om onszelf
te beschermen, tegen cybercriminelen, maar ook tegen
de overheden zelf. Niemand wil dat er gekken toegang krijgen
tot onze data, dus databescherming is belangrijk. Tegelijkertijd
moet je pragmatisch zijn en erkennen dat veel mensen
er niet om malen. Corona werkt ook hier als
brandversneller, want als we in het najaar een nieuwe coronagolf
krijgen met een lockdown tot gevolg, waar kiezen we
dan voor? Als super surveillance via camera’s met gezichtsherkenning
een technische oplossing bieden, dan zullen veel
mensen uit pragmatisme hiermee instemmen.’
Welke invloed heeft nieuwe technologie op de toekomst
van werk?
‘Bedrijven die snel digitaliseren, lopen steeds verder voor op
de rest. Laten we toe dat banen worden vervangen door
machines, die met de inzet van artificial intelligence (AI) taken
steeds beter uitvoeren? Kijk naar de banken waarvan de
medewerkers na uitstroom niet meer door mensen worden
vervangen. Dat is een cut-off strategie gericht op integrale
vervanging van banen door machines. Door inzet van machines
wordt het werk wel efficiënter en minder foutgevoelig,
maar tegelijkertijd ook onpersoonlijker. De variant waar ik
liever op wil inzetten is de shave-off strategie. Laat een
machine alleen de taken uitvoeren waarin deze beter is, en
investeer de besparing die je hiermee doet in mensgerichte
׉	 7cassandra://fXkoxg4NO6AIIOyl5S64LOMXcfnMb3VBmgwYJpUO69Q4d`j ^n2W9n99׉Etaken waarvoor nu de tijd ontbreekt. Een arts heeft bijvoorbeeld
twaalf minuten spreektijd per patiënt. Als de diagnose
op basis van AI kan worden gesteld dan ontstaat er meer tijd
voor dat gesprek. Dit vraagt wel om een positieve focus op
nieuwe oplossingen in plaats van op besparingen en aandeelhoudersbelang.
Als nieuwe technologie bijvoorbeeld kassa’s
overbodig maakt, zijn er geen kassières meer nodig in een
kledingwinkel. Laat je die dan uitstromen of zet je hen bij de
pashokjes om mensen te helpen met mode-advies? Veel werk
heeft zowel een technisch als een menselijk aspect, waarbij
de technologie altijd de mens dient te ondersteunen en nooit
compleet autonoom kan zijn. In de toekomst hebben we
robot-herders nodig die de technologie begeleiden, en de uitkomsten
daarvan vertalen naar mensen toe. Ik zie vooral de
voordelen van gecombineerde oplossingen waarbij mens en
machine elkaar versterken, en denk dat de reactie van de
overheid hierop een belangrijke beleidskeuze is die richting
geeft aan de nieuwe economie.’
‘creëer je eigen urban village waarin
de functies samenkomen die voor jou
van belang zijn’
Hoe zie jij de toekomst voor je van het wonen in urban
villages?
‘We hebben een aantal basisfuncties – zoals wonen, werken
en mobiliteit – jarenlang lineair ontwikkeld, dus in gescheiden
kolommen met een begin en een eind. Door toenemende
mobiliteit raken functies gescheiden, maar dat model werkt
niet als je kijkt naar aspecten op het gebied van duurzaamheid,
mobiliteit en vereenzaming. We hebben vooral plekken
gecreëerd waar er alleen wordt gewoond óf gewerkt.
Gemeentebesturen die verticale steden bouwen, vol monotone
hoogbouw met enkel een woonfunctie, vernietigen de
leefbaarheid op de lange termijn. Je moet mensen niet op
elkaar stapelen, en ze daarmee dwingen om zich telkens te
verplaatsen om te gaan werken of winkelen. Een stad vol
mono-functies is dodelijk – streef liever naar heterogene,
gecombineerde functies. Kernidee van de urban village is dat
wij de wereld weer functioneel rond maken, door functies
niet langer te scheiden maar te verbinden en zo de cyclus te
sluiten. Samenwerken is met nieuwe technologie overal
mogelijk; eenieder kan ergens werken zonder daar fysiek
aanwezig te hoeven zijn. Het aantal niet-noodzakelijke verplaatsingen
kunnen we beperken, net zoals dat nu in coronatijd
het geval is. Dat moeten we behouden. We moeten vooral
investeren in het aangenaam verplaatsen, binnen de plaats
waar we wonen, door juist daar de werkfuncties te activeren.’
Hoe kunnen we een stap vooruit zetten in het
post-coronatijdperk?
‘Alles wat we doen, doen we binnen een systeem waarover we
ook zelf een mening mogen ventileren, en waar we op democratische
wijze zaken aan kunnen veranderen. Ik wil het
anti-denken afzweren en meen dat de overheid daarin een
rol kan spelen door kaders te stellen en ontwikkelingen aan
te jagen in plaats van af te remmen. Uiteindelijk heeft iedereen
de verantwoordelijkheid om de slingerbeweging van zijn
of haar eigen pendule in de gaten te houden. Hoe ver slingeren
we vooruit naar een nieuwe werkelijkheid, en hoe ver
staan we toe dat we terugschieten naar de oude wereld? Laten
we de steden weer teruggeven aan de mensen die daar
wonen, en hen helpen met het verwijderen van onmogelijkheden
die transformatie in de weg staan. Richt je eigen leven
opnieuw in met de bouwstenen van vandaag. Dat is tegelijkertijd
de zwakste plek van dit toekomstplan, want veel
mensen weten wel dat ze niet terug kunnen gaan naar het
verleden, maar ze weten nog niet waar hun toekomst ligt.
Toch heeft iedereen zelf een beslissing te nemen. Creëer je
eigen urban village waarin de functies samenkomen die
voor jou van belang zijn.’
Meer weten?
Het boek ‘De wereld is rond’ is onder meer verkrijgbaar via
de website www.dewereldisrond.be/
Jo Caudron: ‘Laat een machine alleen de taken uitvoeren waarin deze
beter is, en investeer de besparing die je hiermee doet in mensgerichte
taken waarvoor nu de tijd ontbreekt.’
5
^n2W9n99^n2W9n99{בCט   {u׉׉	 7cassandra://nVdfEg7PKxd0iZS-0-Fjd3_jOjAOjIO1Y8vILK05h70 `׉	 7cassandra://_CkWLfUEUPUJ2wrAnZ8Fa1KT1b7c3w1kVQE8zTzIs5E`׉	 7cassandra://LjXQKuq3lkwITGSCdiAZZur5PwY5YSJCQsod9EKrkqEH`j ׉	 7cassandra://CtOROl8zA9L6TeR7EITDpNi99hVh66Q1dZp5udd9WZo і͠	^n2W9n9:נ^n2W9n9: 7#̟+9 ׉S G
ׁׁr׉Einterview
hugo aalders blikt terug op tweeënhalf jaar
uitvoering en beleid
onlosmakelijk verbon
Tekst: Otto Thors, hoofdredacteur inGovernment
Beeld: Arenda Oomen, fotograaf
Hugo Aalders start op 1 juli als directeur dienstverlening bij de Sociale
Verzekeringsbank (SVB). De afgelopen tweeënhalf jaar was hij directeur
bij VNG Realisatie. Hoe kijkt hij terug op deze periode? Wat is er gelukt,
en welke lessen uit de gemeentelijke wereld neemt hij mee naar de SVB?
Otto Thors in gesprek met Hugo Aalders.
Is de achterstand van de gemeentelijke dienstverlening op het
bedrijfsleven wat ingelopen?
‘De kloof is nog steeds erg groot. Inwoners zijn gewend om
vandaag iets te bestellen en dat morgen in huis te hebben.
Dat verwachtingspatroon stellen ze niet bij in het contact
met de overheid. Toch worden er nog steeds veel diensten
traditioneel aangeboden, of het nu gaat om een vergunning
of een paspoort. Daarbij moeten we dus nog flinke stappen
zetten om een confrontatie met teleurgestelde burgers te
voorkomen. Dat vraagt om een radicaal herontwerp, in de
volle breedte, van zowel onze IT als onze informatievoorziening.
