׉?<ׁB!בCט  {u׉׉	 7cassandra://fVYqXT9YxWD0OSyFJ8JfUhPtmqJAokiJhFpV8eCZ3hg >`׉	 7cassandra://tdxoM1PlFlL83199LkmPxkgz0e8WvSOfrqCIkXJaqNEP`S׉	 7cassandra://ettm4UwXTJCjYVOS1X06PYd-ae183oojkR-YFYm6XmY `̵ ׉	 7cassandra://fuigMf2WaIUrovHhRWmCLY9ed7d0WYoHtojltEEvOfc = ͠Xn䰉ט   {u׈         ׈EXn䰉 ׉E׉	 7cassandra://ettm4UwXTJCjYVOS1X06PYd-ae183oojkR-YFYm6XmY `̵ Xn䰉Xn䰉 {בCט   #nu׉׉	 7cassandra://7Ifabg_yiecWGCYxP0JgXqmaTz1iMPtTx4rPNx319Gw j`
׉	 7cassandra://8wBgzeyccWjreEJvHEEQ8plk_7vMh1bfLbgFlivQOD0"U`T׉	 7cassandra://KtN6eycRjEj4u4atM6QBdHqJ5XXV_7uEvhvDYqrKQGYL`̵ ׉	 7cassandra://ornZlTQgMGwJWEk8uNj6OOcxWmOtZxVm3QRUx2Abigw͠X<䰉ט # #nu׉׉	 7cassandra://K87pyHC3T7Nxs4hlkrs39Nd7HTw3WUoJXkwXUhafRjY t` 
׉	 7cassandra://WAgy7rFThlLSI9xzbwMnEI91-ZRoBCOlBytlbFruVnQT` T׉	 7cassandra://2bF3d3iXkekR-RYroiNFv6L2fnFT0yVOn-r2_J-gKec(`̵ ׉	 7cassandra://It5DlIT7p59DVT4jdVJtOrZmXCpkIDF5TWoYTjIrbYsB.͠X<䰉׉E284
׉	 7cassandra://KtN6eycRjEj4u4atM6QBdHqJ5XXV_7uEvhvDYqrKQGYL`̵ X<䰉׉E285
7
1
Motorisch leren
2
3
4
7.1 Wat is motorisch leren?
7.2
7.3
7.4
7.5
5
Oude theorieën gaan voorbij
Nieuwe inzichten
De motorische leercirkel
Motorische competentie
Iedereen beweegt wel eens. Eigenlijk beweeg je continu. Vaak weet je wel
waarom je beweegt, maar niet hoe. Hoe worden de meer dan 700 spieren
die je bezit aangestuurd en hoe slaag je erin nieuwe bewegingen aan te leren?
Spieren en gewrichten worden op een bijzondere en ingenieuze wijze
aangestuurd waardoor er een samenspel van gecoördineerde en op elkaar
afgestemde bewegingen tot stand komt. Een samenspel dat je in staat stelt
in een fractie van een seconde te reageren op gebeurtenissen om je heen.
Je kunt een bal vangen die wordt toegegooid, maar je hebt geen weet van
de processen die nodig zijn om deze schijnbaar zo simpele handeling te verrichten.
Je stapt op de fiets zonder er een seconde bij na te denken hoe je
dit precies doet. Kleuters kunnen ook veel, maar moeten ook nog heel veel
vaardigheden leren. Dit is precies de vraag waarover het hier gaat. Hoe
kinderen bewegingen leren en hoe ze, na verloop van tijd, steeds beter
hierin worden.
De uitdaging voor de theorieën over motorisch leren is dan ook gelegen in
het begrijpen hoe de hersenen erin slagen om het bijna oneindige aantal
variaties in bewegingsmogelijkheden te controleren en te besturen. In paragraaf
7.1 wordt motorisch leren geïntroduceerd. Aangegeven wordt wat
motorisch leren is en welke aspecten bij het leren van motorische vaardigheden
een rol spelen. In paragraaf 7.2 wordt teruggegaan in de tijd, want
ideeën ontstaan niet uit het niets. In oude theorieën die voorbij gaan wordt
een beknopte schets gegeven van de geschiedenis van het motorische leren.
Daarna worden in paragraaf 7.3 nieuwe begrippen en inzichten besproken
die een belangrijke rol spelen in zowel de theorie, maar vooral in de
praktijk van het ‘nieuwe’ motorische leren. De vertaalslag naar de praktijk
van leren van bewegende kleuters wordt gemaakt.
6
7
8
9
10
11
12
13
14
׉	 7cassandra://2bF3d3iXkekR-RYroiNFv6L2fnFT0yVOn-r2_J-gKec(`̵ X<䰉X<䰉FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://rBBdU2ZHW-1cAGgOCd25Dxcg3Nq5z7jsOyg_WvXIASk o` 
׉	 7cassandra://xmjiVbgBHrDETkhMZ8OS7VyFz8GLvej0ooTIkmXqn7IX#`T׉	 7cassandra://aP1HJ6CKlcJnkvXolDtz8WOq_y3QTohl8E_BL4xWKcU3`̵ ׉	 7cassandra://-yf0bj4fKlv14cJrvkUhE9eclITjZcnTdbS1qXcDwXAZ:͠X<䰉ט # #nu׉׉	 7cassandra://sPfcGOZ2FPyFAlUNaxBU25m3LjiCHK1sTX8_9FmdINc a`
׉	 7cassandra://A08INT2nzwFQIh-v10-j72rEjWDcI566Imzcq6-_2ScZ`T׉	 7cassandra://wDX6sI2wmEfZIjtnr1NZktcwSiiNcSKo_rn-FyaU5C4/`̵ ׉	 7cassandra://zo7Ewz4K15Wyr9gUbyqFBLQNHLiV3voUWGPOvrpk19c͟y͠X<䰉נX<䰉 VD9׉H Ohttp://nl.wikipedia.org/w/index.php?title=Motorisch_leren&action=edit&redlink=1GׁׁrנX<䰉 ̴ 9׉H Ohttp://nl.wikipedia.org/w/index.php?title=Motorisch_leren&action=edit&redlink=1Gׁׁr׉E286
De motorische leercirkel wordt in paragraaf 7.4 besproken als praktisch
hulpmiddel om naar motorisch leren te kijken. Ter afronding van dit hoofdstuk
(paragraaf 7.5) wordt de motorische competentie, als ‘werk in uitvoering’,
nader bekeken.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Motorisch leren gaat over het steeds beter afstemmen van geleerde vaardigheden op de omgeving
10
11
12
13
14
Bij motorisch leren gaat het om vaardigheden die nog niet beheerst worden.
Bij motorisch controleren gaat het om vaardigheden die beheerst worden en
die steeds beter worden afgestemd op de omstandigheden waarin die vaardigheid
nodig is. Het motorisch leerproces heeft een aantal kenmerken en
het maakt niet uit of het dan gaat over klimmen, duikelen, fietsen, het gooien
van een bal, het eten met vork en mes, tennissen of autorijden. Steeds
zijn vergelijkbare kenmerken zichtbaar.
7.1.1
Kenmerken van motorisch leren
In het motorisch leerproces van toenemende vloeiendheid, accuratesse en
snelheid is een aantal kenmerken te benoemen:
• Hoe meer herhalingen hoe beter een vaardigheid beheerst wordt, oftewel
oefening baart kunst. Dit verschijnsel staat bekend als de power law of
practice.
Motorische
leerprocessen
Controleprocessen
‘Er
is niets zo praktisch als een goede theorie en
er is niets zo theoretisch als een goede praktijk.’
§ 7.1 Wat is motorisch leren?
Motorisch leren is het proces van toenemende vloeiendheid, accuratesse en
snelheid van bewegingen (Schmidt & Lee, 2005). Dit proces van op een
steeds effectievere en meer efficiënte manier bewegen is van toepassing op
complexe vaardigheden zoals op je fiets stappen en wegrijden, in bomen klimmen
en pianospelen of meer eenvoudige vaardigheden als het gooien, vangen
of stuiten van een bal. Ook spelen motorische leerprocessen een rol bij het
bewaren van je evenwicht of bij het opvangen van een (bijna) val. Motorisch
leren en motorische controleprocessen gaan over het leren van en het steeds
beter afstemmen van die geleerde vaardigheden op de omgeving. De relatie
tussen leren en controleren laat zich het best beschrijven door figuur 7.1.
FIGUUR 7.1 Relatie tussen leren en controleren
Motorisch lerenMotorisch controleren
Nog niet beheersen
Steeds beter beheersen
Volledig beheersen
׉	 7cassandra://aP1HJ6CKlcJnkvXolDtz8WOq_y3QTohl8E_BL4xWKcU3`̵ X<䰉׉EMOTORISCH LEREN
• De toename van het vaardigheidsniveau is te zien in accuratesse:
– De nauwkeurigheid gaat omhoog: verhouding aantal raak en mis verandert.
–
Er is minder tijd nodig om de vaardigheid uit te voeren: de uitvoering
verloopt sneller.
• De bewegingen vergen steeds minder aandacht:
– Je kunt naast het uitvoeren van de beweging ook nog iets anders
doen. Je kunt bijvoorbeeld een bal stuiten en om je heen kijken. Je
kunt jongleren en tegelijkertijd een praatje maken.
• Naarmate de uitvoering meer nauwkeurigheid vraagt, zal de snelheid
waarmee de beweging wordt uitgevoerd, weer lager zijn.
De sturing van de beweging vindt van centraal naar steeds meer distaal
plaats. Steeds kleinere spiergroepen worden bij de uitvoering van een
beweging betrokken, waardoor er een steeds fijnere en meer nauwkeurige
afstemming op het bewegingsdoel mogelijk wordt.
Wanneer een gekende activiteit moeilijker wordt, bijvoorbeeld door de specifieke
opdracht die wordt gegeven, door stress of de tijdsdruk die wordt
toegevoegd, dan wordt de uitvoering weer dichter bij het centrum van het
lichaam en minder fijn en nauwkeurig uitgevoerd. Dit geldt zowel voor
kinderen als voor volwassenen.
