׉?<ׁB! =בCט # #nu׉׉	 7cassandra://YqL3liuDZT_y7LJS5Wk2jI7JIkRYlmCSPAFb5E_GWOsֱ` 
׉	 7cassandra://SfOslU_tF8aYqc4g8s0RDLu0ORfdTU5122uYMSTpnuE`T׉	 7cassandra://AZbcpMuTLg0BJF9zD5i6Ei7zWPkWD1hAJ0MlySNSEeM`̵ ׉	 7cassandra://RgTx-m0okvXFf4gn90xn5vWe5RIMzxi-DxMaw3mLRtM%͠W䰸$T3]vט   #nu׈         ׉EHoofdstuk 1W䰸$T3]w׉E Beter
spelen en bewegen
met kleuters
Mariska Beenhakker
Ger Gorissen
Theo de Groot
Renske Pals
Marco van Soest
Rolf Touwen
Eerste druk
THEMA, spelen met gedrag
׉	 7cassandra://AZbcpMuTLg0BJF9zD5i6Ei7zWPkWD1hAJ0MlySNSEeM`̵ W䰸$T3]xW䰸$T3]wFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://se3D_1eGbSbMWgmT7qA3JV5t3fMbKBJ7b8a-8do72h0 1?` 
׉	 7cassandra://c92Dq0-Y5ZiYmYVyP4MqIk7nVVA11o-sKnKvyMtziGA$` T׉	 7cassandra://JgU2vTjI4aZlyQDZUyAKPknkVePA3y0BBbtSWD5_9HE` ̵ ׉	 7cassandra://6XmHwr9PlVKFiNZUQyKxQz_CdMMbkrHRzE1dQ3rwFdA@ ͠W䰸$T3]|ט # #nu׉׉	 7cassandra://esdPLmgh17FxcXZU_A2-Jnh5Mc1GVr_sly9leZGIALU ` 
׉	 7cassandra://iOMvcyoKRHry3k-uFZwRH9b3VHvAt5Mc08oFDoowpQYP3`T׉	 7cassandra://QGo0y5wHqJfIP3NBFqmM9IE8gLNgBr_sAScBE6LCrAs/`̵ ׉	 7cassandra://-p8XUfmkGgz1ltGGZXzXdvb5zO1MSPd2Zlx1UFBY3JM4͠W䰸$T3]נW䰸$T3^. ̴D!9ׁHhttp://www.spelenmetgedrag.nlׁׁЈ׉EHoofdstuk 1xOntwerp omslag en druk: Het Boekenschap
Deze uitgave wordt ondersteund met een website
www.spelenmetgedrag.nl
met daarop:
• Lesvoorbereidingen
• Videofragmenten van praktijksituaties
• Voorbeeld jaarplan
• Samenvattingen per hoofdstuk
• Toetsvragen met feedback
• Verwijzingen naar relevante websites
© 2016 THEMA, spelen met gedrag
All rights reserved. No part of this publication may be reproduced, stored in a retrieval
system, or transmitted, in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying,
recording or otherwise without prior written permission of the publisher.
ISBN 978-90-825841-0-3
NUR 843
׉	 7cassandra://JgU2vTjI4aZlyQDZUyAKPknkVePA3y0BBbtSWD5_9HE` ̵ W䰸$T3]׉E	4Woord vooraf
Waarom dit boek?
Werken met kleuters is een vak apart en bewegingsonderwijs is een apart
vak. Die twee gecombineerd verdienen een eigen boek. Een bundeling van
veel bestaande theorie over kleuters, over het hoe en waarom van bewegingsonderwijs
en vooral over het vakkundig bewegen met kleuters.
De oorspronkelijke vraag voor dit boek komt bij de pabo’s vandaan, waar
iedere student die afstudeert bevoegd is om gym te geven aan kleuters.
Eindelijk een boek met de kennisbasis als uitgangspunt en aangevuld met
basiskennis in een boek samengevoegd: Beter spelen en bewegen met kleuters.
Doelgroep
Naast
pabostudenten is dit boek ook zeker geschikt voor een studie aan
sportopleidingen als de ALO of MBO Sport en bewegen (CIOS). Groepsleerkrachten
en vakleerkrachten bewegingsonderwijs die al voor de klas staan,
kunnen het gebruiken als verdieping of als naslagwerk. Dit boek voorziet
ook in de behoefte aan specifieke kennis voor fysiotherapeuten en pedagogen
die (gaan) werken met het jonge kind.
Visie in dit boek: uitgangspunten
Kleuters leren al spelend zichzelf en de wereld om hen heen kennen en begrijpen.
De negen criteria voor een goede bewegingsles, zoals beschreven in
dit boek, bieden jou als leerkracht de handvatten om tegemoet te komen
aan de basisbehoeften van kleuters. Tel de ‘leerkracht’ van het kind op bij
jouw eigen ‘leerkracht’ in een les bewegingsonderwijs met kleuters en ontwikkeling
en plezier zullen de uitkomst zijn.
De diversiteit in een groep 1-2 is groot. Door uit te gaan van de totale ontwikkeling
van de kleuter en de mogelijkheid te bieden tot impliciet leren
draagt het bewegingsonderwijs bij aan het vormen van zelfredzame en autonome
individuen. En ja daar hoort een blauwe plek of wat tranen zeker bij.
Bedankje
Dit boek is tot stand gekomen uit een intensief samenwerkingsverband van
experts. Er is veel en dankbaar gebruik gemaakt van bronnen en ideeën uit
het werkveld bewegingsonderwijs en studenten en professionals die werken
met het jonge kind. De auteurs hebben dit zo zorgvuldig mogelijk gedaan.
We bedanken iedereen die een bijdrage heeft geleverd aan dit boek. Met
name de leden van de klankbordgroep, Marco van Berkel en Iwan Specht,
en onze fotograaf Anna Boukema voor de foto’s. De foto’s illustreren het
theoretisch kader en leggen een duidelijke relatie naar de praktijk.
׉	 7cassandra://QGo0y5wHqJfIP3NBFqmM9IE8gLNgBr_sAScBE6LCrAs/`̵ W䰸$T3]W䰸$T3]FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://pN-uFUeHZgzSjITR6ey2UkvFI-glINtjxB7Cp5ufkl8 xa` 
׉	 7cassandra://5cTyOsoLeJxb4G_O9TSvYsFzHTOQowzWpHcA5KjzLbw;+`T׉	 7cassandra://kF4brcHKWOnQSrEkl7ipiAHYtqpMovhRBWQ94j2xCtg!`̵ ׉	 7cassandra://A_JYA5vBLkrcc46kWpI3zbLM6FZguxJGirPQ7CVzYkg7͠W䰸$T3]ט # #nu׉׉	 7cassandra://Nxp8qQkAPZqhiyL_McBLeDCBqEGMwd3cjAC8sEAtERY  ` 
׉	 7cassandra://KFliRDzM-lxeg72jba6115KNgvVUthaaZo9WDRsV3pE4`T׉	 7cassandra://VqRJKnALnukMeVwJLTqbfdvfpuaU-C7nXw1izGt9tQ0`̵ ׉	 7cassandra://UAAmP_GBl7Kh16NawYK_tdNLKVVs1HR9IKpXCA73SpQ%͠W䰸$T3]׉EHoofdstuk 1Inhoudsopgave
Studiewijzer
8
1
Belang bewegingsonderwijs met kleuters
1.1
Totale ontwikkeling
1.1.1 Domeinen
1.1.2 Lichaamsbesef en ruimtelijke oriëntatie
1.1.3
De kracht van de herhaling
1.1.4 Zone van naaste ontwikkeling
1.1.5
Impliciet leren
1.2
Geschiedenis van lichamelijke oefening
aan kleuters
11
12
13
17
21
22
23
Lichamelijke oefening toen, bewegingsonderwijs nu 25
1.2.1
1.3
1.4
1.2.2 De huidige bewegingscultuur
Legitimatie van het vak
1.3.1 Kerndoelen bewegingsonderwijs
1.3.2 Vakoverstijgende doelen
Motorische ontwikkeling
1.4.1
1.4.2
1.5
1.5.1
1.5.2
1.5.3
2
2.1
Fundamentele vaardigheden
Motorische vaardigheden
1.4.3 Vaardigheidslijnen
Rechten van de kleuter
Vrij spelen
Buitenspelen versus bewegingsonderwijs
Risicovol bewegen
Een goede les bewegingsonderwijs met kleuters
Het referentiekader
2.1.1
2.2
Eerste overwegingen
2.1.2 Voorkomen is beter dan …
Criteria voor een goede les
2.2.1 Bewegen; drang tot bewegen
2.2.2 Bewegen: zich competent voelen
2.2.3 Bewegen; gevarieerd aanbod
2.2.4 Bewegen; verhouding actie en rust
2.2.5 Bewegen; veel oefenbeurten en herhaling
Beleven; variatie in speelkriebels
2.2.6
2.2.7
2.2.8
2.2.9
2.3
2.3.2
Beleven; ruimte voor relatie en verbinding
met de ander
Reguleren; structuur en overzicht
Reguleren; zich autonoom voelen
De lesvoorbereiding
2.3.1
Lesvoorbereidingsformulier
A.A.R.D.E.G.
26
29
32
34
37
45
49
49
50
55
56
56
57
61
62
62
63
64
66
66
67
68
70
70
71
72
74
75
76
77
׉	 7cassandra://kF4brcHKWOnQSrEkl7ipiAHYtqpMovhRBWQ94j2xCtg!`̵ W䰸$T3]׉E2.4
2.5
De uitleg
2.4.1 De zes W’s
2.4.2 PAD
De les
2.5.1 Vraag 1: Wat zie ik?
2.5.2 Vraag 2: Wat vind ik ervan?
2.5.3 Vraag 3: Wat doe ik?
2.6
Evaluatie van de les
2.6.1
2.6.2
3
Evaluatie van de negen criteria
van een goede les
Evaluatie van de lesvoorbereiding
Leer-kracht van de leerkracht
3.1
Leidinggeven is leiding nemen
3.1.1
93
93
95
98
99
101
102
104
105
106
Instructie voor het opstarten van de les
3.1.2 Vormen van instructie vooraf
3.1.3
3.2
Organisatorische aspecten
3.2.1
3.2.2
3.2.3
3.3
3.4
3.3.2
Taakvormen
Begeleiding
3.3.1
Begeleidingsstijlen
CIOS-rollen
Omgangsvormen
3.4.1
3.4.3
3.5
4
4.1
3.4.2 Accent op gedrag op de dimensies
‘kunnen en willen’
Accent op interactiepatronen tussen
leerkracht en leerling
Gender bias
De leer-kracht van het kind
Leerbehoeften
4.1.1
4.1.2
4.2
4.3
4.1.3 De eigens
Leerstijlen
Skill-willmatrix
4.3.1
4.3.2
4.4
Motivatie
Mindset
4.3.3 Angst in bewegingssituaties
De acht van het brein
Leerhulp of extra instructie tijdens de les
3.1.4 Vormen van leerhulp of extra instructie
tijdens de les
Organisatievormen
Groeperingsvormen
111
112
112
114
116
118
123
124
134
138
139
140
141
142
Accent op drie basisbehoeften van kinderen 142
145
147
150
Speelkriebels
Modaliteiten
155
156
157
163
166
168
176
178
180
183
187
׉	 7cassandra://VqRJKnALnukMeVwJLTqbfdvfpuaU-C7nXw1izGt9tQ0`̵ W䰸$T3]W䰸$T3]FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://rFN7GVv0KBX00BG1_V7vWVwf2kzfjJLP1JwEsCtAS8U ` 
׉	 7cassandra://F8t4GjIbzJwybB5CLup-9eXB4OtIrLi8v7yNhOhNa7Q<K`T׉	 7cassandra://um581vXQqzW4JqB09ssI1uvwkyWc5jogAoGHQchmnRw6`̵ ׉	 7cassandra://wMa6sIB77vXXMPOSNa8qaDTvvIlvZ4ahTBAiyFUpy8A2͠W䰸$T3]ט # #nu׉׉	 7cassandra://av2Vv08HDdokpOXkOoI09Y146ii6ZoOPB6kS3675IZU j` 
׉	 7cassandra://dWfmJ40NEYWpq83MxLEmdMbJ-KMEUPc00E14IchstKc:\`T׉	 7cassandra://O7OY6n7wG5ZMIAssVxLff-jiRxhRTz4LQmZRCfSTfMcu`̵ ׉	 7cassandra://fS2SE3BGA0evRgY01BbR7e9nTxBaWMZJT-QTNhKXkdc.9͠W䰸$T3]׉EHoofdstuk 15
Motorisch-didactisch leermodel
5.1
Het zandlopermodel
5.1.1
5.1.2
5.1.3
5.2
5.2.2
5.2.3
5.3
De vier elementen
De vijf fasen van het motorisch-didactisch
leermodel
De factoren
Didactische keuzes, een mix van maatregelen
5.2.1
Doelen en bijvangsten
6 Wat is een kleuter?
6.1
6.1.2
6.2
6.2.1
6.2.2
6.2.3
6.2.4
6.2.5
6.2.6
6.3
7
Motorisch leren
7.1
7.2
Natuur- of cultuurbepaald?
6.1.1
197
198
199
208
215
220
Didactische keuzes – het complete plaatje 220
Didactische keuzes – halfvol of half leeg?
Didactische keuzes – een zoekplaatje
226
230
235
Nature versus nurture
Behoeftepiramides
6.1.3 Jongens en meisjes
Ontwikkeling van kleuters
Emotionele ontwikkeling
Sociale ontwikkelling
Lichamelijke ontwikkeling
Motorische ontwikkeling
Cognitieve ontwikkeling
Spelontwikkeling
Diversiteit aan kleuters
Wat is motorisch leren?
7.1.1 Kenmerken van motorisch leren
7.1.2
7.1.3
Aspecten van motorisch leren
Uitdagingen voor de praktijk
Oude theorieën gaan voorbij
Het driefasenmodel
7.2.1
7.2.2
7.3
7.3.1
7.3.2
7.3.3
7.4
7.5
8
Spelen met vrijheidsgraden
7.2.3 Dat was toen; hoe is het nu?
Nieuwe inzichten
Expliciet leren
Impliciet leren
Differentieel leren
7.3.4 Een handig overzicht
7.3.5 Doen wat werkt
De motorische leercirkel
Motorische competentie
Leerlijnen bewegingsonderwijs met kleuters
8.1
Het theoretische kader
8.1.1
8.1.2
Leerlijnen en bewegingsthema’s
Overige begrippen
243
244
244
247
255
259
260
262
265
269
271
274
279
285
286
286
288
291
292
293
297
299
302
302
305
311
313
316
317
323
327
328
329
333
׉	 7cassandra://um581vXQqzW4JqB09ssI1uvwkyWc5jogAoGHQchmnRw6`̵ W䰸$T3]׉E8.2
8.3
Van leerlijn tot TULE-doelen
Bewegingsthema’s uitgewerkt
8.3.1 Beweegtuin I – Klim- en klautertuin
8.3.2 Beweegtuin II – Mik- en jongleertuin
8.3.3 Beweegtuin III – Trucjestuin
8.3.4 Beweegtuin IV – Speltuin
8.4
9
Voorbeeldlessen in tuinen
Het bewegingsonderwijs in de organisatie
9.1
Het speellokaal
9.1.1
9.1.2
9.1.3
9.1.4
9.2
Rooster
Inrichting speellokaal
Algemene regels en afspraken
Kleuters in de grote gymzaal
Jaarplanning bewegingsonderwijs
9.2.1 Een simpele rekensom
Bronnenboeken
9.3
Zorgverbreding en passend onderwijs
9.3.1
9.3.2
9.3.3
9.3.4
10
Fase 1 – Waarnemen
Fase 2 – Begrijpen
Fase 3 – Plannen
Fase 4 – Realiseren
Bewegen in de brede context
10.1
10.2
De brede context begrensd
10.1.1 Bewegingsruimtes in en rond de school
10.1.2 Tot en met groep 8
Het schoolplein nader bekeken
10.2.1 Belang schoolplein in de brede context
10.2.2 Soorten schoolpleinen
10.3
10.2.3 Inrichten van schoolplein in de praktijk
10.2.4 Beweeg- en speeltijd optimaal benut
10.2.5 Leerlijnen naar buiten gebracht
Sport- en spelactiviteiten schoolbreed
10.3.1 Criteria keuze sport- en spelactiviteiten
10.3.2 Sport- en spelactiviteiten
in en rond de school
Begrippenlijst
Literatuurlijst
Illustratieverantwoording
Register
Over de auteurs
336
339
339
343
351
370
388
395
396
396
397
400
402
402
402
9.2.2 Methoden bewegingsonderwijs met kleuters 404
9.2.3
414
419
422
423
424
424
429
430
430
435
447
447
449
454
458
459
460
461
464
471
485
496
497
504
׉	 7cassandra://O7OY6n7wG5ZMIAssVxLff-jiRxhRTz4LQmZRCfSTfMcu`̵ W䰸$T3]W䰸$T3]FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://YprjWft8HQ0LM3lOgNTcdroSTVhd42W0_DeCZQhB0Q0 JJ` 
׉	 7cassandra://Vx1qzrFc6S_lKdDNOdL9nXGWpaDMq8V13lGj8Zwt73Ig`T׉	 7cassandra://bfZ0J5tXPr5Q9-TFKaASWIbVV80zx-_ZW_iIJfwUErg	`̵ ׉	 7cassandra://qs6vd-2eCxJP2oEmHU7_Jz021ZL9FbnROsF2YYWifhs- ͠W䰸$T3]ט # #nu׉׉	 7cassandra://v8jqBceJrBsu2FiHmmOnrqIH0Lv9nvTg1U6gd1O0jig R` 
׉	 7cassandra://fkYvOoDuXLHovgKG8xiFYVXD0iAm29SYMZ2yuavSEIgjj`T׉	 7cassandra://yAZ_AlJlEm4ryUWrQ_c4Z23l_jYeRv6h6inrWc_EhPk`̵ ׉	 7cassandra://Z1rGVdmMeeBGKp9sFVgGN70uFpDN2fK-yZj2YyyPuNw+ ͠W䰸$T3]׉EHoofdstuk 1Studiewijzer
Een boek. Tien hoofdstukken. 504 bladzijdes. Afhankelijk van jouw studie,
interesse of vraag kan je gebruikmaken van de inhoud in dit boek, die niet
noodzakelijkerwijs opeenvolgend of in z’n totaliteit gelezen of geleerd moet
worden. De kennisbasis zal verplicht zijn vanuit de opleiding. Welke basiskennis
je verder in jouw rugzak stopt, is persoonlijk.
In hoofdstuk 1 wordt inzicht geboden in het bewegingsonderwijs van toen en
nu en de huidige kijk op onze bewegingscultuur. In de loop der jaren is er
veel veranderd in het kleuteronderwijs. Goed bewegingsonderwijs met kleuters
gaat uit van de totale ontwikkeling van een kind. De raakvlakken en integratie
met de andere vakken in het onderwijs worden behandeld. De legitimatie
van het vak wordt aan de hand van de landelijk vastgestelde
kerndoelen voor het basisonderwijs beschreven. Het verschil tussen motorische
ontwikkeling en de ontwikkeling van motorische vaardigheden wordt
uitgelegd en er wordt ingegaan op de rechten van een kleuter.
In hoofdstuk 2 komen de negen criteria voor een goede les bewegingsonderwijs
met kleuters aan bod. Deze worden direct gekoppeld aan de lesvoorbereiding,
de les en de evaluatie van de bewegingsles. Er worden drie verschillende
invalshoeken om naar de bewegende kleuters te kijken geschetst. De
drie observatietorens en de drie centrale vragen, wat zie ik, wat vind ik ervan
en wat doe ik?, die je als leerkracht tijdens de les kunt inzetten worden
uitgewerkt. Het hoofdstuk wordt afgesloten met de evaluatie. Na afloop van
een gegeven les kijk je terug naar hoe de gehele les is verlopen. Wat ging
goed, wat mag en kan anders?
In hoofdstuk 3 lees je over de LEER- kracht, de mogelijkheden en tools, die
jij als leerkracht tot je beschikking hebt voor een goede les bewegingsonderwijs
met kleuters. Leiding geven is keuzes maken. Keuzes in instructiestijlen,
organisatievormen en in jouw manier van begeleiden. Tot slot wordt ingegaan
op de, vaak onbewuste, kijk op de verschillen en overeenkomsten
tussen jongens en meisjes.
Hoofdstuk 4 gaat over de LEER- kracht van de leerling. Een kind is in de basis
volledig toegerust voor zijn eigen ontwikkeling. Deze kind-KRACHT ontstaat
vanuit drie psychologische basisbehoeftes (relatie, competentie, autonomie).
De kleuter is intrinsiek gemotiveerd om te leren. De mogelijkheden
om deze kind-KRACHT van de intrinsiek gemotiveerde kleuter volledig te benutten
en tot zijn recht te laten komen lees je in dit hoofdstuk. Je leest over
verschillende leerbehoeften, individuele speelkriebels, modaliteiten en de
vier eigens. De leerstijlen die worden gebruikt om informatie te verwerken
en de skill-willmatrix worden toegelicht. Het hoofdstuk sluit af met de nieuwe
inzichten over breinleren in relatie tot de motorisch lerende mens.
In hoofdstuk 5 wordt een didactisch leermodel geschetst dat houvast biedt
bij de dagelijkse onderwijspraktijk. Dit zandlopermodel bestaat uit drie componenten
en biedt overzicht in hoe een leerkracht het leren kan stimuleren
׉	 7cassandra://bfZ0J5tXPr5Q9-TFKaASWIbVV80zx-_ZW_iIJfwUErg	`̵ W䰸$T3]׉E	in de praktijk. De belangrijke begrippen en vertrekpunten worden besproken
en met praktijkvoorbeelden toegelicht. Belangrijk voor jou als leerkracht is
wat gemaakte keuzes voor consequenties hebben. Tot slot wordt er gesproken
over doelen en bijvangsten.
Hoofdstuk 6 gaat over de diversiteit aan kleuters. De ontwikkeling van kleuters
wordt bekeken vanuit twee referentiekaders, nature en nurture. De
twee behoeftepiramides zoomen in op twee verschillende culturen en er
wordt uitgebreid stilgestaan bij de verschillen tussen de jongste en oudste
kleuter. In dit hoofdstuk lees je hoe je hiermee rekening kunt houden naast
de verschillen die kleuters laten zien in de fysieke, motorische, cognitieve,
sociaal-emotionele en spelontwikkeling. Tot slot wordt passend onderwijs
voor kleuters besproken, de verschillen tussen jongens en meisjes en kinderen
met specifieke onderwijsbehoeften.
In hoofdstuk 7 wordt dieper ingegaan op het motorische leren van vroeger
en nu. Wat is motorisch leren en welke aspecten bij het leren van motorische
vaardigheden spelen een rol? Naar aanleiding van belangrijke begrippen
wordt een vertaalslag gemaakt naar de praktijk met kleuters. De motorische
leercirkel wordt als praktisch hulpmiddel om naar motorisch leren te
kijken besproken. Ter afronding wordt de relatie tussen motorische ontwikkeling
en het motorisch leren nader bekeken.
In hoofdstuk 8 lees en leer je over de 12 leerlijnen die vallen onder kerndoel
57 van de SLO. Het theoretisch kader achter de landelijk erkende Tussendoelen
van de Leerlijnen (TULE) wordt geschetst aan de hand van kernbegrippen
als leerlijnen, bewegingsthema’s, kernactiviteiten en bewegingsuitdagingen.
De leerlijnen worden in vier beweegtuinen onderverdeeld,
waardoor een overzichtelijk en leerbaar schema ontstaat dat houvast biedt
tijdens de studie. In de praktijk helpt het bij het uitwerken van gevarieerde
en uitdagende bewegingslessen waarin voldoende speelkriebels voor de
kleuters zitten. Een begrip dat nader uitgelegd wordt.
Hoofdstuk 9 gaat over bewegingsonderwijs met kleuters bekeken vanuit de
organisatie binnen de school. De verantwoordelijkheid van de directie, in samenspraak
met de leerkrachten, dat het speellokaal en de inrichting ervan
op orde is en de gebruiksregels helder zijn en worden nageleefd. Het hoofdstuk
biedt een voorbeeld om het jaarplan bewegingsonderwijs in te vullen
en geeft informatie over beschikbare methodes en bronnenboeken. Tot slot
komt de zorgverbreding binnen het bewegingsonderwijs aan bod. Een verantwoordelijkheid
van het gehele team.
Hoofdstuk 10 behandelt het bewegen in de brede context. De bewegingsruimtes
die in en om de school bruikbaar zijn voor bewegingsactiviteiten.
Verder wordt de overgang van kleuter naar groep 3 toegelicht vanuit psychomotorisch
perspectief. Gekeken wordt naar het spelen op het plein met
kleuters en de oudere schoolkinderen. Verschillen in leeftijdsgroepen en de
specifieke behoeftes komen hier aan bod. Verscheidene beweegactiviteiten
worden georganiseerd door meerdere partijen rondom de school. Dit hoofdstuk
zoomt in op lokale en landelijke initiatieven.
Gebruik dit veelomvattende boek over bewegingsonderwijs met kleuters als
studieboek, verdieping, naslagwerk of leidraad. Maar vergeet niet: het echte
leren gebeurt uiteraard in de praktijk. Veel plezier met de kleuters!
׉	 7cassandra://yAZ_AlJlEm4ryUWrQ_c4Z23l_jYeRv6h6inrWc_EhPk`̵ W䰸$T3]W䰸$T3]FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://hEj_4sLkdfZYcrwDDvP05IBvr7K_kGhj_hD_SIY-124 `
׉	 7cassandra://vzAxVbK1WeZWOqyE7WF6dalOI3hnEdy73nIxlD2yybU;`T׉	 7cassandra://dl4SmZzLbSJG4afFwHYIukKC_2f4kGm94TR98_TDVqk`̵ ׉	 7cassandra://lB8wAR4XPYfXotWGFwI6-NIvbAfYjVl4MdkKhSRxkC4 #l͠W䰸$T3]ט # #nu׉׉	 7cassandra://dD8Vx7VdrzqFXl4zbU0gi1XK2dt0k0a_x5l_UPTyMck ` 
׉	 7cassandra://jKmp3atF_6GFUxJJbwqxk6sB6hnF1ntmXAzvX8ofg4cK``T׉	 7cassandra://qxQGK51X3jT5IvVtii6IOjn5FPbwz7jWpe5TqDg9e7c`̵ ׉	 7cassandra://uUzySF6H5lE7cSlE9AwKCD6ARB8NmK1mO9QevYQkYvUM͠W䰸$T3]׉EHoofdstuk 110
׉	 7cassandra://dl4SmZzLbSJG4afFwHYIukKC_2f4kGm94TR98_TDVqk`̵ W䰸$T3]׉Ea11
1
1
Belang
bewegingsonderwijs
met kleuters
1.1
1.2
1.3
1.4
1.5
Totale ontwikkeling
Lichamelijke opvoeding toen, bewegingsonderwijs nu
Legitimatie van het vak
Motorische ontwikkeling
Rechten van de kleuter
Wat is eigenlijk het belang van bewegingsonderwijs met kleuters (paragraaf
1.1)? Gymmen is veel meer dan bewegen alleen. Goed bewegingsonderwijs
met kleuters gaat uit van de totale ontwikkeling van een kind. In de loop der
jaren is er veel veranderd in het onderwijs, ook voor het kleuteronderwijs in
het speellokaal (paragraaf 1.2). Paragraaf 1.2 biedt inzicht in de lichamelijke
opvoeding van ‘toen’ en de huidige kijk op onze bewegingscultuur. Bewegingsonderwijs
is een apart vak en het is een vak apart om bewegingsonderwijs
te geven. De legitimatie van het vak (paragraaf 1.3) wordt aan de
hand van de landelijk vastgestelde kerndoelen voor het basisonderwijs beschreven.
Ook de raakvlakken met andere vakken in het onderwijs worden
behandeld. Het verschil tussen motorische ontwikkeling en de verschillende
motorische vaardigheden wordt in een aparte paragraaf uitgelegd (paragraaf
1.4). Deze termen worden vaak door elkaar gebruikt, maar moeten zeker bij
bewegingsonderwijs met kleuters heel duidelijk gescheiden worden. Tot slot
wordt ingegaan op de rechten van een kleuter (paragraaf 1.5). Hoe klein ze
ook zijn, ook kleuters hebben fundamentele rechten binnen het spelen en
bewegen.
OPENINGSCASUS
‘Geef jij morgen de gymles?’ vraagt juf Loes van groep 1-2 aan haar LIO-stagiair.
‘Ja, leuk!’, zegt Paul. ‘Maakt het uit wat ik ga doen?’ ‘Moet ik ergens
rekening mee houden?’ vraagt hij nog vlak voor hij naar huis gaat. ‘De eerste
keer niet. Vul het maar in zoals jij denkt dat het goed is. In de kast staat
een map met ideeën en in het speellokaal kun je kijken welke materialen we
hebben’, antwoordt de leerkracht.
13
14
7
8
9
10
11
12
2
3
4
5
6
׉	 7cassandra://qxQGK51X3jT5IvVtii6IOjn5FPbwz7jWpe5TqDg9e7c`̵ W䰸$T3]W䰸$T3]FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://VvtnFkE7SJOxom12syyA9Y9NyAuOo25SJkqLNcrkTKw #9` 
׉	 7cassandra://-4OCC0nZl776t5_mHIynWIvnu2TZXyHHfPinzHlEAwcd`T׉	 7cassandra://Z23FP6IoyET5M_j6ESj9U9TskRY5VLnLVJjBkhQNBNQ`̵ ׉	 7cassandra://psNQuCMqTTniadN1oEppUiXWAxfvmbmvl8YX2XUn-sgS͠W䰸$T3]ט # #nu׉׉	 7cassandra://1NNhLFIDDO14cTozIH2BQhDbVM9UPMvkOmQHDs6nYy4 Nf`
׉	 7cassandra://MYLNSv0mFrbDCQuzP3Aax6MKEf7bKNUaPe0zpQUG9-EN`T׉	 7cassandra://UxnceVXKCwhuRmD3RU8lB690ldm_xyPQ8eXR2aKIIkw`̵ ׉	 7cassandra://kOZ5yYP6t2bf0fFfJh2rX5NPzxT71JSyqd2nIQw0AIk !$͠W䰸$T3]׉E
{12
1
2
§ 1.1
3
4
5
6
7
8
9
Spelend leren
10
11
12
13
14
Een logische omschrijving, maar ook een te beperkte rol die toebedeeld
wordt aan het bewegingsonderwijs in de totale ontwikkeling van kleuters.
Kleuters en peuters zijn voortdurend in beweging, letterlijk en figuurlijk. De
wereld is voor hen een grote speelplaats. Er valt zoveel te ontdekken en er
gaat een wereld voor ze open, elke dag weer. De totale ontwikkeling van
kleuters hangt samen met het spelend en bewegend leren. Kleuters zijn
doeners. Vanuit het spel, het actief bezig zijn, de rollenspellen en fantasie
ontdekken 4- tot 6-jarigen zichzelf en de wereld om hen heen.
Het bewegingsonderwijs neemt in dit spelend leren een belangrijke plek in.
Het belang van bewegingsonderwijs met kleuters alleen bekijken vanuit het
motorische domein lijkt dan ook een gemiste kans. Verschillende wetenschappelijke
onderzoeken komen tot positieve effecten van beweging op de
motorische, cognitieve en sociale ontwikkeling (Payne & Isaacs, 2007). Een
bewegend kind lijkt een gezond kind. Het is dan ook niet verwonderlijk het
thema ‘bewegen’ een belangrijke plaats in te laten nemen in de opvoeding
van peuter en kleuter tot basisschoolkind en uiteindelijk tot volwassene.
De ‘Oei, ik groei’-sprongetjes (Plooij, 2004) die ze maken volgen elkaar in
hoog tempo op. In de kleuterperiode worden veel vaardigheden en inzichten
ontwikkeld via spel en actief bezig zijn. Kleuters gebruiken al dat spelen en
bewegen als middel om zichzelf te ontdekken (lichaamsbesef), de omgeving,
de ander en alle verhoudingen (ruimtelijke oriëntatie) daartussen. Het is belangrijk
om bij kleuters ontwikkelingsdoelen na te streven om hen ten volle
te kunnen laten ontwikkelen. Het bewegen als ontwikkelingsgebied hangt
nauw samen met de andere domeinen: cognitief, emotioneel en sociaalaffectief.
Van een, soms nog, totale afhankelijkheidspositie van volwassenen
naar steeds meer zelf doen. Dat begint al bij het omkleden voor de
gymles. Eerst zelf proberen, durven vragen om hulp en elkaar helpen zijn
Kennisbasis
Totale ontwikkeling
In de Kennisbasis Lerarenopleiding Basisonderwijs staat:
Bewegingsonderwijs is erop gericht leerlingen
bekwaam te maken voor een blijvende,
perspectiefrijke, zelfstandige en verantwoorde
deelname aan de bewegingscultuur.
Op de fiets naar huis gaat er van alles door Paul zijn hoofd. Een heel leuke
opdracht, maar hoe ga ik dat aanpakken? Op de pabo-opleiding hebben we
het hier uiteraard al over gehad. Maar hoe houd ik 28 kleuters drie kwartier
bezig? Wat ga ik ze dan leren? Wat voor spelletjes vinden ze leuk? Ze spelen
al elke dag buiten en ze bewegen al zo veel. Wat is dan de bijdrage van
een gymles?
׉	 7cassandra://Z23FP6IoyET5M_j6ESj9U9TskRY5VLnLVJjBkhQNBNQ`̵ W䰸$T3]׉EBELANG BEWEGINGSONDERWIJS MET KLEUTERS
belangrijke stappen in de ontwikkeling van kleuters. Het onderwijs stuurt
aan op zelfstandige, onafhankelijke en zelfbewuste individuen die kunnen
functioneren in een groep. Het bewegingsonderwijs speelt hier een enorme
rol in door ze in hun zone van naaste ontwikkeling aan te spreken, hun de
mogelijkheid te geven tot impliciet leren en de kracht van de herhaling
te gebruiken. Immers: ‘zonder bewegen kom je nergens’.
13
1
2
3
4
5
6
Zelfstandig leren omkleden
1.1.1 Domeinen
Ieder kind heeft zodra het geboren wordt een neurobiologische basis tot zijn
beschikking. Een genetische basis waarin nog geen verschillende ontwikkelingsdomeinen
zijn te onderkennen. Zo rond de peuterleeftijd gaan de aparte
ontwikkelingslijnen zichtbaar worden. Langzaam is een onderscheid te
maken tussen het lichamelijke, cognitieve en emotionele domein. Uit het
emotionele domein ontwikkelt zich het vierde domein: het sociale.