De bestuurlijke aandacht dwaalt regelmatig af naar
andere vraagstukken – die trouwens ook belangrijk zijn. Er is
wel meer aandacht voor specifieke thema’s, zoals datagericht
werken of inclusieve dienstverlening om kwetsbare burgers
beter tegemoet te komen via het bestaande dienstenaanbod.
Dat is belangrijk, maar het gaat hierbij vaak om experimenten
of om een oplossing voor een kleine groep burgers, terwijl
het onze ambitie zou moeten zijn om de dienstverlening
voor alle burgers op een hoger peil te brengen. Ik vind die
ambitie wel terug in woorden, maar onvoldoende in daden.
Als je daarmee niet aan de slag gaat, krijg je een veeg uit de
pan van burgers – die zich dan negatief zullen gaan uitspreken,
klachten zullen indienen en bezwaarschriften gaan
schrijven. En dat zou, als we niet adequaat handelen, het
imago van gemeenten kunnen schaden. Dus voor mij staat
de urgentie om het beter te doen nog steeds overeind.’
Wat zijn de belangrijkste lessen van de afgelopen twee jaar
samen organiseren?
‘Ik denk dat samen organiseren als aanpak en de Gezamenlijke
Gemeentelijke Uitvoering (GGU) als kader, nu wat prominenter
op de agenda staan. Gemeenten erkennen dat we die
slag nooit gaan maken als we het niet met elkaar doen. De
kunst van samen organiseren is om collectieve belangen te
6
behartigen, te bepalen wat daarvoor nodig is, en om samen
oplossingen te ontwikkelen – en om de participatie daarbij
zo flexibel mogelijk te bevorderen. Goede voorbeelden, zoals
de informatiekundige visie Common Ground, waren nooit
gelukt zonder een gezamenlijke aanpak waaraan de VNG dan
kennis en kunde toevoegt. Door veel tijd aan de voorkant van
een oplossing te besteden, kan je aan de achterkant de toepassing
ervan versnellen. Neem de standaard-verwerkersovereenkomsten
die door alle gemeenten worden gebruikt,
of het GGI-netwerk dat een beveiligd landelijk datanetwerk
biedt aan gemeenten en gemeentelijke samenwerkingsverbanden.
Het is onze taak om gemeenten te groeperen
rondom vraagstukken die men gezamenlijk oplost, zonder
voor iedereen het instapmoment te bepalen. Ben je er nog
niet aan toe, dan mag je later instappen – als je maar instapt!
Wat ik gezien heb is dat veel gemeenten hetzelfde probleem
ervaren, maar dat hun vertreksituatie verschilt. Als je één
bepaald moment om in te stappen verplicht stelt dan gaat het
mis, het tempo moet kunnen verschillen.’
‘maar we moeten uitkijken dat we niet
voor de gemeenten gaan denken, want
dat kunnen ze prima zelf’
Doen alle gemeenten al mee aan de gezamenlijke uitvoering?
‘Er zijn momenteel ongeveer 150 gemeenten actief betrokken
bij onderwerpen die deel uitmaken van de GGU. Daar
binnen zien we een harde kern van 50 meestal wat grotere
gemeenten die overal in voorop lopen, en een groep van
ongeveer 100 gemeenten die actief participeren omdat het
onderwerp hun aanspreekt of omdat ze er vanuit hun netwerk
bij betrokken zijn. Ook is er een groep van ongeveer
׉	 7cassandra://LjXQKuq3lkwITGSCdiAZZur5PwY5YSJCQsod9EKrkqEH`j ^n2W9n99׉E vng realisatie
onderling
nden
hugo aalders:
‘ de gezamenlijke gemeentelijke
uitvoering is niet verplicht,
maar ook niet vrijblijvend.’
^n2W9n99^n2W9n99{בCט   {u׉׉	 7cassandra://XBHKXTDBCDKjOCtjoE-ww34jCyAqEh7mX-WHe0C_SD4 `׉	 7cassandra://D1V2MEX0JYR8DhzrjkiahO5YoD9-IXxwWD_la8jkc8wζ`׉	 7cassandra://jbi5cEiSEla6eR3HbMBAgWxml8GqeLfAgKy43pzMjCc6`j ׉	 7cassandra://diJSYGCE5qHiRW0CY4soWVru2zTPpEII8dC19ZIakJo t͠	^n2W9n9:נ^n2W9n9: }%9׉H [https://www.vngrealisatie.nl/sites/default/files/2020-05/04%20Kadernota%20GGU%20%281%29.pdfGׁׁrנ^n2W9n9: 3#̝-9 ׉S G
ׁׁr׉E.interview
200 gemeenten die meefietsen in het peloton. GGU-oplossingen
zijn meestal geen plug and play-toepassingen, dus moet
je er zelf ook nog iets aan doen. Vooral bij kleinere organisaties
is dat echt een probleem. Als ik met hen spreek – bijvoorbeeld
tijdens een werkbezoek aan een kring van gemeentesecretarissen
– dan blijkt dat de noodzaak om bij de GGU aan te
haken ook voor hen groot is, maar dat ze beseffen dat ze hun
capaciteit maar eenmaal kunnen inzetten. Ze zien wel bruikbare
producten, maar hun aandacht wordt volledig in beslag
genomen door andere onderwerpen.’
Hoe stimuleer je het gebruik van die gezamenlijke oplossingen?
‘De Gezamenlijke Gemeentelijke Uitvoering is niet verplicht,
maar ook niet vrijblijvend. Alle gemeenten betalen eraan
mee, en stellen gezamenlijk de prioriteiten vast. Het huidige
portfolio richt zich vooral op de bedrijfsvoering en informatievoorziening.
Dat sluit niet altijd aan op de lokale agenda
van gemeenten, waar momenteel de grote thema’s domineren
zoals de energietransitie, het klimaatakkoord, de Omgevingswet
en de uitdagingen binnen het sociaal domein.
Generieke oplossingen krijgen pas meerwaarde als je ziet
wat je er binnen een domein mee kan bereiken. Een mooi
voorbeeld daarvan is het Ketenbureau i-Sociaal Domein dat het
berichtenverkeer tussen zorgverleners en 355 gemeenten
optimaliseert. Dit draagt uiteindelijk bij aan lagere lasten,
waardoor we meer capaciteit aan de zorgtaken kunnen besteden.
Dat is een aanpak die we bij meer vraagstukken zouden
moeten organiseren. We hebben in de GGU-kadernota een
eerste stap gezet door de GGU-prioriteiten te koppelen aan
de belangrijkste beleidsthema’s. Dat is noodzakelijk, want
anders krijg je niet de aandacht die je nodig hebt, en blijft de
GGU een bijzaak van drie euro per inwoner.’
‘we verleggen de focus van incidentele kleine
projectjes naar meerjarige trajecten’
Heeft VNG Realisatie voldoende focus aangebracht in haar
dienstenaanbod?
‘Ik denk dat de focus nog wel wat scherper kan, en dat we
best wat kritischer mogen zijn over ons portfolio. Waar ik
wel trots op ben, is dat we nu een aantal meerjarige vraagstukken
structureel financieren. Daarmee verleggen we de
focus van incidentele kleine projectjes naar meerjarige trajecten,
waaraan we structureel kunnen bijdragen. Wij zijn
adviseurs die samen met professionals van gemeenten oplossingen
zoeken voor maatschappelijke vraagstukken. Met het
oog op de toekomst zou ik zeggen: kies drie grote thema’s, en
ga daarmee aan de slag. Kies binnen het sociaal domein voor
zorg, werk, inkomen en schulden. En binnen het fysiek
domein voor de Omgevingswet en energietransities, en in
het algemeen voor informatieveiligheid. Ik zie een uitgestoken
hand bij de beleidsdomeinen, dus denk dat deze rol weg8
Hugo
Aalders: ‘Voor mij staat de urgentie om het beter te doen nog steeds
overeind.’
gelegd is voor de uitvoering, en dat de organisatie daar wel
klaar voor is. Er werken bij VNG Realisatie ongeveer 275
mensen, waarbij we de weg zijn ingeslagen om met meer
eigen mensen in loondienst te gaan werken. Dat zijn er nu
ongeveer een kwart, maar we willen doorgroeien. Daarvoor
was er eerst meerjarige financiering nodig, en die is er nu.’