Als een kleuter vrij alternerend kan klimmen in een schuine ladder en daarna
voor het eerst met enige angst (stress) in een verticale ladder klimt, zul je
ander beweeggedrag zien. Het kind grijpt terug op aansluitend klimmen, blijft
dichtbij het wandrek en zal veelal ook een sport onder zijn oksel klemmen.
3
Van centraal
naar distaal
4
5
6
7
8
9
10
11
12
Even een stapje terug
13
Op eigen niveau kun je dit verschijnsel ervaren als je bijvoorbeeld bij steps
een dans gaat uitvoeren waarbij je ook armbewegingen moet gaan maken
Op het moment dat het tempo omhoog gaat (tijdsdruk) zie je veel kortere en
minder ruime armbewegingen ontstaan. De beweger heeft veelal het gevoel
onvoldoende tijd te hebben om de bewegingen volledig uit te voeren.
14
1
2
287
׉	 7cassandra://wDX6sI2wmEfZIjtnr1NZktcwSiiNcSKo_rn-FyaU5C4/`̵ X<䰉ÁX<䰉FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://_egv5uMMaYBslPNfI74AG2gLn5nkgu9AQLS9JMW3NLE M` 
׉	 7cassandra://AhhTWqQn84PPT_7RGB7EAZNs2u4jdqlms-cCn2l3emko` T׉	 7cassandra://4-suKAT5d2ChXNQCCZU8zUVJjf-WIB3nDZvlPNmMa8kb`̵ ׉	 7cassandra://9aVWiNFu_ZW9wb4QINN7Y9aJqMx7ppUeZqzZ0x1Qge88͠X<䰉ט # #nu׉׉	 7cassandra://TRSc-uiNOujj_Q3PDeWhTxdQZ2CUYTWOGy1vJgK-iLo }S`
׉	 7cassandra://sX7GdPH_xbxLZBgI4HTUwzcHxKbvHA69bdID2RvD3ZU[`T׉	 7cassandra://9-wa2K_CXVB1g4lWQ-PpmGmGgCVFEtL9fZtMIxmsPJM?`̵ ׉	 7cassandra://rFzpTucT17GOIOfIWxTHKcfwemvTMNn-q2CoSoK6VF8ͽ"͠X<䰉׉E{288
1
2
3
Motorprogramma
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
Blijvende
verandering
Een proces dat leidt tot relatief duurzame veranderingen in het
gedragspotentieel als gevolg van specifieke ervaringen met de
omgeving.
Deze definitie bevat aspecten die het waard zijn om stil bij te staan. Ze spelen
namelijk een belangrijke rol bij het effectieve gebruik en de evaluatie
van motorische leerprocessen (Beek, 2011).
De drie aspecten van motorisch leren zijn:
• relatief duurzaam
• gedragspotentieel
• specifieke ervaringen
Relatief duurzaam
Van motorisch leren is alleen dan sprake wanneer het vermogen een bepaald
gedrag te vertonen blijvend is veranderd (Beek, 2011). Met andere
woorden, dat wat geleerd is moet beklijven, in het ‘lijf opgenomen’, geïncorporeerd,
anders is er niets geleerd. Dit eerste aspect zorgt voor een onderInvloed
op
hersenen
De toename van de activiteit die zichtbaar wordt in een grotere vloeiendheid,
een hogere snelheid van uitvoering en een steeds efficiëntere afstemming
op de omgeving, gaat gepaard met een verandering in de hersenen. Je
staat er waarschijnlijk nauwelijks bij stil, maar je beïnvloedt als leerkracht
de hersenen van kinderen continu. Alle bewegingen, alles wat je doet, worden
immers aangestuurd door de hersenen. Elk leerproces heeft veranderingen
in de hersenen tot gevolg. Bij motorische leer- en controleprocessen
vormen de hersenen zich naar de bewegingen en vaardigheden die worden
geleerd en uitgevoerd. Door motorisch leren worden dus interne hersenprocessen
geactiveerd. Deze hersenprocessen leiden tot een relatief permanente
verandering in de mogelijkheid om motorische vaardigheden min of
meer geautomatiseerd uit te voeren. Om dit te kunnen, bouwen de hersenen
motorprogramma’s op. Een motorprogramma kun je opvatten als de
structuur die de hersenen maken van het beeld, de bewegingsvoorstelling,
dat je voor jezelf hebt gemaakt van de uitvoering van een bepaalde vaardigheid.
In deze motorprogramma’s wordt een aantal karakteristieken van de
uit te voeren activiteit vastgelegd:
• de volgorde van deelbewegingen
• temporele kenmerken
– wanneer de (verschillende) deelbewegingen moeten worden uitgevoerd
• krachtskenmerken
– met hoeveel kracht en tempo moeten de deelbewegingen worden uitgevoerd?
–
dit vraagt om een juiste instelling van de krachtsdosering door de afstemming
van de verschillende spier(groepen) op elkaar
Het resultaat van dit motorische leerproces, het opbouwen van motorprogramma’s
wordt zichtbaar in doelgerichte, efficiënte, en effectief op de omgeving
afgestemde bewegingen. Doelgerichte, vaardige bewegingen hebben
een vloeiend verloop. Als bewegingen uit meerdere delen bestaan, dan zal
de eerste vloeiend overgaan in de volgende deelbeweging. Aan de hand van
een aantal kernmerken is een beeld geschetst van het leren van motorische
vaardigheden.
7.1.2
Aspecten van motorisch leren
Hier volgt een definitie van motorisch leren:
׉	 7cassandra://4-suKAT5d2ChXNQCCZU8zUVJjf-WIB3nDZvlPNmMa8kb`̵ X<䰉׉EMOTORISCH LEREN
scheid tussen oefenresultaat en leerresultaat. De prestaties tijdens een oefening,
training of les zeggen niet direct iets over het leerresultaat. Bij leren
gaat het niet om het onmiddellijke zichtbare effect van de oefening op de
prestatie, maar om de gevolgen op langere termijn.
1
VOORBEELD 7.1 RELATIEF DUURZAAM KOPPELTJE DUIKELEN
2
3
4
5
6
Het is de eerste keer dat in groep 1 het ‘over de kop gaan’ wordt aangeboden.
Juf Mira heeft verschillende activiteiten bedacht waarin het ‘over de
kop gaan’ kan worden geoefend; koprollen in verschillende situaties, duikelen
over een duikelstang en ze heeft de klimtoren zo opgebouwd dat hierin
ook mogelijkheden zijn om te duikelen. De juf heeft ervoor gezorgd dat ‘koppeltje
duikelen’ flink kan worden geoefend. Mark, Karel, Marie en Yanick oefenen
enthousiast. Ze duikelen, hebben de grootste lol en gaan in de verschillende
situaties met enige hulp regelmatig over de kop. Alleen Mark
vindt het nog wat spannend en eng. De juf helpt hem een aantal keer en
dan lukt het hem ook. Yanick heeft nog extra aanwijzingen nodig. Elke keer
als de juf zegt ‘rol als een balletje’ lukt het hem. Uiteindelijk lukt het alle
vier zonder hulp te duikelen. Na afloop kijkt de juf tevreden terug op de les.
Zo noteert de juf dat ze alle vier kunnen ‘koppeltje duikelen’.
Twee weken later staat ‘over de kop gaan’ weer op de planning. De juf biedt
een aantal dezelfde en ook een aantal nieuwe duikelsituaties aan. Wat
schetst haar verbazing. Yanick en Marie lukt het niet (meer) over de kop te
gaan; bijzonder, de vorige keer konden ze het toch? Mark en Karel duikelen
alsof ze nooit anders zijn gewend.
In voorbeeld 7.1 komt het verschil tussen leren en oefeneffect naar voren.
Er wordt van leren gesproken als de activiteit, het ‘koppeltje duikelen’ structureel
is verbeterd ten opzichte van het begin van de oefenperiode. Bij Mark
en Karel was dit het geval en wordt er gesproken van een leereffect. Bij Yanick
en Marie was sprake van een oefeneffect, omdat het trucje na een periode
van niet oefenen niet meer kon worden uitgevoerd. Voor de praktijk van
het bewegingsonderwijs betekent dit concreet dat de kleuter, wanneer de
7
8
9
10
11
12
13
14
289
׉	 7cassandra://9-wa2K_CXVB1g4lWQ-PpmGmGgCVFEtL9fZtMIxmsPJM?`̵ X<䰉ǁX<䰉ƁFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://Ki_U_oao2vZwb303JTGXn2YlocGIaSBn3cLtAc5Ym00 >"` 
׉	 7cassandra://lc51Hc92uPFzoa_mGYFCaZxB6u2iOyvBiHKYY1tKtnEK`T׉	 7cassandra://YZ8iJycw4w_7kJP7q5Wnnavz-p9N3e3MhOVOJ4x5hrM0`̵ ׉	 7cassandra://MndOg-4Ruq06U8pVPPbEsL1YrVPmFprI32cLIhgNtcQv&͠X<䰉ט # #nu׉׉	 7cassandra://HqgCGnQWUeVgnLw-S6y2hJNWgkAy9FJljewfk3RgOjQ ` 
׉	 7cassandra://zBDHay3FmjGhrReixHBOtkwbDpP_SVYfxT6rxEjVihUD`T׉	 7cassandra://454nZBShHp3o-apfcXIvDCxCOsQTeIbyIqetQrY8iPs`̵ ׉	 7cassandra://XjDOJ9dSeIFxxgtjtZ7YGI6yyBDaONkiBqaua0ACKmYDl͠X<䰉׉E290
volgende keer dezelfde activiteit, spel of oefening weer wordt aangeboden
‘het beter’ doet, er iets is geleerd.
Gedragspotentieel
1
2
3
4
5
6
7
8
Omgeving
9
10
11
12
13
14
Specifieke ervaringen
Motorisch leren is het gevolg van specifieke ervaringen met de omgeving
die het resultaat zijn van oefenen. Door uitproberen, vaak herhalen en oefenen
van een bepaalde activiteit word je ergens beter in.