FIGUUR 1.1 Ontwikkelingsdifferentiatie
Genetisch-biologisch
K
I
N
D
Neurobiologisch
14
Lichamelijke ontwikkeling
Cognitieve ontwikkeling
Sociale ontwikkeling
Emotionele ontwikkeling
11
12
13
Ontwikkelingsdomein
9
10
7
8
׉	 7cassandra://UxnceVXKCwhuRmD3RU8lB690ldm_xyPQ8eXR2aKIIkw`̵ W䰸$T3]W䰸$T3]FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://3r4oqQ97IhxGCWHt_bphcc5g2ipIH6ZE-TzoacuIMno ` 
׉	 7cassandra://8j0PlmERJ4o8OAGNbHTqPB75r-xtYSAjeJo1tWlV2b0c@`T׉	 7cassandra://dL44hf0zypXy6njuaHkambL-KErhBThK6BrvfjQ75mIQ`̵ ׉	 7cassandra://iShtEdnHiJKLsO9E4NCyjjOYPSNexf8zDtMFTtRjz8s4͠W䰸$T3]ט # #nu׉׉	 7cassandra://bjDf8bx8vDuash4xqs9aP9rVNxl7Pd8qouY9ocue4dg g` 
׉	 7cassandra://W-pM2OiBODE3G04MAIWsf2bAu6DxIK09GqUkMSY_7lQb>`T׉	 7cassandra://G4qq06stBgulQb2b-2vWou8sQvXq7FhqYLSf6Isbp1Q`̵ ׉	 7cassandra://HB-hzvur7p9bsdVa-QYOZnM8ECiQH5e7b9kEUNq5IlE6͠W䰸$T3]׉E14
1
2
Wisselwerking
met omgeving
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
Verwevenheid
14
VOORBEELD 1.1 TON WORDT BOOS
Ton wil net als de andere kinderen in het groepje heel graag met de grote
basketbal stuiteren (motorisch). Hij probeert het een aantal keer, maar de
bal rolt steeds weg. Een keer stuiten lukt, maar dan is die bal weer weg. De
juf kent Ton al wat langer, dus loopt alvast zijn kant op. Ton en iets dat nog
niet echt lukt, gaat niet zo goed samen. Ton wordt boos (emotioneel). Hij
schopt en duwt de ballen van de andere kinderen weg. Hij wordt boos op
zijn eigen bal en dan gaat hij zitten, met z’n armen over elkaar. ‘Ik doe niet
meer mee (sociaal). Dit is echt een stom spel.’ De juf gaat ernaast zitten en
laat hem even uitrazen. Zodra hij weer iets rustiger is, heeft ze weer een
opening om te kijken of ze samen een stapje verder kunnen komen. ‘Je mag
best boos zijn, maar daar hoeven de anderen geen last van te hebben. Prima
als je er even uitstapt, maar gaat het dan beter lukken? Wat zouden we
kunnen proberen zodat het beter gaat lukken?’ (cognitief)
Wederzijdse
beïnvloeding
De sociale, de emotionele, de cognitieve ontwikkeling en de motorische
ontwikkeling hangen, zoals beschreven door de traditionele ontwikkelingstheorieën,
samen. Op deze leeftijd zijn de verschillende domeinen van de
ontwikkeling nauw met elkaar verbonden. De omgeving is van invloed op
de verschillende domeinen en evenzo zijn deze domeinen van invloed op
de omgang met de omgeving.
Biologische factoren blijken in de kleuterjaren ook nog een belangrijke rol te
spelen, maar er is geen ontwikkeling mogelijk – zelfs niet in de heel vroege
ontwikkeling – zonder de wisselwerking met de omgeving. Ook in de latere
jaren blijven biologische factoren een rol van betekenis spelen. Voor de optimale
ontwikkeling die wordt begrensd door de biologische mogelijkheden is
een bewegingsrijke context nodig die de noodzakelijke prikkels kan bieden.
Deze leeftijdsperiode wordt immers gekenmerkt door onder andere de ontwikkeling
van fundamentele motorische vaardigheden. Deze vaststelling
maakt een brede opvatting van het onderwijs in bewegen met kleuters een
noodzaak.
Goed bewegingsonderwijs met kleuters omvat dan ook zoveel meer dan alleen
aandacht voor het motorische en fysieke aspect van de ontwikkeling.
Een normale ontwikkeling treedt alleen op als er adequate interactie is tussen
de kleuter en de omgeving. Veel ontwikkelingsaspecten en ontwikkelingstaken
zijn op deze leeftijd (nog) samengesteld uit twee of meer van
deze hoofddomeinen, zoals spel-, taal- en gewetensontwikkeling. Zo doen
wij het hier op school. Zo zijn onze manieren. Zo gaan wij met elkaar en de
omgeving om. De ontwikkelingsdomeinen beïnvloeden elkaar onderling. ‘Problemen’
binnen een van de domeinen zullen dan ook vaak gevolgen hebben
voor de andere domeinen.
Problemen en eventuele achterstanden in de ‘motorische’ ontwikkeling kunnen
leiden tot een vicieuze cirkel van inactiviteit. Dit kan door de verwevenheid
van de verschillende domeinen negatieve gevolgen hebben voor het sociale
en psychologische functioneren van het kind. Ook kan een achterstand
leiden tot een negatieve zelfwaardering en minder competentiegevoelens.
Het blijkt dat een achterstand in bewegen ontstaat door onvoldoende explo׉	 7cassandra://dL44hf0zypXy6njuaHkambL-KErhBThK6BrvfjQ75mIQ`̵ W䰸$T3]׉EBELANG BEWEGINGSONDERWIJS MET KLEUTERS
ratie en verkennende activiteiten en daardoor onvoldoende tot ontwikkeling
gekomen fundamentele motorische vaardigheden, wat een grote invloed kan
hebben op een of meerdere andere ontwikkelingsdomeinen. Deskundigen
wijzen erop dat het ‘motorische probleem’ in steeds grotere cirkels om zich
heen grijpt en van invloed is op het domein van sociale en cognitieve vaardigheden
en taken. Een probleem op het ene vlak heeft effect op het hele
kind, aangezien de verschillende domeinen met elkaar verweven zijn.
De ontwikkeling krijgt vorm in differentiatie en integratie van de verschillende
domeinen, wat onder meer zichtbaar wordt in het bewegen en de motoriek.
Het samenspel tussen biologische factoren en omgevingsfactoren is
intensief. Zonder dit samenspel is er geen ontwikkeling mogelijk. De mate
waarin verschilt in de diverse leeftijdsperioden en kan specifiek zijn voor
een bepaald ontwikkelingsdomein. De ontwikkeling kent als het ware een
script waarin zich gevoelige perioden bevinden en waarin behoefte is aan de
juiste stimulatie. De kleuterperiode is juist zo’n periode waarin de ontluikende
taal en begrippen heel effectief aan elkaar kunnen worden gekoppeld en
waar ervaringen en de mogelijkheden met het lijf in de ruimte hun beslag
krijgen en worden geïncorporeerd.
Zich normaal ontwikkelende kleuters laten in een normale prikkelende omgeving
dan ook een min of meer voorspelbare ontwikkeling zien. Uiteraard is
ieder kind anders, maar de grote lijn is dan zichtbaar hetzelfde. Het merendeel
van de kinderen gaat omrollen, zitten, staan en uiteindelijk lopen. Een
dergelijke lijn is ook te ontdekken binnen het onderwijs op deze leeftijd. Zowel
in het klaslokaal als in het speellokaal.
VOORBEELD 1.2 SAMEN SPELEN IS SAMEN DELEN
De meester heeft ook vandaag het speellokaal in vieren verdeeld. Hier op
school noemen ze dat speeltuintjes. Vandaag heeft de meester in het ballentuintje
maar drie ballen neergelegd. Hij legt ook uit dat er meer kinderen
zijn dan dat er ballen zijn, dus je kiest vandaag een maatje (sociaal) om samen
de kegels mee om te rollen (motorisch). De een rolt, de ander telt de
puntjes en zet ze weer rechtop. Daarna mag je wisselen. Robin is samen
met Anke. Dat kwam zo uit, want de anderen hadden al een maatje gevonden.
Robin is nog maar net op school en kent nog niet alle regeltjes en samen
een bal delen, dat is natuurlijk helemaal raar. Zodra Robin is geweest
en Anke de kegels netjes heeft teruggezet, wil zij graag rollen. Robin denkt
daar anders over. Hij rolt gewoon weer en gaat weer zelf de bal halen om
nog een keer te kunnen. Anke houdt Robin tegen en vertelt hem dat het zo
niet moet. Nu mag zij. Maar Robin geeft de bal niet. Die bal is van hem.
Anke probeert het nog een keer, maar helaas. Ze loopt gefrustreerd (emotioneel)
naar de meester, misschien dat de meester het Robin nog een keer
kan vertellen. Anke weet allang (cognitief), samen spelen samen delen en
als je er samen niet uitkomt, je naar de meester mag gaan. De meester
zegt altijd dat als je nieuw bent we je nog een beetje moeten helpen. Dan
moet je dat allemaal nog leren.
8
9
10
11
12
13
Doelen
Leerdoelen voor het motorische domein, die je voor een les bewegingsonderwijs
voorbereidt, hebben uiteraard betrekking op het beter uitvoeren van
14
15
1
2
Samenspel
3
4
5
6
7
׉	 7cassandra://G4qq06stBgulQb2b-2vWou8sQvXq7FhqYLSf6Isbp1Q`̵ W䰸$T3]W䰸$T3]FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://0z6D91nher7JP-I5sg62wAsyqNupcI3b-JaOHZ3FWGU q`
׉	 7cassandra://oia-oaUFb8JJx1V6CuVNGtUd4zt65EqRshDy9RJNeJ4J`T׉	 7cassandra://V2xw2elobOc7Q8_rpKs7W42BJbWT876MKcM2dHjmQcM
`̵ ׉	 7cassandra://QOI_Ix3_HTWoPh3fk3FzfZ4WHf9IGc7aJNUTwqHGVp8ͯ͠W䰸$T3]ט # #nu׉׉	 7cassandra://d6Fjo00Driwoto330ATfRx7IbffBJzmfRlndmXxirJc ` 
׉	 7cassandra://kKS7XivVELSnpSJQ-abKgOjg9BoTN4QdlfitOObKeGEW`T׉	 7cassandra://2HI_zOJuzhiz5BAXr1nVw9cluJDI27YOD87Rea9U92Q`̵ ׉	 7cassandra://-NaXwB_VzI8lvotDN6-yHHNgmYufBfUwcbFpvh9hAZkU̴͠W䰸$T3]׉EH16
de gekozen bewegingsactiviteit(en). De bewegingsuitdaging is hierbij richtinggevend.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
Gerichte
aandacht
Betekenisvolle
accenten
Vergroten
bewegingscompetentie
In
de lessen bewegingsonderwijs gaat het om het uitbouwen van de individuele
bewegingsmogelijkheden binnen deze bewegingsuitdaging, waardoor de
bewegingscompetentie van de kleuter vergroot wordt. Je wilt kleuters beter
leren balanceren. Dit doe je door accenten te leggen in jouw lessen die betrekking
hebben op het beter leren van die vaardigheid.
Welke twee of drie accenten je in die les bij het balanceren legt, is aan jou
als leerkracht. Op die gekozen accenten bouw je je arrangement en je benadrukt
ze in je uitleg. Of het accent, ‘kijk naar de smiley als je over de balk
loopt’, betekenisvol is voor het kind, bepaalt de kleuter zelf. Zoveel kleuters,
zoveel verschillen. De nadruk, een accent, kan voor een kleuter op dat moment
ook binnen een ander domein van de totale ontwikkeling liggen. Het is
uiteraard aan de leerkracht om te beoordelen of hij op grond van het
bewegingsgedrag van een kind een accent wel of niet benadrukt.
De bewegingsuitdaging van bijvoorbeeld balanceren, handhaven van evenwicht
en herstellen van evenwichtsverstoringen bij het verplaatsen op een
(in)stabiel vlak, is in groep 1 hetzelfde als in groep 8. In feite zijn dit langetermijndoelen
die steeds opnieuw gebruikt worden. De activiteiten die je er
als leerkracht bij creëert, zorgen ervoor dat de kinderen de uitdaging steeds
weer opnieuw proberen te overwinnen.
Stel, een kleuter kan over een brede bank lopen zonder dat hij er vanaf valt,
dan heeft hij de bewegingsuitdaging in die situatie overwonnen. Dat betekent
dan nog niet dat dit kind dit ook kan op een brede bank met obstakels
of op een smaller vlak, waardoor de bewegingsuitdaging weer opnieuw aangegaan
wordt.
׉	 7cassandra://V2xw2elobOc7Q8_rpKs7W42BJbWT876MKcM2dHjmQcM
`̵ W䰸$T3]׉E
BELANG BEWEGINGSONDERWIJS MET KLEUTERS
1.1.2
Lichaamsbesef en ruimtelijke oriëntatie
De begrippen lichaamsschema, lichaamsbesef en ruimtelijke oriëntatie verdienen
een aparte subparagraaf als het gaat om de ontwikkeling van kleuters.
Deze begrippen zijn in deze leeftijdsfase van zeer groot belang. Zowel in
de klas als daarbuiten wordt er continu, bewust en onbewust, geoefend met
het kennen van het eigen lichaam en de ruimte eromheen. Hanteren van begrippen,
het structureren ervan en het leren oplossen van problemen. In tabel
1.1 staat een overzicht van de vaardigheden en begrippen die belangrijk
zijn in de ontwikkeling van het lichaamsbesef en de ruimtelijke oriëntatie.
TABEL 1.1 Ruimtelijke oriëntatie; vaardigheden en begrippen
Programmadelen
Hanteren van begrippen
1 Het eigen lichaam
Het kind leert het
eigen lichaam
kennen. Dit is een
voorwaarde voor
ruimtelijke
oriëntatie.
1 Het kennen van
lichaamsdelen
• aanwijzen van
lichaamsdelen
• benoemen van
lichaamsdelen
2 Het kennen van houdingen
en bewegingen
• uitvoeren en aanwijzen
van houdingen en
bewegingen
• benoemen van houdingen
en bewegingen
2 Het kind in de
ruimte
Het kind leert
relaties leggen
tussen zichzelf en
de andere
elementen van de
ruimte.
3 Relaties in de
ruimte
Het kind leert relaties
leggen tussen
de elementen van
de ruimte.
4 Het platte vlak
Het kind leert
relaties leggen
tussen de
elementen van de
ruimte in het
platte vlak.
4 Het hanteren van ruimtelijke
begrippen
• uitvoeren van verbaal
gegeven opdrachten
• noemen van begrippen
5 Het structureren van de
ruimte
• nalopen van routes
6 Het oplossen van
ruimtelijke
probleempjes
• toepassen van
ruimtelijke
begrippen in nieuwe
situaties
7 Het hanteren van ruimtelijke
begrippen
• uitvoeren van verbaal
gegeven opdrachten
• noemen van begrippen
10 Het hanteren van
ruimtelijke begrippen
• uitvoeren van verbaal
gegeven opdrachten
• noemen van begrippen
11 Het structureren van
ruimtelijke situaties op
plaatjes
• aanwijzen van
identieke plaatjes
12 Het structureren van
abstracte figuren
• naleggen van
abstracte figuren
8 Het structureren van de
ruimte
• nabouwen van
ruimtelijke situaties
9 Het oplossen van
ruimtelijke
probleempjes
• toepassen van ruimtelijke
begrippen in
nieuwe situaties
13 Het oplossen van
ruimtelijke
probleempjes
• ontdekken van de
ruimtelijke
structuur van
samengestelde
abstracte figuren
17
1
2
3
Vaardigheden
Structureren
3 Het structureren van
houdingen en
bewegingen
• nadoen van
houdingen en
bewegingen
Probleem oplossen
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
Het kennen van het eigen lichaam is een voorwaarde voor de ontwikkeling
van de ruimtelijke oriëntatie. Een lichaamsdeel dat je kunt bewegen, krijgt
een bepaalde zintuiglijke betekenis. Dit wordt kinesthetische ervaring
14
Kinesthetische
ervaring
׉	 7cassandra://2HI_zOJuzhiz5BAXr1nVw9cluJDI27YOD87Rea9U92Q`̵ W䰸$T3]W䰸$T3]FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://GXjwNhrAKO1y0hsvVkMCCdP8Bn86KsQZ46NWocMR3Sc r`
׉	 7cassandra://sPA_f2IDAoQgrItvulEFwIABaPlmFZ1gb9Vijk1jttUX%`T׉	 7cassandra://Rs_FpLb7WSYIYS9EvHt1IUB0dSaJWLqa9pRfAPdILgo`̵ ׉	 7cassandra://RzOF-1FY-9TM61XO7-VKSiLMDHQ3dQ74oxeQmr933p0͠W䰸$T3]ט # #nu׉׉	 7cassandra://2VNhgR2zY2oF1Cv6zEPemV4GvzxRmS9iqyViORcGB70 ;q`
׉	 7cassandra://XKFYAXoHknLBvpJ_V3lLGOxgqV7jzp2OH9gbvFxt6NIX`T׉	 7cassandra://c_26y2CIM1wSjpusaz1Hg4vlfHE8eopycJv3-c-IfaA`̵ ׉	 7cassandra://H84_GZ7Fa8eHtT6Ud9AysX7UErXOb1D8mKYkgBIdgVMS͠W䰸$T3]׉E818
1
Lichaamsschema
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
Het eigen lichaam is het middel om kinderen bewust te maken van dit onderscheid.
Via hun lichaam kunnen kinderen letterlijk voelen, ervaren dat zij
VOORBEELD 1.3 PLAATJES NADOEN
In een van de vier vakken liggen vandaag leskaarten. Twee meiden hebben
een kaart gekozen om samen een circustruc te doen. De juf kijkt mee. Rania
zit al gelijk op de grond. Die heeft al gezien dat de billen de grond moeten
raken. Melissa kijkt nog een keer goed naar het plaatje. Zij moet ook
gaan zitten, maar de voeten moeten tegen elkaar. Dan gaat ze ook zitten en
laat ze Rania weten dat de voeten in de lucht moeten. De juf pakt het plaatje
van de grond. ‘Wauw, dat ziet er al goed uit. Kijk nog eens goed, hebben
de kinderen op het plaatje kromme benen of lange?’ ‘Lange’, zegt Rania.
‘Probeer maar eens of dat ook kan’, zegt de juf. ‘Juf, kijk het is gelukt!’
genoemd, het voelen van een beweging. Door deze bewegingservaring
ontwikkelt het kind een idee van hoe zijn lichaam in elkaar zit. Waar zitten
mijn armen ten opzichte van mijn hoofd? In het begin heeft een kind pijn
aan zijn been. Later kan het al specifieker, want een been heeft voeten,
knieën, enkels. Het lijkt allemaal zo vanzelfsprekend, maar dat is het zeker
niet. Wat zit er allemaal aan mijn lichaam en wat kan ik ermee? Dat heet
het ‘lichaamsschema’.
De kleuterleeftijd is bij uitstek de leeftijd waarop kinderen het onderscheid
leren maken tussen zichzelf en hun omgeving. Een kind dat een minder ontwikkeld
eigen lichaamsbesef heeft en geen gevoel heeft van de eindigheid
van zijn eigen lichaam, heeft minder mogelijkheden om sociaal adequaat gedrag
te vertonen. Als jij niet in staat bent om je los te maken van je omgeving,
lijkt het min of meer dat jij één bent met je omgeving. De fysieke ruimte
is dan gelijk aan de belevingsruimte. Wie kent ze niet? Kinderen die bij
het verstoppertje spelen zo gaan zitten dat ze voor de helft door iedereen te
zien zijn, maar omdat ze hun ogen dicht hebben onzichtbaar worden. Hoe
kun je mij nou zien? Ik heb toch mijn ogen dicht!
׉	 7cassandra://Rs_FpLb7WSYIYS9EvHt1IUB0dSaJWLqa9pRfAPdILgo`̵ W䰸$T3]׉E	BELANG BEWEGINGSONDERWIJS MET KLEUTERS
zelf een lijf hebben dat alleen bij hen hoort en dat niet opgaat in de omgeving
om hen heen. Belangrijk is dat kinderen spelenderwijs tastervaringen
opdoen. Via allerlei zintuiglijke ervaringen wordt het kind zich ervan bewust
dat het een lichaam heeft: Wat gebeurt er als ik hard over mijn armen wrijf
en hoe voelt het als ik erop tik? Het kind leert dat het in zichzelf verschillende
gevoelservaringen kan hebben die onafhankelijk van zijn omgeving zijn.
VOORBEELD 1.4 HET KRIEBELT AAN MIJN VOETEN!
Vandaag staat er in het speellokaal een blotevoetenpad. De juf heeft in een
tuintje een bewegingsbaan gebouwd met allemaal verschillende materialen,
die allemaal heel anders aanvoelen aan je voeten. De ladder ligt plat op de
grond, in een bak liggen balletjes waar kinderen in kunnen stappen, verderop
ligt een gootje met daarin allemaal stugge touwen, een korf met zachte
lintjes die een beetje kriebelen. Er liggen tapijttegels en stepping stones die
gekke ribbeltjes hebben. Aan het eind staat een bak met zand en daarna
een bak met water. Daarna mogen de kinderen hun voeten afdrogen met
een hele zachte handdoek. De juf laat de kinderen de bewegingsbaan ervaren
en kijkt ook of de kinderen er woorden aan kunnen geven wat ze voelen.
Is het hard of zacht? Voelt het fijn of doet het een beetje pijn?
19
Zintuiglijke
ervaringen
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
Het besef van het eigen lichaam en mogelijkheden ervan is cruciaal voor de
ontwikkeling van ruimtelijke oriëntatie. Rollend en kruipend leert een baby
een onderscheid te maken tussen ‘dichtbij’ en ‘veraf’, ‘achter’, ‘voor’ en
‘ondersteboven’. Als hij na een jaar gaat lopen ook tussen ‘beneden’ en
‘boven’. Allemaal ruimtelijke kennis die de jaren daarna zal meegroeien met
het lichaam. Want naarmate de armen groeien, veranderen de hoeken die
nodig zijn om jezelf ergens te krabben, om een appel van de fruitschaal te
pakken, om tussen de materialen in het speellokaal door te wandelen, de
trap op te lopen en van dingen af te springen.
Iedereen heeft een wel een idee wat ruimte is, maar het is nog niet zo eenvoudig
het begrip precies te omschrijven. De werkelijke ruimte is de ruimte
waarin je je bevindt, waarin je beweegt en waarin je handelt. Het is de ruimte
Ruimtelijke
oriëntatie
12
13
14
׉	 7cassandra://c_26y2CIM1wSjpusaz1Hg4vlfHE8eopycJv3-c-IfaA`̵ W䰸$T3]W䰸$T3]FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://S512RwMXVACQnSmyP9MJaZBQ1kvb5VEiE-_9uEfNrUk X`
׉	 7cassandra://m_Ud6KZ6shQnu0HYVu5CqA4us3uYZSbWF5KYRdYJrOI,@`T׉	 7cassandra://Qa8_I-4ZRI4cdGiNbCCal4-dMLS8rOjd6NmjNumxLk0`̵ ׉	 7cassandra://SlZrkCEYu_J0p5Yp6FC6DKMFltzBjVOic8IbRW13syE x͠W䰸$T3^ט # #nu׉׉	 7cassandra://IJHEzxMaHXiWCwQOk2ophVubjHh6shEbhqYAOXgdaf4 ` 
׉	 7cassandra://vlEzb7XSP7GULivNnB4y1sS6qcKYI99Kh2tCd-7JN3cU` T׉	 7cassandra://A8V6wIqC5UjkCqSx7Q0mM9pqlCx409st1nD4OrtMG0Qr`̵ ׉	 7cassandra://l8kIvON5hTVUrBZAizydfXo3P8ZBoWA8z6rYPfKt31cL͠W䰸$T3^׉E60
׉	 7cassandra://Qa8_I-4ZRI4cdGiNbCCal4-dMLS8rOjd6NmjNumxLk0`̵ W䰸$T3^׉E61
2
1
Een goede les
bewegingsonderwijs
met kleuters
2.1
2.2
2.3
2.4
2.5
2.6
Het referentiekader
Criteria voor een goede les
De lesvoorbereiding
De uitleg
De les
Evaluatie van de les
7
Wat komt er allemaal kijken bij het geven van lessen bewegingsonderwijs
met kleuters? Wat zijn jouw eigen ervaringen en vertrekpunten? Vanuit welk
referentiekader kijk je naar een bewegingsles met kleuters? Allemaal vragen
die aan de orde komen in paragraaf 2.1. Een aantal aspecten speelt een
belangrijke rol bij het geven van lessen bewegingsonderwijs (paragraaf 2.2).
Deze aspecten worden geconcretiseerd tot negen criteria waaraan een goede
les bewegingsonderwijs met kleuters voldoet. Voordat je daadwerkelijk
een gymles gaat geven bereid je deze eerst voor. Een aantal elementen kan
ter overweging mee worden genomen bij het maken van de lesvoorbereiding
(paragraaf 2.3).
De les start met een uitleg (paragraaf 2.4). Zodra alle kinderen aan de
slag zijn ga je lesgeven. Je kijkt en observeert welke kinderen hulp nodig
hebben en hoe je de les nog beter kunt laten verlopen (paragraaf 2.5).
Drie verschillende invalshoeken om naar de bewegende kleuters te kijken
worden geschetst. Sleutelvragen zijn: wat zie ik, wat vind ik ervan en wat
doe ik? Na afloop van een gegeven les kijk je terug naar hoe de gehele les
is verlopen. Wat ging goed, wat mag en kan anders? Dit hoofdstuk wordt
dan ook afgesloten met een paragraaf over het evalueren van de gegeven
les (paragraaf 2.6).
OPENINGSCASUS
Paul zit aan de keukentafel. Zijn stagebegeleider heeft gevraagd om morgen
een gymles aan de kleuters te geven. Gymles geven aan zijn stagegroep lijkt
hem heel leuk. Thuisgekomen denkt Paul er nog eens goed over na. Op de
8
9
10
11
12
13
14
2
3
4
5
6
׉	 7cassandra://A8V6wIqC5UjkCqSx7Q0mM9pqlCx409st1nD4OrtMG0Qr`̵ W䰸$T3^W䰸$T3^FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://zKeMI6dvhqYuXJCnbbTHq1AbcTV1s_wPL4Tg9N6fSNE ` 
׉	 7cassandra://ktDYJRVyBpB-ziUIS27AV1nGJWk0ejkIEJdp4bzuI60W`T׉	 7cassandra://7-5eqYowrka62S-SRhMIKkrDFPsBTtVstZ3rYENAgwM`̵ ׉	 7cassandra://T9XrZ-MIOWtiGEFK8SoFed_MbOlw72w60ddZRQ6XDic3u͠W䰸$T3^ט # #nu׉׉	 7cassandra://nqr2yfVqCxScg7zRqCOlkABcLpjiDN8WtmRW-DM5UMc {` 
׉	 7cassandra://cp-UZRalIXJe3dYX3ilfiXhlBz-afVGiGn4R90maeBcX`T׉	 7cassandra://1AqlAUK0j6M3F35Q7uB6AxIRDlREYjCcN3Kz-77WvXk!`̵ ׉	 7cassandra://j-dOW_loM7oFjv30XBjcgPgHk_g9bbAEb749J1LDO7c?w͠W䰸$T3^	׉E$62
1
2
3
4
5
Voorkennis
6
7
8
9
Scenario
10
11
12
13
14
§ 2.1
opleiding zijn bewegende kleuters al een aantal keer aan bod gekomen. De
overige kennis die Paul tot nu toe heeft is van de minor Vakbekwaam Bewegingsonderwijs
die hij heeft gekozen. Het moet wel leuk zijn en veilig, dus
niet te gevaarlijke maar wel aantrekkelijke activiteiten verzinnen. Ik kan wel
zeggen hoe ze het moeten doen en dat ze goed moeten opletten en niet te
veel risico’s nemen, maar ja, het zijn wel kleuters, denkt Paul. Wat weet ik
eigenlijk al van kleuters?
Al nadenkend besluit Paul een gymles te geven met vier verschillende ‘spelletjes’.
Dezelfde indeling die Loes vorige week heeft gebruikt. De activiteiten
die hij besluit te gaan doen zijn: rollen met tennisballen, klimmen in het
klimrek, een renspelletje en hij wil met zijn kleuters twee vormen van vrij
springen combineren.
Het referentiekader
Los van alle inhoud en kennis uit dit boek heb je als startende leerkracht,
of een leerkracht die voor het eerst gym met kleuters gaat geven, al een
eigen idee, een eigen referentiekader met betrekking tot gymmen met kleuters.
Logisch of niet. Goed of niet. Er is al voorkennis. Dat kan zijn over wat
kleuters zijn, of waar kleuters behoefte aan hebben of hoe een gymles er
volgens jou uit moet zien. Kleuters kunnen al veel. Soms verbaas je je er
zelfs over. Je ziet ook dat kleuters altijd maar doorgaan, soms heel druk
zijn en eindeloos hetzelfde kunnen doen. Je ziet ook dat ze van de hak op
tak springen en dat ze snel weer iets anders interessant kunnen vinden.
Je eet wellicht wel eens bij je zus of broer die kinderen heeft. Die ‘kleine’
kan niet lang stilzitten aan tafel. Herinneringen aan je eigen gymlessen in
de grote gymzaal dringen zich op. Wat jij je herinnert, werkt dat ook zo bij
kleuters?
2.1.1
Eerste overwegingen
Zonder enige ervaring moet je het hebben van je eigen referentiekader en
de mogelijke vragen die je jezelf al in de voorbereiding kunt stellen. In je
hoofd is al een soort scenario af te spelen van een gymles:
• Waarmee houd je rekening bij kleuters? Jonge kinderen zijn heel beweeglijk
en kunnen moeilijk stilzitten. Hoe zorg ik voor een korte uitleg en weinig
wachttijden?
• Je wilt graag een gevarieerd aanbod. Welke activiteiten passen goed
naast elkaar?
• Er zit zo’n groot verschil tussen de jongste en oudste kleuters. Hoe zorg
je ervoor dat iedereen mee kan doen?
• De les duurt 45 minuten. Hoe verdeel je de les zo dat iedereen evenveel
beweegtijd heeft in ieder vak?
• Hoe zit dat met de materialen? Hoe zet je deze klaar en wat is dan handig?
Hoe laat moet je dan op school zijn?
• Hoe verdeel ik de zaal? Zijn er blinde muren of zitten er materialen vast
aan de wand of vloer?
• Waar laat je de kinderen zitten als ze binnenkomen en wat vertel ik bij de
verschillende ‘spelletjes’?
• ...
׉	 7cassandra://7-5eqYowrka62S-SRhMIKkrDFPsBTtVstZ3rYENAgwM`̵ W䰸$T3^
׉EpEEN GOEDE LES BEWEGINGSONDERWIJS MET KLEUTERS
VOORBEELD 2.1 DE BEGINSITUATIE
Paul heeft al een overzicht van alle materialen gemaakt. Hij heeft nog even
wat foto’s van de berging gemaakt voor hij wegging van school. Om het zichzelf
niet al te moeilijk te maken de eerste keer, besluit hij morgen alles zelf,
voor de bel gaat, klaar te zetten. Dat geeft hem rust en dan kan hij eventueel
nog dingen aanpassen. In drie kwartier moet dat lukken, de eerste keer.
Het wandrek is leidend voor de indeling. Die zit vast aan de muur. Paul
schetst een tekening, zodat hij de zaal indeelt in vier vakken. Ook de wachtbanken
tekent hij alvast in. Voor ideeën voor de activiteiten kijkt hij in de
‘blauwe map’. Handig zo’n naslagwerk. Misschien staat er ook meer informatie
in over de verschillende niveaus. Voor de uitleg moet hij echt nog
even goed gaan zitten. Er is zo veel te vertellen: regels, afspraken, volgorde,
tips, organisatie. Paul bedenkt hoe lang zijn uitleg mag duren en oefent een
paar keer wat hij allemaal wil zeggen met een stopwatch erbij. Dat past
nooit. Ik heb maar 45 minuten, bedenkt Paul. Het zou mooi zijn als de kinderen
8 à 10 minuten bij ieder onderdeel kunnen spelen.
2.1.2
Voorkomen is beter dan ...
Zodra de les al een beetje vorm krijgt in je hoofd, doemen er ook allerlei
scenario’s op die voor onrust kunnen zorgen:
• Al die kleuters moeten altijd plassen. Wat doe ik daarmee tijdens een
gymles?
• Die ballen vliegen natuurlijk allemaal in de rondte. Kan ik dat voorkomen?
• Hoe kan ik in vier vakken tegelijk aanwezig zijn? Is dat nodig of kan ik dat
anders oplossen?
• Wat doe ik als een kind valt, of in zijn broek plast?
• Niet alle kinderen kunnen even goed met elkaar samenspelen. Dat wordt
geheid ruzie.
• Annabel is in de klas altijd zo onrustig en huilt heel snel. Dat zal in het
speellokaal niet anders zijn.
• Als ze het spel nou niet snappen?
• Als de ballen nou te hard zijn?
• Als een kind nou niet durft te springen?
• Straks vergeet ik op mijn horloge te kijken en kom ik met mijn tijd in de
knoop.
• Ik wil wel dat alle kinderen in hun eigen vak blijven. Hoe voorkom ik dat
het een rommeltje wordt?
• ...
Door vooraf dit soort doemscenario’s al te bedenken en een mogelijke
oplossing te bedenken, creëer je een stuk meer rust in je hoofd.
VOORBEELD 2.2 REGEREN IS VOORUITKIJKEN
Paul bedenkt dat hij de plasketting meeneemt naar het speellokaal. Niks
nieuws voor de kinderen, dus dat is gelijk duidelijk. Hij heeft één blinde
muur in het speellokaal. Dat is ook het vak waar met de ballen gespeeld
mag worden. Om een rommeltje te voorkomen, mag niemand naar de tuin
van de buurman. Dit is wel een regel waar hij heel streng in gaat zijn. Hopelijk
lukt dat. Paul besluit om in iedere ronde bij het diepspringen te beginnen.
Hij verwacht dat daar de meeste hulp nodig is en dan ziet hij wel waar
Doemscenario’s
12
13
14
11
9
10
63
1
2
3
4
5
6
7
8
׉	 7cassandra://1AqlAUK0j6M3F35Q7uB6AxIRDlREYjCcN3Kz-77WvXk!`̵ W䰸$T3^W䰸$T3^
FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://ndnV0zgryY4eMZrBtKbud6Xgov0kn93VPFDVq2260hI rs` 
׉	 7cassandra://oNLEP8VuEZAOlTZmhtJaO0jAu7pKYM9iTAd_uRMwBzAj'` T׉	 7cassandra://9ZmKIoHTHuNyQ4Jw8Bn6IyFn3jCj_x02pzfVhcBpH8k
`̵ ׉	 7cassandra://9TPn8jgd7H-3BSttcjaHIllJAlHiLLEQR8Mbl4AlMVk<L͠W䰸$T3^/ט # #nu׉׉	 7cassandra://_OfI2TdWKnhYTXav1AYzTbGaR3R4joIY29seS-u-86Y t`
׉	 7cassandra://-VoLHoChBoL7KpHDwoFA1G57DwVPHP_28ydt1BATnwoJ`T׉	 7cassandra://sLJWHXe0W0iZMoa5JShO_dzT8df-PmnDP7MNZAL9GOo`̵ ׉	 7cassandra://Fh6OflAVEBD98Zb_sCEQXd6Dg3kQEzK8qAoy_zbVQ40 2_͠W䰸$T3^0׉E
64
nog meer hulp nodig is. Als kinderen niet durven te springen, kunnen ze ook
naar beneden klimmen. Misschien wil Loes wel in een ander vak helpen.