Is het gelukt om VNG Realisatie te positioneren als netwerkpartner?
‘Als
ik terugkijk, zie ik dat gemeenten de laatste jaren zelf
meer initiatief nemen en de agenda bepalen. Dat betekende
dat we eerst een stapje terug moesten doen, en niet meer
ongevraagd alles voor de gemeenten mochten invullen. Toen
ik in 2018 instapte was ik daarom terughoudend, en heb ik
vooral geluisterd naar de wensen van leden. Nu we tweeënhalf
jaar verder zijn, vragen vooral grotere gemeenten ons
om weer samen met hen een heldere koers uit te stippelen.
Dat doen we natuurlijk graag, maar we moeten oppassen dat
we niet voor de gemeenten gaan denken, want dat kunnen ze
׉	 7cassandra://jbi5cEiSEla6eR3HbMBAgWxml8GqeLfAgKy43pzMjCc6`j ^n2W9n99׉E.prima zelf. We stellen vooraf met gemeenten de koers vast
en gaan deze vervolgens bij het Rijk, de ketenpartners en de
leveranciers bepleiten. Dat vraagt om wat stevigheid van de
VNG, zoals het College van Dienstverleningszaken dat ook
van ons vraagt. Een sterkere centrale koers leidt vast wel tot
wat gemor, maar als we iets willen bereiken, moeten we
soms de gelederen sluiten. Als wij niet als één sector collectief
opereren, worden gemeenten uit elkaar gespeeld. En dan
is de VNG geen betrouwbare partner meer, en ben je niet langer
een interessante gesprekspartner voor marktpartijen.
Gemeenten zijn bij het vormgeven van hun dienstverlening
in hoge mate afhankelijk van leveranciers die daarvoor grote
investeringen moeten doen. Om die investeringen waar te
maken moet je als sector betrouwbaar zijn en eenduidige
afspraken kunnen maken. Leveranciers kijken het liefst naar
een centrale partij die namens alle gemeenten een afspraak
met ze maakt. Of ze dat bij alle onderwerpen willen is overigens
nog maar de vraag. Een goed voorbeeld hiervan is het
groeipact Common Ground. Wel denk ik dat dit pact nog meer
lading moet krijgen. Als we ons na de eerste testcases meer
gaan richten op de primaire processen wat betreft het gebied
van Burgerzaken of Werk & Inkomen, dan denk ik dat het
gesprek met de markt nog wel eens spannend kan worden.
De meerwaarde van onze inzet zal de komende jaren moeten
blijken. Nu de uitgangspunten en kaders zijn vastgesteld,
komt het er in de uitvoering op neer of we slagen in onze
opzet. Of dat gaat lukken weet ik niet, maar zouden we ons
beperken tot het bevestigen van de status quo dan zou dat tot
minder innovatie, groei en kostenbesparing leiden. En dat
wil ik voorkomen.’
Wat is de belangrijkste les die je meeneemt van VNG Realisatie
naar de SVB?
‘Ik ben aangenaam verrast over de kwaliteit en het doorzettingsvermogen
dat ik bij gemeenten heb aangetroffen. Er is
veel potentieel en urgentiebesef. Gemeenten leunen niet
achterover, maar beschikken over een enorm potentieel aan
gedreven professionals. Daar kijk ik met bewondering naar.
Hoe complex is het om grote opgaven samen te organiseren
en de juiste richting ervoor te bepalen? Met goede intenties,
goede mensen en urgentie alleen kom je er niet. We moeten
het bestuurlijke en het ambtelijke domein met elkaar verbinden.
De beste keuze voor de GGU was om zowel een bestuurlijk
College van Dienstverleningszaken, als een ambtelijke
Taskforce in te richten. Daarmee bieden we een platform aan
beide gremia, bestuurders en de ambtelijke top. Met die combinatie
kan je het verschil maken, die formule neem ik mee
als ik bij VNG wegga.’
‘we moeten het bestuurlijke en het
ambtelijke domein met elkaar verbinden’
Wat wens jij gemeenten en je opvolger toe nu je afscheid
neemt?
‘Ik wens dat de uitvoeringspraktijk nog prominenter op de
beleids- en bestuursagenda van de VNG komt. De gemeentelijke
uitvoering kan meer verbonden worden met de kennis
in de beleidsdirecties. Uitvoering en beleid zijn onlosmakelijk
verbonden. Dat vraagt vooral om veel bereidheid tot
samenwerking en het tonen van begrip voor elkaars situatie.
Als ik bij de SVB aan de slag ga, ben ik straks verantwoordelijk
voor het verzorgen van de uitkeringen aan miljoenen
mensen. Het urgentiegevoel wat betreft goede dienstverlening
die bijdraagt aan maatschappelijke vraagstukken neem
ik mee. Het mooie is dat ik hiervoor straks zelf aan de lat sta,
dus doe ik het daar niet goed dan kan ik alleen maar mezelf
erop aankijken.’
Welke resultaten levert de Gezamenlijke Gemeentelijke Uitvoering op?
De Gezamenlijke Gemeentelijke Uitvoering (GGU) is bijna drie jaar bezig. Nadat de eerste jaren zijn gebruikt om een
gezamenlijke beweging te mobiliseren, intenties te concretiseren en de eerste initiatieven te ontwikkelen met kleinere
groepen gemeenten, is nu de fase aangebroken van verbreding en opschaling. Veel GGU-proposities zijn beproefd, en
zijn te gebruiken door gemeenten die de gezamenlijke ontwikkelingen slim volgen. Een breed scala aan activiteiten die
voor gemeenten bijdragen aan financiële besparingen en kwaliteitsverbeteringen wordt gezamenlijk uitgevoerd. Denk
daarbij aan de collectieve ontwikkeling van data-dashboards, wat voor individuele gemeenten maanden kan schelen aan
uitzoekwerk en kosten voor externe inhuur. Of kostenbesparing door de gezamenlijke inkoop van Gemeentelijke Telecommunicatie
(GT). Kwaliteitsverbetering wordt onder meer mogelijk via de gezamenlijke ontwikkeling van standaarden
voor het Digitaal Stelsel Omgevingswet, via protocollen voor implementatie van nieuwe wetgeving, en via IT-componenten
waarmee de Common Ground kan worden gerealiseerd. In de Kadernota GGU is aangegeven op welke activiteiten in
2021 de nadruk zal liggen, en welke meerwaarde dit zal opleveren voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk.
De Kadernota GGU is beschikbaar op de website van VNG Realisatie.
9
^n2W9n99^n2W9n99{בCט   {u׉׉	 7cassandra://LnhNLuBisa3lRuBBMY_jdnurgFHsmfEVv797XohMLc8 g`׉	 7cassandra://MhKZFmaNEzg3BEt8Y-7SkxBcxo3E9Q8yIU_2hrldIVY͸`׉	 7cassandra://oK8zgI27VJWu8xHadK0bTf1Z_kI4-hdVz9q-TCNK3Tc5`j ׉	 7cassandra://-PYNQXgSOfQL5jRoSXQS-ewFZt8_hRZ4pBbvimb4vak 7͠	^n2W9n9:נ^n2W9n9: -59׉H /https://www.upstream.nl/stand-van-webcare-2020/Gׁׁrנ^n2W9n9: 5!~-9 ׉S G
ׁׁrנ^n2W9n9: /59ׁH -http://www.upstream.nl/stand-van-webcare-2020ׁׁЈ׉Eartikel
stand van webcare 2020
slimme technologie bij klantcontact
Tekst: Daphne Hachmang, onderzoeker bij het Lectoraat Human Communication Development (Hogeschool van Arnhem en
Nijmegen), en Arne Keuning, adviseur digitaal klantcontact bij strategisch adviesbureau Upstream
Hoe bieden organisaties hun webcare en andere vormen van digitaal klantcontact aan? Deze vraag en de
antwoorden daarop van Nederlandse profit­ en non­profitorganisaties staat centraal in het onderzoek naar
de stand van het digitale klantcontact anno 2020. Dit artikel brengt de belangrijkste bevindingen in kaart.
D
e vijf kanalen die door de meeste Nederlandse organisaties
worden ingezet voor digitaal klantcontact zijn
e-mail, contactformulier op de website, Facebook,
Twitter en Instagram. De inzet van WhatsApp en Instagram
blijft sinds 2016 groeien, en die worden daarmee voor steeds
meer organisaties tot een vast onderdeel van de kanalenmix.