VOORBEELD 7.3 GEVAREERD SPRINGEN ALS SPECIFIEKE ERVARING
Als je probeert meer inzicht te krijgen in het bewegingsgedrag en het gedrag
meet aan de hand van een ‘testsituatie’, dan mag je concluderen dat de motorische
gedragingen die een kleuter tot zijn beschikking heeft (gedragspotentieel),
is vergroot als de uitvoering structureel beter is. Een incidentele
verbetering van de prestatie, zoals in het begin van het voorbeeld een enkele
keer het pittenzakje in de doos gooien, is hiervoor niet voldoende.
VOORBEELD 7.2 UITBREIDING GEDRAGSPOTENTIEEL
Carolien en Youri zijn om en om pittenzakken in een doos aan het gooien.
Bij de eerste keer dat deze activiteit werd aangeboden, drie weken terug,
viel er af en toe een pittenzak in de doos, soms ertegenaan, maar vaak ook
kwamen de pittenzakken helemaal niet eens in de buurt van de doos.
In de tussenliggende tijd heeft de leerkracht deze activiteit nog drie keer
aangeboden. Vandaag, een maand later, gooien Carolien en Youri bijna alle
pittenzakken in de doos. Slechts een enkele keer is er nog een afzwaaier.
Gedragsmogelijkheden
Motorisch
leren heeft betrekking op veranderingen in het gedragspotentieel.
Bij gedragspotentieel gaat het om het vermogen bepaald gedrag te kunnen
vertonen. Dit is een interessant aspect omdat gedragspotentieel niet direct
waarneembaar is. Een verandering in de gedragsmogelijkheden is alleen indirect
zichtbaar via het gedrag of de prestatie. Het kan dan ook alleen worden
afgemeten aan de hand van het gedrag dat iemand laat zien.
׉	 7cassandra://YZ8iJycw4w_7kJP7q5Wnnavz-p9N3e3MhOVOJ4x5hrM0`̵ X<䰉׉EMOTORISCH LEREN
Jan vindt het heel leuk om van dingen af te springen. Als je er op kunt klimmen,
springt Jan ervan af. Niet alleen springen maar zo springen dat je niet
omvalt. Jan wil op zijn voeten landen. De hele dag klimt hij op muurtjes en
andere verhogingen om ervan af te springen. In het speellokaal laat hij deze
truc ook zien. Hij klimt op de kasten om ervan af te springen. Ook de klimtoren
gebruikt hij om van af te springen. Zodra het hem lukt om zonder om te
vallen van een bepaalde sport te springen, gaat hij weer een sport hoger.
291
1
2
Door ergens meer ervaring in op te doen en de activiteit steeds opnieuw uit
te voeren word je er beter in. Deze verandering in zijn bewegingsgedrag, het
steeds beter kunnen landen, is het resultaat van oefening.
7.1.3
Uitdagingen voor de praktijk
Voor het beter leren uitvoeren van motorische vaardigheden in de praktijk
zitten in de drie besproken aspecten serieuze uitdagingen. Deze uitdagingen
worden hier vragenderwijs aan de orde gesteld.
Op welke manier is de progressie te monitoren?
Het is belangrijk te weten of er inderdaad motorisch ook iets wordt geleerd.
Je kunt wel oefenen, maar heeft dit ook een leereffect? Is het niet alleen
een oefeneffect dat weer heel snel is verdwenen? Dit zijn vragen die te maken
hebben met in hoeverre een activiteit wordt onthouden (retentie). Relevant
is ook de vraag of een geleerde activiteit in een andere, maar vergelijkbare,
situatie kan worden uitgevoerd (transfer).
Kun je invloed hebben op de leercurve?
De leercurve geeft de relatie aan tussen de mate van oefenen en het prestatieniveau.
Kun je door op een andere manier activiteiten of vaardigheden
aan te bieden invloed uitoefenen op het oefenresultaat en op het leerresultaat?
Levert een andere instructievorm of een veranderd arrangement een
ander oefen- of leerresultaat op?
FIGUUR 7.2 Leercurve
10
Maximaal
haalbaar niveau
11
12
13
Mate van oefening
14
4
5
6
7
8
9
3
Prestatieniveau
׉	 7cassandra://454nZBShHp3o-apfcXIvDCxCOsQTeIbyIqetQrY8iPs`̵ X<䰉ˁX<䰉ʁFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://I8Ld8s2724AaNmMB26WdWezpvuGucEsqSRd2PqVGw9w h`
׉	 7cassandra://vpe_phwVP3KMuV5rgQLpFGLB2yaLClF-i3uQ3nliYJMX`T׉	 7cassandra://3EFrXDQsHpA_yv1PWd1y4BFZlRZ4gTBDxKD8YHcD2nA`̵ ׉	 7cassandra://OfelsyBURdIQDlsl3GTgUMT21M01hjTP-r8FqUK77cQ͢f͠X<䰉ט # #nu׉׉	 7cassandra://IP2-3r6CdiSQsTFA6lLngUC-ITfv6z_olDt9DZCgVf8 M` 
׉	 7cassandra://vXPdozXetoSirzA1I73PRVHz3M-Whm3CnfUx2nitPTQ~` T׉	 7cassandra://MTJYK4V2B2AOYggbSPjrOUtW_ZrjlK4IO4gqtivj7VQ	`̵ ׉	 7cassandra://ng9OqpnGnnXGYSrg0W9LRibYe_p9fqY4rxgJVwGJLiI;͠X<䰉׉E 6292
1
2
3
4
5
6
7
8
Wat deed je nou?
9
10
11
12
13
14
׉	 7cassandra://3EFrXDQsHpA_yv1PWd1y4BFZlRZ4gTBDxKD8YHcD2nA`̵ X<䰉׉EMOTORISCH LEREN
De ecologische theorie en de dynamische systeembenadering, waarop de
visie op het nieuwe motorische leren is gebaseerd, zijn globaal 35 jaar
geleden ontstaan en nog steeds volop in ontwikkeling. Tegenwoordig vormen
beide benaderingen een geïntegreerd geheel als theoretisch kader voor
de bestudering van het motorisch leren. De theorie van het zogenoemde
‘nieuwe’ motorisch leren is vrij complex en abstract. Ondanks dat de theorie
soms lastig te begrijpen en te ‘vatten’ is, is het op dit moment de belangrijkste
en vruchtbaarste ontwikkeling op het terrein van motorisch leren. Het
is een visie op motorisch leren die ook consequenties heeft voor de praktijk
van het onderwijs in bewegen met kleuters.
7.2.1
Het driefasenmodel
Begin jaren 70 en de jaren daarna was een belangrijke en vruchtbare periode
voor de ontwikkeling van kennis op het terrein van het motorisch leren
en de bewegingssturing. Naast Schmidt (1975) hebben Fitts en Posner
(1967) de interesse en de belangstelling voor het motorisch leren een flinke
impuls gegeven.
Schmidt gaat ervan uit dat zich tijdens het leren van motorische vaardigheden
gegeneraliseerde motorische programma’s vormen. Je leert dus geen
specifieke bewegingen, maar beweegregels. Deze beweegregels kun je opvatten
als de motorische grammatica op grond waarvan de motorprogramma’s
worden geschreven. Deze gegeneraliseerde motorprogramma’s, de zogenoemde
schema’s, bestaan volgens Schmidt voor bepaalde klassen van
gelijksoortige bewegingen. Je kunt dit globaal vergelijken met de ordening
binnen bewegingsthema’s en de leerlijnen.
Het mooie is dat eenzelfde programma onder verschillende omstandigheden
een consistent bewegingspatroon laat zien. Het uitvoeren van een bepaalde
vaardigheid, bijvoorbeeld het schrijven van letters, ziet er op het digitale
schoolbord (verticaal) of op papier (horizontaal) hetzelfde uit.
Variatie in de beweging komt tot stand doordat binnen een gegeneraliseerd
motorprogramma (schema) de instellingen van bewegingsparameters zoals
volgorde, timing en kracht worden veranderd.
Ook Schmidt onderscheidt een aantal fasen. Deze komen overeen met de
fasen van het driefasenmodel van Fitts en Posner. De basisideeën voor het
driefasenmodel: de cognitieve fase, de associatieve fase en de geautomatiseerde
fase zijn eind jaren 60 neergelegd en de jaren daarna verder uitgewerkt.
Deze uitgangpunten hebben geleid tot een aantal heldere motorische
leerprincipes. Het is een nog steeds breed gebruikt en gedragen model.
Het model stelt dat het leren van complexe bewegingen in drie fasen verloopt.
De fasen kenmerken en onderscheiden zich doordat er steeds minder
een beroep wordt gedaan op bewuste cognitieve processen. Dit geldt voor
een lerende kleuter, maar ook voor een volwassene die een nieuwe vaardigheid
onder de knie probeert te krijgen. Gaandeweg het leerproces speelt de
automatisering van de bewegingsuitvoering een steeds belangrijker rol. Door
de drie fasen heen neemt de cognitieve betrokkenheid af en de mate van
automatisering toe.
De relatie tussen de verschillende fasen en het niveau van cognitieve aandacht
wordt in het driefasenmodel in figuur 7.3 weergegeven. De brede lijn
tussen de verschillende fasen geeft aan dat de overgang niet heel scherp te
trekken is. Oftewel, een persoon zit niet van het ene op het andere moment
in een andere fase.