Paul zal ook aan haar vragen of zij mee wil kijken op haar horloge en hem
een seintje wil geven.
1
2
3
4
§ 2.2
5
6
7
8
9
Bewegen
10
11
Beleven
12
13
Plezier
14
Reguleren
Optimaal ontdekken
en ontwikkelen
Criteria
voor een goede les
Voor kleutergym zijn er specifieke criteria waaraan een gymles dient te voldoen.
De criteria voor een goede gymles (Hovens, 2013) zeggen iets over
wat kleuters nodig hebben om optimaal te kunnen ontdekken, zich te ontwikkelen
en de vaardigheden eigen te maken.
Deze criteria zijn verdeeld in drie dimensies: bewegen, beleven en reguleren.
(Van Berkel e.a., 2013). Het zijn tevens de drie dimensies waaruit een
les is opgebouwd. Bewegen gaat over het leren van een bepaald trucje, over
het verwerven van een bepaalde vaardigheid. Beleven gaat over de emotionele
dimensie. Vindt het kind het leuk, spannend, stom, wat trekt hem precies
aan binnen een specifieke activiteit of spel? De derde dimensie is de
dimensie van het reguleren. Bij reguleren gaat het over het zelf regelen van
een activiteit samen met de andere kinderen. Het opstarten en aan de gang
houden van een specifieke bewegingsactiviteit, een spel, een speeltuintje of
beweeghoek. Wanneer stopt een activiteit en wat moet ik dan doen?
De negen criteria zijn verdeeld in deze drie dimensies:
1 Onder de dimensie bewegen vallen:
• drang tot bewegen
• zich competent voelen
• gevarieerd aanbod
• verhouding actie – rust
• veel oefenbeurten en herhaling
2 De dimensie beleven omvat:
• variatie in speelkriebels
• ruimte voor de relatie met de ander
3 Ten slotte horen bij de dimensie reguleren:
• structuur en overzicht
• zich autonoom voelen
Naast deze negen criteria is er nog één allesomvattend aspect dat heel belangrijk
is en dat is: plezier. Plezier in het doen van activiteiten is een belangrijke
voorwaarde om te leren. Plezier is geen criterium op zich. Plezier is
aan de ene kant voorwaarde om tot ‘beter leren bewegen’ te komen. Aan de
andere kant is plezier het resultaat van het op de juiste manier hanteren en
gebruiken van de negen criteria voor een goede gymles.
Het goed afstemmen van bewegingsactiviteiten op de leerwensen van de
kinderen gebeurt in eerste instantie veelal gevoelsmatig. Dat is prima. Maar
het geeft jou als leerkracht zeker meer houvast als er een aantal criteria
wordt benoemd dat belangrijk is om rekening mee te houden. In de volgende
paragraaf worden negen inhoudelijke criteria geschetst en toegelicht die
van belang zijn bij het verzorgen van kwalitatief goede en inhoudelijke lessen
bewegingsonderwijs met kleuters.
׉	 7cassandra://9ZmKIoHTHuNyQ4Jw8Bn6IyFn3jCj_x02pzfVhcBpH8k
`̵ W䰸$T3^1׉E EEN GOEDE LES BEWEGINGSONDERWIJS MET KLEUTERS
65
1
2
3
4
Gym is gewoon leuk
Alle negen criteria die de revue passeren hebben een relatie met elkaar. De
een wat directer en duidelijker dan de ander. Maar je zult merken dat de verschillende
criteria elkaar nodig hebben om een optimaal ontwikkelingsperspectief
te creëren. Alle criteria gezamenlijk leiden tot plezier in het bewegen
en ontdekken van het eigen lichaam in de context van de beweegomgeving.
FIGUUR 2.1 De negen criteria voor een goede les
Legenda:
Beleven
Ruimte voor
relatie met de
ander
Variatie in
speelkriebels
Zich autonoom
voelen
Reguleren
Bewegen
9
Structuur
en overzicht
10
11
Een goede les
12
Drang tot
bewegen
Veel
oefenbeurten
en herhaling
13
Zich
competent
voelen
Gevarieerd
aanbod
Juiste
verhouding
actie en rust
14
5
6
7
8
׉	 7cassandra://sLJWHXe0W0iZMoa5JShO_dzT8df-PmnDP7MNZAL9GOo`̵ W䰸$T3^2W䰸$T3^1FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://IIPgKhWaoak344Gnf4GKGYOFknyCJkDSl5hLigA4CSE Y` 
׉	 7cassandra://J2OT0S-jaC7S6yxND4JxgNbkSyfhfm6ASD_UK8Xoh2sy;` T׉	 7cassandra://WOWbXFGvOksTgLfvW7Tlg_hWU46XqSg7CvG_lJ_uNrU(`̵ ׉	 7cassandra://Oij9nezBDgUs7RxzdcVwYkSrz2_YYdxqDP4p1IS-yZo:@͠W䰸$T3^3ט # #nu׉׉	 7cassandra://WPlxuFq18qFWJsfbvk0FRhwv7n77DzrQVbqLvZ5VwgE 1`
׉	 7cassandra://-a2oj55rChxRx3CqItir7jhXLO2FI7c9tMTGHXJ2rp8X `T׉	 7cassandra://Da2KZS4ripApZ5BIUUIh3LP9zxzSPwHLYU8ZXKEdk1k`̵ ׉	 7cassandra://ybrnudivF-GG3iIRRkyT1ozcFg2oR44riGPRtPxBEOM \͠W䰸$T3^4׉E66
2.2.1
Bewegen; drang tot bewegen
1
Actief, betrokken
en intensief
2
3
4
5
6
7
8
Door hier vooraf over na te denken, zijn er veel speelminuten te winnen in
een gymles.
9
10
Vertrouwen
Veiligheid
11
12
13
14
Succesbeleving
2.2.2
Bewegen; zich competent voelen
Kleuters, in tegenstelling tot peuters, begeven zich over het algemeen niet
in moeilijkere bewegingssituaties dan zij zelf aankunnen. Ze verkennen en
ontdekken. In een goede les hebben kleuters er belang bij dat ze deze bewegingsruimte
en het vertrouwen om de bewegingssituaties te verkennen
en te exploreren ook daadwerkelijk krijgen en ervaren. Ze voelen zich veilig
in en met deze situatie.
Als je kiest voor voldoende keuzemogelijkheden is hulp van jou als leerkracht
niet meteen nodig. Laat de kleuter voelen en ervaren dat ze veel activiteiten
en oefeningen zelf kunnen en tegelijkertijd, indien nodig, ook altijd bij de leerkracht
terecht kunnen voor een alternatief. Vragen om hulp is ook een competentie.
Kleuters
die zich competent (Stevens, 2004) voelen, leren snel en veel.
Succesbeleving, na een aantal keren uitproberen, is van belang. De ervaring
de oefening na een aantal pogingen zelf te kunnen uitvoeren is van belang
voor de competentiegevoelens van het kind. Een kleuter die kan vertrouwen
op zijn eigen kunnen, is een kleuter die zich veilig voelt. Het aangeboden
krijgen van verschillende bewegingssituaties en uitvoeringsmogelijkheden
van waaruit gekozen kan worden is van groot belang. Van de leerkracht
vraagt dit het kunnen inschatten van de bewegingsmogelijkheden van de
Een kleuter beweegt veel en heeft nog moeite met lang stilzitten. Bewegen
behoort tot de essentie van een kleuter. Een goede les komt het kind tegemoet
in zijn behoefte aan veel bewegen en spelend leren bewegen. Als leerkracht
sluit je hierop aan. Je houdt je uitleg kort en geeft de kleuters veel
speel- en beweegtijd.
In een goede gymles zijn kinderen een groot deel van de gymtijd actief, betrokken
en intensief bezig. Dat wil niet zeggen dat de activiteit pas goed is
als kinderen bezweet zijn na de activiteit. Ook bij bijvoorbeeld balanceren
kunnen kinderen intensief, betrokken en actief bezig zijn.
Het is van belang rekening te houden met de concentratie. Kleuters vinden
het veelal moeilijk zich voor langere tijd op een voorwerp of bepaalde activiteit
te concentreren. Ze hebben een korte spanningsboog. Zorg dus voor afwisseling,
en houd je uitleg kort, pas de duur van de activiteiten aan de spanningsboog
van de kleuters aan. Zorg dat een tikspelletje niet te lang duurt.
Maximaal twee minuten en dan een nieuwe tikker is een goede tijdsduur.
Bij de voorbereiding van en ook tijdens de les kun je je allerlei vragen stellen
die kunnen helpen bij nog meer beweegtijd voor de kinderen:
• Hoe ga ik efficiënt klaarzetten, wisselen en opruimen?
• Hoe kan ik de groepen efficiënt en snel maken?
• Hoe kan ik de uitleg kort, duidelijk geven?
• Benoem ik de accenten tijdens of na het geven van het voorbeeld of laat
ik alleen het voorbeeld zien?
• Hoe voorkom ik lange onnodige wachttijden bij de activiteiten?
• Zet ik één situatie neer of is het handiger twee schommels klaar te hangen
voor zes kinderen?
• Laat ik ze bij een tikspel, als ze af zijn, op de bank zitten of mag het kind
dat getikt is een pylon omleggen en speelt het kind daarna weer mee?
׉	 7cassandra://WOWbXFGvOksTgLfvW7Tlg_hWU46XqSg7CvG_lJ_uNrU(`̵ W䰸$T3^5׉EEEN GOEDE LES BEWEGINGSONDERWIJS MET KLEUTERS
kinderen en het gedifferentieerd, zowel wat betreft arrangement als uitvoeringswijzen,
aanbieden van de oefeningen en bewegingsactiviteiten.
Kinderen onderscheiden zich van elkaar. Ieder kind leert in zijn eigen tempo,
heeft eigen interesses, beweegt op een eigen niveau en heeft een eigen stijl
van leren. Door deze vier eigens – tempo, interesse, niveau en leerstijl – zal
de leerkracht de bewegingsactiviteiten gedifferentieerd aanbieden en rekening
houden met de verschillende en diverse interesses en leerwensen van
de kinderen.
In het bewegingsonderwijs is het leren van bewegingsvaardigheden door een
gedifferentieerd leerstofaanbod en de daarmee samenhangende instructie
en leerhulp reeds lang een goed gebruik. Dezelfde en vergelijkbare bewegingsactiviteiten
binnen hetzelfde bewegingsthema worden op verschillende
niveaus aangeboden. De differentiatie kan zitten in het verschil in arrangement,
de uitvoeringswijze of de manier van reguleren.
1
Vier eigens
2
3
4
5
6
7
8
9
Zo kan het ook
10
2.2.3
Bewegen; gevarieerd aanbod
Variatie in aanbod is een kenmerk van een goede gymles met kleuters. Variatie
in de activiteiten die worden aangeboden, welke materialen gebruikt
worden en variatie in de aanbiedingswijze. Veelal wordt ervoor gekozen vier
verschillende leerlijnen aan bod te laten komen in een les. Door te kiezen
voor vier hoeken met bewegingsactiviteiten, in dit boek veelal tuintjes genoemd,
komen er diverse leerlijnen en bewegingsthema’s aan bod.
Variatie kan worden geboden door:
• het aanbieden van verschillende leerlijnen en bewegingsthema’s:
– door de keuze van diverse leerlijnen komen er verschillende bewegingsuitdagingen
en speelkriebels aan bod
• het creëren van verschillende tuintjes:
– in elk tuintje wordt een bepaalde activiteit aangeboden; een klim- en
klautertuintje, een mik- en jongleertuintje, een speltuintje en een tuin
voor het leren van een trucje
11
De vier tuintjes
12
13
14
67
׉	 7cassandra://Da2KZS4ripApZ5BIUUIh3LP9zxzSPwHLYU8ZXKEdk1k`̵ W䰸$T3^6W䰸$T3^5FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://AUpSK3wTbZN55WSOKVTGl3eodV5DycCYmQrQC3mtpd0 `
׉	 7cassandra://JL5slun_szPZQHYT8CO66n2TSALx1CgZLvnSrhb0_nUX`T׉	 7cassandra://M0ba92vxJKwLK_gdr44DH66THHpFdnQ5-KmuL1cCdpw`̵ ׉	 7cassandra://4taxv17uj82rCf7VZDwTOUsY2cqhs-O0RWzzQRcBC9o U͠W䰸$T3^7ט # #nu׉׉	 7cassandra://Yv5NLp-k9XvL1132GjWHtoMtg5jxLic1HhV_1SOBoqM K`
׉	 7cassandra://y9TwX8kVShDVk1ngtGU7hE9ry0ihpYGsFX5bZqViylo])`T׉	 7cassandra://Og7K6xqZzoyhNac_lVwHcV3m3cBH3M3HM3f935wzwdAX`̵ ׉	 7cassandra://uXQKrkUoRLvBghP2XiJMn1hQ5q-43H7cOcH5ivENl0w |O͠W䰸$T3^8׉E68
• het werken met een jaarplan:
– op deze manier wordt variatie structureel ingebouwd en houd je
overzicht welke bewegingsthema’s al aan bod zijn geweest
1
2
3
4
Korte
spanningsboog
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
Voor ieder een eigen uitdaging
2.2.4
• het gebruik van verschillende materialen:
– dit zorgt als vanzelf voor verschillende uitvoeringen en belevingen,
verschillende speelkriebels
• verschil in uitvoeringswijze:
– gooien, schoppen, slaan, rollen in, door, tussen, over, tegen
• gebruik te maken van verschillende opstellingen:
– de keuze voor een bepaald arrangement houdt in dat je specifieke
bewegingsgedragingen uitlokt of juist veel ruimte laat voor eigen
speelkriebels
• verschillende manieren van aanbieden:
– door bijvoorbeeld een overlooptikspel met steeds iets andere regels
aan te bieden of een ander thema te geven, wordt het voor kleuters
een ander spel
Kinderen hebben een korte spanningsboog en willen dus graag regelmatig
iets nieuws en wat anders. Krantenmik met pittenzakjes is anders dan met
tennisballen. Voor kleuters een compleet nieuwe ervaring. Ook bekeken vanuit
effectief motorisch leren is het goed om kort en krachtig activiteiten en
oefeningen aan te bieden en dan later weer te herhalen. Dit blijkt effectiever
dan langdurig hetzelfde doen.
Bewegen; verhouding actie en rust
Een kleuter kan een spel niet zo lang volhouden, maar na een korte rustpauze
is hij weer snel opgeladen en klaar voor actie. Het is daarom belangrijk
om bij kleuters op tijd een rustpauze in te lassen. Door de afwisseling
van actie en rust kan een kleuter enorme hoeveelheden energie verbruiken,
dit is een wezenlijk kenmerk van een goede les.
Deze rustmomenten kun je op verschillende manieren inzetten. Door de kinderen
tijdens een rustmoment, even wachten totdat je weer aan de beurt
׉	 7cassandra://M0ba92vxJKwLK_gdr44DH66THHpFdnQ5-KmuL1cCdpw`̵ W䰸$T3^9׉EEEN GOEDE LES BEWEGINGSONDERWIJS MET KLEUTERS
bent, te laten kijken naar de kinderen die aan het duikelen zijn of een tikspel
gaan spelen. Imitatieleren is, zeker bij jonge kinderen, een krachtig instrument.
69
Imitatieleren
1
2
3
4
5
6
De
een doet, de ander kijkt
Door kleuters in drietallen te laten stoeien is er steeds een die in de rol van
scheidsrechter even de kunst mag afkijken en dus ook zijn ‘rust’ krijgt. Rust
om daarna weer met volle aandacht en gericht het stoeispelletje te gaan
doen.
Sommige activiteiten lenen zich ook voor kleine rustpauzes tussendoor. Het
is niet fijn om acht minuten achter elkaar over de kop te gaan. Even wachten
op een volgende beurt is dan prima. Te lange wachtrijen zorgen echter
weer voor onrust.
Even een accent leggen of de aandacht weer richten is veelal voldoende om
de rust in een activiteit weer terug te brengen. Tijdens een tuintjesles zijn
de wisselmomenten een moment van rust die je kunt gebruiken om voor
kinderen heel bewust die rust te laten ondergaan en ervaren. Aan het einde
van de speeltijd leggen ze de materialen waarmee ze hebben gespeeld weer
terug op de juiste plaats en gaan zitten. Alle aandacht gaat dan weer naar
jou als leerkracht. Jij kunt dan een compliment geven, een korte evaluerende
opmerking maken en de kinderen krijgen zo hun noodzakelijke rustmoment.
Ook kun je deze momenten gebruiken om een voorbeeld te laten geven
of een extra accent bij een van de activiteiten of spelletjes te plaatsen.
Het belang van rustmomenten zit hem enerzijds in het letterlijk fysiek ‘op
adem komen’ om intensieve beweging af te wisselen met ‘oplaadmomenten’.
Daarnaast is het mentaal van belang dat de kinderen even hun rustmoment
krijgen om te schakelen van de ene activiteit naar de andere, zodat
hun aandacht weer opnieuw wordt gericht. Soms ervaar je als leerkracht
ook een soort stapeleffect in je lessen. Steeds meer energie, steeds meer
lawaai, onrust. Het gevolg is: vaak ongelukjes, botsinkjes, kleine ruzietjes.
Op adem komen
7
8
9
10
11
12
13
Aandacht richten
14
׉	 7cassandra://Og7K6xqZzoyhNac_lVwHcV3m3cBH3M3HM3f935wzwdAX`̵ W䰸$T3^:W䰸$T3^9FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://I9NJN4Z4BXkEfcfy6PNP4JZR5RRgy1BnmsGY07-ygqM `
׉	 7cassandra://srT2KFhe9qFRhxY6Q9nueG1lRWeQeWGZ41WY2qrUtMU3``T׉	 7cassandra://nqcJQDHm_2ljc6TToBbFqjigFqF7wkSVIxJqLPw3-84`̵ ׉	 7cassandra://oKMfl0YOn6_8clQ5F2FKgL8ZvNmF4JPz1JubMBy54eQ ͠W䰸$T3^ט # #nu׉׉	 7cassandra://ZgF76MsrTNCs-JEBEPxxPMg71F-JZ7sVbNX1-wYdPsY &` 
׉	 7cassandra://H0HphGnd1vYhc4fvmYHpdFXynqtjbPcEV8X48zJ9IIkFf` T׉	 7cassandra://gBDlG_5OI_5loKcMBRQJB515ckLGb_iavzhZm9mYB18`̵ ׉	 7cassandra://FGKmuJBYpfZ3gj7YrXT3AI-d5nLGKpcY1pB8DiVoq6AN
͠W䰸$T3^׉E110
׉	 7cassandra://nqcJQDHm_2ljc6TToBbFqjigFqF7wkSVIxJqLPw3-84`̵ W䰸$T3^׉E111
3
1
Leer-kracht van de
leerkracht
3.1
3.2
Leidinggeven is leiding nemen
Organisatorische aspecten
3.3 Begeleiding
3.4 Omgangsvormen
3.5
Gender bias
Dit hoofdstuk gaat over de mogelijkheden die een leerkracht ter beschikking
heeft. Leer­kracht waar jij als leerkracht gebruik van kunt maken. De mogelijkheden
en tools om de bewegingsbeïnvloeding van een groep en de individuele
leerling zo goed mogelijk te laten verlopen, worden in dit hoofdstuk
besproken.
Leidinggeven is leiding nemen (paragraaf 3.1). Als je leiding neemt, zul je
keuzes moeten maken. Een keuze voor de vorm of stijl van leerhulp en instructie.
Een keuze uit de vele organisatorische aspecten (paragraaf 3.2)
die in een gymles schuilen. Daarna worden de verschillende begeleidingsstijlen
(paragraaf 3.3) en omgangsvormen (paragraaf 3.4) behandeld waar
je als leerkracht uit kan kiezen. Tot slot wordt de gender bias (paragraaf 3.5)
aan de orde gesteld. De, vaak onbewuste, kijk die leerkrachten hebben op
de verschillen en overeenkomsten tussen jongens en meisjes.
‘If a child can’t learn the way we teach,
maybe we should teach the way they learn.’
— Ignacio Estrada
7
8
9
10
11
12
13
14
2
3
4
5
6
׉	 7cassandra://gBDlG_5OI_5loKcMBRQJB515ckLGb_iavzhZm9mYB18`̵ W䰸$T3^W䰸$T3^FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://KfK8-KYG2zlhKslE4Pz5h61PomZnnpGfWs5DKRXLkGU M` 
׉	 7cassandra://_GXV8mYI6Yfe2Wak4MstUy47phpFlHEJ4g2ICx5kM6IWH`T׉	 7cassandra://rHMyVJL_sEMbBYs3hY9Se7mSHdyoNdBiI58jUTfYh5My`̵ ׉	 7cassandra://xsf0B6UT8zvN7WFNzg92O2XKdwJK-AvXvI0rFZ20rmI@͠W䰸$T3^ט # #nu׉׉	 7cassandra://P5jeA8daETBZdDEtvhZpJDyvsfQrrwLJRW41ekCho60 Z`
׉	 7cassandra://nt79lPSfbzoPEdZMNbIj6q5N5h5um4Zy1W0iK8HR24sO$`T׉	 7cassandra://TYptH61_b-nbmZs3zXswxocMM27NX6itkDJiTt2tZWoi`̵ ׉	 7cassandra://n-NaVC7SUsy02hPm6gbGClWWNvqVlFiWVhk4h9bysak u.͠W䰸$T3^׉E
112
§ 3.1
Leidinggeven is leiding nemen
1
2
3
4
3.1.1
5
6
7
8
9
10
11
12
De dialoogstijl
Samenspel
13
14
De dialoogstijl is een samenspel van leerkracht en leerlingen. Door het gebruik
van deze instructiestijl kijken de leerkracht en leerling samen wat de
mogelijkheden zijn.
VOORBEELD 3.1 EENRICHTINGSVERKEER
Juf: ‘We gaan vandaag mikken in de korf. Je gaat in een hoepel staan en ik
wil dat je, met twee handen, onderhands de bal in de korf mikt. Dan haal je
de bal en ga je weer in dezelfde hoepel staan en probeer je het nog een keer.’
Leerkracht
vertelt
Instructiestijl
Instructie voor het opstarten van de les
Voor de kinderen aan de slag kunnen, legt een leerkracht de activiteiten uit.
De instructiestijl die de leerkracht hier hanteert, is de wijze waarop de leerkracht
de kinderen aanspreekt. Hebben de leerlingen inbreng of is het heel
directief? De leerkracht heeft hierbij meerdere instructievormen tot zijn beschikking.
De instructievorm is de werkvorm waarin de instructie wordt gegeven.
Het spreekt voor zich dat voor nagenoeg iedere instructievorm alle
drie de instructiestijlen te gebruiken zijn.
De drie instructiestijlen zijn gebaseerd op de interacties tussen leerkracht
en leerling. Ze bevinden zich op een glijdende schaal met aan de ene kant
de leerkracht die alle beslissingen neemt en aan het andere uiteinde het
kind dat zelf keuzes mag maken en die op zijn eigen manier mag uitvoeren.
We onderscheiden de commandostijl, de dialoogstijl en de zelfinstructiestijl.
De commandostijl
De commandostijl wil zeggen dat de leerkracht alle beslissingen neemt. Binnen
deze leerkrachtgestuurde benadering vertelt de leerkracht wat er gedaan
wordt en hoe het wordt uitgevoerd.
Als je leiding neemt, zul je keuzes moeten maken. Keuzes in het belang van
de gestelde doelen, keuzes in het belang van het leerproces en zeker keuzes
in het belang van de leerlingen. De manier waarop jij je als lesgever presenteert,
heeft direct invloed op het verloop van de les. Hoe breder het arsenaal
van instructievormen of vormen van leerhulp de leerkracht tot zijn
beschikking heeft, des te meer keuze de leerkracht heeft om een groep,
groepje of individu te bereiken.
Elke leerkracht heeft verschillende en uiteenlopende instructiestijlen en
-technieken. Bekend is dat als de instructiestijl van de leerkracht aansluit
bij de leerstijl van het kind, informatie langer wordt onthouden, beter wordt
toegepast en er een positievere houding ten opzichte van de leerstof ontstaat
(Grasha, 2002; Valcke, 2007). Bij een mismatch blijkt er van genoemde
effecten veel minder sprake te zijn.
׉	 7cassandra://rHMyVJL_sEMbBYs3hY9Se7mSHdyoNdBiI58jUTfYh5My`̵ W䰸$T3^׉E'LEER-KRACHT VAN DE LEERKRACHT
VOORBEELD 3.2 SAMEN OP ZOEK
Juf: ‘We gaan vandaag mikken in de korf met de ballen uit die mand’.
Maarten: ‘Juf, het lukt me niet, ik krijg hem er niet in.’
Juf: ‘Ik zie het. Nou heb je ook wel een hele zware bal gepakt en sta je ook
nog in de verste hoepel als je gooit. Misschien moet je iets anders proberen?’
Maarten:
‘Ik ga een andere bal pakken.’
Juf: ‘Goed idee, ga maar proberen.’
113
1
2
De zelfinstructiestijl
De zelfinstructiestijl is een stijl waarin de leerling alle ruimte krijgt zelf te
ontdekken en zich te ontplooien. Deze leerlinggecentreerde benadering laat
kinderen vrij in wat ze gaan doen en hoe ze het uitvoeren.
VOORBEELD 3.3 IK REGEL HET ZELF
Juf: ‘De ballen liggen in de mand en ik heb een aantal materialen klaargezet
in jullie vak. Je mag vandaag alleen met je handen met de bal spelen.’ Na
een tijdje ziet de juf een kind op een bank staan, vlak bij de korf. Slim bedacht,
als de korf niet naar beneden komt, ga ik toch omhoog!
5
6
7
8
9
10
11
12
Leerkrachten hebben de neiging om, ook tijdens een les bewegingsonderwijs,
veel te praten. Leerkrachten vertellen veel om de veiligheid te garanderen en
de kinderen te behoeden voor mogelijke fouten of ongelukjes. Leerkrachten
vertellen hoe kinderen het efficiëntst kunnen werken of geven alle informatie
waarvan ze denken dat de kinderen die nodig hebben vooraf. Is dat ook echt
nodig? Geef je alle informatie aan het begin of kan een deel ook later? Is het
leerrendement niet groter als de kinderen er zelf achter komen?
13
14
3
Geef ruimte
4
׉	 7cassandra://TYptH61_b-nbmZs3zXswxocMM27NX6itkDJiTt2tZWoi`̵ W䰸$T3^W䰸$T3^FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://W3dTaRHy6LUIxo1SxnQtjk7T2TYGT5kN1rGA6xVnctY ` 
׉	 7cassandra://1mCVvwiYSAKK7-86ttQbp1Uex3mGfPXYtdjbPkh-AlEE`T׉	 7cassandra://Htpb1PifCAlrV2HKJBqjfjKy1OBqyUmkntvyCol71G8`̵ ׉	 7cassandra://axbGj-UddtbqI0kdpkaFxPGWMw71I5Xg6HG79y0vgy8H͠W䰸$T3^ט # #nu׉׉	 7cassandra://yRY23cTMRvhXYn_q_5VYOJim8dmECqPoFM7--F-aY5c ` 
׉	 7cassandra://HdrcLPGYXdF1ba0ndr9tZnZq0rJe1LkW1JoXBrNvkDEI`T׉	 7cassandra://FK60-jjBHrZk_LgivXakMfXXK3TfkAgUW2IAcmy1e7o`̵ ׉	 7cassandra://zxk742PBw4jDV3m8-5FtDO0DTRb1w-7CgP_bvVutHbID͠W䰸$T3^׉E114
3.1.2
Vormen van instructie vooraf
1
2
3
4
Nadoen
5
6
7
8
Accenten
aanbrengen
9
10
11
12
Vraag en
antwoord
13
14
VOORBEELD 3.5 KIJK, LET HIER OP
Juf: ‘Aamer, wil jij mij helpen met het voorbeeld van de koprol? Je gaat staan
op de mat, zet je handen op de mat, goed zo en nu kijk je naar je billen en
rollen maar. En weet je wat ik nou zou knap vind Aamer, je bent zo klein als
een heel klein balletje, helemaal rond. Goed hoor. Mag gelijk de volgende,
Thomas, kom maar.’
Ad 2 PAD (plaatje, accenten, doen)
De leerkracht biedt op deze manier de kinderen een beeld van wat er moet
gebeuren en brengt de accenten aan. Vervolgens gaan de kinderen aan de
slag.
VOORBEELD 3.4 KIJK EENS WAT IK DOE
Juf: ‘Jet, wil jij even laten zien hoe het balanceerweggetje van vandaag
loopt? Heel goed, hier begin je, hier mag je springen als je maar landt op
twee voeten. Als je klaar bent, sluit je achteraan aan. Dank je wel. Allemaal
gezien? Dit gaan we doen.’
Binnen de praktijk van het bewegingsonderwijs aan kleuters is er een aantal
vormen van instructie dat werkt bij de uitleg van een les. Deze vormen kunnen
apart van elkaar gebruikt worden, dus iedere les een andere vorm. Het
is ook mogelijk om in één les meerdere instructievormen tijdens de instructie
vooraf te gebruiken. Zeker als er meerdere activiteiten naast elkaar worden
aangeboden.
De vormen zijn:
1 monkey see is monkey do
2 PAD (plaatje, accenten, doen)
3 vragenderwijs
4 vertel wat wel mag
5 leskaarten
Ad 1 Monkey see is monkey do
De leerkracht of een kind doet de activiteit voor en de anderen kinderen
doen het na. Als instructie wordt alleen het voorbeeld gegeven. De leerkracht
geeft hierbij geen of nauwelijks tekst en uitleg.
Ad 3 Vragenderwijs
De leerkracht richt vragenderwijs de aandacht op belangrijke aspecten van
de te leren vaardigheid. Door kinderen te laten antwoorden wordt de kennis
die al aanwezig is geactiveerd. Voor kinderen die nieuw zijn of het weer even
vergeten zijn, is dit een speelse manier om de belangrijkste informatie over
te brengen.
׉	 7cassandra://Htpb1PifCAlrV2HKJBqjfjKy1OBqyUmkntvyCol71G8`̵ W䰸$T3^׉E	LEER-KRACHT VAN DE LEERKRACHT
VOORBEELD 3.6 HOE GAAN WE HET DOEN?
Juf: ‘Dit groepje van vijf mag mij helpen met het voorbeeld. Ik ben de tikker.
Mag ik op jullie matjes komen?’, vraagt de juf terwijl ze haar hoofd schudt.
‘Neeee’, roepen de kinderen. ‘Klopt, dat mag niet’, herhaalt de juf. ‘Wat
gaan jullie nu proberen, Nikita?’
Nikita: ‘Naar een ander matje lopen, zonder dat we worden getikt.’
Juf: ‘Heel goed, want Lorencia, als je wordt getikt wat moet je dan ook alweer
doen? ‘Kijk eens goed wat ik daar in de hoek heb neergezet’, zegt de juf.
Lorencia: ‘Een pylon omleggen.’
Juf: ‘Ja, goed zo. En Mustafa wanneer is het spelletje afgelopen?’, vervolgt
de juf.
Mustafa: ‘Als alle kegels omliggen dan kiest de tikker een nieuwe tikker’,
voegt hij gelijk toe.
Juf: ‘Ja precies. En mag dat dan een kindje zijn dat al geweest is?’, vraagt
de juf tot slot.
Klas: ‘Neeee’, roept de klas in koor.
Juf: ‘Nikita, jij mag de eerste tikker zijn. Veel plezier.’
115
1
2
3
4
5
Ad 4 Vertel wat wel mag
De kinderen worden uitgenodigd de bewegingsactiviteiten te verkennen, zonder
allerlei restricties vooraf. Het is kort, positief en krachtig. De leerkracht
geeft het vertrouwen dat de kinderen er zelfstandig mee aan de slag kunnen
en binnen hun eigen grenzen op zoek gaan naar uitdagingen.
VOORBEELD 3.7 DIT MAG JE DOEN
De leerkracht heeft een klimtuintje gebouwd in een hoek van het speellokaal.
Er staat van alles. Het is lekker vol. Juf: ‘Je mag zo overal op, in, onder
en door klimmen. Ga maar kijken wat er allemaal kan met die spierballen
van jou. Oh ja, ik heb één matje neergelegd en jullie weten dat je alléén
mag springen als er een mat ligt. Als je maar landt op twee voeten. Jullie
mogen beginnen. Veel plezier.’
Zonder
restricties vooraf
6
7
8
9
10
Ad 5 Leskaarten
De kinderen krijgen leskaarten met plaatjes, cijfers of pictogrammen. De
kaarten laten zien wat de bedoeling is van de activiteit. Door geen tekst op
de leskaarten te zetten, is ook deze instructievorm prima bij kleuters te gebruiken.
VOORBEELD
3.8 PLAATJES KIJKEN
In één vak heeft de leerkracht een aantal leskaarten acrogym neergelegd en
een aantal matjes. De juf legt uit: ‘Je gaat straks met z’n tweeën een plaatje
uitzoeken met daarop een circustrucje. Probeer samen de kinderen op
het plaatje maar na te doen op jouw matje. Als het is gelukt, zoek je een
nieuw trucje.’
Plaatjes en
pictogrammen
11
12
13
14
׉	 7cassandra://FK60-jjBHrZk_LgivXakMfXXK3TfkAgUW2IAcmy1e7o`̵ W䰸$T3^W䰸$T3^FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://tgzqDUd5MoFLy1YWrZUwAPlRCLsBAXkX70Jc2X8AXO4 K`
׉	 7cassandra://A61WHC8XoebKsVlUbdDYueuGucxPspAdIwRKJNXm_v8^`T׉	 7cassandra://cRV1aN9atKU73It_j-HBWmX6vB7aD23OJfjvJhjfEzIO`̵ ׉	 7cassandra://1X4R3RjG_20LDQ5wuWETrGcEMo4SPxJvKyyuSQeaV3o ͠W䰸$T3^ט # #nu׉׉	 7cassandra://TGxIDVn5rjzUWC5EZ84a1jKBVTbjeTviPYYXii0GYKA `
׉	 7cassandra://ceHWd7XCXM-oagmtEaM2LwGyf1cTcPkUns0VOq6UX1kN`T׉	 7cassandra://-ni5ikXV8km_tPzi8lysUQOycPaX9kefMZTTUvqGVlw`̵ ׉	 7cassandra://l7AhZmuon6Ohf-Spnl_SFDsvg3OcooxhWDbDxv9jdqQ ͠W䰸$T3^׉E116
1
2
3
4
5
6
Observatietorens
7
8
9
10
11
Onderscheid
begrippen
12
13
14
Initiatief leerling
Moeite doen
Gunnen
De leerkracht heeft de kinderen geïnstrueerd wat ze moeten doen. De kinderen
gaan spelen en de leerkracht kan tijdelijk terugstappen. Door op een
plek te gaan staan waar de hele zaal te overzien is, kan de leerkracht de activiteiten
observeren. Door plaats te nemen op de verschillende figuurlijke
observatietorens, krijgt de leerkracht in korte tijd veel informatie over het
verloop van de les (Van Berkel e.a., 2013).