Ook bij live chat zien we een toename in het gebruik ten
opzichte van 2018.
ook in 2020 blijken er vaak meerdere
afdelingen betrokken bij digitaal klantcontact
Het besluit van WhatsApp om vanaf december 2019 het ‘persoonlijk’
gebruik van WhatsApp door organisaties niet meer
toe te staan, heeft diverse (non-profit-)organisaties doen
besluiten om met WhatsApp te stoppen en bijvoorbeeld over
te stappen op live chat. De meest voorkomende redenen om
via sociale media met een organisatie contact te onderhouden,
zijn het stellen van een vraag, uiten van een klacht,
bedanken of het geven van een compliment of tip. Ondanks
het beeld van de sociale media als een ‘klaagmuur’, is het aantal
klachten dat er binnenkomt slechts tien procent van de
totale communicatie.
minder mandaat bij non-profit
Bij het beantwoorden van de binnenkomende berichten
hebben medewerkers in het grootste deel van de organisaties
een volledig mandaat bij het oplossen van klantvragen en
-problemen. Dit mandaat hangt af van de situatie of het
onderwerp. Opvallend is wel dat medewerkers bij non-profitorganisaties
veel vaker eerst een andere afdeling (moeten)
raadplegen. Ook in 2020 blijken er vaak meerdere afdelingen
betrokken bij het digitale klantcontact. De afdelingen
Klantenservice en Communicatie worden veruit het vaakst
genoemd als afdelingen die zelf een digitale interactie met de
klant hebben. Opvallend is dat Communicatie vaak genoemd
is in zowel een uitvoerende als ondersteunende rol.
Over het onderzoek
Sinds 2012 onderzoeken Daphne Hachmang van de Hogeschool Arnhem en Nijmegen (HAN) en Arne Keuning van
Upstream of Nederlandse organisaties digitaal klantcontact hebben en, zo ja, hoe en hoe structureel dit gebeurt. Ze vullen
elke editie van het onderzoek aan met de nieuwe ontwikkelingen. Zo zijn chatbots en andere vormen van slimme
technologieën tot een vast onderdeel van het onderzoek geworden, en is daar in 2020 voice assistance aan toegevoegd.
In het onderzoek van 2020 richten de onderzoekers zich op webcare en op de andere vormen van digitaal klantcontact
die door organisaties worden ingezet. De term ‘digitaal klantcontact’ wordt gebruikt als verzamelnaam om dit bredere
onderzoeksgebied aan te duiden. Als er in het onderzoek wordt gesproken over de ‘klant’, dan bedoelen de onderzoekers
daarmee ook de burger, inwoner, bewoner, huurder, het lid, et cetera.
10
׉	 7cassandra://oK8zgI27VJWu8xHadK0bTf1Z_kI4-hdVz9q-TCNK3Tc5`j ^n2W9n99׉Eslimme technologie méér ingezet
Anno 2020 zet ruim een kwart van de Nederlandse organisaties
een vorm van machine assistance in. Chatbots lijken daarbij
het meest populair te zijn. Net als in de vorige editie
wordt machine assistance veelal ingezet op de website en bij
live chat. In vergelijking met 2018 hebben de inzet van chatbots
en intelligente assistenten een groei doorgemaakt. Een
praktijkvoorbeeld is de onlangs gelanceerde chatbot Gem op
de website van de gemeente Dongen. Gemeenten en partners
werken samen met de VNG aan deze overheidsbrede chatbot,
die straks als virtuele assistent op de websites van meerdere
gemeenten de burger de weg zal wijzen binnen de overheid.
leven. Veel belangrijke informatie en dienstverlening van
instanties, zoals de gemeente, bank, verzekering of het pensioenfonds,
is digitaal geworden, en daardoor voor ouderen
soms lastig bereikbaar. Via ANBO en SeniorWeb ontvingen
ouderen 10.000 slimme speakers. Deze helpen inmiddels
vele ouderen thuis met bijvoorbeeld vragen over hun AOW.
via anbo en seniorweb ontvingen ouderen
10.000 slimme speakers
toekomst van menselijk en digitaal
klantcontact
voice assistance voor ouderen in project
zilver
Een interessant initiatief van onder andere Achmea, ANBO,
Google en SVB is Project Zilver. Ze onderzoeken daarin hoe
voice assistance ouderen het beste kan helpen in hun dagelijks
Ondanks de groei van de inzet van machine assistance bij het
digitale klantcontact verwachten organisaties dat deze groei
eindig is. De meerderheid van de respondenten is er verder
van overtuigd dat er géén moment gaat komen waarop de
meeste klantcontacten geautomatiseerd afgehandeld worden.
Maar men verwacht ook niet dat de antwoorden van
kunstmatige intelligentie (AI) in de komende jaren qua formulering
en inhoudelijke accuraatheid beter gaan worden
dan de antwoorden van medewerkers. De verwachtingen van
de inzet van slimme technologieën zijn echter wel de ‘hypefase’
voorbij.
Meer weten?
Download het onderzoek naar de Stand van Webcare 2020 op
www.upstream.nl/stand-van-webcare-2020
11
^n2W9n99^n2W9n99{בCט   {u׉׉	 7cassandra://pi7xGJ8Wuh8MiA_MBOYUXXuQld2syruyH_ng-JSvzYo `׉	 7cassandra://KrvWwS5HV5lnCYD4A2sXoVLs9y8sn2E0Qph2NZXCjDY`׉	 7cassandra://Ciwxa5zT8mdRjkTCJHf5ExA_0ftFZsHLd-TVsjovLIg?`j ׉	 7cassandra://NR9VKVa7V1EJrx5tCMvrgHqd7_UXP5FZX_L6zqigFkM a͠	^n2W9n9:נ^n2W9n9: 0!̩89 ׉S G
ׁׁr׉Einterview
ambtenaren moeten ru
wat moet gebeuren
in gesprek met aankomend vdp-voorzitter
jorinde ter mors
jorinde ter mors
‘ als vdp vinden we
het belangrijk dat
iedere gemeente de
laatste vijf of tien
procent op maat
kan maken, om
zo’n toepassing
een eigen “smoel”
te geven’
׉	 7cassandra://Ciwxa5zT8mdRjkTCJHf5ExA_0ftFZsHLd-TVsjovLIg?`j ^n2W9n99׉Euimte zoeken om te doen
Tekst: Marcel Bril, journalist in opdracht van A&O fonds Gemeenten
Beeld: Sjors Massar, fotograaf
Jorinde ter Mors is directeur Publiekszaken van de gemeente Utrecht en aankomend voorzitter van de
Vereniging Directeuren Publieksdiensten (VDP). In dit interview deelt zij haar inzichten over de vraag
hoe je de dienstverlening kunt veranderen.
D
irect maar even helder over de (gemeentelijke) dienstverlening
van nu. Jorinde ter Mors: ‘Ik vind dat met
name de digitale dienstverlening echt onder de maat
is bij gemeenten en andere overheden. Daar moeten we snel
en goed werk van maken.’
Het gaat Ter Mors niet alleen om de grote stromen van diensten
en producten, maar zeker ook om de kwetsbare inwoner
met ingewikkelde problematiek: ‘Die weet ons het moeilijkste
te vinden en die wordt niet zelden slecht bediend. Bijvoorbeeld
een inwoner die een probleem heeft met de opvoeding
van z’n kind, schulden heeft, geen werk heeft of geen zorg
nodig heeft die niet wordt ingevuld. Dat zijn geen vreemde,
excentrieke figuren. Ze worden doorlopend van het kastje
naar de muur gestuurd. Als je bij de zorg begint, dan kom je
zeker niet vanzelf ook bij de uitkering uit en als je bij de uitkering
begint, dan komt het onderwijs niet vanzelf op je pad.