293
Nieuwe
motorische leren
1
2
3
4
5
Beweegregels
Motorische
grammatica
Motorprogramma’s
6
7
8
9
10
11
12
13
14
׉	 7cassandra://MTJYK4V2B2AOYggbSPjrOUtW_ZrjlK4IO4gqtivj7VQ	`̵ X<䰉ρX<䰉΁FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://4_vIj3DabjNTxRkvMs2V86NYhYGMTFV3IJgZRPaezrI ր` 
׉	 7cassandra://WQ1MSRH4yxq5TpMbCPkwHUiL5gCbzlIv9ygxvydJOvIiW` T׉	 7cassandra://OdVB1JZyaVuKpE8bGFExv_hqI8kaHeIsZ4bAgQ7Abk8'`̵ ׉	 7cassandra://xDNfC3hPFDsn-o6XoI9N5A9jPeoufsDHeC5XVvItl7c7͠X=䰉ט # #nu׉׉	 7cassandra://_AOvaSkmno9zRS8rcwvAV0y4hAjj2c1vXYeGSorTViw ` 
׉	 7cassandra://M_HExfSAs3kr1J9eGp8AvFkF5sl9pcvWaHrOrLWTdHUY`T׉	 7cassandra://xF8h2Q4QjCJj7Q4gFvOUBQX3PZ1MW4z8Lzn4mbc3Wc8{`̵ ׉	 7cassandra://yjORkR571ONSK8R0-9TXue2SoV9uFVxAGf1jfvz4MscF"͠X=䰉׉EQ302
1
2
3
4
5
6
7
8
Gemeenschappelijke
taal
9
10
11
12
13
14
§ 7.3
Praktijkrelevantie
Wat levert deze ‘nieuwe’ kijk op motorisch leren nu aan praktijkrelevante
informatie op? Want daar gaat het uiteindelijk allemaal om. Op basis van
de uitgangspunten van het ecologisch-dynamische systeemmodel kunnen
de volgende algemene richtlijnen worden gegeven:
• Het verwerven van een nieuw bewegingspatroon vindt plaats door zelforganisatie
van een evoluerend bewegingssysteem. Veel instructie leidt het
zelforganiserende leervermogen af.
• Aandacht is beperkt en je kunt je maar op een aspect tegelijk richten.
Luisteren naar de intrinsieke feedback van het uitvoeren van de beweging
of naar de extrinsieke toegevoegde informatie van bijvoorbeeld een
leerkracht.
• Door sturende arrangementen aan te bieden krijgen nieuwe bewegingspatronen
als het ware een duwtje of een ‘lokkertje’ in de goede
richting.
• Relevante informatie is gemakkelijker uit overzichtelijke arrangementen
te halen.
• Door het gewenste resultaat helder te presenteren, krijgt de leer-kracht
van het kind de ruimte om het zelforganiserend vermogen zijn werk te
laten doen.
• Het gewenste bewegingspatroon bereik je eerder door de totale gewenste
beweging als uitgangspunt te nemen. Het leren van afzonderlijke deelbewegingen
biedt deze garantie niet.
Nieuwe inzichten
De inzichten op het gebied van motorisch leren zijn de laatste jaren flink veranderd.
Deze nieuwe inzichten verschillen op specifieke punten van de meer
‘traditionele’ opvattingen.
Een gemeenschappelijke taal binnen het werkveld van het bewegingsonderwijs
is van belang, zodat duidelijk is wat wordt bedoeld met de gehanteerde
terminologie. Verschillende termen en begrippen passeren de revue waarbij
steeds wordt aangegeven wat ermee wordt bedoeld.
Het blijft lastig een consistente ordening in de verschillende vormen van
motorisch leren aan te brengen. Gekozen is voor de indeling: expliciet leren,
impliciet leren en differentieel leren.
Bij de traditionele leeropvatting wordt de nadruk gelegd op het krijgen van
een duidelijk beeld van hoe de beweging dient te worden uitgevoerd. Het
expliciete leren wordt wel het directe leren genoemd. In de nieuwe leeropvatting
wordt er meer belang gehecht aan het impliciete leren. Het impliciete
leren kom je ook tegen onder de naam indirect leren. Leren en dus ook
motorisch leren wordt gezien als het opdoen en verwerven van kennis.
7.3.1
Expliciet leren
Expliciet leren is een vorm van leren waarbij bewust geprobeerd wordt een
gedetailleerd beeld van de vaardigheid te krijgen. Daarna wordt deze vaardigheid
onder zeer bewuste controle zo precies mogelijk uitgevoerd. Bij
expliciet motorisch leren wordt de aandacht rechtstreeks gericht op de uit
te voeren vaardigheid. Bij het aanleren van de vaardigheid ligt de focus
voornamelijk op instructies en aanwijzigen van de leerkracht. Het gaat,
׉	 7cassandra://OdVB1JZyaVuKpE8bGFExv_hqI8kaHeIsZ4bAgQ7Abk8'`̵ X=䰉׉E
MOTORISCH LEREN
naast het opbouwen van een voorstelling over de te leren beweging of vaardigheid,
ook over kennis die kan worden verwoord. Het accent ligt op kennis
over het bewegingspatroon, over hoe de beweging dient te worden
uitgevoerd.
Dit alles vanuit het idee dat een verbetering van het beeld van de beweging,
de zogenoemde bewegingsvoorstelling, zal leiden tot een prestatieverbetering.
Bij expliciet leren wordt dan ook veel gebruikgemaakt van verbale instructies,
feedback en aanzetten tot reflecteren over de uitgevoerde vaardigheid.
Het aanbieden van een vaardigheid of beweging kun je op
verschillende manieren doen. Er wordt onderscheid gemaakt in:
• de totaalmethode (whole practice)
• de deelmethode (part practice)
• manuele begeleiding
• droog oefenen
• vragenderwijs aanbieden
De totaalmethode (whole practice)
De leerkracht biedt de activiteit in zijn geheel aan. Veelal wordt er eerst een
voorbeeld gegeven. Daarna volgt duidelijke instructie en uitleg over hoe de
activiteit op de juiste manier moet worden uitgevoerd. Op deze manier krijgt
het kind kennis van de beweegregels en uitvoeringseisen. De overdracht is
talig en veelal letterlijk en concreet.
VOORBEELD 7.8 IN ÉÉN KEER AANGEBODEN
Juf Lieke gaat met de kleuters wendspringen. De juf geeft eerst een voorbeeld.
Daarna geeft ze een verbale toelichting terwijl ze de beweging nog
een keer voordoet. ‘Let op: je loopt aan, zet af met twee voeten tegelijk, zet
twee handen tegelijkertijd op de kast, springt over de kast en landt met je
gezicht naar de kast.’
303
Kennis bewegingspatroon
1
2
3
4
5
6
7
8
De
aandacht van het kind wordt bij het voordoen van een beweging gericht
op de relevante aspecten van de activiteit. Instructie volgens PAD, plaatje,
accenten en doen, is hiervan een voorbeeld en valt ook onder deze meer
expliciete leermethode.
De deelmethode (part practice)
Van het aanbieden van deelbewegingen wordt gesproken als de activiteit
niet in zijn geheel maar in delen wordt aangeboden. Het voordeel van het
aanbieden van deelbewegingen is dat de kern of de moeilijkheid van een activiteit
gedoceerd kan worden aangeboden. De gedachte is dat uit de essentiële
‘losse’ delen de gehele activiteit stap voor stap weer wordt opgebouwd.
Bij het aanbieden van dezelfde activiteit in delen zijn de overwegingen vaak
van inhoudelijke aard. De activiteit in zijn geheel aanbieden is te moeilijk en
te complex. De activiteit wordt dan in delen opgesplitst, waardoor deze eenvoudiger
wordt.
VOORBEELD 7.9 STUKJE BIJ BEETJE
Juf Inge wil met haar kleuters gaan steunspringen. Kijkend naar de complete
beweging ziet ze dat met name de overgang van de aanloop naar het op9
10
11
12
13
14
׉	 7cassandra://xF8h2Q4QjCJj7Q4gFvOUBQX3PZ1MW4z8Lzn4mbc3Wc8{`̵ X=䰉X=䰉FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://SvFPfzud7SRHySneXcWKWN2bEJO1YQjLMJKIfqYxoj4 x`
׉	 7cassandra://-Ruf5Hjaeo3OrOHXs2KY6WoadEoQdvn9BwlADLaDbakM`T׉	 7cassandra://GgVGusC9sRSOPWZU-gMtOlniMeCGju2vSANKTY4zoYc`̵ ׉	 7cassandra://bz_RA-1qpcltUeYMuuBp7aYpcOEeqgcVNi7Z-IjWfJỲW&͠X=䰉ט # #nu׉׉	 7cassandra://SLiRGFouz78zKOUs0PYx7P4Pm5n7OLR7NnK6CFbit8A ` 
׉	 7cassandra://xcs8p4mC-NYD9Pt2ZOMBv9zVv4mZA7cUJ_FsdWkvsk8[`T׉	 7cassandra://cvst7kqVuAXhiDf-6jiZAZo79QGWuGUGft13A88OwfY`̵ ׉	 7cassandra://HzYf8uDHgrDsYk3L6amEW8gIRZZ4owq7x3c5_3osoiI@c&͠X=䰉׉E304
springen lastig kan zijn. Ze gaat daarom eerst met de kleuters ophurken
vanuit stand op twee delen van de kast. Als dit goed gaat mogen de kleuters
het met een aanloop proberen.
1
Manuele begeleiding
2
3
4
5
6
Droog oefenen
7
8
9
10
11
12
13
14
Droogzwemmen
Met droog oefenen wordt bedoeld dat de activiteit uit de context waarin het
normaal gesproken wordt gebruikt, is gehaald. De activiteit wordt een aantal
keer los van de context geoefend.
Het meest sprekende voorbeeld is het ‘droogzwemmen’ wat jaren geleden
werd gebruikt om de zwemslag van een kind te verbeteren. De nadruk ligt
op de technische uitvoering van een beweging en niet op het doel van het
zwemmen: je in het water verplaatsen.
VOORBEELD 7.10 HAND OVER HAND
Jan probeert met een racket een ballon hoog te houden. De meester ziet
dat hij de ballon met veel kracht alle kanten op slaat en daardoor steeds
zijn ballon kwijt is. De meester loopt naar hem toe, vraagt of het goed is om
het even samen te doen. De meester legt zijn hand over de hand van Jan en
samen slaan ze de ballon rustig een aantal keer omhoog. Na het zo even
samen te hebben gedaan, laat de meester Jan zijn hand los en speelt hij
zelf verder.
Bij manuele begeleiding laat de leerkracht de beweging voelen door delen
van het lichaam van een kind te bewegen. Het idee is dat het kind de beweging
dan beter gaat voelen, hoe de beweging moet worden uitgevoerd. Deze
vorm vanbegeleiding wordt met een individueel kind gedaan.
׉	 7cassandra://GgVGusC9sRSOPWZU-gMtOlniMeCGju2vSANKTY4zoYc`̵ X=䰉׉EMOTORISCH LEREN
VOORBEELD 7.11 FIETSEN IN DE LUCHT OF ‘LUCHTFIETSEN’?