Stap als leerkracht niet te snel in om te helpen of te sturen en het op jouw
manier te gaan regelen. Enige afstand nemen geeft kinderen de kans om de
situatie nader te verkennen en te ervaren wat precies de bedoeling is. Het
kind mag best even zweten. Het mag merken en voelen dat het niet altijd
direct lukt. Het kind mag er zeker moeite voor doen. Start niet direct met
inhoudelijke opmerkingen, suggesties en tips. Wees terughoudend met
goedbedoelde adviezen en aanwijzingen. Gun kinderen de kans om met
eigen oplossingen te komen.
3.1.3
Leerhulp of extra instructie tijdens de les
Als de kinderen de bewegingssituaties korte tijd hebben ervaren en weten
wat de bedoeling is, komt het moment waarop de leerkracht de kinderen
gaat begeleiden. In bijna alle beschikbare literatuur over bewegingsonderwijs
worden de termen leerhulp en instructie door elkaar gebruikt. In dit boek
wordt een specifiek onderscheid tussen deze beide begrippen gemaakt.
Begeleiden tijdens de les kan op twee verschillende manieren: op initiatief
van de leerkracht en op initiatief van de leerling. Als de vraag bij de leerling
vandaan komt, wordt dit leerhulp genoemd. Vanuit het streven naar autonomie
en competentiegevoelens biedt de leerkracht pas leerhulp als de leerling
erom vraagt. Het wordt extra instructie genoemd als de leerkracht op
eigen initiatief instapt. Dit kan zijn omwille van de veiligheid of bijvoorbeeld
als blijkt dat een kind zelfstandig niet dat ene stapje verder komt.
Leerhulp
De leerling neemt het initiatief, heeft een hulpvraag en klopt aan bij de leerkracht.
Zowel het letterlijk durven aangeven als het erkennen van de benodigde
eigen ruimte van het kind dragen bij aan de autonomie.
׉	 7cassandra://cRV1aN9atKU73It_j-HBWmX6vB7aD23OJfjvJhjfEzIO`̵ W䰸$T3^׉ELEER-KRACHT VAN DE LEERKRACHT
VOORBEELD 3.9 JUF, KUNT U ME HELPEN?
Willem klimt via het ‘kippentrappetje’ de kast op en schrikt dan een beetje
van de hoogte. ‘Juf!, ik kan er niet vanaf.’ De juf loopt ernaartoe. ‘Wat zou je
willen? Springen of naar beneden klimmen?’ ‘Springen!’ zegt Willem. Het
enige dat de leerkracht aanreikt, is een wijsvinger. Net genoeg steun en vertrouwen
voor Willem om de sprong weer te wagen. Hij heeft dit al zo vaak
gedaan, maar die eerste keer is altijd weer even spannend. De leerkracht
loopt weg. Ze hoort vanzelf of ze straks weer nodig is.
117
1
2
3
4
5
6
7
8
Extra instructie
De leerkracht neemt het initiatief tot extra instructie. Tijdens het uitvoeren
van de bewegingsactiviteiten wil de leerkracht bepaalde aspecten verduidelijken
of extra informatie toevoegen. Deze vorm van begeleiden is op inzicht
van de leerkracht.
VOORBEELD 3.10 IK GA JE HELPEN
De kinderen zijn bezig met de koprol en duikelen aan de duikelstang. De
stapjes die helpen bij het leren van de koprol lukken bij bijna iedereen al
goed. Alleen bij Miesje ziet de juf dat er wat extra instructie nodig is. Elke
keer dat ze naar haar billen kijkt, gaat ze op haar hoofd staan en klapt daarna
plat op haar rug. Dat kan niet lekker aanvoelen. De koprol wordt hier niet
leuker en fijner van. De juf gaat erbij zitten en doorloopt met haar de stapjes.
Als ze naar haar billen kijkt, zegt de juf nogmaals dat ze als een heel
klein balletje moet rollen en helpt haar om haar hoofd van de grond te houden.
De juf blijft haar nog een paar keer helpen, verbaal en manueel. Zo
gaat Miesje voelen dat het ook anders kan en dat deze manier veel prettiger
voelt.
Initiatief
leerkracht
9
10
11
12
13
14
׉	 7cassandra://-ni5ikXV8km_tPzi8lysUQOycPaX9kefMZTTUvqGVlw`̵ W䰸$T3^W䰸$T3^FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://c7Bj6AWdigGsKPGtsTpU_qBci6NgOPS1plTVHryzHSY `
׉	 7cassandra://iguyYjRAyXowaEuxmw1wQamVFyvuAUG2zGcOQfbnqzUZ`T׉	 7cassandra://mpcGp5hmVba2D8-lv8xSvNPvUgqT326EK9h_TSMNEp02`̵ ׉	 7cassandra://WNqGkdoAIxyJnjmldL39VUBhgHJ79-rISSAaAzsROnA )͠W䰸$T3^ט # #nu׉׉	 7cassandra://iNwQIIlg2gmb3ff5PGKHt5iA4Hx9H3k-OnpcxX9kDyU `
׉	 7cassandra://n73_09caen0SFUH4c80TEgCVXM40g1MAk0RZAUX44n0N`T׉	 7cassandra://F-DfnlmBtvLqKS6KcBvww_vFucgd0Rpn_ilfaxBy5cU6`̵ ׉	 7cassandra://rD6ir6NLrcOXx9Z6Eiaewo9_NB7SYFgN9DTvqAITQmIǄ͠W䰸$T3^׉EL118
1
2
3
4
5
6
7
Rechten van het
kind
8
3.1.4
9
10
11
12
13
14
Vormen van leerhulp en extra instructie tijdens de les
De leerkracht geeft of organiseert hulp om kinderen te helpen in de ontwikkeling
van hun bewegingsgedrag. Deze hulp is gericht op een zo optimaal
mogelijke deelname aan bewegingsactiviteiten. Dit kan zijn om de uitvoeringswijze
bij te sturen of de reguleringswijze van de activiteit aan te passen.
We onderscheiden verschillende vormen van hulp. Bij het beschrijven van
deze hulp wordt onderscheid gemaakt in:
• arrangementswijzigingen
• aanwijzingen en tips
• overige hulp
Arrangementswijzigingen
Het bewegingsarrangement bepaalt in belangrijke mate hoe kinderen een
activiteit uitvoeren. Met het arrangement wordt de opstelling van de materialen
en de kinderen ten opzichte van die materialen bedoeld. Het is de
kunst het arrangement zo aan te passen dat het gewenste bewegingsgedrag
‘als vanzelf’ naar voren komt. Je kunt dan denken aan:
• Tikspel: het speelveld kleiner maken om de tikkansen voor de tikker te
vergroten.
• Activiteit met parachute: meer kinderen in een groepje plaatsen om zo de
activiteit beter speelbaar te maken.
• Gooien met een bal: kleine tennisballen geven in plaats van grotere
handballen om zo het gooien met één hand uit te lokken.
Als leerkracht is het soms lastig te bepalen wanneer je wel of niet moet instappen
voor extra sturing of aanwijzingen. In de praktijk blijkt dit keuzemoment
vaak moeilijk. Leerkrachten willen graag helpen en kinderen behoeden
voor falen en foutjes. Toch zijn falen en het maken van de eigen fouten belangrijke
fases in het leerproces bij kinderen. Daar hoort ook af en toe en
blauwe plek bij. De rechten van een kind zijn al aan de orde gesteld; het
recht op het maken van eigen fouten en het hebben van ongelukjes, het
recht op verdriet, een blauwe plek of pleister.
׉	 7cassandra://mpcGp5hmVba2D8-lv8xSvNPvUgqT326EK9h_TSMNEp02`̵ W䰸$T3^׉ELEER-KRACHT VAN DE LEERKRACHT
Aanwijzingen en tips
Aanwijzingen en tips zijn op verschillende manieren aan de kleuters over te
brengen. Hierna worden manieren beschreven waarop de leerkracht nog extra
informatie kan geven aan de kinderen.
Demonstratie
Bij demonstratie doet de leerkracht of leerling een bepaalde vaardigheid of
activiteit nog een keer voor. Zo kan nogmaals de bedoeling maar ook het
verloop benadrukt worden. In een demonstratie kan de leerkracht gebruikmaken
van een goed voorbeeld, maar soms kan het ook verhelderend zijn
om juist het verkeerde voorbeeld te geven. Raadzaam is om een fout voorbeeld
zelf te geven en niet door een kind te laten voordoen.
Feedback
Bij feedback geeft de leerkracht een reactie op hoe het kind het heeft gedaan.
Vaak is dat een aanwijzing of tip over hoe het ‘nog beter’ kan. Hoe
jonger het kind, hoe meer het accent ligt op het terugkoppelen van de opgedane
ervaringen aan de verschillende bewegingsvormen. Bij feedback geldt:
• Geef feedback direct aansluitend op de geleverde prestatie.
• Geef feedback concreet en beknopt.
• Geef feedback op het resultaat.
Geef complimenten op wat goed gaat zodat de andere kinderen dit ook horen.
Wat je aandacht geeft, groeit.
VOORBEELD 3.11 TOPS EN TIPS
Juf: ‘Zara, wat heb jij gedaan?’
Zara: ‘Over die balk gelopen.’
Juf: ‘Hoe ging dat?’
Zara: ‘Goed, want ik ben er niet afgevallen.’
Juf: ‘Wat knap. Heb je heel snel gelopen of lukt het jou beter als je het iets
rustiger doet?’
Zara: ‘Rustiger.’
Juf, terwijl ze een voorbeeld laat zien: ‘Ging je met je voeten schuiven of
stapte je echt met je ene voet over de andere voet?’
Zara: ‘Erover.’
Juf: ‘Ja, dat zag ik ook. Knap hoor. Ik zag je ook nog iets met je armen
doen. Kun je de groep vertellen wat je deed met je armen?’
Zara: ‘Ik deed ze zo wijd, dan gaat het nog beter.’
Juf: ‘Goede tip, Zara. Dank je wel.’
Reactie geven op
4
5
Wat je aandacht
geeft, groeit
6
7
8
9
10
11
12
13
14
1
2
Voordoen
3
119
׉	 7cassandra://F-DfnlmBtvLqKS6KcBvww_vFucgd0Rpn_ilfaxBy5cU6`̵ W䰸$T3^W䰸$T3^FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://TiZIY2eCQSEIVZssiIHOAO9D6NW2Mt3GkxFpdR4kA-Q `
׉	 7cassandra://fqFQANZQSReIxcuVAmB_t5VjwY6oaHljJ0pPd6xcjFgK-`T׉	 7cassandra://RQhMMI65NyCbSmYCAGSzP8Yjf249ay9Sw1XDIJn-tq8`̵ ׉	 7cassandra://vhu07zNMB2Szvpj5FGlTOJaT1U3jg1KBnbMMJ5JrjkU /͠W䰸$T3_ט # #nu׉׉	 7cassandra://wUjOeCinKS4ZVqEggzWfOKkxcKr5ci_8kGTYJnbvVZU ʛ` 
׉	 7cassandra://v397M_NHcZ8s3tgx7X0O_pro5rdFvZCRwseiSnPhbDYS` T׉	 7cassandra://oFkQvp3JNfnZ8iRWtGWtH7KkeBsbUSZGcuTzPDNX97Y`̵ ׉	 7cassandra://wG8GCk2Iy1YwujJ9JGCKtLGFxj5z14_WHtyQ3n3ewDoC͠W䰸$T3_׉E154
׉	 7cassandra://RQhMMI65NyCbSmYCAGSzP8Yjf249ay9Sw1XDIJn-tq8`̵ W䰸$T3_׉E155
4
De leer-kracht van het
kind
4.1 Leerbehoeften
4.2 Leerstijlen
4.3 Skill-willmatrix
4.4
De acht van het brein
Dit hoofdstuk gaat over de leer­kracht van de leerling. Een kind is in de basis
volledig toegerust voor zijn eigen ontwikkeling. Deze kind-kracht ontstaat
vanuit drie psychologische basisbehoeften; de behoefte aan relatie, aan
competentie en aan autonomie. Deze drie behoeften zorgen ervoor dat kinderen
betekenisvolle relaties willen, dat ze het beste van zichzelf willen laten
zien en dat ze zich willen ontwikkelen. De kleuter is door deze psychologische
basisbehoeften intrinsiek gemotiveerd om te leren. Het tot wasdom
laten komen van dit potentieel, deze leer-kracht, vraagt om uitdaging en ondersteuning.
De kleuter is nieuwsgierig en ondernemend. Deze ondernemingslust
is de basis van zijn ontwikkeling. Dit vraagt aansluiting bij wat de
kleuter belangrijk vindt en op een manier die prettig voelt. De mogelijkheden
om deze kracht volledig te benutten en tot zijn recht te laten komen worden
in dit hoofdstuk besproken.
Activerend onderwijs is berust op deze drie psychologische basisbehoeften
van kinderen, bekend vanuit adaptief onderwijs. Naast de drie basisbehoeften
hebben kinderen ook verschillende leerbehoeften (paragraaf 4.1). Ruimte
voor individuele speelkriebels, aandacht voor de modaliteit van deelnemen
en de vier eigens. Informatie komt bij het kind op een specifieke
manier binnen en wordt ook op een specifieke manier verwerkt. Je leest
over de manieren waarop verkregen informatie wordt verwerkt: de leerstijlen
(paragraaf 4.2). Daarna wordt de relatie tussen willen en kunnen, de skillwillmatrix
(paragraaf 4.3), toegelicht, waarna het hoofdstuk wordt afgesloten
met de breinprincipes. Nieuwe inzichten over breinleren (paragraaf 4.4) hebben
ertoe geleid dat er meer aandacht is ontstaan voor een leerprocesgerichte
benadering van ‘de lerende’ en daarmee voor de motorisch lerende
mens.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
׉	 7cassandra://oFkQvp3JNfnZ8iRWtGWtH7KkeBsbUSZGcuTzPDNX97Y`̵ W䰸$T3_W䰸$T3_FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://85zV5MlMFcrjTdjNJheDIrxcHhCCz_ZzNxW6hHFk2j8 `
׉	 7cassandra://zjsSe_r5e3oigQvbZgUnN9uVGITTLNHUqu4dawFpBwMP*`T׉	 7cassandra://e1Tt6KBFoq5V_ZBgZaH0MyBkUS94Lld_AA4CISX4u5Q`̵ ׉	 7cassandra://BI2v-gnyNm-RlEeuzDRiZPF4OMmzTtUi09RGLo1VwKE͠W䰸$T3_ט # #nu׉׉	 7cassandra://_VE37TXwreNqhVSiAVK0H--VunSLusc-mvM8FmdwJXs `
׉	 7cassandra://7W9kwj-r9ZlavtrRxsEflMNn2LYG19UqPrbTRrrd9iwV`T׉	 7cassandra://zdSUkAO9gcSTNP1RYGjAswaSXm_ivxJl5Tfu1C_6pQo`̵ ׉	 7cassandra://9S-wBhzSLFTPuUGjY6O5LSHsDptgnFABevnvDZMYS1kU͠W䰸$T3_׉E=156
1
2
3
§ 4.1
4
Adaptief
onderwijs
5
6
7
8
9
10
11
12
Mijn eigen speelkriebel
13
14
Vier eigens
De uniciteit en de eigenheid van een kind komt naar voren in de wijze waarop
het deelneemt aan een bewegingsactiviteit. Ieder kind, hoe jong ook,
komt al met een unieke en persoonlijke bewegingsgeschiedenis naar de
gymles. Elke kleuter staat op zijn eigen en unieke wijze in het leerproces.
Elk kind heeft een eigen leertempo, eigen interesses, eigen beweegniveau
en een eigen stijl van leren. De vier eigens vragen een gedifferentieerd aanHet
concept van adaptief onderwijs is met het formuleren van de drie basisbehoeften
een eenvoudig en direct toegankelijk idee. Het is bijzonder helder
en duidelijk waar het om gaat. Dat betekent niet dat het gemakkelijk is vorm
te geven. ‘Adaptief onderwijs’ als motivatietheorie laat zich gemakkelijk uitbreiden
met inzichten vanuit andere theorieën. In dit boek is gekozen voor
een expliciete uitbreiding naar breinleren. Uitwerkingen van thema’s als samenwerkend
leren en leren in groepen, hoewel minder expliciet uitgewerkt,
worden ook aan de orde gesteld.
Leerbehoeften
OPENINGSCASUS
De eerste gymles van meester Paul is begonnen. Het groepje met Dylan is
gestart in het klimtuintje. Paul weet van het speelplein dat klimmen en klauteren
altijd tot de verbeelding spreekt van kleuters. Toch verbazen ze hem al
gelijk in deze eerste les. In een groepje van zeven kinderen ziet hij vier verschillende
‘spelletjes’ oftewel speelkriebels die dit groepje laat zien. Dylan
en Mert zitten achter het klimrek. Ze zitten in een auto. Fiene gaat de hoogte
in en probeert het plafond aan te raken. Tom gaat op het matje liggen en
rolt lekker heen-en-weer: de boomstamrol. De drie overige jongens spelen
ninja’s en volgen elkaar al klauterend, waarbij ze af en toe angstaanjagende
kreten naar elkaar roepen.
׉	 7cassandra://e1Tt6KBFoq5V_ZBgZaH0MyBkUS94Lld_AA4CISX4u5Q`̵ W䰸$T3_׉EDE LEER-KRACHT VAN HET KIND
bod van bewegingsactiviteiten (Dirksen, 2014). Deze genoemde aspecten:
de unieke en persoonlijke leergeschiedenis, de eigen en persoonlijke manier
van in een leerproces staan met de vier eigens leiden ertoe dat ieder
kind iets persoonlijks heeft met de aangeboden bewegingsactiviteiten; de
zogenoemde speelkriebel. In de praktijk van het bewegingsonderwijs met
kleuters betekent dit concreet dat er binnen de verschillende bewegingsactiviteiten
en arrangementen voor iedere kleuter steeds ‘iets te halen’ en
te beleven moet zijn.
4.1.1
Speelkriebels
Speelkriebels is een kindgerichte vertaling van het kernidee binnen een bewegingsactiviteit
en de specifieke leer- en exploreerkenmerken van kleuters
(Florquin & Bertrands, 1995). Een speelkriebel is de betekenis die een kind
geeft aan het materiaal of de voorgeschotelde situatie. Het afstemmen van
bewegingsactiviteiten op de leerwensen van de kinderen doe je in eerste instantie
vaak gevoelsmatig. Vanuit het streven naar een optimaal ontwikkelingsperspectief
op het gebied van bewegen is het van groot belang nauw
aan te sluiten bij de interesses, wensen en beweegmogelijkheden van de
kleuter.
De specifieke ontwikkelingslijnen van kleuters zijn mede bepalend voor het
tot stand komen van de zo kenmerkende speelkriebel van jonge kinderen.
Door activiteiten regelmatig te herhalen wordt zichtbaar dat ontwikkelende
kleuters gaandeweg andere speelkriebels ontdekken. Zo zie je bijvoorbeeld
dat als jij als leerkracht een hoepel neerlegt als plaatsbepaler bij een tikspel,
dit door oudere kleuters ook zo opgevat zal worden. Jongere kleuters
zien deze functie wellicht ook, maar de aantrekkingskracht van de hoepel
om er mee te gaan spelen is groter.
Kindgerichte
vertaling
kernidee
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
Dus zo voelt een pittenzakje
Binnen speelkriebels worden vijf ontwikkelingslijnen onderscheiden:
1 wijze van openstellen en richten tot de bewegingsomgeving
2 lijn van toenemende bewegingsvaardigheid
13
14
157
1
2
׉	 7cassandra://zdSUkAO9gcSTNP1RYGjAswaSXm_ivxJl5Tfu1C_6pQo`̵ W䰸$T3_W䰸$T3_FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://J-f6odyGlaAAo0hJVrjNsDmn_RL-kIA83TVmVMYOrV4 {`
׉	 7cassandra://q08gZIbXVC5a-VTbdHEWqEg2vw3CG0L7nxvcxeQkM_MH4`T׉	 7cassandra://tvTXDorFG5RF1FsqH2TWrWAVbDgXPBYNsaCWKqWCLu8`̵ ׉	 7cassandra://Ri4hhiMKXCpI4NdXdAi9mLRWpOfT0RBnz6_HuiFmSo8 ͠W䰸$T3_ט # #nu׉׉	 7cassandra://yivd8de_IOHqHuwuZ-M6fQEhazPyOLfwg5hmp59LJzg V`
׉	 7cassandra://9mmiMipuhyqZSB4_BK0cZy2xlmORHacUX_AtI-i7uDUE`T׉	 7cassandra://GGWcPDx25pYP_xiFjOXCf_jdC9-3jLaZ_9W5m3fYVhA	`̵ ׉	 7cassandra://cfeR8uHbiIg-rxavmTkVslOoTucke36vXEerc-aZ8U4 !͠W䰸$T3_׉E2158
3 van uitgelokt bewegen naar zelfontworpen uitdagingen
4 onderscheiden van steeds meer en verschillende betekenissen
5 verschuivend motief om zich in toenemende mate op het samenspelen
te richten
1
2
3
VOORBEELD 4.1 OP ONTDEKKINGSREIS MET DE BAL
4
5
6
7
8
9
10
11
12
Experimenteren
13
14
Bij experimenteren gaat het om de vraag welke handelingsmogelijkheden
leveren voor mij de meest interessante ervaringen of gevolgen op. Welke
speelkriebels haal ik hieruit? Niet alles wat interessant gevonden wordt,
heeft een vervolgperspectief: de ballon stuktrappen kan heel leuk zijn, maar
daar is het dan ook wel meteen mee afgelopen. Het verschil tussen exploreren
en experimenteren is niet altijd helder en eenduidig aan te geven. Veelal
zit het verschil in de tijd die een kleuter met specifieke materialen heeft gespeeld.
Het onderscheid wordt ook wel aangeduid als het verschil tussen
ongericht en gericht verkennen.
Math heeft zijn aandacht gericht op een grote mand met allerlei verschillende
soorten en maten ballen. Zoveel soorten ballen heeft hij thuis niet. Een
voor een probeert hij een bal uit; is de bal hard of zacht, komt de bal weer
omhoog als je de bal laat vallen? Wat gebeurt er als je een bal rolt? Welke
bal kan ik koppen?
Ontdekken
Ad 1 Wijze van openstellen en richten tot de bewegingsomgeving
Deze ontwikkelingslijn loopt van ontdekken en experimenteren via herhalend
handelen naar spelend handelen.
Bij ontdekken gaat het om de vragen als: Wat doet dit ding? Wat zegt het
mij? Welke handelingsmogelijkheden zijn in deze situatie toepasbaar ofwel
wat kan ik ermee?
׉	 7cassandra://tvTXDorFG5RF1FsqH2TWrWAVbDgXPBYNsaCWKqWCLu8`̵ W䰸$T3_׉EDE LEER-KRACHT VAN HET KIND
VOORBEELD 4.2 SPEELKRIEBELS MET PITTENZAKKEN
Tijl kiest vandaag voor de derde keer de activiteit ‘het gooien van pittenzakken
in een doos’. Bij de ene poging loopt hij naar de doos toe en laat alle
drie de zakjes er tegelijk invallen. Bij een andere poging gooit hij de pittenzakjes
van een kleine afstand met wisselende handen richting de doos; er
valt er één in. De keer daarop verschuift hij de doos zodat deze tegen de
muur staat. Tijl bedenkt steeds een andere speelkriebel met hetzelfde materiaal
en past spelenderwijs zelf het arrangement aan.
159
1
2
Bij herhalend handelen gaat het om het steeds opnieuw uitvoeren. Steeds
opnieuw omdat het kind geniet van het kunnen of van een specifieke beleving
die wordt opgeroepen. Langdurig herhalen kan echter ook een signaal
worden dat het kind niet weet hoe verder te gaan. Dit komt dan vaak tot uiting
in een verminderde betrokkenheid bij de activiteit (Feldman, 2013).
VOORBEELD 4.3 HET PLEZIER VAN DE HERHALING
Aan het eind van de les mogen de kinderen nog even zelf kiezen. De meeste
kinderen beginnen bij het klimtuintje en als ze daar weer uitgespeeld zijn,
kiezen ze iets anders. Iedereen is druk en beweeglijk. Gabriel stapt gelijk op
de glijbaan af. Vijf minuten lang blijft hij omhoogklimmen en glijden, omhoogklimmen
en glijden. Als iemand even tussendoor wil, mag dat. Hij wacht wel
even, maar sluit ook gelijk weer achteraan in de rij. Zo snel mogelijk nog
een keer.
Herhalend
handelen
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
׉	 7cassandra://GGWcPDx25pYP_xiFjOXCf_jdC9-3jLaZ_9W5m3fYVhA	`̵ W䰸$T3_W䰸$T3_FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://_eRnscHol1kucplC8jxUhpFVTBF2e7OqAwh0GvMHZI4 A` 
׉	 7cassandra://pJGo511Oz5yKM7dd_NpSrshdw0XgoOTFkOUeASWUtNcRh`T׉	 7cassandra://D9gPnnUK1TEvkGUm5N0cXrCjwXlSYtfZq5BbpKZmRBMh`̵ ׉	 7cassandra://MsmGw2p0-H7Ib9XLF6_ZeL1vydr-RYWgqNQDvlPoveMG͠W䰸$T3_ט # #nu׉׉	 7cassandra://rZ9TQeOCzZBD0d52Wlgy8RFGg8oJDAM7PAEBgCmAitg `
׉	 7cassandra://I4vTzxxEglEIphTcr2AxXzf33Rnq_8aB1ri70p-6AO08`T׉	 7cassandra://MsKsaVUGUIikktgT-2aFV1kbzihPCoWCeCbR4B7gkdoK`̵ ׉	 7cassandra://UT-XIUmbdpjdNAhckHDvpwdaPWcblItYE3-iN7sbL8M *͠W䰸$T3_׉E
d160
Spelend
handelen
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
Eigen invulling
Vanuit interesse
en kunnen
Bij spelend handelen gaat het over het flexibel en gevarieerd inzetten van
reeds bekende handelingsmogelijkheden. In spelend handelen is er geen
drempel meer tussen het kind en zijn situatie. Dit komt tot uitdrukking in
het scala van handelingsmogelijkheden die het kind laat zien. Verrassende
effecten tijdens het spelen kunnen weer een aanleiding zijn om opnieuw te
gaan experimenteren; een nieuwe speelkriebel is geboren. Materialen en
situaties die zich lenen voor het combineren van verschillende mogelijkheden
van handelen, zijn bij uitstek geschikt om spelend handelen op te roepen
(Bosch, 2009).
VOORBEELD 4.4 HET PLEZIER VAN DE VERRASSING
Samuel en Yusuf spelen samen met de bal. Ze hebben ontdekt dat het best
lastig is om een bal zo te stuiten dat hij na de stuit precies in de doos terechtkomt.
Veel lol hebben ze als Samuel de bal na een stuit precies in de
doos laat komen en dat de bal er ook weer uit stuit en via de muur weer terugkomt.
Yusuf is er als een speer bij om de bal te vangen. Ze gieren het uit
van het lachen, gaan het gelijk aan de juf vertellen en proberen de truc nog
een keer.
Ad 2 Lijn van toenemende bewegingsvaardigheid
Bij peuters berust de lijn van toenemende bewegingsvaardigheid ten dele
nog op biologische groei en rijping. Bij kleuters ontstaan al complexere verbanden
en bewegingsmogelijkheden vanuit interesse en kunnen. Kleuters
ontwikkelen een toenemende bewegingsvaardigheid.
VOORBEELD 4.5 VARIATIE MAAKT VAARDIGER
In het bewegingsbaantje heeft de juf vandaag een bank neergezet, daarna
een kleutertrampoline, dan een hoge kast en daarna een matje. Elisa, bijna
6 jaar, stapt op de bank, loopt er vlot overheen en maakt een sprongetje in
de trampoline. Ze springt drie keer en zet dan haar handen op de kast, bij
de vijfde sprong duwt ze zichzelf op en landt op haar knieën op de kast. Ze
gaat staan en springt naar beneden. Tygo, net op school gekomen, pakt de
bank vast en gaat gehurkt de bank op. Loopt voorzichtig naar de trampoline
en stapt erin. Hij veert voorzichtig vijf keer op en neer en stopt. Pakt de kast
vast en klimt naar boven. Op de kast draait hij op zijn buik en klimt weer
naar beneden tot hij op het matje staat. Dan laat hij de kast los.
Ad 3 Van uitgelokt bewegen naar zelfontworpen uitdagingen
Kleuters reageren bewegend op wat de omgeving hen te vertellen heeft: hier
kan ik in kruipen, daar kan ik tegenaan schoppen. Naarmate kinderen vaker
met een situatie in aanraking komen, zullen ze steeds meer een eigen invulling
aan het aangeboden arrangement gaan geven (Gallahue en Ozmun,
2011).
׉	 7cassandra://D9gPnnUK1TEvkGUm5N0cXrCjwXlSYtfZq5BbpKZmRBMh`̵ W䰸$T3_׉EFDE LEER-KRACHT VAN HET KIND
VOORBEELD 4.6 SCHOPPEN TEGEN DIE BAL
Tom opent de deur van het speellokaal. Dan ziet hij opeens de ballen in de
mand liggen. Hij bedenkt zich geen moment, rent naar de ballen, pakt er
een en begint er tegenaan te schoppen. Al snel is hij aan het voetballen.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Ad 4 Onderscheiden van steeds meer en verschillende betekenissen
In het bewegen kunnen meer en verschillende betekenissen een rol gaan
spelen. Deze ontwikkelingslijn ligt dan ook in het verlengde van de vorige lijn
bij ad 3.
VOORBEELD 4.7 WELKE BETEKENIS HEEFT EEN MATJE?
In het klimtuintje ligt een matje. Alle kinderen weten dat je daar dan mag
springen. Niks nieuws. Siem en Kris weten dat ook wel, maar Siem bedenkt
zich opeens iets. Vorige week hebben we gestoeid op een matje en hij begint
Kris uit te dagen.
10
11
12
13
14
161
׉	 7cassandra://MsKsaVUGUIikktgT-2aFV1kbzihPCoWCeCbR4B7gkdoK`̵ W䰸$T3_W䰸$T3_FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://7Li3KcDf0rkzwLE4D0ONOviyYGnnFwCfbkPXjT2Eif4 `
׉	 7cassandra://9KbtL79ySP51B46fvDWaAEvbH8rs2zIIXVa_J_6Zp6sTL`T׉	 7cassandra://N6FsScVMFypZe4lXJ7oqF2-Jx3mTdt-PF1nCdX5cNpw`̵ ׉	 7cassandra://ngO3Wd153HYuoqfVCmTfvvnT5c0OByY1OxUeG7kAvKoʹ͠W䰸$T3_ט # #nu׉׉	 7cassandra://Amd5dBrnauCwrTBgUFv_RKSnbmkahB6AhwIrLqLqluc K` 
׉	 7cassandra://KueyrSQbDxrqnsfOeij1ENkUQoYm2AU6JokCDP0ebmUM`T׉	 7cassandra://haII5IVuNJNXUCgr4xT-v9W30aDxKuyU6JIOLMj2gSg`̵ ׉	 7cassandra://4gAFmlFEQ8XP2hYLh8Pxfy07foocmk-omqqMRuodYMMͫ͠W䰸$T3_׉E162
Ad 5 Verschuivend motief om zich in toenemende mate op het samen spelen
te richten
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Wat te halen
10
11
12
13
14
Zone van de
naaste
ontwikkeling
De speelkriebel bevat, binnen één of meerdere ontwikkelingslijnen, steeds
de essentie van de bewegingssituatie voor het specifieke kind. De speelkriebel
is wat de bewegingsactiviteit maakt tot een activiteit of spelletje waarmee
het kind iets kan. Er is ‘wat te halen’ voor het kind. Deze kriebel lokt
spelgedragingen en interacties uit tussen kinderen onderling of tussen het
kind en het materiaal. De kriebel toont meteen de belangrijkste ontwikkelingskansen,
op dat moment, van de activiteit. Binnen de zone van de naaste
ontwikkeling kunnen kinderen verschillende speelkriebels laten zien in de
activiteit. Binnen elk van de vijf ontwikkelingslijnen kan de speelkriebel voor
een kind veranderen en verschuiven.
Het is van belang de leer-kracht van kinderen te optimaliseren. Dit betekent
het waarderen en respecteren van de kwaliteiten en talenten van de kinderen.
Aansluiten bij de belevingswereld heeft een gunstig effect op het plezier
en het leerresultaat. Onderzoek (Valcke, 2010; Kallenberg, 2014; Marzano,
2014) toont duidelijk aan dat leerprocessen dan leuker worden. Krachtig
leren is gebaat bij een positieve houding, het verwerven en integreren van
nieuwe kennis en het verfijnen en bijstellen van de geleerde kennis. Leerprocessen
worden niet alleen leuker. Ze worden ook effectiever en efficiënter
wanneer er systematisch rekening wordt gehouden met wat de kinderen
zelf leuk en interessant vinden en de wijze waarop kinderen informatie tot
zich nemen en verwerken.
Spelen met
vriendje
Het motief om het bewegend handelen in toenemende mate samen te
doen, is de vijfde ontwikkelingslijn. Van veelal naast elkaar spelen vindt er
een verschuiving plaats naar het steeds meer en vaker spelen met het
vriendje of vriendinnetje.
VOORBEELD 4.8 SAMEN SPELEN, NAAST ELKAAR
Priscilla zit op haar knieën op de mat en probeert een tennisballetje in de
hoepel te rollen. Naast haar ligt Bart op zijn buik en probeert ook de balletjes
in zijn eigen hoepel te rollen. Even later zitten Bart en Priscilla bij elkaar
op de mat en proberen om en om een balletje richting de hoepel te rollen.
׉	 7cassandra://N6FsScVMFypZe4lXJ7oqF2-Jx3mTdt-PF1nCdX5cNpw`̵ W䰸$T3_׉EDE LEER-KRACHT VAN HET KIND
4.1.2
Modaliteiten
Modaliteiten is een ander woord voor: de manier van deelnemen (drive). Modaliteiten
binnen het bewegingsonderwijs zijn de manieren waarop kinderen
kunnen deelnemen aan bewegingssituaties. Hoe verhouden kinderen zich
tot het spel of de activiteit. Bewegingsonderwijs is belevingsvol voor kinderen.