Dat praat allemaal en werkt vaak langs elkaar heen en het
wordt nog erger als je dan ook nog de SVB, DUO of de Belastingdienst
nodig hebt. We proberen nu als gemeenten dat gat
zo goed mogelijk te dichten, maar eigenlijk moet je dat probleem
bij de wortel aanpakken. Goed – en door de inwoner
geregisseerd – informatie delen en bij elkaar brengen.’
waardevol gesprek
Hoe breng je informatie bij elkaar? Ter Mors: ‘Daarbij kijk ik
vooral naar de Common Ground. Als je daar als inwoner toestemming
voor geeft, kan de overheid alle informatie bij
elkaar halen die relevant is. Wil je dat niet, dan doen we het
niet. Maar ik denk dat de meeste mensen dat graag willen,
zeker als je zelf kunt aangeven wat je wel en wat je niet wilt
laten delen. Dan kan de gemeente je inkomenssituatie, je
zorgvraag, de onderwijssituatie van je kinderen en je laatste
belastingaangifte naast elkaar leggen, om maar eens bij het
voorbeeld te blijven. Hierdoor ontstaat een completer beeld
en kun je vervolgens een heel waardevol gesprek voeren. In
plaats van de inwoner vooral als postbode van het ene naar
het andere loket te sturen, waardoor je zo een half jaar verder
bent. Als je kind thuis zit, omdat het op school niet loopt, dan
is een half jaar echt heel lang. Hetzelfde geldt voor schulden:
hoe langer je er niets aan doet, hoe moeilijker het is om het
op te lossen. Het is allemaal niet nodig.’ Dit is niet morgen
geregeld, stelt Ter Mors: ‘We moeten bescheiden beginnen.
Als overheid zouden we moeten zeggen: “Ik kan je probleem
niet oplossen, maar ik kan er in ieder geval wel voor zorgen
dat ik geen problemen voor je maak en dat ik je bestaande
probleem niet erger maak.” En dat doen we nog steeds veel te
vaak wel.’
regels een beetje buigen
Een waardevol gesprek voeren en inwoners op een goede
manier bedienen of doorverwijzen, betekent soms afwijken
van bestaande procedures, vindt Ter Mors. Dan komen er
meteen de zorgen: is er dan geen sprake van willekeur, als de
regels niet voor iedereen hetzelfde gelden? ‘Theoretisch is
dat zo, wanneer je een regel een beetje gaat buigen. Aan de
andere kant is dat ook niet waar, want regel 1 is: we mogen
als overheid de inwoner niet in de problemen brengen. Deze
staat wat mij betreft boven alle regels. We hebben niet het
recht om een ander onrecht aan te doen. Dus als onze regels
dat wel doen, dan doen wij iets niet goed. Doorgaan is dan
fouter dan naar die regel kijken, naar de eigenlijke reden
waarom we die regel hebben gemaakt. Het gaat mij om de
omkering. Het is niet onze plicht om regels en procedures te
volgen, maar het is onze plicht om ervoor te zorgen dat wij
mensen niet verder in het putje duwen.’
Ter Mors noemt een paar voorbeelden. ‘Van een gezin dat het
huis uitgezet dreigt te worden omdat ze een relatief kleine
boete niet kunnen betalen. De bekende druppel in de emmer.
Begin dan met het oplossen van die boete en zet de mensen
niet op straat, want dan wordt de schade alleen maar groter.
Of het voorbeeld van mensen die – bijvoorbeeld vanwege een
scheiding – tijdelijk geen adres hebben, maar wel kunnen
aantonen wie ze zijn: weiger die mensen geen papieren,
omdat ze geen adres kunnen opgeven.’
‘En ten slotte de mantelzorger die oma in huis wil halen
zodat ze niet naar een verpleegtehuis hoeft. Daarvoor is een
dakkapel nodig, maar volgens de standaardregels mag dat
daar niet. De regel is goed; je wilt ervoor zorgen dat er geen
wildgroei ontstaat waar dan de buren weer last van hebben en
dus maak je daar een standaardregel van. In dit geval kan de
13
^n2W9n99^n2W9n99{בCט   {u׉׉	 7cassandra://DdZcpH1Wh7lyEoQt-SdgCE3M_BRBZUZVo3wgmSikz28 	`׉	 7cassandra://2RyfL4DKSTW5KAu1u9TAS_KJ67opyVN8f644eK7OY4I҂`׉	 7cassandra://VvzrHEkJQckl5nxeQ18JDuzpS8EQehekcRs3y2Tmaes63`j ׉	 7cassandra://AKdxLxTburpH1v7pkm3qxl9tXyLL5Ac0cwoGyQg_hGU }͠	^n2W9n9:"נ^n2W9n9: Z9׉Hhttp://www.aeno.nl/nieuwewereldGׁׁrנ^n2W9n9:  5̥:9 ׉S G
ׁׁrנ^n2W9n9:! !v19 ׉S G
ׁׁrנ^n2W9n9:- [9ׁHhttp://www.aeno.nl/nieuwewereldׁׁЈ׉Erinterview
gemeente het anders doen door met de buren in gesprek te
gaan over de specifieke situatie, hun belangen te bespreken
en samen te kijken of je een oplossing vindt. Normaal doe je
dat nooit: da’s veel te arbeidsintensief, dus maak je gewoon
een procedure en die zegt in dit geval: “nee, gaat niet gebeuren”.
Als je teruggaat naar de réden van de procedure en je
houdt een open gesprek met de belanghebbenden, kun je de
situatie uitleggen en dan komt er wellicht uit: gewoon doen.
Dan heb je eigenlijk niet iets gedaan wat tegen de regels is,
want je hebt nog steeds de belanghebbenden beschermd
tegen het feit dat iemand denkt “ik doe in een gekke bui maar
een dakkapel”. Je hebt iedereen gehoord, er is geen bezwaar,
de gemeente heeft ook geen technisch bezwaar en dan kan
het dus wel. Het is alleen een beetje bewerkelijk om dat voor
iedere dakkapel te doen. Dus gooi de procedures en regels
niet weg, die gaan enorm vaak goed en besparen heel veel
werk. Maar het gevaar zit in die uitzonderingen waar je met
de procedure tot het verkeerde resultaat komt.’
niet gênant
Kortom: de ruimte zoeken, de individuele mens zien, maar
niet klakkeloos zomaar processen aan de kant zetten. Het
vraagt een andere houding van medewerkers, maar dat hoeft
niet al te ingewikkeld te zijn, aldus Ter Mors: ‘Als je het hebt
over de verandering bij het personeel, zie ik daar eerder een
geleidelijke weg, dan een abrupte en heel grote verandering.
Ik merk dat medewerkers daar helemaal geen spectaculaire
opleiding voor nodig hebben. Het zijn dezelfde mensen die
we nu ook aan de telefoon, de sociale media en aan de balie
inzetten; die het leuk vinden én de tijd hebben om ervoor te
zorgen dat iemand echt gehoord, gezien en op maat geholpen
wordt. Ook, en misschien wel júíst als er meerdere afdelingen
of overheidsinstanties bij betrokken zijn. Je hebt ook nog
wel – net als bij elke verandering – ergens tien, vijftien procent
die zo’n manier van werken persoonlijk niet leuk vindt.
Nou die doet het gewoon niet.’ Lachend: ‘Vind ik ook goed. Ik
heb ook heel veel werk waar die flexibiliteit en interactie met
inwoners veel minder nodig is. Kwestie van werk handig verdelen.’
Ter
Mors benadrukt: ‘De medewerker van de toekomst heeft
meer competenties nodig, maar als die medewerker die competenties
niet heeft en die ook niet kan ontwikkelen dan is
dat geen diskwalificatie. Het zijn allemaal team efforts en bij
teams zijn er geen twintig identieke mensen. Dus als er een
paar tussen zitten die denken “dat empathische gedoe, hou
eens op”, no worries, gewoon taken en rollen wat aanpassen.
Natuurlijk is dat bij een grote gemeente makkelijker dan bij
kleinere, maar dan nog: niet iedereen hoeft de hele dag interactie
met de inwoner te hebben. Dat moet je ook bespreekbaar
maken: niet iedereen is overal goed in. Er zijn mensen
die echt een kei zijn in het zorgvuldig verwerken van – ik
noem maar wat – verhuizingen en dan komt er af en toe een
geval boven borrelen waarvan je zegt: dat kan eigenlijk niet,
daar moet eigenlijk iemand even achteraan bellen. Ik vind
het helemaal niet gênant dat je 99 procent van je werk bikkelgoed
doet en dat je dat telefoontje waar je tegenop ziet
gewoon bij je collega neerlegt en zegt: “wil je dat even oplossen”.