Juf denkt eens rustig na of ze zelf ook deze situaties gebruikt als ze bewegingsonderwijs
geeft. Ze dacht van niet. Toen schoot het haar te binnen dat
ze vorig jaar tijdens haar stage eens een jongetje in haar klas had die niet
kon fietsen. Het leek wel of de jongen niet ‘wist’ hoe hij zijn benen moest
bewegen. Ze weet nog dat ze tijdens een gymles aan hem heeft gevraagd
op een matje te gaan liggen en de fietsbeweging te doen. Ja, dat is inderdaad
ook een voorbeeld van een beweging die je los van de context
kunt oefenen.
305
1
2
Deze vorm van leren wordt beschouwd als een aspect van expliciet leren
omdat het de bedoeling is dat de beweging of delen ervan beter kunnen
worden verwoord en uitgevoerd los van de context.
Vragenderwijs aanbieden
Het vragenderwijs richten van de aandacht van het kind op specifieke aspecten
van de te leren activiteit is ook een vorm van expliciet leren. Het is
de bedoeling dat het kind een beter – meer gedetailleerd en genuanceerd –
beeld krijgt van de beweging die hij moet gaan uitvoeren. Het laten terugkijken
op en evalueren van de eigen bewegingsuitvoering over wat wel en niet
goed gaat, wordt meestal ingezet om de aandacht te richten op hoe de beweging
moet worden uitgevoerd. Op deze manier wordt niet alleen in het
aanbieden maar ook in de feedback gestreefd naar het opbouwen van expliciete
kennis over de uit te voeren beweging.
VOORBEELD 7.12 EN DAN KIJK JE NAAR JE …
Marie is aan het oefenen met het maken van een koprol. De juf ziet haar en
merkt op dat ze steeds haar hoofd op de mat zet. Ze loopt naar Marie toe
en vraagt of het goed gaat. Marie kijkt de juf aan en zegt dat ze niet meer
weet hoe het moet. Juf vraagt wat ze als eerste moet doen. ‘Staan op de
mat.’ ‘En dan?’ ‘Handen op de mat’, zegt Marie. ‘Prima’, zegt de juf, ‘en als
laatste?’ ‘Zo’, zegt Marie en doet haar hoofd naar beneden en billen omhoog.
‘Heel goed’, zegt de juf. ‘En dan kijk je naar je ...?’, vraagt de juf terwijl
Marie al bijna begint te rollen. In koor zegt Marie met de juf samen:
‘Billen!’
5
6
7
8
9
10
11
Bij expliciet leren komt de verbetering van de uitvoering tot stand doordat je
een meer gedetailleerd en genuanceerd beeld hebt van hoe de beweging
moet worden uitgevoerd. Je hebt een duidelijkere voorstelling van de bewegingsuitvoering.
Je weet wat je moet doen en je kunt dit ook verwoorden.
Hoe duidelijker het bewegingsbeeld en hoe genuanceerder je dit kunt verwoorden,
des te ‘beter’ de uitvoering, zo is de gedachte.
7.3.2
Impliciet leren
Bij het impliciet leren is de aandacht gericht op het effect van de activiteit
op de omgeving. Je bent je nauwelijks bewust van wat er precies gebeurt
tijdens de bewegingsuitvoering. Er is slechts in beperkte mate aandacht
voor de te leren activiteit zelf. Veelal is er sprake van een externe focus.
Effect op
omgeving
14
12
13
3
4
׉	 7cassandra://cvst7kqVuAXhiDf-6jiZAZo79QGWuGUGft13A88OwfY`̵ X=䰉X=䰉FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://4VbKcAqG3utX5RwKmB7MdrdVvvW0JoWPJ4JVvP7c0yA `
׉	 7cassandra://Brm-aLUt0EGB8Hi62oc2NQUy2Sfxufb5Se6CMo1kUJEU+`T׉	 7cassandra://DB10cEsQ4g4-w-nK-0VBnHJxSeAnO54wx9uGQG70dWkP`̵ ׉	 7cassandra://Yv4JgHzvpO5_SpKtB4npK-r9U5fKnnQbeU_QUwMfldU͠X=䰉ט # #nu׉׉	 7cassandra://HCnsrB1S5bKz3Ij20X8hrmnODXKYsU0K6VR_WIEmDqI ^2`
׉	 7cassandra://3Bm50EPTAVqo0ohTW7y3Np5rPo0SotfHUXPz6cgFSnE^`T׉	 7cassandra://crVNoRBXWl11ulL1Y0agTzNq-iaAwhCA6dgdQgZkSMg>`̵ ׉	 7cassandra://cqOvy76zVizyuTb4LOPJaVAkRWMrcp1VDl92Taj18Aoͫ͠X=䰉׉E306
Het kenmerk van een impliciet leerproces is dat je je nauwelijks bewust
bent van de beweegregels en de procedures die bij de uitvoering van een
activiteit worden gebruikt (Beek, 2011).
1
2
3
4
Kijken naar
anderen
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
Goed voorbeeld doet goed volgen
Voorbeeldig leren
Voorbeeldig leren is een vorm van observationeel leren die je ook met een
zekere regelmaat tegenkomt. Bij het voorbeeldig leren – en dit mag je zowel
letterlijk als figuurlijk opvatten – gaat het om het onder de knie krijgen van
een leertaak door het stap voor stap nadoen van het correcte voorbeeld.
Monkey see, monkey do
Binnen het bewegingsonderwijs kom je met een zekere regelmaat de uitspraak
monkey see, monkey do tegen. Deze uitspraak is ontstaan doordat
kinderen heel makkelijk bewegingen van elkaar overnemen. Het soepel en
gemakkelijk bewegen wordt vaak geassocieerd met natuurlijk, dierlijk en probleemloos
bewegen. Monkey see, monkey do wordt meestal gebruikt als
vorm van instructie bij de uitleg van een activiteit. ‘Doe mij maar na.’, ‘Aap
mij maar na.’
Binnen het impliciete leren worden onderscheiden:
• observationeel leren
– voorbeeldig leren
– monkey see, monkey do
– imitatieleren
• analogieleren
• sturende arrangementen
• eindhouding leren
• foutloos leren
• normloos leren
Observationeel leren
Kleuters leren door te kijken naar hoe anderen iets doen, dit wordt ook wel
observationeel leren genoemd. Het gaat om leren door het gedrag van anderen,
en het resultaat ervan, te observeren en eventueel te imiteren. Dat is
niet alleen een heel natuurlijke, maar ook een heel effectieve manier van
leren. Dat observationeel leren een heel natuurlijke manier van leren is,
blijkt uit het feit dat kinderen dit al op zeer jonge leeftijd veelvuldig toepassen
(Matheson, e.a. 2013).
׉	 7cassandra://DB10cEsQ4g4-w-nK-0VBnHJxSeAnO54wx9uGQG70dWkP`̵ X=䰉׉EMOTORISCH LEREN
Imitatieleren
Ook imitatieleren is een vorm van observationeel leren. Imitatieleren is een
heel oude vorm van leren in het evolutieproces. In principe heb je bij deze
vorm van leren geen weet van wat er precies gebeurt. Het nadoen van een
beweging is vaak een vorm van impliciet, procedureel leren. De vorm van
imitatieleren die het meest op de voorgrond treedt, is de visuele imitatie.
De kleuters doen dit de hele tijd. Het monkey see, monkey do wordt vooral
gebruikt voor het voorbeeld dat aan het begin van de activiteit door een kind
wordt gegeven. In de praktijk worden imitatieleren en monkey see, monkey
do veelal door elkaar gebruikt.
Observationeel leren in al haar facetten heeft een stevige plaats binnen het
onderwijs in bewegen. Het gaat niet alléén om het plaatje dat wordt gegeven
als onderdeel van de instructie bij het introduceren van een activiteit; het
‘even voorspelen’ of het voorbeeld dat wordt gegeven bij de introductie van
een nieuwe activiteit, maar ook om het voorspelen of het voorbeeld dat gegeven
wordt bij de introductie van een nieuwe activiteit.
Analogieleren
‘Maak je zo rond als een balletje’, ‘ga zo sterk staan als een boom’ of
‘maak je zo groot als een reus’ zijn voorbeelden van metaforen. In deze metaforen
zitten analogieën besloten die een overeenkomst suggereren tussen
een meer bekende, een minder bekende of nieuwe beweging.
Analogieën geven overeenkomsten tussen verschillende situaties aan. Kern
van het oplossingsproces – je een voorstelling kunnen maken van hoe een
nieuwe beweging zou kunnen worden uitgevoerd – is het herkennen van
deze overeenkomst tussen een vertrouwde, bekende en een nieuwe, onbekende
beweging of situatie. Vervolgens pas je die overeenkomst bij de nieuwe
beweging of in de nieuwe situatie toe.
Een analogie werkt als volgt: door gebruik te maken van een analogie, ‘een
koprol is zoiets als een rollende bal’, treedt er overdracht van informatie op
in één richting: van een vertrouwde en bekende beweging (ik weet wat ballen
doen, ballen rollen) naar een onbekende of nieuwe beweging (hoe moet
ik een koprol maken?)