Bij modaliteiten gaat het om de beleving van de kinderen. De manieren
waarop een kind een spel of een bewegingsactiviteit beleeft of ervaart is
een belangrijk aspect. Belangrijk genoeg om rekening mee te houden. Het
gaat om het creëren van optimale leercondities binnen ontworpen en aangeboden
bewegingssituaties.
Modaliteiten bij kinderen zijn veelal herkenbaar aan dat wat het kind prettig
vindt. Kinderen zoeken het op zodra kinderen de gelegenheid wordt geboden
hun eigen keus te maken. Het ene kind wil vooral ‘vieren’, het andere is
voornamelijk ‘sparrend’ in een bewegingssituatie aanwezig. Weer een ander
kind is meer ‘lerend’ of ‘ontmoetend’ bezig.
De modaliteiten (Van het Hooft & Fellinger, 2013) die onderscheiden worden
zijn:
1 vieren
2 sparren
3 leren
4 ontmoeten
Ad 1 Vieren
Bij het vieren gaat het voornamelijk om het ontspannen en moeiteloos bewegen.
Speelsheid, herhalend en gemak zijn de kernwoorden. Een kind dat
het bewegen vierend beleeft en ervaart, vraagt om een rustgevende, uitnodigende
en volgende leerkracht. Het gaat om het in vrijheid bewegen binnen
ontworpen en gearrangeerde bewegingssituaties.
VOORBEELD 4.9 IK WIL WEL DE HELE DAG SPRINGEN
Maartje is aan het trampolinespringen. De hele speelzaal staat volgebouwd
en de kinderen mogen zelf kiezen wat ze gaan doen. Maartje blijft springen.
En als er even iemand anders wil, dan stapt ze er met tegenzin even af.
Maar zodra de trampoline vrij is, staat zij er weer op. Poing, poing, poing.
Het gaat maar door.
Ontspannen en
moeiteloos
bewegen
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
Belevingsvol
163
1
2
3
4
׉	 7cassandra://haII5IVuNJNXUCgr4xT-v9W30aDxKuyU6JIOLMj2gSg`̵ W䰸$T3_W䰸$T3_FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://aRWCK68IAdRW_PfyQPiUzi_j15e_yoE9iqenD15jxx0 `
׉	 7cassandra://S8y7KHBgj3mIFxFnr5_NEoVv-_xUBQL4dEeEQFCMuJU4`T׉	 7cassandra://IgDnj8o20lT6dANolOhbSyTEalF2J2aJm31SbzuFtZo`̵ ׉	 7cassandra://YLXB0iUM6exBtAw27wLlcizJkb63r5pn5RqLvPmzJVM I͠W䰸$T3_ט # #nu׉׉	 7cassandra://WZqQT_nW9_5IYvIPpESEqCca-5-TnKctpDUnvxuKAuE /Y` 
׉	 7cassandra://joC147H0Hdcj8-deQrQ7_uynTuwcRtydD6uK3idhqFwaz` T׉	 7cassandra://QktALhG1xh_geh82GR7WYhVRuX-zDHQ4PIKTFxODCJk`̵ ׉	 7cassandra://5AL8Ga4lfOBCzE1gvNaCR3NuXQAURTemvZnO9p1jhfUB͠W䰸$T3_׉E196
׉	 7cassandra://IgDnj8o20lT6dANolOhbSyTEalF2J2aJm31SbzuFtZo`̵ W䰸$T3_׉E197
5
1
Motorisch-didactisch
leermodel
5.1
5.2
5.3
Het zandlopermodel
Didactische keuzes, een mix van maatregelen
Doelen en bijvangsten
6
Een les bewegingsonderwijs met kleuters voorbereiden en geven is een continu
proces van overwegingen en keuzes maken. Veel keuzes kan een leerkracht
al maken in de voorbereiding. Keuzes die gebaseerd zijn op informatie
van een vorige les of door overwegingen vooraf. Welke organisatievorm
en activiteiten kies je? Hoe verdeel je de groepjes? Welke accenten leg je
bij welke activiteiten? Welke regels zijn belangrijk? Andere keuzes komen
pas aan de orde tijdens het daadwerkelijke geven van de les.
In dit hoofdstuk wordt een motorisch-didactisch leermodel (paragraaf 5.1)
geschetst dat houvast biedt bij de dagelijkse onderwijspraktijk. Dit zandlopermodel
bestaat uit drie componenten: de vijf fases van de zandloper die
elkaar chronologisch opvolgen, de vier elementen en vervolgens de vele factoren
die te plaatsen zijn binnen de verschillende elementen. Een didactisch
model biedt overzicht in hoe een leerkracht het leren kan stimuleren in de
praktijk. Het geeft de handvatten weer hoe te handelen voor een bewegingsles,
zodat de kinderen de gestelde lesdoelen halen op een manier die past
bij de overwegingen en keuzes van de leerkracht. Het model is een zogenoemd
contingentiemodel. Een contingentiemodel is een model waarin de,
in dit geval, drie verschillende componenten die van belang zijn bij het voorbereiden
en uitvoeren van een bewegingsles aan kleuters, elkaar beïnvloeden
en van elkaar afhankelijk zijn.
Aan de hand van dit model worden tien praktijkvoorbeelden uitgewerkt (paragraaf
5.2). Ieder voorbeeld wordt ontleed in kind-, leerkracht-, taak- en omgevingsfactoren,
die ieder op hun beurt weer geplaatst kunnen worden onder
een van de vier elementen. De elementen zijn weer terug te voeren naar
een fase in het zandlopermodel, waardoor de gemaakte keuzes en de praktische
consequenties ervan in de zaal duidelijk worden. Tot slot wordt gesproken
over doelen en bijvangsten (paragraaf 5.3). Immers in de lesvoorbereiding
stel je je lesdoelen. En altijd zijn daar dan ook weer die
onverwachte pareltjes. Deze niet geplande, maar o zo gewenste, stapjes die
7
8
9
10
11
12
13
14
2
3
4
5
׉	 7cassandra://QktALhG1xh_geh82GR7WYhVRuX-zDHQ4PIKTFxODCJk`̵ W䰸$T3_W䰸$T3_FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://_AqwCSSi_m_ZsldLqVbMel8y1wfJzSjSoehn-nc8Jbw ` 
׉	 7cassandra://8LSWdLZxBQ5h5Tukt9Ga4iAbrxxiAONIV3qkBSQ8a0wd`T׉	 7cassandra://gsBorXwBcdOLs2LjJa2VyIhJ-9OSw7ebPJeWcfwfAfQ1`̵ ׉	 7cassandra://xMKAI6hhOyZd-SZlKdiIH76DlPHJYykKl-xjel3NxKsD͠W䰸$T3_ט # #nu׉׉	 7cassandra://iMKW_9YF-5vMha0ITqMOU7TahP07FpAjthiVPeJ7tF8 q`
׉	 7cassandra://GAdBk6DeR4UlJOY-rEBTqZ8H3xVJe-pICM2-cYRwZTk]`T׉	 7cassandra://FGrTAB98jgV_VBExE_ZgZodn8_bdgGKr7PNHaRk5GFk `̵ ׉	 7cassandra://CRf9lo1HIA6GhzIFqBSKNxNERe8y0LxdwBGGl8KA1mE ͠W䰸$T3_׉E198
1
2
3
4
5
Doorlopend
proces
6
7
8
9
Didactische
componenten
10
11
12
13
14
§ 5.1
kinderen in hun ontwikkeling maken, wordt de bijvangst genoemd. Ook oog
hebben voor de bijvangst, is oog hebben voor de totale mens.
Niet zonder reden krijgt dit motorisch-didactisch leermodel een centrale
plaats in dit boek. Binnen de drie componenten van het zandlopermodel
komt alle didactiek, die beschreven wordt in dit boek, samen. Dit is de praktijk.
Dit is waar het om draait.
‘Those who know, do. Those that understand,
teach’
— Aristoteles
Het zandlopermodel
In deze paragraaf wordt de schets gegeven van het model waarin verschillende
didactische componenten aan elkaar zijn gekoppeld. Het model heeft
de vorm van een zandloper. Het symboliseert een doorlopend proces dat
steeds weer opnieuw begint door de zandloper om te draaien. Het is een
zich herhalend proces waarmee je door voortschrijdend inzicht stap voor
stap verder komt. De drie didactische componenten die samenkomen in dit
model zijn de vijf fasen, de vier elementen en de vele factoren die van invloed
kunnen zijn op jouw les. Samen vormen ze een inzichtelijk en praktisch
middel om te helpen bij het voorbereiden en geven van de lessen
(Lowyk, e.a., 1995; Valke, 2007).
In het zandlopermodel zijn vijf fasen te onderscheiden die de voorbereiding,
de les zelf en de lesnabereiding omvatten. De vier elementen: kind, leerkracht,
taak en omgeving zijn in iedere fase van het model onlosmakelijk
met elkaar verbonden (zie figuur 5.1). Iedere fase en ieder van de elementen
is afhankelijk van en heeft invloed op de andere fases en elementen.
Het motorisch-didactisch leermodel is een contingentiemodel. De verschillende
drie didactische componenten in dit model zijn van belang bij het
voorbereiden en uitvoeren van een les bewegingsonderwijs met kleuters.
Het proces dat gesymboliseerd wordt met de zandloper, doorloopt chronologisch
de vijf fasen van het lesgeven. Dit houdt in dat de verschillende
componenten elkaar beïnvloeden. Fasen die niet zonder elkaar kunnen
en die elkaar beïnvloeden en versterken. Bovenin is de zandloper
breed. Veel informatie uit de vorige les en de overwegingen die vooraf gemaakt
worden, leiden in het centrum van de zandloper tot de keuzes die
in de lesvoorbereiding komen. Daarna waaiert de zandloper weer uit. De
les, waar het allemaal om draait en waarin heel veel gebeurt, levert weer
veel nieuwe informatie voor de lesnabereiding. Het didactische model representeert
een zich steeds herhalend proces waarin de verschillende
fasen opnieuw aan de orde komen. Op deze manier groeit de beschikbare
informatie over de vele factoren die van invloed zijn op een les, waardoor
je de volgende les nog beter in staat bent af te stemmen en in te
spelen op wat deze kinderen nodig hebben. De les of activiteit gaat beter
lopen, beter lukken en beter leven omdat je als leerkracht steeds beter
in de gaten krijgt aan ‘welke knoppen’ je in welke situatie het beste kunt
draaien.
׉	 7cassandra://gsBorXwBcdOLs2LjJa2VyIhJ-9OSw7ebPJeWcfwfAfQ1`̵ W䰸$T3_׉E4MOTORISCH-DIDACTISCH LEERMODEL
FIGUUR 5.1 Motorisch-didactisch leermodel – De zandloper
Fase 1
Fase 2
De vorige les
Kind
Overwegingen
vooraf
De
Fase 3
Fase 4
Fase 5
lesvoorbereiding
De
les
De nabereiding
Omgeving
De vijf verschillende fasen worden in subparagraaf 5.1.2 nader uitgewerkt
en toegelicht. Om grip te krijgen op dit zandlopermodel worden in subparagraaf
5.1.1 eerst de vier elementen die in iedere fase terugkeren, algemeen
besproken. Zo wordt de samenhang tussen de vier elementen – kind, leerkracht,
taak en omgeving – helder, voordat ze hun plaats krijgen in de verschillende
fasen.
5.1.1
De vier elementen
Een van de componenten van het zandlopermodel bestaat uit de vier elementen
kind, leerkracht, taak en omgeving. Alle vier de elementen hebben
invloed op jouw lessen en alle vier de elementen beïnvloeden elkaar continu
in een intrigerend samenspel. Binnen ieder element zijn vele didactische
De eerste
didactische
component
Intrigerend
samenspel
8
9
10
11
12
13
14
De vier elementen gefotografeerd
4
5
6
7
Bewegingsgedrag
Leerkracht
Taak
1
2
3
199
׉	 7cassandra://FGrTAB98jgV_VBExE_ZgZodn8_bdgGKr7PNHaRk5GFk `̵ W䰸$T3_W䰸$T3_FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://XWJ70Yu8Rh3M4OsqiwvDkZiIGa_TRu_H8-SEaRi5fYk ,` 
׉	 7cassandra://0iqJq9Hn3AhFZoz6d5Wy9M5F00drtYd1FhytKrswM_0J`T׉	 7cassandra://ZHesysyHaQHRSo8zwioif5jlUeB0AkRwVY8kNMJEdC4`̵ ׉	 7cassandra://jDjCGKoRHOzL90QJpUJnE0bX4S0W--eldUQeezrOaY8K8͠W䰸$T3_ט # #nu׉׉	 7cassandra://taWcfIkLUCa6DOOD5lw7-G1Lw5UuGehgK-MwfEZThek ` 
׉	 7cassandra://hQuQyfQbY4wfPS72eU4skGTQYFYvgtbZlTjc9uDv4dwA`T׉	 7cassandra://ry0N3WJdZibitAFzTVR4wKA1sPjZA7ygz2EjunKVKmY;`̵ ׉	 7cassandra://XJyjzBNzDUdMJKgLcI5S3gaKtGuZSq8Pn-Bx7lJyolUM2͠W䰸$T3_נW䰸$T3_ =O09׉H *http://www.wij-leren.nl/leerstofaanbod.phpGׁׁr׉E200
1
2
3
4
5
Kindfactoren
6
7
8
9
10
...
11
12
Emotionele ontwikkeling
13
Motivatie
...
14
Verschil tussen
jongens/meisjes
Angst in bewegingssituaties
Verschillende kleuters
Leerhulpvraag
Kind
De eigens
Speelkriebels
Basisbehoefte
Zone van
naaste ontwikkeling
Rechten van een kleuter
factoren, zoals beschreven in dit boek, onder te brengen. Als leerkracht is
het handig om kennis te nemen van en kennis te hebben over de verschillende
factoren. Hoe groter jouw kennis van factoren die van belang zijn en
waarmee je rekening kunt houden is, hoe meer sturing je kunt geven aan de
lessen die je geeft (Visser, 2013, 2014).
Het element omgeving bestaat voornamelijk uit factoren die vallen buiten
jouw cirkel van invloed. Denk aan de inrichting van het speellokaal of het
beschikbare materiaal. Vaststaande feiten op dat moment. Handig om te
weten, want dan kun je er rekening mee houden. De overige drie zijn veel
dynamischer en bieden veel mogelijkheden voor overwegingen, discussies
en het maken van keuzes. Immers, iedere leerkracht neemt zichzelf mee en
heeft een andere kijk op kleuters en heeft een eigen visie op bewegingsonderwijs
met kleuters. De vier elementen worden in onderstaande volgorde
besproken:
1 het kind
2 de leerkracht
3 de taak
4 de omgeving
Ad 1 Het kind
Iedere kleuter heeft zijn eigen en kenmerkende kindfactoren (figuur 5.2). Je
kunt denken aan cognitieve, psychomotorische en emotionele vaardigheden,
maar ook aan speelkriebels, leerstijl, motivatie en angsten. Ook zijn de verhoudingen
van zijn lichaam(sdelen), zijn achtergrond, bewegingsgeschiedenis
en bewegingscompetentie kindfactoren. Kortom, vele factoren die van
invloed zijn op de door jou te geven les. Kleuterspecifieke factoren en ook
factoren die voor iedere kleuter weer anders zijn. Ieder kind neemt zijn typerende
eigenschappen en kenmerkende kwaliteiten mee naar de les. Met
veel kindfactoren kun je rekening houden in je voorbereiding.
FIGUUR 5.2 Element kind met kindfactoren
Sociale ontwikkeling
׉	 7cassandra://ZHesysyHaQHRSo8zwioif5jlUeB0AkRwVY8kNMJEdC4`̵ W䰸$T3_׉EMOTORISCH-DIDACTISCH LEERMODEL
201
Er zullen ook altijd factoren zijn die je toch nog tijdens je les verrassen.
Inzoomend op de praktijk, kun je bij kindfactoren denken aan:
• een kind dat nauwelijks Nederlands spreekt
• een kind dat regelmatig driftbuiten krijgt
• een kind in een rolstoel
• een kind dat geen contact maakt met andere kinderen
• een kind dat nog niet geheel zindelijk is
1
2
Ad 2 De leerkracht
Bij het creëren van een rijke beweeg-, leer- en beleefomgeving binnen het
speellokaal heb je als leerkracht verschillende rollen. Je bent naast ontwerper
van de verschillende activiteiten en bewegingsarrangementen ook de expert
als het gaat om de leerstof. En daarmee ook inhoudelijk de deskundige
als het gaat om de opbouw en volgorde binnen de verschillende leerlijnen
en activiteiten. Voor de kleuters ben je een identificatiefiguur en daarmee
ook cultuurdrager. Ten slotte ben je nog een coach, die de kleuters stimuleert
om het beste uit zichzelf te halen. Een onderzoekende houding met
een mindset die gericht is op groei en ontwikkeling lijkt een voorwaarde om
deze rollen goed te kunnen vervullen.
FIGUUR 5.3 Element leerkracht met leerkrachtfactoren
Extra's
Begeleidingsstijlen
...
Lukt 't? Loopt 't? Leeft 't?
Laat 't!
Leerkracht
Fase 2:
overwegingen vooraf
Groeperingsvormen
Vakoverstijgende doelen
Kennis van kindfactoren
11
Vormen van instructie vooraf
Wat zie ik?
Wat vind ik ervan?
Wat doe ik?
Vormen van extra instructie
13
14
12
Organisatievormen
9
Criteria voor een
goede les
10
7
8
3
4
5
6
׉	 7cassandra://ry0N3WJdZibitAFzTVR4wKA1sPjZA7ygz2EjunKVKmY;`̵ W䰸$T3_W䰸$T3_FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://RC-1RtFf7SL4uhDWU8UoIJXdxDEAoQjxOhrcOUFlG1g G` 
׉	 7cassandra://0F_su7cF1A7lRjYxa3fSiaRhicR0TN9ATqg_kLdmIsQH`T׉	 7cassandra://Lc-mqWXRSze60rfXqc8rdkjr5DOF0B_pZjffSIaG4Pw`̵ ׉	 7cassandra://c5wRRFX796B_-5gCKED-RP5r-dsjtFpUlx6wKxeaZ4UD͠W䰸$T3_ט # #nu׉׉	 7cassandra://RpzBadP79x7skVr4LoM7q9aDRpWst6C-cwadFwiJ7Fg ` 
׉	 7cassandra://hhNv12lFPuHhh1JNHcTT33gIFSw5miJMskM1NxSAm7AtJ` T׉	 7cassandra://odpqUw6V7UeAd3Xnt7ZZ7uvyk83NfT5iW-cvgjuuENc`̵ ׉	 7cassandra://MxSHvuhOYaeLKkGEQvuR4hCXwrBquk6_ZW14P07CI9I5͠W䰸$T3_׉E202
1
2
3
4
5
6
Ad 3 De taak
7
8
Accenten
9
...
10
...
11
Criteria voor een
goede les
12
Reguleren
13
14
Arrangement
Taak
Regels
Activiteit
Doelen
Het derde element is de taak die moet worden uitgevoerd (figuur 5.4 hieronder).
Ook onder dit element zijn vele verschillende factoren te plaatsen.
FIGUUR 5.4 Element taak met taakfactoren
Leerkrachtfactoren
Ook
de leerkracht heeft zijn eigen achtergrond en zijn eigen specifieke en
kenmerkende kwaliteiten (figuur 5.3). Het zijn al die kwaliteiten en vaardigheden
die hem als persoon maken tot de leerkracht die hij is. De wijze
waarop hij leiding geeft en neemt, zijn instructiestijlen, zijn voorkeuren en
zijn omgangsvormen zijn enkele voorbeelden van leerkrachtfactoren. Ook
hoe hij aankijkt tegen verschillen tussen jongens en meisjes, zijn gevoel van
vertrouwdheid met bewegingsactiviteiten, zijn mindset, normen en waarden
en interactieve vaardigheden spelen een rol. Al met al een breed scala aan
kwaliteiten, competenties en houdingen die de leerkracht maken toe wie hij
in de praktijk is. Al die kennis en kunde helpen in het maken van keuzes
voor en tijdens de les.
De leerkracht heeft een heel scala aan mogelijkheden om het bewegingsgedrag
te beïnvloeden tot zijn beschikking. En dat is maar goed ook, want van
een leerkracht wordt nogal wat gevraagd. In iedere les wordt op diverse leerkrachtfactoren
een beroep gedaan.
Inzoomend op de praktijk, kun je bijvoorbeeld denken aan:
• De leerkracht wil dat de kinderen elkaar helpen
• De leerkracht heeft een voorkeur voor een bepaalde instructiewijze.
• De leerkracht is een man.
• De leerkracht heeft weinig affiniteit met sport en bewegen.
• De leerkracht heeft kennis over de wijze waarop kleuters motorisch
leren.
׉	 7cassandra://Lc-mqWXRSze60rfXqc8rdkjr5DOF0B_pZjffSIaG4Pw`̵ W䰸$T3_׉EMOTORISCH-DIDACTISCH LEERMODEL
Taakfactoren zijn de factoren die de begrenzing aangeven waarbinnen het
gevraagde moet worden uitgevoerd. Je kunt bij specifieke taakfactoren denken
aan de manier waarop het arrangement wordt ingericht en welke opdracht
de kleuters meekrijgen bij een bepaalde activiteit. De wijze waarop
een spel of een activiteit dient te worden uitgevoerd, is het een hoogte- of
een vertesprong, mag je vandaag met je handen of met je voeten met de
ballen spelen, wordt er gesprongen met een trampoline, een veerplank of
vanaf de grond? Dit zijn allemaal factoren die bepalen hoe een specifieke
bewegingstaak wordt uitgevoerd. Veel van de taakfactoren zijn terug te voeren
naar het lesvoorbereidingsformulier, zoals de activiteitenomschrijving,
het arrangement, de materiaalkeuze, regels en de doelen.
Inzoomend op de praktijk, kun je bijvoorbeeld denken aan:
• De taak is: je blijft in je eigen tuintje.
• De taak is: als je getikt bent, leg je een pylon neer.
• De taak is: landen van een hoge kast op een zachte dikke mat.
• De taak is: het maken van drie steunsprongen achter elkaar.
• De taak is: je landt op twee voeten.
Ad 4 De omgeving
Het vierde element is de omgeving. Met de omgeving wordt zowel de fysieke
omgeving als het leer- en beweegklimaat rondom de les bewegingsonderwijs
met kleuters bedoeld. Fysieke factoren zijn bijvoorbeeld de beschikbare
ruimte in het speellokaal en hoe het speellokaal is ingedeeld. Wordt het gebruikt
als opslagplaats of heeft het vaste toestellen in de ruimte waarvan je
afhankelijk bent? Ook het moment waarop het speellokaal voor jouw groep
beschikbaar is, is een omgevingsfactor. Dit kan veel invloed hebben op het
verloop van de les. Op dinsdagochtend zal de gymles anders verlopen dan
op vrijdagmiddag. Is er wel een vast gymrooster of moet je iedere week
maar kijken wanneer je er gebruik van maakt? Wellicht is er veel afleiding
rondom het speellokaal doordat er bijvoorbeeld veel ramen in zitten. Dit is
bijvoorbeeld een omgevingsfactor waar je ook rekening mee moet houden
als je met harde ballen aan de slag wilt. Omgevingsfactoren zijn over het algemeen
een gegeven. Een gegeven waarop je niet direct in je lessen invloed
kunt uitoefenen.
Inzoomend op de praktijk, kun je bijvoorbeeld denken aan:
• De omgeving is: de muzieklessen worden ook in het speellokaal
gegeven.
• De omgeving is: het is koud, want de verwarming is stuk.
• De omgeving is: er hangt geen afscheidingsnet voor de berging.
• De omgeving is: door de ligging van het speellokaal is er weinig
direct licht.
• De omgeving is: de directie heeft jaarlijks een budget van € 500 begroot
voor materiaal.
Omgevingsfactoren zijn factoren waar je het op dat moment mee moet doen
(zie figuur 5.5 op p. 204). Het neemt niet weg dat je uiteraard invloed kan
uitoefenen op deze omgevingsfactoren. Sommige factoren in de fysieke omgeving
of het beweegklimaat zijn snel te beïnvloeden en voor anderen heb je
een iets langere adem nodig, maar op beide heb je als leerkracht invloed.
Je kunt je neerleggen bij het materiaal dat je tot je beschikking hebt, je kunt
op zoek gaan naar creatieve oplossingen of je kunt de directie aanspreken
203
1
Taakfactoren
2
3
4
5
6
7
8
Omgevingsfactoren
9
10
11
12
13
14
׉	 7cassandra://odpqUw6V7UeAd3Xnt7ZZ7uvyk83NfT5iW-cvgjuuENc`̵ W䰸$T3_W䰸$T3_FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://BdBT9SDafM7HKZiHKFHUOdytVzkhxbgeR_0ruAkdxj0 ` 
׉	 7cassandra://zEEh3mbuNJQoqXrBGaBgKnAA6n0V4qU7G6YBD-OAstwI`T׉	 7cassandra://zR-RJ9auWeWWFwDKwu2mBfsjGvdzBVeHJLkoZGwwDOY`̵ ׉	 7cassandra://22uphFrF2cleuQ0H4eU9zBZjAvA82v3QaWQoZsv_-K4O<͠W䰸$T3_ט # #nu׉׉	 7cassandra://l7O2WS1AMhpFZL5tKO4lW5O1687k7xh0cKPHLsYIZyg `
׉	 7cassandra://u-Tw8W3-qKXyyKSw-A_di7fEEpkeJUxNsOcST2IQ4B0ME`T׉	 7cassandra://9_WWmzFmdJiem_jFM1t0xx3OsrktkuyrckWsfSeRtGI`̵ ׉	 7cassandra://WQwWuKabEHIUfxL4bFQicNm43o24DKczSs-s3yQl8nE n.͠W䰸$T3_׉E204
op het gegeven dat je onvoldoende materiaal hebt om goed bewegingsonderwijs
te kunnen geven.
1
2
...
3
4
Omgeving
5
6
7
8
9
10
11
Wisselwerking
12
13
14
Samenspel
Vier elementen onlosmakelijk met elkaar verbonden
De beschreven elementen hebben alle vier afzonderlijk direct invloed op
jouw voorbereiding en het verloop van de bewegingsles met kleuters. Zowel
de specifieke kindfactoren als de factoren van de leerkracht hebben invloed
op de praktijk. Dit geldt uiteraard ook voor de factoren binnen de elementen
de taak en de omgeving. Daarnaast is er ook een samenspel tussen de vier
elementen onderling. Iedere factor uit een element heeft direct of indirect
invloed op een of meerdere andere elementen. Kleuters en de leerkracht
reageren op elkaar en hebben het vermogen zich aan te passen aan de
taak en de omgeving. Daar waar de elementen elkaar raken (zie figuur 5.6)
ontstaat er een wisselwerking. Die wisselwerking is vaak al in de voorbereiding
te voorspellen en daarmee kunnen factoren dan ook bewust worden
ingezet. Daar waar de wisselwerking inzichtelijk wordt tijdens de les, ontstaan
er soms verrassende situaties die een beroep doen op jouw vaardigheden
als flexibele en creatieve leerkracht.
Om gevoel te krijgen hoe elementen elkaar kunnen beïnvloeden, volgt hierna
een aantal voorbeelden met telkens de wisselwerking tussen twee verschillende
elementen. Dit geeft een zestal mogelijke combinaties van steeds
twee elementen.
Licht, geluid, warmte in
het speellokaal
Het rooster
bewegingsonderwijs
Het rooster voor medegebruikers
van het speellokaal
Cultuur binnen
de school
Indeling speellokaal
...
Beschikbaar materiaal
Onderwijssysteem van
de school
Themaweek
Schoolkalender
Identiteit van de school
Grootte van het speellokaal
FIGUUR 5.5 Element omgeving met omgevingsfactoren
Groepssfeer
׉	 7cassandra://zR-RJ9auWeWWFwDKwu2mBfsjGvdzBVeHJLkoZGwwDOY`̵ W䰸$T3_׉EMOTORISCH-DIDACTISCH LEERMODEL
FIGUUR 5.6 De wisselwerking tussen de vier elementen
205
1
Kind
2
Leerkracht
Taak
3
Omgeving
VOORBEELD 5.1 WISSELWERKING TUSSEN DE ELEMENTEN KIND EN LEERKRACHT
Aart gaat vandaag voor het eerst mee gymmen. Hij vindt het allemaal nog
heel spannend en blijft graag bij de juf in de buurt. De juf kiest ervoor om
steeds met hem mee te draaien naar een nieuw vak en als de behoefte er
is, neemt ze hem even op schoot.
Een kind staat op de kast en durft nog niet alleen te springen, maar wil het
wel graag proberen. Ze vraagt hulp van de juf. De juf geeft leerhulp door het
kind haar vinger vast te laten pakken.
De leerkracht heeft vier pylonen neergezet om te gebruiken als doeltje bij
het voetballen. Een kind gebruikt een van de klaargezette pylonen als hoed
en loopt zo door haar eigen tuintje. De leerkracht laat het gaan, niemand
heeft er last van, ze gebruiken het andere doeltje om te scoren.
4
5
6
7
8
9
10
11
VOORBEELD 5.2 WISSELWERKING TUSSEN DE ELEMENTEN KIND EN TAAK
De taak voor ieder kind is het bewegingsbaantje af te gaan. Ieder kind doet
dit op zijn tempo en niveau, waardoor de leerkracht verschillende manieren
van uitvoering ziet.
Bij het tikspel moeten de kinderen overlopen naar de andere kant. De tikker
staat de kinderen op te wachten en mag kinderen tikken met de schuimrubberen
tikstok. Een van de kinderen vindt het overlooptikspel, waarbij je
langs de tikker moet lopen nog eng en gaat zitten kijken op de bank. Hij
kijkt hoe de anderen het doen en heeft zichtbaar plezier.
Een van de kinderen blijft een tijdje bij de duikelstang staan. Vertwijfeld kijkt
hij om zich heen. De meester weet dat hij het wel kan, hij heeft het trucje al
12
13
14
׉	 7cassandra://9_WWmzFmdJiem_jFM1t0xx3OsrktkuyrckWsfSeRtGI`̵ W䰸$T3_W䰸$T3_FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://ZuMM0Ls4SNyQS6rJhZ2mXdDBhOD48_FkgFPcfKaYeo8 `
׉	 7cassandra://Lj3ymcLiUK_kXa1RbcVDRZZfHSE3c2qo5HFn0lKeU4YY`T׉	 7cassandra://ei1_u58xL41S6kA9C6SCIQb6iH5akGffZXGjJbRuBAIg`̵ ׉	 7cassandra://DcdXUi8ven1rxqKnzHJRAROZweQ21hxYyDo005_wfNs a6͠W䰸$T3_ט # #nu׉׉	 7cassandra://Ydpuk1068nmOWsj92O_B7T2Fty5YhSWOXWgUQJYOX5I `
׉	 7cassandra://BxLioMzjomYJy90C1rYBlom1fTG7QoLJZOggaxSqlMoQv`T׉	 7cassandra://PaHl4B6H_AP2ZUQR6Q_piJxkBH8XoNU-_8ojIgpKZXwD`̵ ׉	 7cassandra://7fJsvM5CYKdYs92f8mQgx_ykOtrfLP2L4r56nKHvGSA #>͠W䰸$T3_׉E206
eerder laten zien. Vandaag wil hij niet. Ook niet op aandringen van de andere
kinderen die staan te wachten.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
VOORBEELD 5.4 WISSELWERKING TUSSEN DE ELEMENTEN LEERKRACHT EN TAAK
Vandaag gaan we rollen om de breedteas, waarbij het belangrijk is dat je je
heel klein maakt. De leerkracht kiest ervoor om erbij te blijven, zodat ze
ieder kind dat het in haar ogen nodig heeft extra instructie kan geven.
De leerkracht maakt heterogene groepjes voor het tikspel dat deze groep al
vaker heeft gespeeld. Zo kunnen de oudere kleuters de jongere kinderen
helpen met de regels.
VOORBEELD 5.3 WISSELWERKING TUSSEN DE ELEMENTEN KIND EN OMGEVING
Het is eind van de week en de groep heeft het laatste uur van de middag
gym. Veel kinderen zijn moe en druk. Een aantal kinderen wordt hangerig en
wil het liefst op schoot bij de juf.
Vlak voor de gymles is er een brandoefening op school geweest. Een aantal
kinderen is hier nog vol van en bedenkt speelkriebels die met dit thema te
maken hebben. Klimmen op de brandweerladder, stokken worden brandweerslangen
en met de ballen blussen ze het vuur.
Een aantal ballonnen is stuk en er zijn geen nieuwe meer. De kinderen moeten
nu samen spelen, samen delen. Niet ieder kind kan dat al. Zij hebben
veel liever een eigen ballon.
׉	 7cassandra://ei1_u58xL41S6kA9C6SCIQb6iH5akGffZXGjJbRuBAIg`̵ W䰸$T3_׉E;MOTORISCH-DIDACTISCH LEERMODEL
Het doel van de juf is, dat ieder kind een keer de tikker is tijdens de les. Als
dat niet lukt, dan vervangt de leerkracht de pylonen, die omgelegd moeten
worden als je af bent, voor een zandloper van een minuut.
1
2
3
VOORBEELD 5.5 WISSELWERKING TUSSEN DE ELEMENTEN LEERKRACHT EN OMGEVING
De juf wil graag gaan stuiten met grote zachte ballen. Maar ze ziet dat de
ballen die in het rek liggen niet stuiten. Daar baalt ze van. Voor nu bedenkt
ze een andere oplossing met basketballen, maar straks loopt ze gelijk even
langs bij de directie voor budget om klein materiaal aan te kunnen schaffen.
Vanmiddag gaat groep 5 een stuk opvoeren voor de ouders in het speellokaal.
Gelijk na de pauze moet het speellokaal al leeg zijn. De juf moet dit
vandaag alleen doen, dus kiest zij voor een klassikale les waar zij geen
groot materiaal voor nodig heeft.
Groep 8 is op kamp en de kleuters mogen, als de juf het goed vindt,
een keer de grote gymzaal in om te gymmen. De leerkracht overweegt
van tevoren de voor- en nadelen van het gymmen met kleuters in zo’n
grote ruimte.
4
5
6
7
8
9
10
11
VOORBEELD 5.6 WISSELWERKING TUSSEN DE ELEMENTEN TAAK EN OMGEVING
In een hoek van het speellokaal hangt een hoekige radiator tegen de muur,
en dus wordt aan deze kant van het speellokaal nooit een tikspel gepland.
Volgende week donderdag viert de school Sinterklaas, en er worden vier
activiteiten gekozen in dit thema.
De groepen worden steeds groter. Het speellokaal wordt te klein. In plaats
van ‘twee is teveel’ speel je ‘drie is teveel’ bij het tikspel.
