׉?ׁB!בCט  {u׉׉	 7cassandra://XgFE2wXkDyy9J3WxTuu_A6QJc7wG1my3DZKPgb8-cCI I`׉	 7cassandra://AhtzkuY_O5BLuqjcNvtQOnE9uBFTbmTuwXlxXj98GVQ|`S׉	 7cassandra://ARIVRXwJHD4GFplaGWV75FmP1EVu82ioTUS1ApALChM'`̵ fCSvט   {u׈   }\  נfCSv ̂9ׁH &mailto:pieter.vangoor@kienhuislegal.nlׁׁЈ׈EfCSv׉EColumn geschreven door:
Pieter van Goor,
advocaat huurrecht
pieter.vangoor@kienhuislegal.nl
088 - 480 41 83
Het is al een tijd onrustig rondom de verhuur van woonruimte. Met de invoering van de Wet goed
verhuurderschap, de Wet betaalbare huur en de Wet vaste huurcontracten zijn er nieuwe juridische
piketpaaltjes geslagen. Piketpaaltjes die een streep zetten door bepaalde verdienmodellen en die
de vrijheid van verhuurders van woonruimte (nog) verder inperkt. Met als gevolg dat verhuurders
op zoek gaan naar olifantenpaadjes en alternatieve oplossingen om de status quo te behouden.
Of dat standhoudt bij de rechter zullen we de komende tijd gaan zien.
Verhuur van woonruimte in
transitie: een nieuwe realiteit
Tegelijkertijd slaat ook de rechtspraak
nieuwe piketpaaltjes. In toenemende
mate toetsen rechters uit eigen
beweging of er oneerlijke bedingen in
huurovereenkomsten staan. Om die
bedingen vervolgens buiten toepassing
te verklaren.
Rechters zijn daar uit oogpunt van
consumentenbescherming toe verplicht
door Europese regelgeving. Een beding
is oneerlijk als het ‘in strijd met de
goede trouw, het evenwicht tussen
rechten en verplichtingen van partijen
ten nadele van de consument aanzienlijk
verstoort’. Bijvoorbeeld als een bepaling
de consument in een juridisch minder
gunstige positie plaatst dan de wet.
Zo sneuvelden er al verschillende
oneerlijke boetebepalingen en incassokostenbedingen.
Weliswaar vervelend
voor de verhuurder maar niet
onoverkomelijk. Dat werd anders toen
de rechter vorig jaar in de zogenaamde
‘Bouwinvest-uitspraken’ oordeelde
dat Bouwinvest huurverhogingen had
doorgevoerd op grond van een oneerlijk
huurverhogingsbeding (CPI + maximaal
3%). Met als gevolg dat het beding
volgens deze rechter nietig is, alle
huurverhogingen teruggedraaid moeten
worden en toekomstige huurverhogingen
niet mogelijk zijn. Hierdoor is de
huurder gedurende de looptijd van de
gehele huurovereenkomst enkel de
oorspronkelijke huurprijs verschuldigd
en moest deze verhuurder het teveel
betaalde terugbetalen.
Bouwen in het Oosten
Deze uitspraken raakten de gehele
vrije huursector. Het betreffende
huurverhogingsbeding staat namelijk
in het gros van de huurovereenkomsten
voor woonruimte. Het behoeft weinig
uitleg dat dit potentieel een enorme
impact heeft op het rendement en
de waarde van vastgoedportefeuilles.
In twee andere zaken zijn daarom
vragen gesteld aan de Hoge Raad
over de oneerlijkheid van het wijzigingsbeding
en de gevolgen daarvan.
Recentelijk heeft de adviseur van de Hoge
Raad hierover advies uitgebracht. Hij
komt tot de conclusie dat een bepaling
in de huurovereenkomst, die voorziet in
een jaarlijkse huurverhoging op basis van
CPI plus een opslag van maximaal 3%, in
het algemeen niet is aan te merken als
een oneerlijk beding. Dat geeft hoop voor
verhuurders. Vaak volgt de Hoge Raad
namelijk het advies van zijn adviseur.
Of de Hoge Raad dat ook nu doet moet
worden afgewacht.
Al deze ontwikkelingen maken duidelijk
dat verhuurders van woonruimte niet
zomaar een oud contract uit de kast
kunnen trekken. Wat verhuurders mogen
en moeten is immers flink veranderd. Zij
doen er verstandig aan om hun modelcontracten
weer eens goed tegen het licht
te houden en aan te passen waar nodig.
13
׉	 7cassandra://ARIVRXwJHD4GFplaGWV75FmP1EVu82ioTUS1ApALChM'`̵ fCSvfCSv{) !BIHO 2024 7 KIENHUIS LEGAL COLUMNfB}\0w