307
1
2
3
4
5
6
Voorstelling
maken van
7
8
9
10
11
12
13
14
Rollen als een bal
׉	 7cassandra://crVNoRBXWl11ulL1Y0agTzNq-iaAwhCA6dgdQgZkSMg>`̵ X=䰉X=䰉FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://ED-wp_8qzhDc7LEAiWRhjzifDO6ZGVwMQWrYKDH6ybk `i` 
׉	 7cassandra://qS1mEJSpZjmWr-cXoyxcO8LYZE7-agAnz8dyFxT5iG8_|`T׉	 7cassandra://ycFCk6rV0VdYkVbBHk39gDb0hqKBEjGQjWuJ_2agvao(`̵ ׉	 7cassandra://r9fc7O4IxKhW7aol0uOk1KhnB4-12VIXypUER04yjRM=͠X=䰉ט # #nu׉׉	 7cassandra://lCAFQNtG75oiU8BvKB9wMJq7fAWGsl82tD8YplYFgOQ `
׉	 7cassandra://UlsCWP9KFyaj0wOZ-_CjCekKbYWC79KVHO8XRTRPHtAS`T׉	 7cassandra://_LeSiWgpCbWAdFXJ55RcEEg8-un4zbfkDkndQ7hPKKE`̵ ׉	 7cassandra://fwqzZRzubU6-3kc5w2oKpUSNuO4Q9PLKVCC8Aj-7Nd0_"͠X=䰉׉E9308
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
Dwingende arrangementen
Arrangementen verschillen in de mate waarin ze sturend en richtinggevend
kunnen zijn. Heel sterk sturende arrangementen waarbinnen weinig tot geen
keuzemogelijkheden meer zijn, worden dwangopstellingen genoemd. De opstelling
van de materialen en de uitgangspositie is dan zo dwingend dat je
bij wijze van spreken niet anders kunt dan de activiteit op de gewenste manier
uitvoeren.
VOORBEELD 7.13 SPEERWERPENDE KLEUTERS
Meester Jaap heeft een tip gekregen van de vakleerkracht bewegingsonderwijs.
De vakleerkracht vertelde hoe je kinderen kunt uitlokken om een bovenhandse
strekworp te laten maken. Vandaag wil hij dat uitproberen met
zijn oudste kleuters. Meester Jaap hangt een toversnoer op, op zeker twee
meter hoogte, en legt daar matjes direct voor. Hij vraagt zijn kleuters op een
matje te gaan staan en geeft ze allemaal een tennisbal. De opdracht is:
gooi je balletje over het toverkoord. Doordat de kleuters relatief dichtbij het
toversnoer staan, ziet meester Jaap dat nagenoeg alle kleuters als ‘vanzelf’
met een bovenhandse strekworp gaan gooien. En dat ze ook bijna allemaal
met de tegengestelde voet voor gaan staan. Ze draaien hun lichaam als
vanzelf ‘open’, net als een speerwerper.
Uitlokkende arrangementen
Dit zijn arrangementen of materialen met kenmerken die verleiden tot specifiek
bewegingsgedrag. Een springkussen lokt bijna zonder uitzondering kinderen
uit tot springen. Leg een ‘dikke’ mat in het speellokaal op de grond
en kinderen gaan springen. Plaats de glijbaan in het klimtuintje en kleuters
laten zich direct verleiden om te gaan glijden.
Effectief
inrichten
Bij het leren van nieuwe gewenste bewegingen door verwijzing naar bekende
bewegingen, principes of kenmerken spelen analogieën een belangrijke rol.
De analogieën gaan daarmee functioneren als een verklaringsmodel hoe
een bepaalde activiteit kan worden uitgevoerd. Er vindt overdracht van informatie
over de ene, bekende situatie plaats naar de andere, nieuwe situatie.
Dit is de kracht van analogieleren. Analogieën, het gebruikmaken van beeldspraak,
kunnen fungeren als een krachtige beweegregel. Vat bij het gebruik
van analogieën meerdere aandachtspunten samen en probeer maximale informatie
in zo min mogelijk woorden te vatten. Spreek hierbij tot de verbeelding:
‘Doe alsof je ....’
Sturende arrangementen
Door de materialen op een specifieke manier op te stellen ontstaat een bewegingsarrangement
dat het bewegingsgedrag stuurt. Sturende arrangementen
gaan over het effectief inrichten van de context, zodat de uitvoering van de beweging
als vanzelf een duwtje in de goede richting krijgt. Sturende arrangementen
werken op twee verschillende manieren: ze lokken uit of ze dwingen.
Sturende arrangementen worden onderscheiden in ‘sterke’ en ‘zwakke’ situaties.
Sterke situaties zijn die situaties waarin vrijwel alle kleuters hetzelfde
bewegingsgedrag laten zien. Zwakke situaties zijn situaties die een grotere
diversiteit aan gedragingen laten zien, doordat de arrangementen minder
richtinggevend zijn in het sturen van het bewegingsgedrag.
׉	 7cassandra://ycFCk6rV0VdYkVbBHk39gDb0hqKBEjGQjWuJ_2agvao(`̵ X=䰉׉EqMOTORISCH LEREN
309
1
2
3
4
Gedwongen schuiven
Arrangementen en materialen hebben uitdagende, sturende, verleidende en
remmende kenmerken die een faciliterende maar ook een belemmerende
werking kunnen hebben op specifiek bewegingsgedrag.
Eindhouding leren
De leerkracht biedt de activiteit aan waarbij duidelijk wordt gemaakt hoe je
moet staan, zitten of liggen nadat je de beweging hebt uitgevoerd. Benadrukt
wordt, door de eindhouding daadwerkelijk te laten aannemen, hoe de
eindhouding van de beweging eruit moet ‘zien’ en hoe deze voelt.
VOORBEELD 7.14 GAAN STAAN ZOALS JE MOET UITKOMEN
Nogmaals het voorbeeld van het wendspringen, maar nu op een andere manier
aangeboden.
Meester Hans gaat met de kleuters wendspringen over de kast. De meester
geeft een voorbeeld waarbij hij de sprong zo maakt dat hij na afloop van de
sprong uitkomt met zijn beide handen op de kast en zijn gezicht ook naar de
kast. Nu vraagt hij Josje om hem even te helpen. Hij vraagt Josje precies zo
te gaan staan hoe hij stond: gezicht naar de kast en de handen op de kast
(de eindhouding). Daarna vraagt hij Josje te springen zodat zij uitkomt zoals
ze nu staat.
5
6
7
8
9
10
11
12
Foutloos leren
Bij foutloos leren (errorless learning) wordt een situatie gecreëerd waarin de
beweging altijd succesvol wordt uitgevoerd. Bij het foutloos leren gaat het
om het voorkomen van fouten. Er wordt wel gezegd ‘je leert van je fouten’
maar soms is dat niet zo handig. Niet alleen goede, ook foute uitvoeringen
van vaardigheden (learning by errors) die tijdens het leren optreden worden
opgeslagen. Bij het foutloos leren wordt geprobeerd een situatie te creëren
13
14
׉	 7cassandra://_LeSiWgpCbWAdFXJ55RcEEg8-un4zbfkDkndQ7hPKKE`̵ X=䰉X=䰉FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://iXvLWOExflwPX4I0Tk3dPi6rBWYAU8v4graPn2lXFAw `
׉	 7cassandra://zoU_3s1MNFZblPkRD60BqAUFQ3fZK2N-Z68Z1yMEWY0^"`T׉	 7cassandra://rmfKgj8hWqurj7GkjIzucY0V2fJ9LKkyKlwdW0GRKrc`̵ ׉	 7cassandra://IFInrLlub2F6OGqVNqX23xp2yVO7FNNh6pnDKUM6568͟g"͠X=䰉ט # #nu׉׉	 7cassandra://7tZTOe3Bfaf0Rr4p6i3_Mqt9YpaBURljzIPSuLo27_0 v`
׉	 7cassandra://tjrO8Ql19u_CMrwxNuGT6Y9L_3PVQCjqNdOx5ikskAcfo`T׉	 7cassandra://Uj23m4gZQFfRUcxBNNuePI8fSTmh8fkMyLqnCxXqrV4`̵ ׉	 7cassandra://7NUu0cdAoNOpPjIzyNgIqN0VzKx2y1zCInXcjIWmkGc͍"͠X=䰉׉E310
Altijd succesvol
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
Het verschil tussen beide vormen van leren, impliciet en expliciet, zit in
de mate van bewustheid van de beweegregels en processen die worden
Geen vormeisen
waarin een activiteit altijd succesvol wordt uitgevoerd. Na een aantal succesvolle
uitvoeringen wordt de situatie moeilijker gemaakt. Het voordeel
van foutloos leren is dat er nauwelijks instructie nodig is. Als lerende krijg
je optimaal de kans om de beste bewegingsuitvoering te vinden. Foutloos
leren is een methode die erop gericht is zelfevaluatie te verminderen door
de omgeving zo in te richten dat de kans op het maken van fouten heel
klein is, om vervolgens de taak stap voor stap een beetje moeilijker te
maken.
Je kunt bij foutloos leren bijvoorbeeld denken aan het mikken van een voorwerp
in een heel groot doel. Zo groot dat het doel niet te missen is. Op
deze manier wordt voorkomen dat er fouten worden gemaakt tijdens het
leerproces. Nadat deze oefening een aantal keer succesvol is uitgevoerd,
wordt het doel steeds een beetje kleiner gemaakt. Totdat de uiteindelijke
doelstelling is gerealiseerd.
Altijd raak
Normloos leren
Normloos leren is een term die je de laatste jaren regelmatig hoort. Het is
een wat vreemde eend in de bijt van het impliciete leren. Normloos leren
zegt namelijk niets over het proces dat ten grondslag ligt aan het leren. Het
geeft alleen aan dat er aan de uitvoering van een activiteit geen vormeisen,
geen normen worden gesteld.
Door geen eisen te stellen aan de uitvoering, zo is het idee, gaat het kind
minder nadenken over de uitvoering van de activiteit. Bij normloos leren
wordt de aandacht gericht op het doel van de oefening. In het beschreven
voorbeeld gaat het om het passeren van een hindernis. Door geen nadruk
te leggen op de wijze van uitvoering, wordt er geen beroep gedaan op het
opbouwen van expliciete kennis over hoe de beweging moet worden
uitgevoerd. De aandacht wordt gericht op het resultaat, het passeren van de
hindernis, van het bewegen.
׉	 7cassandra://rmfKgj8hWqurj7GkjIzucY0V2fJ9LKkyKlwdW0GRKrc`̵ X=䰉׉E
3MOTORISCH LEREN
gebruikt bij de uitvoering van een vaardigheid. De kern van het verschil is
dus de hoeveelheid kennis over de bewegingsuitvoering die je opdoet én die
je ook kunt verwoorden.
1
2
Van A naar B op vele manieren
Het verschil tussen impliciet en expliciet leren zit niet in de hoeveelheid en
gedetailleerdheid van de informatie en instructie die worden gegeven door
de leerkracht. Deze informatie zit aan de instructiekant en wordt wel directe
instructie genoemd. Het verschil zit in de mate waarin het kind een gedetailleerde
voorstelling opbouwt van de wijze waarop hij de beweging moet uitvoeren.