12
13
14
207
׉	 7cassandra://PaHl4B6H_AP2ZUQR6Q_piJxkBH8XoNU-_8ojIgpKZXwD`̵ W䰸$T3_W䰸$T3_FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://lK3X8KQTTrr0DtuKATeA1hB2disFrkhBMYMRwLaEzTE tZ`
׉	 7cassandra://MuOmRZG5vyBJviR-JDf_eiuIdgoFShRiPvfUkQVPNJQPD`T׉	 7cassandra://l44kqK_43keD0yZTULy21sP-GLpxszGc4fMuRbemRvQ`̵ ׉	 7cassandra://t9C93_vmwe5nai2LbkLbybhlKkIvMJpRgRuDQpwBKTo 	h͠W䰸$T3_ט # #nu׉׉	 7cassandra://6uP2Jnq8YKodwtoAKTdJz_bqtFW_U3gk-hy8s4-bPLw ` 
׉	 7cassandra://vRuS80exjY3jzVEIsLVnyEgtANSrsrMLAowv3oM3VfEU`T׉	 7cassandra://JQCGCkWR39QFZJKVOrqUiMKnzW4dRx374gqOWkGV-Is`̵ ׉	 7cassandra://3sNt6Yy0dHF5LsbSGm-2WmfpTnzxrd7npPv_0zeuocM͗	͠W䰸$T3_׉EM208
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
De
Fase 3
12
13
14
Fase 1 – Informatie van de vorige les
In de eerste fase gaat het om specifieke informatie die je hebt verzameld
op basis van het uitvoeren van een vorige les. Alle informatie die van belang
Fase 4
Fase 5
De les
De nabereiding
lesvoorbereiding
De
tweede
didactische
component
Chronologische
volgorde
Uiteraard zijn er ook voorbeelden te bedenken waarbij drie elementen elkaar
beïnvloeden of zelfs alle vier de elementen. Als leerkracht heb je de leeractiviteiten
van de kleuters nodig, de kleuters hebben jou als verzorger van het
onderwijs in het bewegen nodig. Jij bepaalt de specifieke taak en je bent altijd
afhankelijk van de omgevingsfactoren. Alle vier de elementen zijn te
plaatsen in iedere fase van het motorisch-didactische leermodel: de zandloper.
Immers, er zijn kindfactoren die je in de voorbereiding mee kunt nemen.
Kindfactoren die je in de les zelf tegenkomt en kindfactoren die in de nabereiding
belangrijk genoeg zijn om te benoemen.
Vijf fasen van het motorisch-didactisch leermodel
De fasen zijn één van de drie componenten van het didactische model. De
vijf fasen van het model volgen elkaar in chronologische volgorde op. Per
fase zullen de vier verschillende elementen en daarmee ook de factoren die
een rol spelen binnen een specifieke fase de revue passeren.
• Fase 1 – Informatie van de vorige les.
• Fase 2 – Overwegingen vooraf.
• Fase 3 – De lesvoorbereiding.
• Fase 4 – De les.
• Fase 5 – De lesnabereiding.
5.1.2
FIGUUR 5.7 De vijf fasen van het zandlopermodel
Fase 1
Fase 2
De vorige les
Overwegingen
vooraf
׉	 7cassandra://l44kqK_43keD0yZTULy21sP-GLpxszGc4fMuRbemRvQ`̵ W䰸$T3_׉EJMOTORISCH-DIDACTISCH LEERMODEL
kan zijn bij het voorbereiden van en het daadwerkelijk verzorgen van de volgende
les is in de evaluatie besproken en genoteerd in de nabereiding. Dit
kan bijvoorbeeld informatie zijn over jouw werkwijze, de groep in zijn geheel,
het individuele kind, maar ook over de afzonderlijke activiteiten.
1
FIGUUR 5.8 Zandlopermodel – Fase 1
2
1
1
De vorige les
4
Spel voldeed aan criterium
drang tot bewegen
1
Leerkracht
Taak
4
3
43
6
4
Omgeving
3
1 Klimmen
2 Spel
3 Trucje
4 Mikken
VOORBEELD 5.7 INFORMATIE UIT DE VORIGE LES
Juf Simone gaat morgen een les in vier vakken geven en bladert terug in
haar map. Zij bewaart al de lessen die ze gegeven heeft en schrijft na afloop
altijd een paar korte kreten op voor een volgende keer. Ze wil het klimtuintje
net zo bouwen als vier weken geleden. Bij de foto van die les heeft ze geschreven
dat ze rekening moet houden met waar ze het tweede klimrek
neerzet, anders past het net niet. Teun en Dirk waren wat angstig in deze
situatie. Voor hen was het nog te hoog gegrepen. Het spel dat ze wil gaan
herhalen, vonden de kinderen heel leuk. Ze konden er veel energie in kwijt,
er waren alleen wel wat botsingen staat erbij geschreven. Nog even kijken bij
de koprol die ze zes weken geleden ook heeft aangeboden. Wie kan hem al
wel en wie heeft nog moeite? Ze gebruikt nog een kwartier om informatie uit
vorige lessen bij elkaar te zoeken voordat ze verdergaat met voorbereiden.
7
8
9
10
11
12
Fase 2 – Overwegingen vooraf
Je hebt vooraf allerlei overwegingen en gedachten over de les die je gaat geven.
Er schiet van alles door je hoofd. Waar moet je allemaal rekening mee
houden? Wat weet je nog van de vorige les? Hoe zit de groep in elkaar? Met
welke individuen houd je apart rekening? Welke activiteiten kunnen wel of
niet naast elkaar? Niet alle overwegingen zijn allemaal even belangrijk en
relevant. Belangrijk in deze fase is om het kaf van het koren te scheiden.
13
14
2
3
Lijst met kinderen
die koprol beheersen
Arrangement:
plek 2e klimrek
Veel botsingen bij spel,
arrangement anders
opzetten
1
2
5
Teun en Dirk
nog angstig
Kind
2
2
3
4
209
׉	 7cassandra://JQCGCkWR39QFZJKVOrqUiMKnzW4dRx374gqOWkGV-Is`̵ W䰸$T3_W䰸$T3_FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://-vTQ4j4iWtQDaqq7cj6aX_Dk9xlBiEFHaYw4B1hw_jE `
׉	 7cassandra://GIgxOH4fWIEnGfQcB5n8i0m4r41RsmKfSq1CmvG4k5wO`T׉	 7cassandra://V_9MalqVo6E-HZYbhMKqx6mgNQ738p5mlwKDCj-oLR0`̵ ׉	 7cassandra://jdw3mt0e0FkWgUALdUFx0ym4cvpud02lPIPJQlf49RQ @[͠W䰸$T3_ט # #nu׉׉	 7cassandra://e40pbPAk4_9CX7-ma1st7qKdVHIAAA8sJ_6uG8fVeSI x` 
׉	 7cassandra://UZ2ewuk7t5Hic516FDOQZOxbH1G8bhaoq6O7Atc8F-8F `T׉	 7cassandra://5IO0scqpRHIuJ7pzxsk8DZIjxMreWy7koKHMErBjiXM`̵ ׉	 7cassandra://OtI4vkScNjliaYOXLS8AM3DFKe7ewoaQok42pRs9itUL͠W䰸$T3_׉E242
׉	 7cassandra://V_9MalqVo6E-HZYbhMKqx6mgNQ738p5mlwKDCj-oLR0`̵ W䰸$T3_׉E243
6
Wat is een kleuter?
6.1
6.2
6.3
Natuur- of cultuurbepaald?
Ontwikkeling van kleuters
Diversiteit aan kleuters
6
Wat is er zo anders aan kleuters ten opzichte van de andere basisschoolkinderen,
dat zij een apart boek verdienen? Hoe zitten kleuters in elkaar en
waar zitten de verschillen? De ontwikkeling van kleuters wordt bekeken
vanuit twee referentiekaders.
Heb je als leerkracht invloed op de ontwikkeling van de kinderen? Of ontwikkelen
kleuters zich toch wel op alle vlakken, ongeacht wat je aanbiedt? Ga
je uit van nurture of nature? Daarnaast wordt gekeken naar twee behoeftepiramides
die elk hun wortels hebben in twee verschillende culturen (paragraaf
6.1). Gesproken wordt van jongste en oudste kleuters. De verschillende
ontwikkelingsgebieden komen aan de orde en hoe je hier rekening mee
kan houden tijdens de les bewegingsonderwijs (paragraaf 6.2).
Het gaat hier om de fysieke, motorische, cognitieve, sociaal-emotionele en
spelontwikkeling. Samen omvatten deze verschillende domeinen de totale
ontwikkeling van de kleuter. Deze domeinen worden geconcretiseerd zodat
het voor jou als leerkracht duidelijk wordt waar je allemaal rekening mee
kunt houden.
Tot slot wordt passend onderwijs voor kleuters besproken (paragraaf 6.3).
Voor de handliggende en minder voor de handliggende verschillen tussen
jongens en meisjes passeren de revue. Maar ook kinderen met specifieke
onderwijsbehoeften komen aan de orde.
OPENINGSCASUS
Ralph is vier jaar, woont in de stad maar heeft thuis een grote tuin. In de
tuin staan bomen, boomstronken, een glijbaan, een schommel en een
speelhuisje. Bijna iedere dag speelt hij buiten, klimt hij in de bomen en
glijdt van de glijbaan. Job is vijf jaar en woont in een flat op de 10e etage.
Job speelt vaak binnen en anders speelt hij op de galerij. In de flat gebruiken
hij en zijn moeder altijd de lift. De twee jongens zitten bij elkaar in de
7
8
9
10
11
12
13
14
1
2
3
4
5
׉	 7cassandra://5IO0scqpRHIuJ7pzxsk8DZIjxMreWy7koKHMErBjiXM`̵ W䰸$T3_W䰸$T3_FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://zdmdm7hEQjf6FXoii1LEJvQy2rrFjLDnKOVnSpFHEu8 ,` 
׉	 7cassandra://gsd0SqXfrEFNdX_M8veudknyeJ37R18FE4i36mpJXuUb`T׉	 7cassandra://xua6qpRffDDN3waa7aExiw5KZQrXhZRKziZJnukBMWk`̵ ׉	 7cassandra://a3MODzScH8AH8S65LgywlV1Jp6X8dpy2aHPjTT9epSIA͠W䰸$T3_ט # #nu׉׉	 7cassandra://99kHexOshA5cnsOTLBC61dlvvmOHr5mAl94zz9Zz_lU `
׉	 7cassandra://0CagYe8wDTXLh0rC7-qeF1V1kmCsvP9kK9tjWYk-PO8Y`T׉	 7cassandra://KQ-rH0DgHRx-9wWc1UWNZTOxMI6qKP-u_vNG82Tj1k4s`̵ ׉	 7cassandra://_KFBBiNNX8QCk7y_f1Y-y0jdDk0qVoyupGLVCzNOyCE d͠W䰸$T3_׉E0244
1
2
3
4
Aanleg of
aangeleerd
5
6
6.1.1
7
8
9
10
11
12
Rijping
13
14
De vroegkinderlijke ontwikkeling heeft te maken met rijping van het centrale
en perifere zenuwstelsel en daardoor tot ontwikkeling komen van mogelijkheden
die het kind in zijn genetisch materiaal heeft meegekregen. De aannames
van de nature­traditie gaan ervan uit dat de motorische ontwikkeling
verloopt volgens een autonoom proces. Dit proces bestaat uit het aflezen
van genetisch bepaalde informatie, die opgeslagen is in de genen. De aanhangers
van deze theorie dachten dat de omgevingsfactoren het proces van
ontwikkeling niet of nauwelijks konden beïnvloeden. Deze manier van kijken
Nature versus nurture
De discussie over de oorsprong van de eigenschappen van het individu is
het nature­nurturedebat. Wordt een kind geboren als een onbeschreven blad
dat door inbreng en prikkeling van omgevingsfactoren wordt ingevuld (nurture)?
Of neemt een pasgeborene zo veel erfelijk materiaal mee dat de uiteindelijke
ontwikkeling van het individu al van tevoren vaststaat (nature)
(Sameroff, 2010)?
Nature
Alle eigenschappen van het individu die bepaald zijn door aanleg, erfelijkheid
en dus aangeboren zijn, worden nature genoemd. Jean-Jacques Rousseau
(18e eeuw) en medestanders beweerden destijds dat erfelijkheid de
belangrijkste invloed heeft op de persoonlijkheid. Volgens Rousseau loopt
de ontwikkeling van het kind volgens een innerlijke, biologische tijdtafel en
hebben ouders en omgeving hierin nauwelijks een rol.
De zuigeling, de peuter, de kleuter en het schoolkind functioneren motorisch,
cognitief en sociaal, emotioneel op geheel eigen wijze. Ieder kind is al voorgeprogrammeerd
en ontwikkelt zich volgens die erfelijke ‘printplaat’. Deze genetische
make-up omvat alle ontwikkelingsdomeinen. Het begrip nature wordt
verduidelijkt door een beschrijving van het motorische ontwikkelingsdomein.
§ 6.1
klas en vandaag hebben ze gym. De juf en meester Paul hebben een klimtuintje
gebouwd met aan het wandrek twee glijbanen. Om te kunnen glijden
moeten de kinderen eerst het wandrek in klimmen. Ralph is als eerste aan
de beurt en klimt al vlot en alternerend naar boven het wandrek in. Job
daarentegen klimt aarzelend en nog bijsluitend naar boven het wandrek in.
De juf weet de achtergrondsituaties van beide kinderen en maakt meester
Paul attent op het verschil in bewegingsvaardigheid van de jongens. Een leuke
discussie. Zou de achtergrondsituatie ermee te maken hebben of heeft
Ralph gewoon meer aanleg voor bewegen?
Natuur- of cultuurbepaald?
Tot op de dag van vandaag blijft het een discussie welke rol genen en welke
rol de omgeving spelen in de ontwikkeling van kinderen. Is het nature of
nurture? Is het aanleg of is het aangeleerd? In deze paragraaf word je je als
leerkracht meer bewust van verschillende factoren die kunnen meespelen
bij de ontwikkeling van het kind. Gekeken vanuit de multiculturele samenleving,
is het geen overbodige luxe aandacht te besteden aan twee verschillende
behoeftepiramides. Onderscheid wordt gemaakt tussen wat men vaak
moderne en traditionele of westerse en niet-westerse culturen noemt.
׉	 7cassandra://xua6qpRffDDN3waa7aExiw5KZQrXhZRKziZJnukBMWk`̵ W䰸$T3_׉EWAT IS EEN KLEUTER?
naar het ontwikkelingsproces vindt plaats halverwege de jaren 40 tot de jaren
60 van de vorige eeuw (Gesell, 1945, Illingworth, 1966).
Het denken in termen van strakke, genetisch bepaalde schema’s heeft geleid
tot het opstellen van algemeen geldende regels voor de ontwikkeling
van de motoriek. Deze ontwikkeling verloopt volgens vaste regels:
• Van centraal (binnen) naar perifeer (buiten)
Jonge kinderen krijgen eerst controle over hun romp en schouders. Pas
later over de ellebogen en polsen.
• Van craniaal (kruin) naar caudaal (staart)
De balans van het hoofd ontwikkelt zich als eerste, pas later komt de zitbalans
en vervolgens het staan en lopen.
• Van symmetrisch bewegen naar asymmetrisch bewegen
Kleuters bewegen veelal nog symmetrisch. Dit kun je bijvoorbeeld zien bij
het werpen van een pittenzakje. Rechterhand gooit en rechterbeen staat
voor. Vanaf zes, zeven jaar ontstaat het asymmetrisch bewegen. Rechtshandigen
staan dan met het linkerbeen voor.
• Van massaal naar meer
Bewegen waarbij het hele lichaam meebeweegt naar meer lokaal en geisoleerd
bewegen waarbij de romp en de benen, de armen en benen en
de ledematen onderling ‘los en meer onafhankelijk’ van elkaar bewegen.
Aanhangers van de nature­theorie, gaan ervan uit dat ieder kind zich op deze
wijze ontwikkelt, ongeacht de invloed van buitenaf. Het maakt nauwelijks verschil
of een kind veel of weinig wordt gestimuleerd door de omgeving.
Genetische
schema’s
1
Ontwikkeling
motoriek
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
Van symmetrisch naar asymmetrisch
Nurture
Aanhangers van de theorie achter nurture vinden dat de ontwikkeling van
een kind afhankelijk is van de omstandigheden waaronder een kind opgroeit.
Stress, voeding, culturele omstandigheden spelen zowel tijdens de geboorte
13
14
245
׉	 7cassandra://KQ-rH0DgHRx-9wWc1UWNZTOxMI6qKP-u_vNG82Tj1k4s`̵ W䰸$T3_W䰸$T3_FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://OiSmWjhKxFH48Q9CKedGIJHH4AdTUeGqCb5onrtLrZA U`
׉	 7cassandra://f5v5o37nui8-HQpzPOxb9dnMZq6tnU5yVq-8vyn50SgP6`T׉	 7cassandra://Nylkeur7QEJ40sfUJbbCVsKpySQGrV09IWspT_6yDE0`̵ ׉	 7cassandra://vsOgk4buLM1fwHhchKm2ndx3sVVduF5-RoscH17chwo͠W䰸$T3_ט # #nu׉׉	 7cassandra://DC1Hn1VIo1Uhy7h9J4qtxywxskFODu1g9piciw8jEhE >`
׉	 7cassandra://WqcgJEujzyPhXIIwdN5W5ipdwhZByiE2OEupi1Hesm0^`T׉	 7cassandra://DAxsSes5MJM4vqyXvuvMbjw8AzoSF6obK5FKBxbOGAc`̵ ׉	 7cassandra://sJc-OH_Pl31u7W4zi2htTI9wuxTaJ7VzokPNSkCVO04 A͠W䰸$T3_נW䰸$T3_ L9׉H *http://nl.wikipedia.org/wiki/IntelligentieGׁׁrנW䰸$T3_ kc9׉H ,http://nl.wikipedia.org/wiki/PersoonlijkheidGׁׁr׉E246
Invloed omgeving
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
Eeneiige tweeling
11
12
13
14
Met het onderwijs richten wij ons specifiek op de nurture­kant; de te
beïnvloeden kant. Uiteraard onderkennen wij als leerkrachten de eigenschappen
en kenmerken van de kinderen die zij meenemen als individu,
de nature­kant.
Motorische ontwikkeling en leren gebeurt via interactie en wederzijdse beïnvloeding
van nature­ en nurtureprocessen. Men is het er over eens dat beide
factoren een belangrijke rol spelen in de uiteindelijke motoriek, bewegingsvaardigheid,
intelligentie en persoonlijkheid van een individu.
Alle bewegingssituaties waar kleuters impliciet leren zijn heel expliciet door
de leerkracht bedacht en klaargezet, vanuit het idee dat het gedrag beïnvloedbaar
is door de omgeving. Kinderen geven in hun gedrag zelf aan wanneer
ze aan nieuwe dingen toe zijn. Afhankelijk van de ontwikkelingsfase
als bij het opgroeien een rol van betekenis. Wat krijgt het kind aangereikt?
Zijn de ouders betrokken? Is er een tuin? Heeft het veel speelgoed?
De manier waarop en de intensiteit waarmee opvoeders zich met het kind
bezighouden heeft een directe invloed op de ontwikkeling van het kind. De
ontwikkeling van het individu wordt bepaald door de opvoeding, de leefomgeving
en is dus afhankelijk van omgevingsfactoren.
Uitgaande van deze theorie ontstaat er een grotere variatie in het bereiken
van belangrijke motorische ijkpunten in de ontwikkeling van een kind. De
snelheid en volgorde ligt niet per definitie vast.
Interactiebenadering
Het tweelingenonderzoek heeft veel kennis gebracht over het nature­nurturevraagstuk.
Dit type onderzoek observeert eeneiige tweelingen die apart van
elkaar opgroeien in verschillende gezinnen en omgevingen. Eeneiige tweelingen
delen 100 procent van hun genen. Wanneer eeneiige tweelingen die
apart van elkaar opgroeien op een bepaalde eigenschap van elkaar verschillen,
moet dat dus wel komen door omgevingsfactoren. Je weet dan dat die
eigenschap (deels) is aangeleerd (Brooks e.a., 2002; Sameroff, 2010;
Feldman 2013).
׉	 7cassandra://Nylkeur7QEJ40sfUJbbCVsKpySQGrV09IWspT_6yDE0`̵ W䰸$T3_׉E_WAT IS EEN KLEUTER?
waarin ze zitten, spelen bepaalde factoren een leidende rol. Vandaar dat
variatie en herhaling van activiteiten of opstellingen heel belangrijk zijn bij
kleuters.
1
2
3
4
5
6
Oefening baart kunst
Bij de ontwikkeling van de hersenen spelen prikkels van buitenaf een grote
rol (nurture). Door deze prikkels gaan hersencellen verbindingen met elkaar
aan en wordt een soort van mentale atlas gevormd, waardoor kinderen functies
en vaardigheden leren. Genetische factoren (nature) zorgen ervoor dat
bepaalde vaardigheden, bij dezelfde stimulans, eerder of later tot ontwikkeling
komen. Zodoende is de ontwikkeling en hierbij ook de motorische ontwikkeling
afhankelijk van verschillende factoren en doen niet alle kinderen
alles precies op dezelfde leeftijd. Gebruik hierin de theorie als leidraad en
niet als vaststaand feit.
6.1.2
Behoeftepiramides
Mensen worden gedreven door innerlijke behoeften. Ondanks de grote verschillen
tussen culturen zijn de basale menselijke behoeften vergelijkbaar.
Wat motiveert kleuters tijdens de les bewegingsonderwijs, op het schoolplein
tijdens de pauze of om in het algemeen met plezier te bewegen? Hoe
zorg je er als leerkracht voor dat je tegemoetkomt aan de behoeften van
kleuters waardoor ze gemotiveerd zijn en raken? Is dat succeservaring, een
compliment of sociaal contact? Het is boeiend om kleuters te leren begrijpen.
Wat motiveert hen en wat brengt hen in beweging? Iedere kleuter heeft
zijn genetische make-up en leeft in een bepaalde sociale en culturele omgeving.
Het is van belang in onze multiculturele samenleving oog te hebben
voor de verschillen die kinderen van huis uit meekrijgen. Binnen de westerse
cultuur, de ik-cultuur (Maslow), liggen de behoeften anders dan binnen de
niet-westerse cultuur, de wij-cultuur (Pinto).
Prikkels van
buitenaf
Genetische
factoren
7
8
9
10
11
12
13
14
Ik­cultuur
Wij­cultuur
247
׉	 7cassandra://DAxsSes5MJM4vqyXvuvMbjw8AzoSF6obK5FKBxbOGAc`̵ W䰸$T3_W䰸$T3_FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://0S0_DwOna5hyr_BQMrp3mcp_DTf80eCu2ddaEIDc_gU -s` 
׉	 7cassandra://pggu1HDALgtgvDjbm4EcXX6lqqpf7K28NY_8ts0bTGYF|`T׉	 7cassandra://5G9rhrNbjJ06ttQb-u-THSJLkEh_VyDZdF1bwt5JJAc1`̵ ׉	 7cassandra://fTZRm3cn90sqX37ATEMGKUmTZmCEHS2iEMkzQ6RUkQEO|͠W䰸$T3_ט # #nu׉׉	 7cassandra://eJhyrnaKmbwPsifBu1y_fwHBtiNkcCIoHerE85rhjBI Pq` 
׉	 7cassandra://UYazZS3MdjOBQd2DC3ijUqjxtlI3VwPezZ63LTNryQwV`T׉	 7cassandra://m6fYFUQNZ6mbWhFOJJ04wOpKAjXKghg9kys2gKIT-OQ`̵ ׉	 7cassandra://u569OZACPtKz5LN8MJCrw2ZnxoY-X8JxWP6M8_19fvEE&͠W䰸$T3_׉E248
Behoeftepiramide van Maslow
Motivatietheorie
1
2
3
4
Sociale behoeften
5
Behoefte aan veiligheid en zekerheid
6
Fysiologische behoeften
7
8
9
10
11
12
13
14
Primaire levensbehoeften
De
piramide van Maslow heeft vijf verschillende niveaus. De bodem van de
piramide is de behoefte die het meest fundamenteel is. Op het moment dat
deze laag nog niet voldoende is bevredigd, is het heel lastig om je volle aandacht
te geven aan de laag die erboven ligt. En zul je dus gefocust blijven
op de fundamentele behoeften. Met koude handen kun je je bijvoorbeeld
niet goed concentreren. Als je honger hebt, is het lastig je aandacht bij de
taak te houden. Een kleuter die moet plassen, heeft geen oren voor jouw
uitleg. Als je in de klas alleen staat of gepest wordt, lijden je schoolprestaties
daaronder.
Niveau 1 – Fysiologische behoeften
Fysiologische behoeften zijn de primaire levensbehoeften zoals eten, slapen,
fysiek contact en beweging. Ieder mens, dus ook iedere kleuter heeft
hier behoefte aan. Zonder bevrediging van deze primaire levensbehoeften
op gezette tijden, is het lastig functioneren voor een kleuter.
VOORBEELD 6.1 HET IS EEN ECHTE DONDERDAG
Het is donderdagmiddag en de kleuters hebben gym. De kleuters zijn moe
van de lange week. Ze hebben gelukkig wel net gegeten, maar zijn vandaag
nog niet naar buiten geweest, omdat het stortregent. De vakleerkracht weet
uit ervaring dat op de donderdag de groepen vaak wat onrustiger zijn. Echt
donderdag. Ze maakt groepjes waarbij kinderen bij elkaar zitten die elkaar
niet extra versterken in ongewenst gedrag. Elke week is het de overweging
Abraham Maslow heeft in de zestiger jaren een motivatietheorie ontwikkeld
op grond van de behoeften die iedereen heeft. Hij heeft de menselijke behoeften
in kaart gebracht in de vorm van een piramide. Een leerkracht
houdt rekening binnen zijn pedagogisch handelen met deze behoeften van
de leerlingen (Bosch, 2009).
FIGUUR 6.1 Behoeftepiramide van Maslow
Zelfrealisatie
Behoefte
aan waardering
׉	 7cassandra://5G9rhrNbjJ06ttQb-u-THSJLkEh_VyDZdF1bwt5JJAc1`̵ W䰸$T3_׉EWAT IS EEN KLEUTER?
of ze de kinderen juist iets meer ruimte geeft in de onrust en drukte. Of dat
ze omwille van de fysieke en sociale veiligheid er heel kort op gaat zitten.
Vandaag laat ze het iets meer gaan, zich realiserend dat dit meer botsingen
oplevert. En dat ze vaker een huilend kind op schoot heeft. Na een kwartier
legt ze een extra matje neer in haar tuintje. Kinderen die moe zijn mogen
daar lekker gaan liggen. Prima toch, even niks moeten.
249
1
2
Niveau 2 – Behoefte aan veiligheid en zekerheid
Bij niveau 2 gaat het om structuur, stabiliteit, vertrouwen, duidelijkheid, de
behoefte aan een eigen plek. Een kind gaat op ontdekking uit, met in zijn
achterhoofd de wetenschap dat de juf er is om hem, indien nodig, te beschermen
en op te vangen. Een kleuter gaat zich ontwikkelen als hij zich
veilig voelt en het vertrouwen krijgt om die stapjes te maken. De grenzen
waarbinnen die ontdekkingsreis mag plaatsvinden, bieden duidelijkheid en
veiligheid. Tegelijkertijd zijn duidelijkheid en veiligheid de voorwaarden om
deze ontdekkingsreis te beginnen.
VOORBEELD 6.2 SOPHIES VEILIGHEID
De kleuters komen binnen en de juf zit al in haar tuintje. ‘Helpende handjes’
mogen altijd naast de juf zitten. Steven weet dat wel, maar gaat toch gauw
naast de juf zitten. Sophie gaat voor de juf staan met een pruillipje. ‘Juf, de
helpende handjes mogen toch naast u zitten?’ ‘Ja, klopt’, zegt de juf. ‘Daar
heb jij helemaal gelijk in. Vertel het maar tegen Steven en vraag maar of hij
dan ergens anders wil gaan zitten.’ Sophie kijkt de juf angstig aan. ‘Vraag
het maar, ik weet zeker dat hij naar jou luistert. Want Steven kent die regel
ook allang. Steven, Sophie wil iets aan jou vragen’, helpt de juf Sophie. ‘Ik
ben het helpende handje en ik wil daar zitten’, zegt Sophie heel zachtjes.
‘Goed zo, Sophie. Wil jij alsjeblieft een ander plekje zoeken Steven?’, vult de
juf aan.
3
Grenzen
4
5
6
7
8
9
Niveau 3 – Sociale behoeften
Zodra een kleuter zich veilig voelt en in zijn fysieke behoeften is bevredigd,
ontstaat er ruimte voor de sociale behoeften. Kleuters hebben behoefte aan
relaties en vriendschappen. Ze willen zich geliefd voelen en willen zorgen
voor een ander. Het deel uitmaken van een groep, erbij willen horen en weten
welke positie je hebt in de groep, is belangrijk voor ze.
VOORBEELD 6.3 WAT WIL JIJ?
In het groepje in het klimtuintje zitten nu vier meiden bij elkaar. Zodra ze
mogen beginnen, maakt Anouk een cirkel met haar armen. ‘Hand in de pot
voor vadertje, moedertje’ ... Na een minuut kunnen de meiden gaan spelen.
De jongens gaan hun eigen weg. ‘Ik ben de moeder en jij de baby’, zegt
Anouk tegen Lila. ‘Waarom?’, vraagt Mette. ‘Ik wil mama zijn, jij bent altijd
de moeder.’ ‘Nou daarom, ik ben het spel begonnen’, antwoordt Anouk. En
anders doe je gewoon niet mee.’ Elsje heeft al bedacht dat zij de vader is
en vraagt Noor of zij dan de hond wil zijn. Dat is geregeld. Mette blijft zich
verzetten. ‘Nou, dan ga ik tegen de juf zeggen dat jij altijd de baas speelt.’
10
Behoefte aan
relaties
11
12
13
14
׉	 7cassandra://m6fYFUQNZ6mbWhFOJJ04wOpKAjXKghg9kys2gKIT-OQ`̵ W䰸$T3_W䰸$T3_FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://wk8cgRF3d9Zvo3iLuFtu8OUyLpqrGNUC-cCnZ4MchwA f` 
׉	 7cassandra://NpojXvklxF1h4Zei0XrVja8YkoALZ4O19XQcaHbf77UPE`T׉	 7cassandra://y4w5R6XxtJwN03GHsAMEnaLaffkuahDxRqcSaeE8QbQ`̵ ׉	 7cassandra://7EPdf0PnS-ZHmyp-l2-ScNrK8AsHCaFez6jRu5JQMdQF*͠W䰸$T3_ט # #nu׉׉	 7cassandra://WNEn0-QeUvOUX6BwR2GrMDrdIwRcnAb8g_DwQQyzkic '` 
׉	 7cassandra://4a21HLeotcEJYDasMJMKxfomTdkzp-EZE4RRrrXJbOML3`T׉	 7cassandra://zEKElgQKnZ3PtU1AJ2ieCjCKWM0h6Xyu49ebcZss_oY`̵ ׉	 7cassandra://ht__czGB-xdAyMlRLzD_nLi_9uJWIJn-P2tnEPPrmFE:@b͠W䰸$T3_׉E	250
Anouk kijkt angstvallig hoe Mette naar de juf loopt. De anderen gaan alvast
beginnen met het spel.
1
Respect van
anderen
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
Basisbehoeften
12
13
14
In de verschillende niveaus van de piramide van Maslow zijn de basisbehoeften
van Stevens herkenbaar. Autonomie is, naast competentie en
relatie, een van de drie basisbehoeften. Als die behoeften worden vervuld,
leidt dit tot persoonlijke groei en intrinsieke motivatie (Deci en Ryan
2002, 2008).
Als de lagere behoefte eerst komt, zou je gemakkelijk kunnen denken dat
de hogere behoefte een luxe is. En dat mensen die niet aan zelfrealisatie
toekomen en zich daar ongelukkig onder voelen, een luxeprobleem hebben.
Dat is niet zo. Het gevoel jezelf te verwerkelijken is een algemeen menselijke
behoefte. En die uit zich op het ontwikkelingsniveau van de persoon in
kwestie. Dus dit uit zich op een manier die bij de leeftijd past. Volgens
Behoefte aan
autonomie
VOORBEELD 6.4 ZIE JE MIJ?
• ‘Juf, ik gooide hem zo via de muur in de mand en toen stootte hij er weer
uit, zo in mijn handen. Moet je zien, juf. Juf, kijk nou!’
• ‘Meester, kijk eens hoe hoog ik zit!’
• ‘Ik ben sterk he, juf?’
• ‘Zooo, zag je dat?’
Niveau 4 – Behoefte aan waardering
Kleuters willen graag laten zien wat zij kunnen. Respect van anderen, erkenning
voor kennis en kunde en weten dat je gezien wordt, is belangrijk voor
ze. Je competent voelen en ervaren dat je gewaardeerd wordt. Een kleuter
heeft al langere tijd een besef van ‘ik’ en dus van erkenning van dat ik. Hoe
fijn is het als ook anderen zien en benoemen dat je iets al best goed kan?
Niveau 5 – Zelfrealisatie
De top van de piramide van Maslow wordt het niveau van zelfrealisatie genoemd.
De behoefte aan het hoogst haalbare uit jezelf halen en je optimaal
ontplooien. De behoefte aan autonomie. Wie ben ik?
VOORBEELD 6.5 EIGEN KEUZE
De meester legt uit: ‘Vandaag mogen jullie kiezen in dit vak. Ik heb een heleboel
blokken neergelegd, hoepels en drie matjes. Jullie mogen zelf verzinnen
wat je gaat doen. Je mag samen iets bedenken of lekker alleen spelen.
Kijk maar.’ Na drie minuten gaat de meester naast Vincent op de bank zitten.
‘Wil je niet meedoen?’, vraagt de meester. ‘Nee, ik vind dit een stom
spel dat zij spelen. Hier heb ik geen zin in’, antwoordt Vincent. ‘Oké, dat
mag. We hebben nog vijf minuten voor we gaan wisselen. Je kunt blijven zitten
of je kunt een eigen spel verzinnen. Jij mag kiezen’, en de juf loopt naar
een ander vak.
׉	 7cassandra://y4w5R6XxtJwN03GHsAMEnaLaffkuahDxRqcSaeE8QbQ`̵ W䰸$T3` ׉EDWAT IS EEN KLEUTER?
Maslow voelt een mens zich pas echt mens als hij zichzelf verwerkelijkt. De
hogere behoeften horen erbij en iedere leerling wil aan zelfverwerkelijking
toekomen. Althans, als je van de piramide van Maslow uitgaat.
Er bestaat ook een andere piramide: de behoeftepiramide van Pinto. David
Pinto onderkent dat er verschillende culturen zijn en dat de mensen binnen
die verschillende culturen ook verschillende behoeften hebben. In de basis
hebben alle mensen dezelfde fundamentele behoeften. Hoger in de piramide
wijkt de piramide van Pinto af van die van Maslow.