Lekker doen! Doe niet iets waar je gewoon slecht in
bent of pukkeltjes van krijgt. Het is niet zo moeilijk, het hoeft
niet eens een taakverschuiving te zijn.’
eigen smoel
Vanuit de Vereniging Directeuren Publieksdiensten zijn er
bijeenkomsten en worden ervaringen uitgewisseld rondom
de vraag hoe ambtenaren sensitiever om kunnen gaan met
inwoners. Maar de vereniging is ook bezig met een technisch
spoor: ‘Neem de chatbot. Als een inwoner om drie uur
’s nachts iets wil met de overheid, waarom zou je wachten
totdat er toevallig een medewerker achter de telefoon zit?’
Bouwen en onderhouden is technisch complex. Ter Mors: ‘Als
we het met een aantal gemeenten in één keer ontwikkelen,
kunnen we zorgen dat de grote bulk gewoon goed neer wordt
gezet en door iedereen gebruikt kan worden. Als VDP vinden
we het dan wel belangrijk dat iedere gemeente de laatste vijf
of tien procent op maat kan maken, om zo’n toepassing een
eigen “smoel” te geven, want de ene gemeente wil bijvoorbeeld
“je” zeggen, de andere “u”. De ene werkt op afspraak, de
andere niet. Zorg wel dat die ruimte er ook is, maar maak de
grote basis sámen, op de fundering van de Common Ground.
Met name op het hele ICT-front is er geen kans meer dat
gemeenten dat zelf allemaal kunnen. Daar zie je echt wel een
grote verandering.’
corona
Ook de coronacrisis kan bijdragen aan veranderingen. In
ieder geval biedt deze periode waardevolle informatie, zegt
Ter Mors. Bij de gemeente Utrecht ziet ze dat bepaalde processen
ineens bijna geheel digitaal gedaan worden door
inwoners: ‘Nu de fysieke dienstverlening sterk werd teruggedraaid
zie ik verhuizingen voor bijna honderd procent
digitaal binnenkomen. Er is dus nauwelijks sprake van een
digitale drempel. Er zijn maar weinig landen met een zo hoge
internetpenetratie als Nederland. Toch hoor ik vaak het argument
dat 30 tot 35 procent van de inwoners digitaal onvoldoende
vaardig is. Hoe wonderlijk is het dan dat bijvoorbeeld
Google rekent met drie procent van de Nederlanders die die
basisvaardigheden mist. Ik weiger dan ook te spreken over
mensen die onvoldoende digitale vaardigheden hebben,
want daar zit het probleem vaak helemaal niet. Maar wij zetten
onze bureaucratische analoge processen online in plaats
van een goed en gebruiksvriendelijk onlineproces te maken.
En ja, dat 35 procent van de inwoners onvoldoende bureaucratische
vaardigheden hebben, dat verbaast me niet. En die zou
je ook helemaal niet nodig moeten hebben. Je hoeft ook niets
van logistiek of betaalsystemen te weten om online spullen
te bestellen, te betalen en keurig thuisbezorgd te krijgen. Dus
het is aan ons, aan de overheid om dat op te lossen, en niet
aan de inwoner.’
14
׉	 7cassandra://VvzrHEkJQckl5nxeQ18JDuzpS8EQehekcRs3y2Tmaes63`j ^n2W9n99׉E[artikel
op weg naar een
nieuwe wereld
vanuit welke waarden willen wij
de toekomst vormgeven?
Tekst: Jan Fraanje, redacteur inGovernment
De Vereniging Directeuren Publieksdiensten (VDP) heeft samen met het A&O-fonds Gemeenten
en Team Zeelenberg de korte film Op weg naar een nieuwe wereld gemaakt. Deze productie is
een vervolg op de film Wisselende wereldbeelden (die al meer dan 60.000 keer is bekeken) en is
geschreven nog voor er überhaupt sprake was van een coronacrisis.
D
e film schetst een toekomstige, complexe wereld
waarin samenwerken, communiceren en kennis
delen centraal staan. Als gevolg van ons streven naar
vooruitgang bevinden we ons in een systeemcrisis waarin
het systeem zich steeds vaker tegen zijn oorspronkelijke doel
keert. Verandering is onontkoombaar, dus moeten we problemen
oplossen door anders te denken en wendbaar te worden.
We hebben daarbij ambtenaren nodig die buiten de
gebaande paden durven te treden om mensen die vastlopen
in het systeem verder te helpen. De film stelt de vraag vanuit
welke waarden wij de toekomst willen vormgeven en of we
de ruimte durven te nemen om anders te denken en te experimenteren.
Dat kan door structuren los te laten, minder aan
regels vast te houden en meer in lossere kaders te denken.
Om wendbaar te worden, moet ieder van ons verantwoordelijkheden
nemen en samenwerken, waarbij we moeten vertrouwen
op de expertise van anderen. Niet het individu maar
het collectief staat daarbij voorop. Alleen in gezamenlijkheid
vinden we een nieuw richtinggevend verhaal.
De film is bedoeld als aanjager van discussie tijdens bijeenkomsten
over de toekomstige ontwikkeling van mens, team
en organisatie. We nodigen je van harte uit om de film te
delen met collega’s en te gebruiken om het gesprek over
verandering in te leiden.
Meer weten?
De film Op weg naar een nieuwe wereld is beschikbaar via
www.aeno.nl/nieuwewereld
^n2W9n99^n2W9n99{בCט   {u׉׉	 7cassandra://djMj1bDBvwC4cX8oIiHriXIeSowHI0aGO0Ix0G-yh_0 `׉	 7cassandra://9prkSmyosYd0zd2tW5vrzjXw2v6Z5kQ2RRSIZgLfRKM`׉	 7cassandra://oNJJF7sR_wMGgCTtYGsh4fGBEgEUtuFToL6_zlKNFCY9;`j ׉	 7cassandra://2d0b9rD5geMORGhSeq8VjBA1B2gyqMslWRvagKaJGYg ]͠	^n2W9n9:%נ^n2W9n9:$ =%o-9 ׉S G
ׁׁr׉Eessay
het tijdperk van de vos
bouwstenen voor een nieuw
integraal dienstverleningsconcept
Tekst: Otto Thors, hoofdredacteur inGovernment
Beeld: Maxim Thors, tekenaar
In 2021 wordt er een nieuw integraal dienstverleningsconcept ontwikkeld onder regie van
de VNG. Het doel is om, met de gemeentelijke dienstverlening, te blijven aansluiten op
de continu veranderende verwachtingen en behoeften van inwoners. Dat is een grotere
ambitie dan het op het eerste gezicht lijkt, want veranderende verwachtingen en behoeften
houden zich doorgaans niet aan de grenzen van afdelingen, diensten of organisaties
binnen het publiek domein. Bovendien loopt de overheid niet voor op de commerciële
dienstverleners, dus het pad is al deels met hoge verwachtingen geplaveid. Welke bouwstenen
horen er thuis bij een nieuwe dienstverleningsvisie voor de overheid? In dit artikel
alvast een voorzet op een discussie die na de zomer zal losbarsten.
J
e zou een visie kunnen vergelijken met een ‘doordachte
toekomstvoorspelling’, waarbij de metafoor van de vos en
de egel het speelveld inkleurt. Deze metafoor is gebaseerd
op een citaat uit een oud Grieks gedicht van Archilochus. ‘De
vos weet vele dingen, maar de egel weet één groot ding.’ Egels
twijfelen niet, hebben één groot idee, en presenteren dat idee
via platte uitspraken over de toekomst waarbij complexiteit
wordt gebagatelliseerd. Vossen twijfelen wel en kijken naar
data die helpen om te begrijpen hoe de wereld in elkaar zit,
waarbij ze componenten willen samensmelten waarvan het
algemeen aanvaard is dat die geen relatie met elkaar hebben.