Impliciet
leren wordt ten onrechte wel benoemd als het aanleren van vaardigheden
zonder dat er instructies worden gegeven. Het is echter ook mogelijk
om een impliciet leerproces te stimuleren met instructies of een een
expliciet leerproces te bevorderen zonder het geven van instructies.
7.3.3
Differentieel leren
Het zogenoemde traditionele motorisch leren kenmerkt zich door het aanleren
van één ideale bewegingsuitvoering. Deze methode richt zich door talrijke,
identieke herhalingen op het inslijpen van bewegingspatronen. De beweger
probeert keer op keer het ideale plaatje te kopiëren. waarbij de rol
van de leerkracht vooral bestaat uit het corrigeren van afwijkingen van dat
bewegingspatroon.
Het aanleren van een beweging gaat vanuit deze visie stapsgewijs. De beweging
wordt via verschillende motorische leerfasen aangeleerd. De afwijkingen
die je ten opzichte van het ideaal maakt, zijn fouten die weggewerkt
moeten worden. Volgens deze traditionele methode bestaat motorisch leren
dus uit het terugdringen van afwijkingen van het ideale plaatje. De traditionele
methode gaat uit van een optimale bewegingstechniek, die voor ieder
individu zou gelden.
Nu blijkt het in de praktijk onmogelijk om individuen een perfecte uitvoering
aan te leren, aangezien er nu eenmaal verschillen zijn tussen personen en
binnen personen. Elk mens, elk kind voert een beweging op zijn eigen unieke
manier uit.
Dit is dan ook precies de reden dat binnen het ‘nieuwe’ motorische leren
gekozen wordt voor een andere methode. Een manier van leren, die deze
verschillen – Differenzen – juist centraal zet binnen motorische leerprocessen.
De differentiële methode gaat uit van het aanbrengen van variaties in
beweegpatronen. Je wordt gestimuleerd om je steeds aan de situatie aan te
passen. Het zorgt ervoor dat het brein actief blijft tijdens het leerproces.
(Schöllhorn e.a., 2009). De differentiële manier van motorisch leren zet juist
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
Aanbrengen van
variaties
14
311
׉	 7cassandra://Uj23m4gZQFfRUcxBNNuePI8fSTmh8fkMyLqnCxXqrV4`̵ X=䰉X=䰉FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://H0KTetikcA1pCcQZgyHntSSyrC3M96B4uYhRwAvUP2M `
׉	 7cassandra://-_EQykF6KUCaMQEtTD_68A8d9Iywlvrj-MweorcnwNEN2`T׉	 7cassandra://f40ySeyvB9WaKSiiZNxG5QJw7TxXxnVDGVngwFJqmlg`̵ ׉	 7cassandra://2DkHJ2RP3GPLTNScC2IvJdDT62O57_BzbH9w7bz6EaQx͠X=䰉ט # #nu׉׉	 7cassandra://vlf_bzDpSg2SF4wyXw-BjJdAQatZNk2tPCLV6ULCyNs ~B` 
׉	 7cassandra://yEUH-qm1OKgF9j7U8K9utLCTmer4zxPIM3QpvhMmYFoY	`T׉	 7cassandra://iE8VOHw8Q5ifZ8CwMarfTvUi42dcjD4G7ZS1_4Jacj8`̵ ׉	 7cassandra://hmjYszLuJFAp1DlbMNk-bAdDFcWfMSepDD1z8CxDAnoW͠X=䰉׉Ed312
Verschillen
centraal
de verschillen in het motorische leerproces centraal. In plaats van steeds
dezelfde bewegingen opnieuw uit te voeren, word je geconfronteerd met een
grote variëteit aan oefeningen en opdrachten.
1
2
3
4
5
6
Op verschillende manieren slaan
7
8
9
10
11
12
13
14
Op het voortgezet onderwijs heb je waarschijnlijk regelmatig softbal gespeeld.
Het slaan met een knuppel en zeker het gericht slaan is nog zo
makkelijk niet. Veelal zul je blij zijn geweest als je de bal weer had geraakt.
Deze activiteit kan worden verbeterd op basis van de principes van het
differentieel leren.
Vanuit de theorie van differentieel leren kunnen er variaties aangebracht
worden op drie elementen: taak, omgeving en individu. De aanpakmogelijkheden
zien er globaal als volgt uit.
De bewegingsvaardigheid van het slaan met een honkbalknuppel tegen een
bal kan verbeterd worden door:
• Een variatie in de taak. De knuppel kan vervangen worden door een tennisracket,
een hockeystick, een metalen buis, houten stok of zelfs een
tak van een boom.
De bal kan vervangen worden door een groter, kleiner, zwaarder
of trager exemplaar. Je zou ook andere voorwerpen kunnen wegslaan.
• Een variatie in de omgeving. De slagman staat op een stoel, een omgekeerde
krat of op een stip die is neergelegd.
• Een variatie aangebracht voor het individu. De slagman doet tien
kniebuigingen, draait vier rondjes of drukt zich zeven keer op en slaat
daarna de bal.
Differentieel leren heeft haar theoretische basis in de ecologisch-dynamische
systeembenadering. De onderbouwing ligt in de zelflerende en zelforganiserende
mechanismen van het leersysteem. Het leren van een activiteit
is afhankelijk van allerlei onderliggende regelsystemen. Dit houdt in dat de
optimale bewegingsuitvoering niet van buitenaf wordt opgelegd, maar zich
autonoom ontwikkelt op een voor het individu kenmerkende wijze. Het is be׉	 7cassandra://f40ySeyvB9WaKSiiZNxG5QJw7TxXxnVDGVngwFJqmlg`̵ X=䰉׉EMOTORISCH LEREN
langrijk deze mechanismen centraal te stellen en de ruimte te geven binnen
motorische leerprocessen en controleprocessen. Dit zelfregulerende systeem
is zeer goed in staat kleine verschillen in de bewegingsuitvoering waar
te nemen en ten opzichte van elkaar te vergelijken en te beoordelen. Arrangementen
en opdrachten waarin allerlei varianten van eenzelfde beweging
door elkaar heen worden aangeboden, stimuleert dit zelflerende vermogen.
7.3.4
Een handig overzicht
In tabel 7.1 zijn de verschillende vormen van expliciet, impliciet en differentieel
leren overzichtelijk samengevat. Ook wordt aangegeven op welk moment
in een leerproces welke vorm van leren het meest effectief is.
TABEL 7.1 Verschillende vormen van leren
Vormen van leren
Expliciet leren
2
3
Waar gaat het om?
Een kind is zich bewust van de
handelingen die uitgevoerd worden.
De aandacht is gericht op de
beweging zelf of op onderliggende
processen.
Vormen van leren die tot het expliciete leren worden gerekend.
Het aanbieden van de
gehele activiteit (whole
practice), ook wel
totaalmethode genoemd.
Deelbewegingen of
deelvaardigheid (part
practice), ook wel
deelmethode genoemd.
Manuele begeleiding
De activiteit wordt in zijn geheel
aangeboden. Het kind krijgt
duidelijke instructie en uitleg over
hoe de activiteit op de juiste
manier moet worden uitgevoerd.
De activiteit wordt niet in zijn
geheel maar in delen aangeboden.
De kern of de moeilijkheid van een
activiteit kan gedoceerd worden
aangeboden.
De leerkracht laat een beweging
voelen door delen van het lichaam
van een kind te bewegen. Het kind
gaat beter voelen hoe de beweging
moet worden uitgevoerd.
‘Droog’ oefenen
De activiteit wordt uit de context
waarin het normaal gesproken
wordt gebruikt, gehaald. De
activiteit wordt een aantal keer los
van de context geoefend.
De nadruk ligt op de technische
uitvoering van een beweging en niet
op het doel.
Vragenderwijs aanbieden De aandacht van het kind wordt
gericht op specifieke aspecten van
de te leren activiteit. Het kind krijgt
een beter en meer gedetailleerd en
genuanceerd beeld van hoe de
activiteit wordt uitgevoerd.
Voorbeeld
4
‘Pak de pittenzak met rechts vast, zet je
linkerbeen voor, kijk naar de kranten en gooi
de pittenzak weg’, zijn expliciete aanwijzingen
bij het raak gooien tegen kranten. ‘Weet wat je
doet.’
De instructie bij de wendsprong: ‘Let op: je loopt
aan, zet af met twee voeten tegelijk, zet twee
handen tegelijkertijd op de kast, springt over de
kast en landt met je gezicht naar de kast.’
Voordat kinderen vrij kunnen lopen bij
bijvoorbeeld voetbal, worden er eerst diverse
lummel- en tikspelen gespeeld.
Samen met een kind een ballon hooghouden
met een racket, door de hand van het kind
vast te pakken en samen de beweging uit te
voeren.
Een voorbeeld hiervan is het ‘droogzwemmen’.
Een zwemslag wordt op het droge geoefend
en niet in het water.
5
6
7
8
9
10
11
Vragen die je kunt stellen bij het maken van
de wendsprong:
‘Hoe landde je bij de wendsprong? Met
hoeveel voeten zette je af? Waar keek je naar
toen je landde?’