Behoeftepiramide van Pinto
Eind vorige eeuw heeft David Pinto een tweede behoeftepiramide geschetst.
Dit deed hij op basis van twee verschillende culturen. De westerse cultuur
en de niet-westerse cultuur. Volgens hem is er een grote groep mensen op
deze aarde op wie de piramide van Maslow niet van toepassing is. Pinto
heeft gekozen voor de benamingen:
• G-cultuur (grofmazig): hier zijn algemene gedragsregels. Ieder individu
vertaalt deze gedragsregels naar zijn eigen, specifieke situatie. De G-cultuur
wordt ook wel de ik-cultuur genoemd. De piramide van Maslow sluit
hierop aan en is vooral in de westerse landen van toepassing. Het individu
neemt hier een belangrijke plaats in. Dit houdt in dat er gestreefd
wordt naar het maken van eigen keuzes waarop je aangesproken kunt
worden.
• F-cultuur (fijnmazig): hier zijn gedetailleerde regels die een voorschrijvend
karakter hebben. De nadruk ligt op het collectief. Er is weinig ruimte voor
het individu. De F-cultuur wordt ook wel de wij-cultuur genoemd. De Turkse,
Marokkaanse en de Chinese cultuur zijn hier voorbeelden van. Waarden,
normen en regels die vooral binnen familieverbanden en gemeenschap
gelden, spelen een belangrijke rol. Binnen de F-cultuur word je
vooral gestuurd door de sociaal-culturele context. Zelf heb je hierbinnen
nauwelijks een keus. De piramide van Pinto schetst de behoefteniveaus
voor de F-cultuur.
FIGUUR 6.2 Behoeftepiramide van Pinto
251
1
2
3
G­cultuur
4
5
F­cultuur
6
7
8
9
10
Eer
11
Goede naam
12
Behagen groep
13
Primaire behoeften
14
׉	 7cassandra://zEKElgQKnZ3PtU1AJ2ieCjCKWM0h6Xyu49ebcZss_oY`̵ W䰸$T3`W䰸$T3` FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://AHihGgjgGsv200hxuQBVp1AgqQNq-Lm6irI9JmQb7uA x` 
׉	 7cassandra://ZXWCzX9pb3hkOmnoSwQ-Yj7ipuMZD6_Dkm-i2Mywlmkw` T׉	 7cassandra://3qH9kDMkvt1DTj8u_RaLjSdYCrhT5u5QAGhKiszmCjY`̵ ׉	 7cassandra://cL6rQi1cEbF_pdAow7WUWVs8u1DGFeBZY_Fn6UHPEgg@͠W䰸$T3`ט # #nu׉׉	 7cassandra://hvdHd3N8oXzArR7NVUZeTbvu1N5sfZhshXE-WS0S4M4 q`
׉	 7cassandra://Mkhqtv992Pyx7gkjAHT5BhXAf40KYAxGEIVNNRcAmVQU`T׉	 7cassandra://aBVX8_KC8q_hX5yCEtejpCeq77FW1h5ZXhdUJfrjj4M`̵ ׉	 7cassandra://mvGwv9_7jVhFU5YGo2oIPlO_CS6w7RV6oX6n6RGIq5U l͠W䰸$T3`׉E252
1
2
Veiligheid en
geborgenheid
3
4
Lid van een
groep
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
Voorkomen van
gezichtsverlies
Reputatie
De behoeftepiramide van Pinto bestaat uit vier verschillende lagen. Als je de
piramide van Pinto naast die van Maslow zet, valt op dat er niet alleen een
verschillend aantal niveaus is, maar dat deze niveaus ook anders worden
ingevuld. De overbekende piramide van Maslow heeft een prominente
plaats binnen de motivatieleer binnen lerarenopleidingen. Dit geldt in veel
mindere mate voor de piramide van Pinto.
Niveau 1 – Primaire behoeften
Onder de primaire behoeften worden de fysiologische behoeften zoals eten,
slapen, fysiek contact en beweging bedoeld en de behoefte aan veiligheid en
geborgenheid. Binnen de F-cultuur is de groep rondom een kind dat voor de
primaire behoeften zorgt groot. Naast de ouders zorgen ook oudere broers
en zussen, overige familieleden en leden in de gemeenschap voor het kind.
Geheel volgens het Afrikaanse gezegde: it takes a village to raise a child.
Niveau 2 – Behagen groep
In culturen met een F-structuur worden mensen beschouwd als lid van een
groep. De groep vormt de basis voor deelname aan de maatschappij. Het
individu deelt verantwoordelijkheden met de leden van de groep. Het individu
zal zijn rol zo goed mogelijk moeten vervullen en de harmonie van de
groep niet verstoren.
Niveau 3 – Goede naam
De groep staat centraal. De identiteit en hoe men leeft, wordt bepaald door
de normen en waarden van de groep waartoe men behoort. Binnen de F-cultuur
is het van belang de goede naam van de familie hoog te houden. Dat
wat een individu als lid van de familie of gemeenschap doet, heeft direct invloed
op de gehele groep. Ieder lid is medeverantwoordelijk voor het groepsbelang.
Een goede naam hebben is van cruciaal belang. Deze naam wordt
voor een belangrijk deel bepaald door de reputatie die door de familie is opgebouwd.
Ieder gezinslid wordt op het hart gedrukt geen smet op de goede
naam te maken. Het kind aanspreken op bijvoorbeeld buitensporig gedrag
betekent dat het gezin en de opvoeding wordt aangesproken.
Niveau 4 – Eer
Aantasting van het aanzien of de eer kan ernstige gevolgen hebben. De bescherming
van de familie-eer en het voorkomen van gezichtsverlies, schande
en aantasting van de eer, zijn van levensbelang. Grove aantasting van
iemands eer in aanwezigheid van personen die, in zijn ogen, sociaal minder
zijn, vereist volgens gebruiken in de F-structuur een onmiddellijke tegenactie
om zo de eer te herstellen.
De piramide van Pinto is vooral gebaseerd op de theorie over eerdere generaties
uit niet-westerse culturen. De praktijk van nu is vele malen genuanceerder
omdat verschillende generaties op diverse manieren zijn geïntegreerd.
Het is niet meer dan logisch dat de verschillende gedragingen zich soms
lastig laten ordenen in de verschillende lagen zoals aangegeven in de piramide.
Dit heeft ook zeker te maken met het gegeven dat integratie een continu
en voortschrijdend proces is. De kinderen die nu op school zitten zijn
veelal van de derde generatie of al weer kinderen hiervan. Ze zijn bewust en
onbewust in verschillende mate beïnvloed door de westerse cultuur. Daar
waar bij de eerste generatie is aangeleerd dat je volwassenen niet aankijkt
als ze tegen je praten, weten de meeste kinderen van nu dat je op school
׉	 7cassandra://3qH9kDMkvt1DTj8u_RaLjSdYCrhT5u5QAGhKiszmCjY`̵ W䰸$T3`׉EWAT IS EEN KLEUTER?
de juf of meester wel aan moet kijken als je in gesprek bent. Thuis is soms
anders dan op school.
1
2
3
4
5
We zien elkaar
De piramides vergeleken
Bij beide piramides wordt het belang van primaire behoeften benadrukt.
Daar waar Pinto ze samenvat in één laag, splitst Maslow ze naar twee lagen:
fysiologische behoeften en veiligheid. Pas op het moment dat deze basisbehoeften
bevredigd zijn, is er ruimte voor de tweede laag. Hier ontstaan
de verschillen. Een belangrijk verschil tussen de piramide van Maslow en
die van Pinto is dat bij Pinto het eigenbelang ondergeschikt is aan het belang
van de groep. Binnen de fijnmazige cultuur heeft het individu weinig
speelruimte. Waarden, normen en regels, vooral binnen familieverbanden,
spelen een belangrijke rol en je blijft binnen die nauwe grenzen. Kinderen
krijgen een religieuze opvoeding en leren hun ouders te gehoorzamen en te
respecteren.
Binnen de piramide van Maslow is het ultieme streven de zelfrealisatie van
het individu. Ieder mens heeft binnen de G-cultuur het recht op zelfontplooiing;
op zoek naar de eigen ik. Ook hier gelden uiteraard waarden, normen
en regels, maar in de grofmazige cultuur is de speelruimte voor het individu
een stuk groter om zelf op ontdekking uit te gaan. Wat past bij mij? Wat wil
ik? Wie ben ik?
Omgaan met cultuurverschillen
Als leerkracht neem je je eigen culturele achtergrond mee. Vanuit deze achtergrond
wordt gekeken naar het gedrag van de kinderen, interpreteer je het
en reageer je. Scholen in Nederland denken en handelen over het algemeen
vanuit de G-cultuur. In je klassensituatie kom je op veel scholen kinderen uit
de F-cultuur tegen. Dit zijn kinderen die in een niet-westers land zijn geboren
of kinderen die ouders, grootouders hebben die niet in Nederland geboren
zijn. Dit kan zowel jou, als leerkracht, maar ook de kinderen in een lastige
‘spagaat’ brengen.
6
7
8
9
Waarden, normen,
regels
10
11
12
Gedrag
interpreteren
13
14
253
׉	 7cassandra://aBVX8_KC8q_hX5yCEtejpCeq77FW1h5ZXhdUJfrjj4M`̵ W䰸$T3`W䰸$T3`FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://UiiJTEVDUnvQ9tzJAlQnJJUiQThslZUNXe8FoMX8zVQ c~`
׉	 7cassandra://Jgi08LE5k_XLHs0ZBjOoS-HDHaCDb4FKXbqLy_otHjU `T׉	 7cassandra://Ci71yXbqJcy4l8qJ55SYVkkJozCI_dVlLDRAi1XiMR4`̵ ׉	 7cassandra://La2i1HX1wq9sXH1-tKR3JwskrkpsqrccCERBEK7daac X͠W䰸$T3`hט # #nu׉׉	 7cassandra://CiiW0c3Q81jD6KPvv_fPrkdJsjYf83NWAR8BdQpXcLM Е` 
׉	 7cassandra://g0Ub8vwPb4xwbCwztmc_P2CXl7oEdXAq_WIBeZTlpE4T` T׉	 7cassandra://W73J1fBVgeWo7h8oc7T3m4ntDIvQx5OAlndRYkmDcGo`̵ ׉	 7cassandra://BAw52oNpUZW7ZEM3mtyoa2zcMWaL5XAAnT511YReO6QB2͠W䰸$T3`i׉E284
׉	 7cassandra://Ci71yXbqJcy4l8qJ55SYVkkJozCI_dVlLDRAi1XiMR4`̵ W䰸$T3`j׉E285
7
1
Motorisch leren
2
3
4
7.1 Wat is motorisch leren?
7.2
7.3
7.4
7.5
5
Oude theorieën gaan voorbij
Nieuwe inzichten
De motorische leercirkel
Motorische competentie
Iedereen beweegt wel eens. Eigenlijk beweeg je continu. Vaak weet je wel
waarom je beweegt, maar niet hoe. Hoe worden de meer dan 700 spieren
die je bezit aangestuurd en hoe slaag je erin nieuwe bewegingen aan te leren?
Spieren en gewrichten worden op een bijzondere en ingenieuze wijze
aangestuurd waardoor er een samenspel van gecoördineerde en op elkaar
afgestemde bewegingen tot stand komt. Een samenspel dat je in staat stelt
in een fractie van een seconde te reageren op gebeurtenissen om je heen.
Je kunt een bal vangen die wordt toegegooid, maar je hebt geen weet van
de processen die nodig zijn om deze schijnbaar zo simpele handeling te verrichten.
Je stapt op de fiets zonder er een seconde bij na te denken hoe je
dit precies doet. Kleuters kunnen ook veel, maar moeten ook nog heel veel
vaardigheden leren. Dit is precies de vraag waarover het hier gaat. Hoe
kinderen bewegingen leren en hoe ze, na verloop van tijd, steeds beter
hierin worden.
De uitdaging voor de theorieën over motorisch leren is dan ook gelegen in
het begrijpen hoe de hersenen erin slagen om het bijna oneindige aantal
variaties in bewegingsmogelijkheden te controleren en te besturen. In paragraaf
7.1 wordt motorisch leren geïntroduceerd. Aangegeven wordt wat
motorisch leren is en welke aspecten bij het leren van motorische vaardigheden
een rol spelen. In paragraaf 7.2 wordt teruggegaan in de tijd, want
ideeën ontstaan niet uit het niets. In oude theorieën die voorbij gaan wordt
een beknopte schets gegeven van de geschiedenis van het motorische leren.
Daarna worden in paragraaf 7.3 nieuwe begrippen en inzichten besproken
die een belangrijke rol spelen in zowel de theorie, maar vooral in de
praktijk van het ‘nieuwe’ motorische leren. De vertaalslag naar de praktijk
van leren van bewegende kleuters wordt gemaakt.
6
7
8
9
10
11
12
13
14
׉	 7cassandra://W73J1fBVgeWo7h8oc7T3m4ntDIvQx5OAlndRYkmDcGo`̵ W䰸$T3`kW䰸$T3`jFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://VA34Ql4meIF9lgGe7OdatUeHo7W-qZMk-KkdHliL1yA V` 
׉	 7cassandra://hXZhSdWv3yv1U9heLAVCxxTlIPVwgNyup0CimqKBS7YX!`T׉	 7cassandra://E_PHomZS_xPQfxqqzOOXo3wfgmL7wHIv8agexU0oEWA3`̵ ׉	 7cassandra://YG7rPeoyC8Tg-ZIAh9z7c509_qz8yDcH1k5Uor-WKbUZ:͠W䰸$T3`nט # #nu׉׉	 7cassandra://H7V6mBEUDMfpcBNN6Wx3K_T0-cGN0eVjodxrKW9Kx3I `
׉	 7cassandra://JQ1zMbSVtTmmV7WMCwtaeSIE9dvdCcco0ucMCjCSqyIZV`T׉	 7cassandra://BPh0omKvivMGKiQDqmkgC7IanfhQ-vBZfEjtpFciu8w`̵ ׉	 7cassandra://Hwc2EXAUlS-noR3cz0ZqA_L06Ga00Qm1eZhOTWQsw7k %h͠W䰸$T3`oנW䰸$T3`l VD9׉H Ohttp://nl.wikipedia.org/w/index.php?title=Motorisch_leren&action=edit&redlink=1GׁׁrנW䰸$T3`m ̴ 9׉H Ohttp://nl.wikipedia.org/w/index.php?title=Motorisch_leren&action=edit&redlink=1Gׁׁr׉E286
De motorische leercirkel wordt in paragraaf 7.4 besproken als praktisch
hulpmiddel om naar motorisch leren te kijken. Ter afronding van dit hoofdstuk
(paragraaf 7.5) wordt de motorische competentie, als ‘werk in uitvoering’,
nader bekeken.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Motorisch leren gaat over het steeds beter afstemmen van geleerde vaardigheden op de omgeving
10
11
12
13
14
Bij motorisch leren gaat het om vaardigheden die nog niet beheerst worden.
Bij motorisch controleren gaat het om vaardigheden die beheerst worden en
die steeds beter worden afgestemd op de omstandigheden waarin die vaardigheid
nodig is. Het motorisch leerproces heeft een aantal kenmerken en
het maakt niet uit of het dan gaat over klimmen, duikelen, fietsen, het gooien
van een bal, het eten met vork en mes, tennissen of autorijden. Steeds
zijn vergelijkbare kenmerken zichtbaar.
7.1.1
Kenmerken van motorisch leren
In het motorisch leerproces van toenemende vloeiendheid, accuratesse en
snelheid is een aantal kenmerken te benoemen:
• Hoe meer herhalingen hoe beter een vaardigheid beheerst wordt, oftewel
oefening baart kunst. Dit verschijnsel staat bekend als de power law of
practice.
Motorische
leerprocessen
Controleprocessen
‘Er
is niets zo praktisch als een goede theorie en
er is niets zo theoretisch als een goede praktijk.’
§ 7.1 Wat is motorisch leren?
Motorisch leren is het proces van toenemende vloeiendheid, accuratesse en
snelheid van bewegingen (Schmidt & Lee, 2005). Dit proces van op een
steeds effectievere en meer efficiënte manier bewegen is van toepassing op
complexe vaardigheden zoals op je fiets stappen en wegrijden, in bomen klimmen
en pianospelen of meer eenvoudige vaardigheden als het gooien, vangen
of stuiten van een bal. Ook spelen motorische leerprocessen een rol bij het
bewaren van je evenwicht of bij het opvangen van een (bijna) val. Motorisch
leren en motorische controleprocessen gaan over het leren van en het steeds
beter afstemmen van die geleerde vaardigheden op de omgeving. De relatie
tussen leren en controleren laat zich het best beschrijven door figuur 7.1.
FIGUUR 7.1 Relatie tussen leren en controleren
Motorisch lerenMotorisch controleren
Nog niet beheersen
Steeds beter beheersen
Volledig beheersen
׉	 7cassandra://E_PHomZS_xPQfxqqzOOXo3wfgmL7wHIv8agexU0oEWA3`̵ W䰸$T3`p׉EMOTORISCH LEREN
• De toename van het vaardigheidsniveau is te zien in accuratesse:
– De nauwkeurigheid gaat omhoog: verhouding aantal raak en mis verandert.
–
Er is minder tijd nodig om de vaardigheid uit te voeren: de uitvoering
verloopt sneller.
• De bewegingen vergen steeds minder aandacht:
– Je kunt naast het uitvoeren van de beweging ook nog iets anders
doen. Je kunt bijvoorbeeld een bal stuiten en om je heen kijken. Je
kunt jongleren en tegelijkertijd een praatje maken.
• Naarmate de uitvoering meer nauwkeurigheid vraagt, zal de snelheid
waarmee de beweging wordt uitgevoerd, weer lager zijn.
De sturing van de beweging vindt van centraal naar steeds meer distaal
plaats. Steeds kleinere spiergroepen worden bij de uitvoering van een
beweging betrokken, waardoor er een steeds fijnere en meer nauwkeurige
afstemming op het bewegingsdoel mogelijk wordt.
Wanneer een gekende activiteit moeilijker wordt, bijvoorbeeld door de specifieke
opdracht die wordt gegeven, door stress of de tijdsdruk die wordt
toegevoegd, dan wordt de uitvoering weer dichter bij het centrum van het
lichaam en minder fijn en nauwkeurig uitgevoerd. Dit geldt zowel voor
kinderen als voor volwassenen.
Als een kleuter vrij alternerend kan klimmen in een schuine ladder en daarna
voor het eerst met enige angst (stress) in een verticale ladder klimt, zul je
ander beweeggedrag zien. Het kind grijpt terug op aansluitend klimmen, blijft
dichtbij het wandrek en zal veelal ook een sport onder zijn oksel klemmen.
3
Van centraal
naar distaal
4
5
6
7
8
9
10
11
12
Even een stapje terug
13
Op eigen niveau kun je dit verschijnsel ervaren als je bijvoorbeeld bij steps
een dans gaat uitvoeren waarbij je ook armbewegingen moet gaan maken
Op het moment dat het tempo omhoog gaat (tijdsdruk) zie je veel kortere en
minder ruime armbewegingen ontstaan. De beweger heeft veelal het gevoel
onvoldoende tijd te hebben om de bewegingen volledig uit te voeren.
14
1
2
287
׉	 7cassandra://BPh0omKvivMGKiQDqmkgC7IanfhQ-vBZfEjtpFciu8w`̵ W䰸$T3`qW䰸$T3`pFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://2I_4RN9PasKCTQ5hoDpBYzczh4yLdVvP2p1QODYhXAE P` 
׉	 7cassandra://CJ4V8oZo0a50TwUMVsUFM60IV9_sAy4v3odYYC0V_6Qo` T׉	 7cassandra://r5TaQK0gi8nGzxeJY_bA-bak5bUDprS-x_OGOod5z84c`̵ ׉	 7cassandra://QbUaXv_IUSM5gzTtT_WFZ4YAOf3oCg0lm8csiOt3AFo8͠W䰸$T3`sט # #nu׉׉	 7cassandra://Uqx1Lbc7Z3VlIOw1xWyM5pxrhrXyihL691DVxRrs-Rs `
׉	 7cassandra://lqaqAT293v9ZEJGrlaYVonLjR4TTJOrb3rn2ikw3_t8[`T׉	 7cassandra://3a-dGg1RnJt2llvATg_xXeCyMmGSuOxiH6g8GCzEYWc$`̵ ׉	 7cassandra://uJndMiynl_sYji25v3VcTzcA2bqMswARzcXz1LIvYFE q"͠W䰸$T3`t׉E{288
1
2
3
Motorprogramma
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
Blijvende
verandering
Een proces dat leidt tot relatief duurzame veranderingen in het
gedragspotentieel als gevolg van specifieke ervaringen met de
omgeving.
Deze definitie bevat aspecten die het waard zijn om stil bij te staan. Ze spelen
namelijk een belangrijke rol bij het effectieve gebruik en de evaluatie
van motorische leerprocessen (Beek, 2011).
De drie aspecten van motorisch leren zijn:
• relatief duurzaam
• gedragspotentieel
• specifieke ervaringen
Relatief duurzaam
Van motorisch leren is alleen dan sprake wanneer het vermogen een bepaald
gedrag te vertonen blijvend is veranderd (Beek, 2011). Met andere
woorden, dat wat geleerd is moet beklijven, in het ‘lijf opgenomen’, geïncorporeerd,
anders is er niets geleerd. Dit eerste aspect zorgt voor een onderInvloed
op
hersenen
De toename van de activiteit die zichtbaar wordt in een grotere vloeiendheid,
een hogere snelheid van uitvoering en een steeds efficiëntere afstemming
op de omgeving, gaat gepaard met een verandering in de hersenen. Je
staat er waarschijnlijk nauwelijks bij stil, maar je beïnvloedt als leerkracht
de hersenen van kinderen continu. Alle bewegingen, alles wat je doet, worden
immers aangestuurd door de hersenen. Elk leerproces heeft veranderingen
in de hersenen tot gevolg. Bij motorische leer- en controleprocessen
vormen de hersenen zich naar de bewegingen en vaardigheden die worden
geleerd en uitgevoerd. Door motorisch leren worden dus interne hersenprocessen
geactiveerd. Deze hersenprocessen leiden tot een relatief permanente
verandering in de mogelijkheid om motorische vaardigheden min of
meer geautomatiseerd uit te voeren. Om dit te kunnen, bouwen de hersenen
motorprogramma’s op. Een motorprogramma kun je opvatten als de
structuur die de hersenen maken van het beeld, de bewegingsvoorstelling,
dat je voor jezelf hebt gemaakt van de uitvoering van een bepaalde vaardigheid.
In deze motorprogramma’s wordt een aantal karakteristieken van de
uit te voeren activiteit vastgelegd:
• de volgorde van deelbewegingen
• temporele kenmerken
– wanneer de (verschillende) deelbewegingen moeten worden uitgevoerd
• krachtskenmerken
– met hoeveel kracht en tempo moeten de deelbewegingen worden uitgevoerd?
–
dit vraagt om een juiste instelling van de krachtsdosering door de afstemming
van de verschillende spier(groepen) op elkaar
Het resultaat van dit motorische leerproces, het opbouwen van motorprogramma’s
wordt zichtbaar in doelgerichte, efficiënte, en effectief op de omgeving
afgestemde bewegingen. Doelgerichte, vaardige bewegingen hebben
een vloeiend verloop. Als bewegingen uit meerdere delen bestaan, dan zal
de eerste vloeiend overgaan in de volgende deelbeweging. Aan de hand van
een aantal kernmerken is een beeld geschetst van het leren van motorische
vaardigheden.
7.1.2
Aspecten van motorisch leren
Hier volgt een definitie van motorisch leren:
׉	 7cassandra://r5TaQK0gi8nGzxeJY_bA-bak5bUDprS-x_OGOod5z84c`̵ W䰸$T3`u׉EMOTORISCH LEREN
scheid tussen oefenresultaat en leerresultaat. De prestaties tijdens een oefening,
training of les zeggen niet direct iets over het leerresultaat. Bij leren
gaat het niet om het onmiddellijke zichtbare effect van de oefening op de
prestatie, maar om de gevolgen op langere termijn.
1
VOORBEELD 7.1 RELATIEF DUURZAAM KOPPELTJE DUIKELEN
2
3
4
5
6
Het is de eerste keer dat in groep 1 het ‘over de kop gaan’ wordt aangeboden.
Juf Mira heeft verschillende activiteiten bedacht waarin het ‘over de
kop gaan’ kan worden geoefend; koprollen in verschillende situaties, duikelen
over een duikelstang en ze heeft de klimtoren zo opgebouwd dat hierin
ook mogelijkheden zijn om te duikelen. De juf heeft ervoor gezorgd dat ‘koppeltje
duikelen’ flink kan worden geoefend. Mark, Karel, Marie en Yanick oefenen
enthousiast. Ze duikelen, hebben de grootste lol en gaan in de verschillende
situaties met enige hulp regelmatig over de kop. Alleen Mark
vindt het nog wat spannend en eng. De juf helpt hem een aantal keer en
dan lukt het hem ook. Yanick heeft nog extra aanwijzingen nodig. Elke keer
als de juf zegt ‘rol als een balletje’ lukt het hem. Uiteindelijk lukt het alle
vier zonder hulp te duikelen. Na afloop kijkt de juf tevreden terug op de les.
Zo noteert de juf dat ze alle vier kunnen ‘koppeltje duikelen’.
Twee weken later staat ‘over de kop gaan’ weer op de planning. De juf biedt
een aantal dezelfde en ook een aantal nieuwe duikelsituaties aan. Wat
schetst haar verbazing. Yanick en Marie lukt het niet (meer) over de kop te
gaan; bijzonder, de vorige keer konden ze het toch? Mark en Karel duikelen
alsof ze nooit anders zijn gewend.
In voorbeeld 7.1 komt het verschil tussen leren en oefeneffect naar voren.
Er wordt van leren gesproken als de activiteit, het ‘koppeltje duikelen’ structureel
is verbeterd ten opzichte van het begin van de oefenperiode. Bij Mark
en Karel was dit het geval en wordt er gesproken van een leereffect. Bij Yanick
en Marie was sprake van een oefeneffect, omdat het trucje na een periode
van niet oefenen niet meer kon worden uitgevoerd. Voor de praktijk van
het bewegingsonderwijs betekent dit concreet dat de kleuter, wanneer de
7
8
9
10
11
12
13
14
289
׉	 7cassandra://3a-dGg1RnJt2llvATg_xXeCyMmGSuOxiH6g8GCzEYWc$`̵ W䰸$T3`vW䰸$T3`uFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://28b8jRnvurCNNyqUq34qif4BZ-6RzAIwWTn0pNiXOJQ -` 
׉	 7cassandra://BK5BRjlT8zwfN4eHHCaApuJjNLUJKgDAnBZpv_ZjA4QKo`T׉	 7cassandra://deot_p-VsrfPEaQCjd2bHSuuMhmQ-5Wbi0HZfg8u3UA`̵ ׉	 7cassandra://gsnyZb2-kNsKQV_EK7TO9jtQXK0wTG9tXz-LimoJQ1k&͠W䰸$T3`wט # #nu׉׉	 7cassandra://3uivQBroH7vkgSaSguKIAoI4ODwb2FA-x6w3lsFHJCA ` 
׉	 7cassandra://7refZXJ1VJFJv2NNmT3l0mCHGeQ584xOlZKN73AOo-YD`T׉	 7cassandra://Zq71KV5SIjDkcsFD9ka5wm0HwJlBxntku-Rz5Wyur4g`̵ ׉	 7cassandra://rA1M3ac0qFNpqRq7mkai3YSUI8DTX27rOeAnWxiXZcUD|l͠W䰸$T3`x׉E290
volgende keer dezelfde activiteit, spel of oefening weer wordt aangeboden
‘het beter’ doet, er iets is geleerd.
Gedragspotentieel
1
2
3
4
5
6
7
8
Omgeving
9
10
11
12
13
14
Specifieke ervaringen
Motorisch leren is het gevolg van specifieke ervaringen met de omgeving
die het resultaat zijn van oefenen. Door uitproberen, vaak herhalen en oefenen
van een bepaalde activiteit word je ergens beter in.
VOORBEELD 7.3 GEVAREERD SPRINGEN ALS SPECIFIEKE ERVARING
Als je probeert meer inzicht te krijgen in het bewegingsgedrag en het gedrag
meet aan de hand van een ‘testsituatie’, dan mag je concluderen dat de motorische
gedragingen die een kleuter tot zijn beschikking heeft (gedragspotentieel),
is vergroot als de uitvoering structureel beter is. Een incidentele
verbetering van de prestatie, zoals in het begin van het voorbeeld een enkele
keer het pittenzakje in de doos gooien, is hiervoor niet voldoende.
VOORBEELD 7.2 UITBREIDING GEDRAGSPOTENTIEEL
Carolien en Youri zijn om en om pittenzakken in een doos aan het gooien.
Bij de eerste keer dat deze activiteit werd aangeboden, drie weken terug,
viel er af en toe een pittenzak in de doos, soms ertegenaan, maar vaak ook
kwamen de pittenzakken helemaal niet eens in de buurt van de doos.
In de tussenliggende tijd heeft de leerkracht deze activiteit nog drie keer
aangeboden. Vandaag, een maand later, gooien Carolien en Youri bijna alle
pittenzakken in de doos. Slechts een enkele keer is er nog een afzwaaier.
Gedragsmogelijkheden
Motorisch
leren heeft betrekking op veranderingen in het gedragspotentieel.
Bij gedragspotentieel gaat het om het vermogen bepaald gedrag te kunnen
vertonen. Dit is een interessant aspect omdat gedragspotentieel niet direct
waarneembaar is. Een verandering in de gedragsmogelijkheden is alleen indirect
zichtbaar via het gedrag of de prestatie. Het kan dan ook alleen worden
afgemeten aan de hand van het gedrag dat iemand laat zien.
׉	 7cassandra://deot_p-VsrfPEaQCjd2bHSuuMhmQ-5Wbi0HZfg8u3UA`̵ W䰸$T3`y׉EMOTORISCH LEREN
Jan vindt het heel leuk om van dingen af te springen. Als je er op kunt klimmen,
springt Jan ervan af. Niet alleen springen maar zo springen dat je niet
omvalt. Jan wil op zijn voeten landen. De hele dag klimt hij op muurtjes en
andere verhogingen om ervan af te springen. In het speellokaal laat hij deze
truc ook zien. Hij klimt op de kasten om ervan af te springen. Ook de klimtoren
gebruikt hij om van af te springen. Zodra het hem lukt om zonder om te
vallen van een bepaalde sport te springen, gaat hij weer een sport hoger.
291
1
2
Door ergens meer ervaring in op te doen en de activiteit steeds opnieuw uit
te voeren word je er beter in. Deze verandering in zijn bewegingsgedrag, het
steeds beter kunnen landen, is het resultaat van oefening.
7.1.3
Uitdagingen voor de praktijk
Voor het beter leren uitvoeren van motorische vaardigheden in de praktijk
zitten in de drie besproken aspecten serieuze uitdagingen. Deze uitdagingen
worden hier vragenderwijs aan de orde gesteld.
Op welke manier is de progressie te monitoren?
Het is belangrijk te weten of er inderdaad motorisch ook iets wordt geleerd.
Je kunt wel oefenen, maar heeft dit ook een leereffect? Is het niet alleen
een oefeneffect dat weer heel snel is verdwenen? Dit zijn vragen die te maken
hebben met in hoeverre een activiteit wordt onthouden (retentie). Relevant
is ook de vraag of een geleerde activiteit in een andere, maar vergelijkbare,
situatie kan worden uitgevoerd (transfer).
Kun je invloed hebben op de leercurve?
De leercurve geeft de relatie aan tussen de mate van oefenen en het prestatieniveau.
Kun je door op een andere manier activiteiten of vaardigheden
aan te bieden invloed uitoefenen op het oefenresultaat en op het leerresultaat?
Levert een andere instructievorm of een veranderd arrangement een
ander oefen- of leerresultaat op?
FIGUUR 7.2 Leercurve
10
Maximaal
haalbaar niveau
11
12
13
Mate van oefening
14
4
5
6
7
8
9
3
Prestatieniveau
׉	 7cassandra://Zq71KV5SIjDkcsFD9ka5wm0HwJlBxntku-Rz5Wyur4g`̵ W䰸$T3`zW䰸$T3`yFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://mz5EZ0U43gRCfV6O9YwZFA-Ju2kbwkzTF7wXNKFYHg4 `
׉	 7cassandra://vD8hY_r7vcOU7DtJGTsehZhjELgSr0pAGHwyfooSgycW`T׉	 7cassandra://5E7IcfiEsW_meV4x14urfX0_SGuSaMrNg3whGAU-5Ec`̵ ׉	 7cassandra://-_ksKHE2IKQF15IvRHMa510rlYXn8GpgO4BwN9B_WI4 -2͠W䰸$T3`{ט # #nu׉׉	 7cassandra://n3iqt-DEe9KEGVAV8kS42OsBojMkLMj88WYm9rcapY0 N8` 
׉	 7cassandra://iUC30gJP617aKlwzeM-C_bSM4G_pthGfpwcMN7RfSVU~` T׉	 7cassandra://X1qNYnmkBx2JppI52G5G2NdKcEFQTo_m6qjdq2tOsbM	`̵ ׉	 7cassandra://vtNHxLvt8Kzg6t6WYdiGYtRa0VIp4FrvvzM9GouDLAg;	͠W䰸$T3`|׉E292
1
2
3
4
5
6
7
8
Wat deed je nou?
9
10
11
12
13
14
Traditionele
theorieën
§ 7.2
In deze paragraaf is een algemeen beeld gegeven over wat onder motorisch
leren wordt verstaan. Kernmerken zijn beschreven en er is een drietal belangrijke
aspecten van dit leren geschetst. Tot slot is een aantal uitdagingen
beschreven en zijn aandachtspunten benoemd die een rol spelen bij het
beter en effectiever motorisch leren.
Oude theorieën gaan voorbij
In de loop der tijd is nagedacht over het leren bewegen. Het gaat dan vooral
over de vraag hoe vaardigheden en bewegingen beter en effectiever kunnen
worden aangeleerd. De wetenschap houdt zich er al heel lang mee bezig en
verschillende theorieën zijn in de loop der jaren ontwikkeld. Elk met haar eigen
accenten. De laatste jaren is er veel veranderd in de wijze waarop er
naar motorisch leren wordt gekeken. De theorie van motorisch leren heeft
onder invloed van diverse ontwikkelingen een flinke facelift ondergaan.
In deze paragraaf worden enkele traditionele theorieën over hoe veranderingen
in het bewegingsgedrag verklaard werden beschreven. Een tweetal theorieën
dat door de jaren heen is ontwikkeld, wordt toegelicht. Aan het driefasenmodel
van Fitts en Posner wordt ruim aandacht besteed, de schema -
theorie van Schmidt wordt beknopt beschreven.
Hoe wordt er precies geleerd?