Bij de verkenning van een nieuwe visie op dienstverlening
kunnen we ons gedragen als egels of als vossen. Om een perspectief
te bepalen, beginnen we met een terugblik op voorgaande
visies. Want om te weten waar je naartoe wilt, moet
je begrijpen waar je vandaan komt. Veel kernwaarden van
publieke dienstverlening vinden hun oorsprong in voorgaande
visies waarbij doorgaans één transitielijn dominant
was. Het kan zo maar zijn dat jouw organisatie – als een egel
– al jaren bezig is met die ene transitielijn uit het verleden,
zonder dat het einde daarvan in zicht lijkt te komen.
de vos weet vele dingen, maar
de egel weet één groot ding
twintig jaar dienstverlening in
retrospectief
Als we twintig jaar terugspoelen, treffen we een gemeentelijke
overheid aan waarin elk vak zijn eigen afdeling heeft, en
elke afdeling zijn eigen dienstverlening aanbiedt. Om het
16
vrij betreden van alle gangen binnen het gemeentehuis tegen
te gaan, werd het centrale balieconcept geïntroduceerd. Veel
gemeentehuizen zijn verbouwd, waarbij een centrale
publiekshal werd ingericht en de vakafdelingen achter slot
en grendel verdwenen. Tegelijkertijd lanceerde het landelijk
programma Overheidsloket 2000 een digitale productencatalogus
(PDC), waardoor er een integraal overzicht ontstond
van de ruim 300 gemeentelijke producten en diensten. Dat
was wel even schrikken, aangezien het aanbod zo versnipperd
bleek dat allereerst harmonisatie van productinformatie
noodzakelijk was. Daarna moesten we ‘de knip’ bepalen in
het werkproces, waarmee het onderscheid werd gemarkeerd
tussen de frontoffice en de backoffice. De frontoffice werd
optimaal ingericht voor de generieke diensten, en de vakafdeling
bleef het domein van specifieke dienstverlening.
Onder de vlag ‘Gemeente heeft Antwoord’ werd deze tweedeling
geformaliseerd en ontstonden de eerste klantcontactcentra
(KCC) als organisatie-eenheid door de frontofficetaken
van vakafdelingen over te dragen aan deze nieuwe afdeling.
Voor het beheer van de PDC werd een webredactie aangesteld
die doorgaans uit een of enkele eenzame medewerkers
bestond. Tegelijkertijd werden vakafdelingen samengevoegd
tot gemeentelijke diensten, wat ook een tweedeling in ontwikkelrichtingen
markeerde: enerzijds het KCC dat zich richt
op de optimalisatie van de generieke dienstverlening, en
anderzijds de diensten die zich richten op integraal en opgavegericht
werken. De aandacht voor dienstverlening binnen
de diensten wordt weer aangewakkerd door de decentralisaties
van taken binnen het sociaal en fysiek domein. Nieuwe
offline-dienstverleningsvormen, zoals sociale wijkteams en
gebiedsmanagers, doen daarmee in de backoffice hun
intrede. Deze dienstverleningsvormen bestaan naast het
KCC, maar hebben onderling weinig contact. Naarmate de
׉	 7cassandra://oNJJF7sR_wMGgCTtYGsh4fGBEgEUtuFToL6_zlKNFCY9;`j ^n2W9n99׉EMdigitale dienstverlening belangrijker wordt, groeien de
webredacties uit tot volwaardige newsrooms die ook de sociale
media monitoren en webcare verzorgen. Om op basis van
een integraal klantbeeld te kunnen opereren, neemt de vraag
naar data toe. Datalabs schieten als paddenstoelen uit de
grond, maar houden een sterk experimenteel karakter. Dat
komt onder meer omdat de benodigde data opgesloten zitten
in allesomvattende ICT-systemen. Om deze data te bevrijden
uit de ICT-systemen is de informatiekundige visie Common
Ground uitgewerkt, en wordt de gemeentelijke samenwerking
onder het motto ‘samen organiseren’ versterkt. Daarbij
neemt de focus op innovatie toe, en worden kansrijke experimenten
opgeschaald voor een breed gebruik in alle gemeenten.
Met de Gezamenlijke Gemeentelijke Uitvoering (GGU)
organiseren en financieren gemeenten samen nieuwe oplossingen
op het gebied van dienstverlening en digitalisering.
Koplopers inspireren slimme volgers en het peloton past
beproefde oplossingen toe.
een nieuwe visie op basis van oude principes
biedt hooguit een lofzang op de mislukkingen
uit het verleden
waar staan we nu?
Op basis van twintig jaar dienstverlening valt het vooral op
dat onze inspanningen zich richten op de manier waarop we
de bestaande dienstverlening aanbieden. Het productaanbod
zelf is niet wezenlijk veranderd. Wel is de beweging gemaakt
van decentraal naar centraal, van specifiek naar generiek, van
gevarieerd naar geharmoniseerd, van offline naar online, van
functioneel naar innovatief en van individueel naar gezamenlijk.
Het is goed mogelijk dat een organisatie in een van
deze transities is blijven steken en die mantra als een egel
blijft herhalen, terwijl de wereld om ons heen niet stil heeft
gestaan. Maar een transitie dient vooral bij te dragen aan een
actuele doelstelling. Naarmate doelstellingen door de tijd
worden ingehaald, is het voortzetten van die transitie zinloos.
Dat betekent dat bij het ontwikkelen van een nieuw
integraal dienstverleningsconcept de neiging stevig moet
worden onderdrukt om oude zienswijzen continu te hergebruiken.
Een nieuwe visie op basis van oude principes biedt
hooguit een lofzang op de mislukkingen uit het verleden.
Niet doen dus! Een toekomstgerichte visie moet vooral een
wenkend perspectief bieden dat energie geeft, en mensen
binnen en buiten de organisatie motiveert om bij te dragen.
de bouwstenen
In retrospectief keren vier bouwstenen telkens terug die het
fundament onder een nieuwe visie kunnen bieden. Ten eerste
de interactie tussen inwoners en overheden, die nu voornamelijk
binnen het KCC is georganiseerd. Ten tweede de
communicatie waarmee inwoners worden geïnformeerd en
betrokken bij maatschappelijke ontwikkelingen, die nu voornamelijk
binnen de newsroom is georganiseerd. Ten derde
de informatie die overheden nodig hebben om transacties te
ondersteunen en analyses uit te voeren, die onder meer binnen
het datalab is georganiseerd. Ten slotte de innovatie die
nodig is om aansluiting te houden bij een digitaliserende
samenleving, die veelal programmatisch wordt georganiseerd.
Deze vier bouwstenen dragen bij aan universele kernwaarden
voor dienstverlening, zoals ‘eenvoudig’, ‘inzichtelijk’,
‘betrokken’ en ‘behulpzaam’. De manier waarop we de
bouwstenen tot op heden benutten, is echter te eenzijdig.
De innovatie-, informatie- en communicatiefunctie worden
vooral ter ondersteuning ingezet van de interactiefunctie.
De egel domineert. Binnen een nieuw integraal dienstverleningsconcept
zouden we deze bouwstenen gelijkwaardig
moeten benaderen en als vier autonome ontwikkelingen,
gericht op regie en service bij de eindgebruiker, moeten
inzetten. De vos betreedt het toneel. Op basis van een slimmer
gebruik van de informatiefunctie kan bijvoorbeeld de
noodzaak tot interactie afnemen of wegvallen. Denk aan
data-analyse die preventieve dienstverlening mogelijk
maakt, of aan innovatieve meldingen die traditionele vergunningensystemen
overbodig maken. De ene bouwsteen
staat dus niet langer ten dienste van de andere, maar biedt
binnen zichzelf ruimte voor nieuwe oplossingen. Een
nieuwe visie is gebaat bij de pluriforme werkelijkheid die de
17
^n2W9n99^n2W9n99{בCט   {u׉׉	 7cassandra://Vzhv5yBWeqlyFAEoWd69YKFSFgR5p9vzkPoKaqt2a6U `׉	 7cassandra://dBYiV5W_HfJicd7VpRXHRNJX4B4JX-h6KqXqzLvGiL0͜`׉	 7cassandra://HGCpcxK-d-_6ck1-ejhJiYdAU7xddOcWbqdSOu2qbM8-`j ׉	 7cassandra://VvFWD2UT7jFmAD_M2QPkDU61AawtkkvH7AtWnlcj5T4 dx͠	^n2W9n9:.נ^n2W9n9:' .9׉H xhttps://www.linkedin.com/pulse/bouwstenen-voor-een-nieuw-integraal-otto-thors/?trackingId=yenmldbXRb%2BZ03FXfCT87w%3D%3DGׁׁrנ^n2W9n9:( )%P9׉Hhttp://www.ingovernment.nlGׁׁrנ^n2W9n9:) 3;9׉Hhttp://www.ingovernment.nlGׁׁrנ^n2W9n9:* 3K29׉Hhttps://www.publieksdiensten.nlGׁׁrנ^n2W9n9:+ 7 v39 ׉S G
ׁׁrנ^n2W9n9:, *̋59 ׉S G
ׁׁrנ^n2W9n9:4 R+9ׁHhttp://www.ingovernment.nlׁׁЈנ^n2W9n9:3 '܁̤9ׁHmailto:vdp@publieksdiensten.nlׁׁЈנ^n2W9n9:2 ̃9ׁHhttp://www.ingovernment.nlׁׁЈנ^n2W9n9:1 ؁̂9ׁHmailto:info@ingovernment.nlׁׁЈנ^n2W9n9:0 ̃9ׁHhttp://www.ingovernment.nlׁׁЈ׉Eessay
vos ziet, niet bij de simplistische uniformiteit waar de egel al
jaren in gelooft.