13
14
12
313
1
׉	 7cassandra://iE8VOHw8Q5ifZ8CwMarfTvUi42dcjD4G7ZS1_4Jacj8`̵ X=䰉X=䰉FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://TIYIwpggazPcFscGhfvfZ1hcUVWlVXs3I0rBp_5Ydw8 N` 
׉	 7cassandra://DPaj2sljjoOqWnNdJkovrr1sb9QLQAjrml9sgKiqaD0TR`T׉	 7cassandra://X6o2g1Ec99stXMrC2D9yyHk55ig6duTjLGwWyhxRwu8`̵ ׉	 7cassandra://aTT53ASRzYSMNnglclhUosBI6Tfok0gnCR7_CNcNwz4J͠X=䰉ט # #nu׉׉	 7cassandra://myhmfE9sTgyf00pdtitMB_cYlOHODj1HDMBKaDScGmI e` 
׉	 7cassandra://ScNkl_X_RGhY9wgGovnuCvoclKLwzk5LvLC6s4T-m6Y$`T׉	 7cassandra://SlFXcjX22AFXSDOQyhjqc_XF8IqY_nChjqi2zfMG0CU`̵ ׉	 7cassandra://FSy3jcuioWhHR6qqXB-PFSBmLNj3hhAq-lls1VvyzPg4͠X=䰉׉En314
Vormen van leren
Impliciet leren
1
2
3
Analogieleren
4
5
6
7
Foutloos leren
8
Normloos leren
9
10
11
12
13
14
• Een variatie in de omgeving
• Een variatie aangebracht door het
individu
Differentieel leren
Sturende arrangementen:
• uitlokkende
• dwingende
Eindhouding leren
Waar gaat het om?
De aandacht is hier gericht op het
effect van een activiteit op de
omgeving. Je bent je nauwelijks
bewust van wat er precies gebeurt
tijdens de bewegingsuitvoering.
Vormen van leren die tot het impliciete leren worden gerekend.
Observationeel leren
Het kijken of observeren tijdens
het bewegen in het algemeen.
Het gaat hier dus niet alléén om
het plaatje dat gegeven wordt tijdens
de les, maar ook dat de kleuters
tijdens het bewegen naar elkaar
kijken.
Het accent van de activiteit ligt
op het doel en niet op de
uitvoering. De activiteit moet
worden aangepast aan de
motorische mogelijkheden van een
kind.
Het arrangement op een bepaalde
manier inrichten zodat een
activiteit in een bepaalde richting
wordt gestuurd.
Hier wordt duidelijk gemaakt
hoe je moet staan, zitten of
liggen nadat je een beweging
hebt uitgevoerd. De eindhouding
wordt daadwerkelijk aangenomen.
Er wordt bij het foutloos leren een
situatie gecreëerd waarin een
beweging altijd succesvol wordt
uitgevoerd. Het gaat om het
voorkomen van fouten.
Door geen eisen te stellen aan de
uitvoering, gaat het kind veel
minder nadenken over hoe de
uitvoering van de activiteit in
elkaar zit.
Kleuter confronteren met een grote
variëteit aan oefeningen die alle
mogelijke oplossingen voor een
specifieke motorische taak
omvatten.
• Een variatie in de taak
Voorbeeld
Probeer wanneer je over de kast springt met je
neus richting de kast te landen. Je maakt
‘onbewust’ een wendsprong.
Lieke doet het diepspringen voor. ‘Zagen jullie
dat?’, zegt meester Wart.
‘Lieke sprong op de dikke mat, veerde door
haar knieën en de voeten staan iets uit elkaar.’
Bij de koprol naar beneden: ‘Maak je zo rond
als een bal.
Of land als een muisje bij het duikelen
voorover om de duikelstang.’
Tijdens het slootje springen de matten verder uit
elkaar leggen waardoor er verder gesprongen
moet worden.
‘Ga precies zo staan als ik heb laten zien:
voeten en neus naar de kast wanneer je landt
bij de wendsprong. Neem de houding aan
voordat je ‘echt’ gaat springen.’
Schop de bal van kleine afstand in het grote
doel. Wanneer dit altijd lukt, maak je het doel
iets kleiner. Lukt dit weer altijd, dan maak je
het doel weer kleiner.
‘Probeer steeds over de hindernis
(de kast) te gaan.’ De kinderen mogen zelf
weten hoe ze over de hindernis gaan.
Het gooien tegen de kranten variëren
door gebruik te maken van verschillende
materialen, afstanden en grootte van kranten.
De slagman krijgt ander slagmateriaal.
De knuppel kan vervangen worden door een
tennisracket of een ander voorwerp om mee te
slaan.
De bal kan vervangen worden door een groter,
kleiner, zwaarder of trager exemplaar.
Andere voorwerpen om weg te
slaan.
De slagman staat op een stoel of op een stip
die is neergelegd.
De slagman doet tien kniebuigingen, draait
vier rondjes of springt een aantal keer op de
plaats en slaat daarna de bal.
׉	 7cassandra://X6o2g1Ec99stXMrC2D9yyHk55ig6duTjLGwWyhxRwu8`̵ X=䰉׉EMOTORISCH LEREN
Verschillende vormen van impliciet, expliciet leren en differentieel leren zijn
besproken. Op welk moment je welke vorm het best kunt inzetten, wordt in
figuur 7.7, 7.8 en 7.9 aangegeven.
FIGUUR 7.7 Relatie expliciet leren en moment van effectief gebruiken
1
2
Vragenderwijs aanbieden
Droog oefenen
Manuele begeleiding
Deelmethode
Totaalmethode
5
Cognitieve fase
Associatieve fase
Autonome fase
6
FIGUUR 7.8 Relatie impliciet leren en moment van effectief gebruiken
7
Normloos leren
8
Foutloos leren
Eindhouding leren
Sturende arrangementen
Observationeel leren
Analogieleren
Cognitieve fase
Associatieve fase
Autonome fase
12
13
14
10
11
9
4
3
315
׉	 7cassandra://SlFXcjX22AFXSDOQyhjqc_XF8IqY_nChjqi2zfMG0CU`̵ X=䰉X=䰉FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://CywP6tmPh3NVugBr3RUP_Iabq8egNoMWUUe3yk6hkWk n`
׉	 7cassandra://ZhS_N_W-XF7vQJzJGaVF645nQqzXsxFjcWdJRwvCSaE1`T׉	 7cassandra://SKoepM_CQXNPMILJotVPY1weyBRHRZEzF6HTo2PgJHg\`̵ ׉	 7cassandra://fwe5tUvyjnEsl0Sl4i9HPbKVXdMq0ynYDtnHG6NOlIs͉̺͠X>䰉 ט # #nu׉׉	 7cassandra://D1JPWLLZKTbq_pefY2gqnAR0DeJQJENU4xU8BfM3PlU ` 
׉	 7cassandra://rwt0mwwxFTkt6-t7tOZznGBHSnO1iM_h-hZMWEjxuxgY5` T׉	 7cassandra://4Qlsc6pNFfwZzx-UpBppiib3lUbgTxExBOk56YJlrzI`̵ ׉	 7cassandra://YzlASuPhqIKezkKZ71LzgMD4S_su5uyN10G653u5HDM8͠X>䰉׉Eg316
FIGUUR 7.9 Relatie differentieel leren en moment van effectief gebruik
1
2
3
4
Cognitieve fase
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
7.3.5
Associatieve fase
Doen wat werkt
Het is niet zo dat gezegd kan worden: gebruik deze manier van instrueren
op het juiste moment in deze specifieke situatie en het komt goed. De bewegingswerkelijkheid
is complex en weerbarstig. Wel kan worden aangegeven
welke keuze in een bepaalde situatie een voor de hand liggende is en
daarmee de voorkeur geniet.
Autonome fase
Differentieel leren
Variatie in de taak
Variatie in de omgeving
variatie voor het individu
Eindelijk iemand
die het snapt
׉	 7cassandra://SKoepM_CQXNPMILJotVPY1weyBRHRZEzF6HTo2PgJHg\`̵ X>䰉׉E	nMOTORISCH LEREN
Doen wat werkt, is steeds het leidende motief bij praktische suggesties en
tips voor de praktijk. Met het benadrukken van het motto dat ‘niets zo praktisch
is als een goede theorie en niets zo theoretisch als een goede praktijk’,
is het bij het bewegingsonderwijs met kleuters een goede keuze om:
• veel gebruik te maken van observationeel leren: het is een van de oudste
vormen van leren en nog steeds heel krachtig en effectief
• terughoudend te zijn met verbale instructie en het uitleggen en toelichten
van vaardigheden
– bij het geven van aanwijzingen of accenten laat dit dan voornamelijk
landschappelijke aanwijzingen en accenten zijn
• gebruik te maken van de kracht van de context
– maak gebruik van arrangementen die sturend zijn voor het bewegingsgedrag
•
de voorkeur te geven aan meer impliciete vormen van leren
– waarmee niet gezegd is dat meer expliciete leervormen not done zijn
• de nadruk te leggen op het resultaat
– wees duidelijk en helder in wat de bedoeling is of welk effect een
bewegingsuitvoering op de omgeving dient te hebben
• ruimte te geven aan de intrinsieke vormen van feedback
– en het zelflerende vermogen niet te veel te (ver)storen door toegevoegde
feedback
• de vaardigheid in zijn geheel aan te bieden
– gebruik daarbij een ‘aantrekker’ of een metafoor
• gebruik te maken van variatie en herhaling
– dit komt de stabiliteit en de flexibiliteit en daarmee het leerresultaat
ten goede
In het onwaarschijnlijke geval dat dit verhaal wordt verfilmd, zo schrijft Kahneman
(2011) zou het systeem van het talige, cognitieve expliciete leren,
het systeem dat zichzelf de held waant, een bijrol krijgen. De gedachten en
handelingen die dit cognitieve systeem meent te hebben gekozen, worden
meestal ingefluisterd door de echte held: het zelflerend vermogen van het
impliciete leren dat veelal onzichtbaar haar werk doet.
§ 7.4
De motorische leercirkel
De motorische leercirkel die afgeleid is van de reflectiecyclus van Korthagen
is een praktisch hulpmiddel om het verloop van een motorisch leerproces
inzichtelijk te maken. De cirkel geeft inzicht in de verschillende momenten
bij het leren van een vaardigheid (Bloem, 2011, Korthagen, 2003, 2008).
De cirkel bestaat uit vijf stappen:
Stap 1 Doen
Stap 2 Terugkijken
Stap 3 Analyseren
Stap 4 Kiezen
Stap 5 (nogmaals) Doen
2
3
4
5
6
7
8
Zelflerend
vermogen
9
10
11
12
13
14
1
317
׉	 7cassandra://4Qlsc6pNFfwZzx-UpBppiib3lUbgTxExBOk56YJlrzI`̵ X>䰉X>䰉Fn)ׁ2 Motorisch leren "Avans+
Leergang bewegingsonderwijsX6~D