hoe dan?
Bij het uitwerken van een pluriforme visie op dienstverlening
beschrijven we verschillende transitielijnen naast
elkaar, en onderdrukken we de neiging om deze telkens met
elkaar in verband te brengen. Daarmee voorkomen we simplificaties
zoals ‘digitalisering om mensgericht te werken’.
Met belabberde digitalisering komt dat doel namelijk geen
stap dichterbij, wat niet wil zeggen dat digitalisering op zich
een slecht idee is, aangezien de foutgevoeligheid in de processen
kan afnemen – maar dat is een ander doel. Als we als
de vos leren denken, kunnen we in een nieuw integraal
dienstverleningsconcept alle relevante transitielijnen naast
elkaar een plaats geven. Daarbinnen kunnen we zowel aspecten
een plaats geven waar al aan wordt gewerkt, als nieuwe
uitdagingen introduceren (zie kader).
een nieuwe visie is gebaat bij de pluriforme
werkelijkheid die de vos ziet, niet bij de
simplistische uniformiteit waar de egel al
jaren in gelooft
Vier transitielijnen
Interactie heeft betrekking op houding (waarbij zaken
aan bod komen als klantherkenning, relatiemanagement
en mensgerichte competenties), verwachtingen (denk
aan klantreizen, klantbehoefteonderzoek en klanttevredenheidsmetingen)
en toegang (denk aan omnichannel,
selfservice en chatbots).
Communicatie heeft betrekking op signaleren (denk aan
zaken zoals online-mediamonitoring, newsrooms en
feedbackloops), mobiliseren (zoals netwerkanalyses,
participatie en buurtlabs) en betrekken (zoals contentstrategie,
visualiseren en reputatiemanagement).
Informatie heeft betrekking op dashboards (zoals internet
of things, databeheer en visualisaties), datalabs (chief
data officers, gegevensbescherming en hackathons) en
data-zelfbeschikking (digitale ethiek, datageletterdheid
en digitale identiteit).
Innovatie heeft betrekking op agenderen (denk aan zaken
zoals trendanalyse, focusgroepen en investeringsagenda’s),
samenwerken (intervisie, interne mobiliteit en
innovatienetwerken) en experimenteren (designsprints,
proofs of concept en smart city’s)
18
als we de dienstverlening echt willen
veranderen, moeten we niet met onze rug
naar de toekomst gaan staan
ten slotte
Als we de dienstverlening echt willen veranderen, moeten
we niet met onze rug naar de toekomst gaan staan. Digitalisering
is geen middel om oude logica te optimaliseren, datagestuurde
inzichten uit het verleden bieden geen garanties
voor de toekomst, innovatie op procesniveau leidt niet tot
digitale transformatie, en mensgerichte communicatie lost
niets op als we inwoners empathisch uitleggen dat iets heel
erg ingewikkeld is. Juist door de veelzijdigheid van ons vakgebied
te omarmen, kunnen we meerdere transitielijnen
naast elkaar uitwerken. Daarvoor moeten we samenwerken
met sleutelfiguren binnen andere diensten en disciplines,
zoals de Chief Information Officer, Chief Data Officer en
Chief Customer Officer. Het zou best eens kunnen dat daar
nog een egel tussen zit die het eigen gelijk bepleit. Maar als je
het mij vraagt is het tijdperk van de vos aangebroken.
Meer weten?
Reageren op dit artikel van Otto Thors is mogelijk op zijn
LinkedIn pagina.
׉	 7cassandra://HGCpcxK-d-_6ck1-ejhJiYdAU7xddOcWbqdSOu2qbM8-`j ^n2W9n99׉Ecolofon
inGovernment is het online platform voor
de digitale overheid. Naast verhalen over
dienstverlening, digitalisering en gegevensmanagement
wordt aandacht besteed aan
actuele thema’s zoals smart city’s, blockchain
en samen organiseren. inGovernment
informeert professionals over relevante
ontwikkelingen en focust op inclusiviteit,
interactie en innovatie.
inGovernment is een uitgave van de
Vereniging Directeuren Publieksdiensten (VDP).
inGovernment is als online magazine beschikbaar
via de website www.ingovernment.nl
en wordt verspreid via een online nieuwsbrief.
inGovernment verschijnt acht maal per jaar als
online magazine.
Jaargang 14, nummer 4 (juni)
issn: 2213-2228
Uitgever
Otto Thors
Redactie
Otto Thors (hoofdredacteur)
Jan Fraanje
Eindredactie
Taalanatomisch bureau
De Twee Hanen, Kimswerd
Vormgeving
Villa Y, Henxel
Redactieadres
Postbus 2758
3500 gt Utrecht
E-mail: info@ingovernment.nl
Abonnementen
Professionals werkzaam bij de overheid op
het gebied van (digitale) dienstverlening
kunnen zich kosteloos abonneren op
inGovernment via www.ingovernment.nl
Hoewel aan de totstandkoming van deze
uitgave de uiterste zorg is besteed, aanvaarden
de auteur(s), redacteur(en) en uitgever(s)
geen aansprakelijkheid voor eventuele
fouten en onvolkomen heden, noch voor
gevolgen hiervan.
© Het is niet toegestaan om zonder
voorafgaande toestemming van
de uitgever artikelen of gedeelten
daarvan over te nemen.
over de vdp
De Vereniging Directeuren Publieksdiensten (VDP)
bestaat uit directeuren en managers verantwoordelijk
voor overheidsdienstverlening. De 112 leden zijn
werkzaam bij 75 gemeenten en vertegenwoordigen
meer dan 8,5 miljoen inwoners.
De VDP houdt zich bezig met strategische innovatie
van dienstverlening zoals geformuleerd in de overheidsbrede
visie op Dienstverlening 2020.
De vereniging biedt een podium om het vakgebied
te stimuleren en de leden te inspireren tijdens
kwartaalbijeenkomsten.
Partnerschappen
inGovernment is eigendom van de Vereniging Directeuren Publieksdiensten.
De VDP nodigt partners in de publieke sector uit om
inGovernment coöperatief te realiseren. Ter aanvulling op nieuwsbrieven
en websites van vakverenigingen, kan inGovernment een
horizontaal platform bieden over alle betrokken domeinen heen
waarin onafhankelijk wordt gecommuniceerd richting een gezamenlijke
doelgroep. Partners ontvangen op basis van co-financiering een
positie in de redactieraad, mogelijkheid tot het leveren van inhoudelijke
bijdragen en verzending van het magazine aan de achterban.
U kunt uw interesse in het partnerschap kenbaar maken door een
e-mail te sturen aan vdp@publieksdiensten.nl
Samen organiseren we
de digitale overheid
oproep
Blijf op de hoogte van
innovatieve ontwikkelingen
Meld je (gratis) aan
als online abonnee
Vul het aanmeldformulier in op de website
www.ingovernment.nl
19
^n2W9n99^n2W9n99{)InGoverment juni 2020 &Deze editie is verschenen in juni 2020^nߞD!P\d~