Als je weet op welke wijze er wordt geleerd kun je daar je instructie op afstemmen
zodat de effectiviteit van je onderwijs wordt vergroot. De vraag
naar de methodische en systematische opbouw van het aanbieden van activiteiten
en vaardigheden dringt zich nu op. Hoe kun je met de bewegingsuitdaging
als vertrekpunt een activiteit of vaardigheid moeilijker of makkelijker
maken?
Hoe zit het met feedback geven?
Zijn er effectieve en minder effectieve vormen van feedback? En op welk
moment, in het motorische leerproces, geef je dan die feedback en in welke
vorm? Dit zijn vragen die het aanleren van motorische vaardigheden interessant
en tegelijkertijd complex maken.
׉	 7cassandra://5E7IcfiEsW_meV4x14urfX0_SGuSaMrNg3whGAU-5Ec`̵ W䰸$T3`}׉EMOTORISCH LEREN
De ecologische theorie en de dynamische systeembenadering, waarop de
visie op het nieuwe motorische leren is gebaseerd, zijn globaal 35 jaar
geleden ontstaan en nog steeds volop in ontwikkeling. Tegenwoordig vormen
beide benaderingen een geïntegreerd geheel als theoretisch kader voor
de bestudering van het motorisch leren. De theorie van het zogenoemde
‘nieuwe’ motorisch leren is vrij complex en abstract. Ondanks dat de theorie
soms lastig te begrijpen en te ‘vatten’ is, is het op dit moment de belangrijkste
en vruchtbaarste ontwikkeling op het terrein van motorisch leren. Het
is een visie op motorisch leren die ook consequenties heeft voor de praktijk
van het onderwijs in bewegen met kleuters.
7.2.1 Het driefasenmodel
Begin jaren 70 en de jaren daarna was een belangrijke en vruchtbare periode
voor de ontwikkeling van kennis op het terrein van het motorisch leren
en de bewegingssturing. Naast Schmidt (1975) hebben Fitts en Posner
(1967) de interesse en de belangstelling voor het motorisch leren een flinke
impuls gegeven.
Schmidt gaat ervan uit dat zich tijdens het leren van motorische vaardigheden
gegeneraliseerde motorische programma’s vormen. Je leert dus geen
specifieke bewegingen, maar beweegregels. Deze beweegregels kun je opvatten
als de motorische grammatica op grond waarvan de motorprogramma’s
worden geschreven. Deze gegeneraliseerde motorprogramma’s, de zogenoemde
schema’s, bestaan volgens Schmidt voor bepaalde klassen van
gelijksoortige bewegingen. Je kunt dit globaal vergelijken met de ordening
binnen bewegingsthema’s en de leerlijnen.
Het mooie is dat eenzelfde programma onder verschillende omstandigheden
een consistent bewegingspatroon laat zien. Het uitvoeren van een bepaalde
vaardigheid, bijvoorbeeld het schrijven van letters, ziet er op het digitale
schoolbord (verticaal) of op papier (horizontaal) hetzelfde uit.
Variatie in de beweging komt tot stand doordat binnen een gegeneraliseerd
motorprogramma (schema) de instellingen van bewegingsparameters zoals
volgorde, timing en kracht worden veranderd.
Ook Schmidt onderscheidt een aantal fasen. Deze komen overeen met de
fasen van het driefasenmodel van Fitts en Posner. De basisideeën voor het
driefasenmodel: de cognitieve fase, de associatieve fase en de geautomatiseerde
fase zijn eind jaren 60 neergelegd en de jaren daarna verder uitgewerkt.
Deze uitgangpunten hebben geleid tot een aantal heldere motorische
leerprincipes. Het is een nog steeds breed gebruikt en gedragen model.
Het model stelt dat het leren van complexe bewegingen in drie fasen verloopt.
De fasen kenmerken en onderscheiden zich doordat er steeds minder
een beroep wordt gedaan op bewuste cognitieve processen. Dit geldt voor
een lerende kleuter, maar ook voor een volwassene die een nieuwe vaardigheid
onder de knie probeert te krijgen. Gaandeweg het leerproces speelt de
automatisering van de bewegingsuitvoering een steeds belangrijker rol. Door
de drie fasen heen neemt de cognitieve betrokkenheid af en de mate van
automatisering toe.
De relatie tussen de verschillende fasen en het niveau van cognitieve aandacht
wordt in het driefasenmodel in figuur 7.3 weergegeven. De brede lijn
tussen de verschillende fasen geeft aan dat de overgang niet heel scherp te
trekken is. Oftewel, een persoon zit niet van het ene op het andere moment
in een andere fase.
293
Nieuwe
motorische leren
1
2
3
4
5
Beweegregels
Motorische
grammatica
Motorprogramma’s
6
7
8
9
10
11
12
13
14
׉	 7cassandra://X1qNYnmkBx2JppI52G5G2NdKcEFQTo_m6qjdq2tOsbM	`̵ W䰸$T3`~W䰸$T3`}FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://vTSD_8jZiLwd23SII6d5fRR7sFrTNaZj4A0O7YefP2k R`
׉	 7cassandra://EIrwJLBV6YBhwAMhyJQfNMBWenO0xI1Utx617Y5a4B0"`T׉	 7cassandra://BmmCvViQ2kuIW6LypfQXtf9YAxkUQqcScRz31HiQqN4`̵ ׉	 7cassandra://s7YiVPQrl3WOsgUhoAwtVAzIgV4jxC9yyV1JdwtJago ͠W䰸$T3`ט # #nu׉׉	 7cassandra://andWY-DgXCGB_7ThUW4b8P2SF3iBA4dnfy621QKlOmg ` 
׉	 7cassandra://uMcOUNpn4RELx6m6KNF-jpyExmSiXinJ76OOkxCKE6AO`T׉	 7cassandra://MkdVV6ofuZHBZpKtzwl2pRLpJbsvNwaiHzwjESL2UIYD`̵ ׉	 7cassandra://NlBfAZTk4LTuMq3rbvWNbFCf2Y2igXw6j7LbiqfP_3wO&͠W䰸$T3`׉E326
׉	 7cassandra://BmmCvViQ2kuIW6LypfQXtf9YAxkUQqcScRz31HiQqN4`̵ W䰸$T3`׉E327
8
1
Leerlijnen
bewegingsonderwijs
met kleuters
8.1
8.2
8.3
8.4
Het theoretische kader
Van leerlijn tot TULE-doelen
Bewegingsthema’s uitgewerkt
Voorbeeldlessen in tuinen
Binnen het bewegingsonderwijs in Nederland wordt de indeling van bewegingsactiviteiten
op basis van leerlijnen breed gedragen. De 12 leerlijnen
die vallen onder kerndoel 57 van het SLO, geven structuur en overzicht in
het jaarplan en bieden veel variatie en uitdaging binnen de bewegingslessen.
In dit hoofdstuk worden de leerlijnen uitvoerig behandeld. Het theoretisch
kader achter de landelijk erkende Tussendoelen van de Leerlijnen
(TULE) wordt geschetst aan de hand van kernbegrippen als leerlijnen, bewegingsthema’s,
kernactiviteiten en bewegingsuitdagingen (paragraaf 8.1). De
leerlijnen worden in vier beweegtuinen onderverdeeld (paragraaf 8.2), waardoor
een overzichtelijk en leerbaar schema ontstaat dat houvast biedt in de
studie en in het praktisch uitwerken van lessen. Tot slot worden de 27 bewegingsthema’s
verder uitgediept (paragraaf 8.3). Ook deze zijn gegroepeerd
over de vier tuintjes. Ieder beweegthema wordt volgens dezelfde
structuur uitgewerkt. Naast de algemene beschrijving wordt aandacht besteed
aan specifieke speelkriebels van de kleuters en aandachtspunten
voor jou als leerkracht. In het steeds terugkerende voorbeeld krijg je een
aantal uitvoeringswijzen voor ogen, die je naar alle waarschijnlijkheid zult
herkennen bij jouw kleuters.
OPENINGSCASUS
Paul loopt nu al een tijdje stage en krijgt steeds meer grip op de kinderen,
zijn werk in de klas en de cultuur hier op school. Hij merkt dat op deze
school het bewegen en een gezonde leefstijl hoog in het vaandel staan.
Heel anders dan op zijn vorige stagescholen. Het verbaast hem dat iedere
school zo anders omgaat met het bewegingsonderwijs. Kinderen hebben
toch recht op twee keer gym in de week? En hoe zit het dan met leerdoelen?
Hij weet wel dat je niet kunt blijven zitten op het niveau van bewegingsvaar6
7
8
9
10
11
12
13
14
2
3
4
5
׉	 7cassandra://MkdVV6ofuZHBZpKtzwl2pRLpJbsvNwaiHzwjESL2UIYD`̵ W䰸$T3`W䰸$T3`FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://FDFZdV-i6_BJBuI-T2sAeS_l4SFho6x2yWstUOmR-bA 	f` 
׉	 7cassandra://h8ARRC6x6Ej03c8QOau2JbsJQPIs-s471gXxHs1cLLsT$`T׉	 7cassandra://pVrj-YPzb_Nn3byhHDGnVlF2Kweqzqr_N6rWoW6UZHU`̵ ׉	 7cassandra://TFUWSoac2Lrd4J3-e7NKnvP8l7k6Mp8JmSz__-yKXBw<͠W䰸$T3`ט # #nu׉׉	 7cassandra://oSudCxUrrUo4v4xYoIVvi5wDDVOCIqD7-U0Rz-ND0HE %` 
׉	 7cassandra://WPZ_3zCPIiZ0TgXTd3Rxq-zebdn7toK7QleNQAIr39Q\1`T׉	 7cassandra://ugR6lyJghRxGnaEgg525mYEkPPMxUs9ejicRO6P_IUA?`̵ ׉	 7cassandra://fOzKa4gfJ7xUZCiFndtfpgjpYmHcuXZ6l0hc2WRG6hcF̔͠W䰸$T3`נW䰸$T3` 9׉H 1http://tule.slo.nl/Inleiding/kerndoelenboekje.pdfGׁׁr׉E
?328
1
2
3
4
5
6
Kerndoelen Primair
Onderwijs
7
8
9
10
11
12
13
14
Streefdoelen
KERNDOEL 58
De leerlingen leren samen met anderen op een respectvolle manier aan bewegingsactiviteiten
deelnemen, afspraken maken over het reguleren daarvan,
de eigen bewegingsmogelijkheden inschatten en daarmee bij activiteiten
rekening houden.
KERNDOEL 57
De leerlingen leren op een verantwoorde manier deelnemen aan de omringende
bewegingscultuur en leren de hoofdbeginselen van de belangrijkste
bewegings- en spelvormen ervaren en uitvoeren.
§ 8.1
digheden, maar het is toch wel een vak? Op zijn eerste stageschool kregen
de oudere kinderen hoofdzakelijk spel in de gymzaal. De toestellen kwamen
nauwelijks uit de berging. Op zijn vorige stageschool hadden de kleuters iedere
week een reis rond de wereld in een bewegingsbaan. Nu ziet hij dat het
ook anders kan en vraagt zich af hoe dit wettelijk geregeld is. Hij googlet:
‘Op veel basisscholen wordt gewerkt aan het vormgeven van het onderwijs, bijvoorbeeld
door verbeteren van de samenhang en afstemming tussen leergebieden.
De kerndoelen voor het primair onderwijs zijn daarbij vaak leidraad. Deze
kerndoelen geven de wettelijke kaders voor de kern van de onderwijsinhoud. Kerndoelen
laten op hoofdlijnen zien wat belangrijk wordt gevonden om kinderen mee
te geven in het primair onderwijs. De inhoud is in de kerndoelen niet heel precies
omschreven. De wetgever geeft op die manier scholen de mogelijkheid om zelf
invulling te geven aan de inhoud van hun onderwijs. De kerndoelen zijn geordend
in zeven leergebieden: Nederlands, Engels, Friese taal, rekenen en wiskunde, orientatie
op jezelf en de wereld, kunstzinnige oriëntatie en bewegingsonderwijs.’
Het theoretische kader
Sinds 2006 is de derde generatie kerndoelen van kracht binnen het basisonderwijs.
Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) is het nationaal expertisecentrum
voor leerplanontwikkeling dat alle kerndoelen voor het basisonderwijs
heeft beschreven in het boekje Kerndoelen Primair Onderwijs. Met
ingang van het schooljaar 2009/2010 zijn deze kerndoelen volledig ingevoerd
in Nederland. De 58 kerndoelen zijn leidend voor de invulling van het
basisonderwijs. Voor het bewegingsonderwijs zijn twee kerndoelen beschreven,
kerndoel 57 en kerndoel 58. Kerndoel 57 is gericht op de bewegingsdoelen
binnen de les en kerndoel 58 is gericht op de reguleringsdoelen binnen
het bewegingsonderwijs.
De kerndoelen zijn streefdoelen die aangeven waarop basisscholen zich
moeten richten bij de ontwikkeling van hun leerlingen van groep 1 tot en
met groep 8. Scholen mogen zelf bepalen hoe de kerndoelen binnen bereik
komen.
׉	 7cassandra://pVrj-YPzb_Nn3byhHDGnVlF2Kweqzqr_N6rWoW6UZHU`̵ W䰸$T3`׉E	LEERLIJNEN BEWEGINGSONDERWIJS MET KLEUTERS
FIGUUR 8.1 Kerndoelen bewegingsonderwijs
Kerndoelen
...
...
SLO
...
...
Bewegingsonderwijs
58
3
4
Om scholen meer handvatten te geven hoe het bewegingsonderwijs mogelijk
verder in te vullen, heeft de SLO in opdracht van het ministerie van OCW de
kerndoelen verder uitgewerkt. Voor een praktische indeling van het vakgebied
is binnen het bewegingsonderwijs in Nederland een gemeenschappelijke
basis gevonden in de indeling volgens 12 leerlijnen en de daaraan gekoppelde
bewegingsthema’s. Ieder bewegingsthema wordt gekenmerkt door
een eigen bewegingsuitdaging. Deze indeling biedt scholen houvast om een
gevarieerde invulling te geven aan het jaarplan bewegingsonderwijs. Het is
aan de scholen zelf, welke keuzes ze hierin maken. De leerlijnen zijn beschreven
bij kerndoel 57 (Mooij e.a., 2008).
8.1.1
Leerlijnen en bewegingsthema’s
Het verder uitsplitsen van kerndoel 57 gebeurt aan de hand van 12 leerlijnen.
In onderstaande subparagrafen wordt het theoretisch kader geschetst
met daarin een uitwerking van begrippen die gekoppeld zijn aan de term
leerlijnen. Ook wordt een aantal veelgebruikte verwante en relevante begrippen
binnen het bewegingsonderwijs uitgelegd.
Wat zijn leerlijnen?
Kerndoelen worden in ons land uitgewerkt in leerlijnen. De leerlijnen samen
vormen het geheel van een leergebied dat aangeboden wordt tijdens de basisschooltijd.
Een leerlijn is in dit geval de lijn waarop leerlingen van groep 1
tot en met groep 8 rondom één van de 12 onderdelen van het bewegingsonderwijs
vaardigheden leren kennen en leren kunnen. Een leerlijn geeft richting
aan wat er behandeld wordt per leeftijdsgroep. De leerlijn is opgebouwd
van eenvoudig naar complex. De uiteindelijke praktische invulling van de
leerlijnen kan per school sterk verschillen. Voor het bewegingsonderwijs zijn
leerlijnen in vieren opgedeeld. Telkens worden twee leerjaren bij elkaar gepakt.
Groep 1 en 2 samen, groep 3 en 4, groep 5 en 6 en tot slot groep 7
en 8. Hierdoor heb je als school twee jaar de tijd om de tussendoelen, die
per leeftijdscategorie beschreven staan, veelvuldig aan te bieden en te bereiken.
Het aanbod binnen zo’n leerlijn wordt naarmate het kind ouder wordt
steeds complexer. De onderwijstijd die aan iedere leerlijn en elk bewegingsthema
wordt besteed verschilt per leeftijdscategorie. Daar waar mikken in
de onderbouw veel aandacht behoeft, gaat dit in de bovenbouw veelal over
12 Leerlijnen
9
10
11
Richtinggevend
12
13
14
5
6
7
8
1
57
2
329
׉	 7cassandra://ugR6lyJghRxGnaEgg525mYEkPPMxUs9ejicRO6P_IUA?`̵ W䰸$T3`W䰸$T3`FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://-aaCX-lw9NjwfyNOh889TJ4G88kZrQtGdBkW8A4dCLU ` 
׉	 7cassandra://zSdg6BFvFgLr-3kK1-76KS2LwbFMo2fmoNP0PXGwR1Ij` T׉	 7cassandra://fPUZuvPRJoym_HASixEQPyb58qRU4AVyPY6PgQdowC8`̵ ׉	 7cassandra://y10PA9aNH3GvVWYZpFw6Kkl6LaXkRtC1JhwOOiV929Q@͠W䰸$T3`ט # #nu׉׉	 7cassandra://pQQXmiQ5zUBAONkeqms52f-KPwyulFfJ578xNcNp5yM bi` 
׉	 7cassandra://505iUiB_vOvT1vg3WvLFbkDXgcArL7CVb0zUiJQ1E8Y>`T׉	 7cassandra://9cJtLyjAEu0Sh719BoRM3X7QZrd40qNj_k_dNK5IVTci`̵ ׉	 7cassandra://-nUQm0NEGPYIZt8uBpvCt2RCif9TEaz8hSKbuTzxYD8IF̰͠W䰸$T3`׉E330
Leerlijnen
1
2
3
Gemene deler
4
5
6
7
Spanningsveld
8
9
10
11
12
13
14
Bewegingsprobleem
Bewegingsuitdaging
Een
voorbeeld van een bewegingsuitdaging met tegengestelde belangen:
Tikspelen → Afgooispelen → Lukt het mij om jou af te gooien, terwijl jij
probeert dit te voorkomen?
Ook hier: welk spel je ook speelt binnen dit bewegingsthema, dit zal het
spanningsveld zijn.
In de literatuur (Mooij, 2011) wordt ook wel gesproken van een bewegingsprobleem.
Kinderen ervaren ‘dit probleem’ als een uitdaging, als iets spannends,
vandaar bewegingsuitdaging. Ze gaan de uitdaging aan en op zoek
naar een oplossing voor ‘het probleem’. De kast is wel heel hoog, hoe kom
ik hier nou weer van af? Dat is de uitdaging.
Er is sprake van een bewegingsuitdaging wanneer:
• een activiteit langdurig boeiend kan worden gehouden; er moet spanning
blijven in het wel en niet lukken van een activiteit
• het aangeeft in welke richting de leerkracht de kinderen wil beïnvloeden
Wat zijn bewegingsuitdagingen?
De essentie van ieder bewegingsthema wordt omschreven in de bewegingsuitdaging.
Elk bewegingsthema heeft zijn eigen bewegingsuitdaging. De uitdaging
omschrijft het spanningsveld tussen net wel of net niet lukken. Soms
is dit gericht op het individu en soms geeft het tegengestelde belangen aan,
zoals bij bijvoorbeeld tikspelen waar meerdere rollen tegelijk actief zijn.
Een voorbeeld van een individuele bewegingsuitdaging:
Balanceren → Glijden → Lukt het mij om vaart te maken op een glijvlak en
in balans vaart te houden?
Het maakt niet uit voor welke leeftijdsgroep jij een activiteit bedenkt met
een glijbaan. Dit zal de essentie blijven van de uitdaging. Of je nou zittend
of staand van de glijbaan af gaat. Of je nou direct landt op een matje of dat
je afzweeft voor je landt.
Bijvoorbeeld balanceren heeft vier bewegingsthema’s: balanceren, rijden,
glijden en acrobatiek.
Bij alle vier draait het om wel of niet in balans blijven ten opzichte van uit
balans gaan. Toch zijn ze allemaal net even anders, vandaar de verdere
onderverdeling in bewegingsthema’s. De onderlinge verschillen komen tot
uiting in de beschrijving van de bewegingsuitdaging per bewegingsthema.
in complexere doelspelen. Het pure mikken vanuit stilstand op een voorwerp
wordt meer in dynamische spelvormen aangeboden.
De volgende 12 leerlijnen worden onderscheiden:
1 Balanceren
2 Klimmen/klauteren
7 Jongleren
8 Hardlopen
3 Zwaaien 9 Tikspelen
4 Springen 10 Doelspelen
5 Over de kop
11 Stoeispelen
6 Mikken 12 Bewegen op muziek
Wat zijn bewegingsthema’s?
In iedere leerlijn worden een tot maximaal vijf bewegingsthema’s onderscheiden.
Bewegingsthema’s zijn als het ware subcategorieën binnen de
leerlijnen. Hoewel de bewegingsthema’s samen een gemene deler hebben,
wordt per bewegingsthema de essentie duidelijk door een eigen accent.
׉	 7cassandra://fPUZuvPRJoym_HASixEQPyb58qRU4AVyPY6PgQdowC8`̵ W䰸$T3`׉EyLEERLIJNEN BEWEGINGSONDERWIJS MET KLEUTERS
• het ruimte biedt voor verschillende manieren van deelnemen (in samenhang)
•
er een spanningsveld is die ontwikkeling in bewegingsgedrag stimuleert
FIGUUR 8.2 Kerndoel 57
12 leerlijnen
1
2
3
4
5
Kerndoel 57
6 Zwaaien
7
8
9
10
11
12
1
2
3
4
Bewegingsthema
...
...
Bewegingsuitdaging
5
6
7
8
Kernactiviteit(en)
9
Iedere bewegingsuitdaging is in de praktijk, de gymles, te vertalen naar vele
activiteiten en oefeningen. Gedurende de hele basisschooltijd betekent dit
dat de kinderen bepaalde activiteiten aangeboden krijgen die van eenvoudig
steeds complexer worden. Niet te verwarren met van makkelijk naar moeilijk.
Of iets complex is, zegt altijd iets over de activiteit zelf. Of iets moeilijk
is, is kindgebonden. Ieder kind is immers anders en zal het anders ervaren.
Het is aan de kennis en kunde van de leerkracht hoe divers het scala is aan
activiteiten binnen een bewegingsthema.
Om een school en daarmee de leerkracht handvatten te geven om te checken
wat het vaardigheidsniveau is van de kinderen binnen een bepaald bewegingsthema,
is er een aantal kernactiviteiten per bewegingsthema uitgeschreven.
Wat
zijn TULE-doelen?
De TULE-doelen zijn de beschrijving van wat je kinderen wilt leren. Voor iedere
bewegingsuitdaging heeft het SLO een tot drie tussendoelen omschreven
per leeftijdscategorie.
14
Tussendoelen
10
Steeds
complexer
11
12
13
331
׉	 7cassandra://9cJtLyjAEu0Sh719BoRM3X7QZrd40qNj_k_dNK5IVTci`̵ W䰸$T3`W䰸$T3`FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://F0ZMlGXg8JEZf8bQ677WkNk9Px2bcJL1BYjOsYliZ4w ` 
׉	 7cassandra://2F4ZBlv-7DlOigauwv2_XWDpcHVkX9jlK89ltN6KTWsGV`T׉	 7cassandra://-hM8daNIJrcqpgS1ZSCyCVXjTZgsFJs08yA2-ephu348`̵ ׉	 7cassandra://2XWY1WZc-QA8NghUFivKulYU2jsPQhiQaAKltva9oxsJ^͠W䰸$T3`ט # #nu׉׉	 7cassandra://B_5W7aOIL5f3i_9-YR_RgIXm23G59CHgMHIOcvE1ha8 K` 
׉	 7cassandra://jDfBSjFMR_I_tg_q_Y8LiIw4iHvRMrR2iUG26Qxrml8b`T׉	 7cassandra://Gr9yLQXfxfB_cwfdG7jvO2T0LrovmWPbzcufvdy6E6c`̵ ׉	 7cassandra://ncfITcRSo8lx1WogKNUtuAwvgU6buPtGTfxpf52_U8wB͠W䰸$T3`׉E332
1
2
3
Momentopname
4
5
6
7
8
Kernactiviteit
9
10
11
Legenda:
12
13
14
Echter, alleen de kernactiviteiten aanbieden aan de kinderen is veel te beperkt.
Naast de een of twee omschreven kernactiviteiten per bewegingsthema
zijn er vele variaties te bedenken op deze activiteiten. En ook vele verwante
activiteiten, waar ook weer variaties op te bedenken zijn. Zo is er een
groot scala aan activiteiten te bedenken waar een en dezelfde bewegingsuitleerlijn
balanceren, beweging; thema glijden
kernactiviteit
activiteiten binnen leerlijn
Eenvoudig
Complex
‘De uitwerkingen in TULE laten zien hoe de inhoudsverkaveling eruit zou kunnen
zien. “Zou kunnen” zeggen we met nadruk. Immers, er zijn andere opties en
overwegingen denkbaar om bij elk kerndoel de inhoud in te vullen en te verkavelen
over de groepen. TULE geeft één beschrijving van de mogelijke verdeling van
de kerndoelen in onderwijsinhouden over een aantal jaren (Mooij e.a., 2008).’
Wat zijn kernactiviteiten?
Een kernactiviteit is een activiteit of spel om een TULE-doel te realiseren.
Het is een concretisering van een TULE-doel. Een kernactiviteit is een activiteit
die de bewegingsuitdaging typeert. Het bevat de kern van het bewegingsthema
zonder allerlei extra’s en toevoegingen. Door per leeftijdscategorie
een kernactiviteit te beschrijven, wordt het mogelijk om voor die bewegings -
uitdaging de leerresultaten te meten. Als de leerlijn van een bewegingsthema
een film is van het leven van een vierjarige tot een kind van 12 jaar, dan
zijn de kernactiviteiten vier momentopnames op die lijn. Alsof je een foto
van dat moment maakt in het leerproces van het kind.
FIGUUR 8.3 Voorbeeld leerlijn balanceren – bewegingsthema glijden
TULE-doelen
Groep 1-2
Groep 3-4
Groep 5-6
Groep 7-8
׉	 7cassandra://-hM8daNIJrcqpgS1ZSCyCVXjTZgsFJs08yA2-ephu348`̵ W䰸$T3`׉ELEERLIJNEN BEWEGINGSONDERWIJS MET KLEUTERS
daging in terug te vinden is (Mooij e.a., 2011). Zodra een kleuter een kernactiviteit
voor groep 1 en 2 beheerst, heeft het dan ook de voorkeur om op
zoek te gaan naar variatie en verwante activiteiten, in plaats van vooruit te
kijken naar de kernactiviteiten van groep 3 en 4.
VOORBEELD 8.1 VARIATIES EN VERWANTE ACTIVITEITEN
Na de kerstvakantie ziet de vakleerkracht dat een groot gedeelte van de
oudste kleuters kan rollen op een schuin vlak. Ze wil ook voor hen de uitdaging
erin houden. Ze weet dat het meer oplevert als ze nu naar variatie en
verwante activiteiten gaat kijken in plaats van naar de tussendoelen voor
groep 3 en 4. Dat zou trouwens ook niet heel handig zijn in verband met het
arrangement en de beschikbare ruimte. Uit ervaring weet ze ook, hoe gek
het ook mag klinken, dat als een kleuter op een rood matje kan rollen dit
niet automatisch betekent dat het op een blauw matje ook lukt. Voor een
kleuter kan dit compleet anders lijken en dus een nieuwe situatie zijn.
Met dit gegeven gaat ze variëren op de bestaande kernactiviteit. De schuine
rode mat is anders dan een springplank met een matje erop. Tijdens de intervisie
met collega vakleerkrachten informeert ze welke verwante activiteiten
zij met de kleuters doen binnen dit bewegingsthema. Rollen om de lengteas
kende ze al. Uiteraard achteruit rollen en de judorol. Een van de
leerkrachten pakt ook wel eens een grote fysiobal en laat een kind dat wil
daarop gaan liggen, dan rolt het kind met bal en al om. Grappig.
8.1.2
Overige begrippen
Binnen het bewegingsonderwijs wordt een aantal begrippen veelvuldig gebruikt
en soms ook door elkaar gebruikt. Dat kan enige verwarring veroorzaken
bij de studie of in de praktijk. In dit boek is gekozen voor een viertal
veelgebruikte begrippen met de volgende beschrijvingen.
Wat zijn grondvormen van bewegen?
Duwen en trekken, werpen, tillen, springen, heffen en dragen, rennen zijn
voorbeelden van grondvormen van bewegen die de mens in de loop van zijn
evolutie heeft ontwikkeld om te overleven (Netelenbos, 1998). Het zijn bewegingen
die je op jonge leeftijd makkelijk leert. Heb je aan deze grondvormen
op jonge leeftijd, tot een jaar of zes, zeven, weinig gedaan, dan wordt
het steeds lastiger om ze nog te leren. De indeling volgens de grondvormen
van bewegen is een oude indeling die tegenwoordig nauwelijks nog wordt
gebruikt.
Wat zijn basisvaardigheden?
Onder basisvaardigheden worden vaardigheden verstaan die veelal binnen
de leerlijnen mikken, jongleren, balanceren, klimmen en springen vallen. Het
beheersen van de basisvaardigheden is een voorwaarde om in een later stadium
de complexere bewegingsuitdagingen en sportspecifieke vaardigheden
onder de knie te krijgen. Door de basisbewegingsuitdagingen veelvuldig aan
te bieden, krijgen kleuters de kans de basisvaardigheden te leren. Het is
belangrijk dat deze basisvaardigheden stabiel en flexibel worden, zodat ze
gebruikt kunnen worden als middel in diverse bewegingssituaties. Denk
daarbij ook aan traplopen, het op- en afstappen van een fiets en het klimmen
in de auto of op een bakfiets.
12
Voorwaarde om
13
14
333
Variatie en
verwante
activiteiten
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Om te overleven
10
11
׉	 7cassandra://Gr9yLQXfxfB_cwfdG7jvO2T0LrovmWPbzcufvdy6E6c`̵ W䰸$T3`W䰸$T3`FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://aB1YiTCBiUkWemNMOVzZDGpEoIeGz78xF4FPUW28aTI `
׉	 7cassandra://emMgMOpquN0IB15OdhP5CSR1VcvUPsmsMfNcxSFqbxAJ`T׉	 7cassandra://WA6V1vO-EMyN1BYvYE32F6cRH5kukqrEUgwJxDVt5Cc`̵ ׉	 7cassandra://f4MIo6mtfmwJNYHacxOH5Gok1L7YGACiZkBpdv-7Me4 D͠W䰸$T3`ט # #nu׉׉	 7cassandra://Uog9BgvRfvKUQID81rEjxdDYg4s5TZjisH_rgUR0zuQ 2` 
׉	 7cassandra://e4_ZPvu1U_H5ZVSVMOHbXNwYcyg5UEJVzgad8reNh7gJ`T׉	 7cassandra://uKMhNYKBiRU950SrnxypYdj5nf0R3xYd1btl58xVRZo`̵ ׉	 7cassandra://YFs4ch7bPxKCimFsvqhEvutpcR7Lxcf46YOhLLwHVf4C_$͠W䰸$T3`׉E8334
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
Transfer
12
13
14
Andere context
Traplopen is ook balanceren
Met deze grondvormen van bewegen en basisvaardigheden zijn de bewegingsuitdagingen
van de leerlijnen geformuleerd. Op deze manier hebben
zowel de grondvormen van bewegen als de basisvaardigheden een plaats
binnen de leerlijnen gekregen.
Wat wordt bedoeld met variatie?
Voor kleuters is het belangrijk dat activiteiten herhaald worden. Als iets beheerst
wordt in de ene context wil dat niet automatisch zeggen dat het in
een iets andere context ook beheerst wordt. Een kind dat de koprol op een
rood matje bij juf Liesbeth op dinsdag kan, laat diezelfde koprol niet automatisch
ook op donderdag zien bij juf Lianne op een blauw matje. Soms is
een koprol op een rode mat voor een kleuter een andere situatie dan een
koprol op een blauwe of groene mat. Door regelmatig te variëren met de
context, leren kleuters de transfer van een vaardigheid die in de ene situatie
is geleerd ook uit te voeren in een andere, vergelijkbare, situatie. Daarnaast
kunnen variaties kleuters ook andere speelkriebels opleveren.
Voorbeelden van variaties op activiteiten kunnen zijn:
• mikken met pittenzakjes op opgehangen kranten, plastic tassen of een
laken
• diepspringen vanaf een kast, twee banken op elkaar of een ander object
• het chaosdoelenspel met kegels, blokjes of pylonen omrollen
Je kunt variaties ook veel breder zien. Variaties kunnen ook veranderingen
zijn in de uitvoering zelf. Het gaat nog steeds om de vaardigheid zelf, bijvoorbeeld
een bovenhandse strekworp. Door te variëren in taak (eisen), om׉	 7cassandra://WA6V1vO-EMyN1BYvYE32F6cRH5kukqrEUgwJxDVt5Cc`̵ W䰸$T3`׉EqLEERLIJNEN BEWEGINGSONDERWIJS MET KLEUTERS
geving (arrangement) en kind (kenmerken) wordt de vaardigheid stabieler en
daarmee beter bestand tegen verstoringen. De vaardigheid wordt makkelijker
toepasbaar in andere situaties. Het gaat dan niet meer om de vaardigheid
zelf, maar om het inzetten van de vaardigheid in vele verschillende situaties
waarin de vaardigheid gebruikt wordt als middel om een doel te
bereiken.
Voorbeelden van variaties op activiteiten in taak, omgeving en kind kunnen
zijn:
• mikken met bovenhandse strekworp → met pittenzakjes, tennisballen,
grote ballen enz ...
• mikken met bovenhandse strekworp → hoog, laag, hard of zachtjes
gooien
• mikken met bovenhandse strekworp → eerst een rondje draaien voor je
gooit, of drie keer springen voor je gooit of met je ogen dicht of je gaat
bijvoorbeeld zittend gooien
Wat zijn verwante activiteiten?
Verwante activiteiten zijn specifieke variaties binnen dezelfde bewegingsuitdaging.
Het zijn alternatieve activiteiten die gerangschikt worden onder hetzelfde
bewegingsthema. Door eigen creativiteit en het raadplegen van bronnenboeken
zijn er meerdere verwante activiteiten te bedenken. Verwante
activiteiten worden gezien als variatie op een kernactiviteit en kunnen ondersteunend
zijn bij het boeken van leerresultaat bij de kernactiviteit (Mooij
e.a., 2011).
Voorbeelden van verwante activiteiten kunnen zijn:
• mikken met pittenzakjes tegen kranten → mikken met ballen in een open
kast
• diepspringen vanaf een kast → herhaald springen op een zwiepplank
• het chaosdoelenspel met kegels omrollen → het chaosdoelenspel met
kegels omschoppen met een bal
FIGUUR 8.4 Verwante activiteiten en variaties
Variatie
335
1
2
3
4
Alternatieve
activiteiten
Variatie op
kernactiviteit
5
6
7
8
9
10
Een
kernactiviteit
Complexer
12
Variatie
Eenvoudiger
Groep 1-2
Groep 3-4
14
13
11
Verwante
activiteiten
Verwante
activiteiten
׉	 7cassandra://uKMhNYKBiRU950SrnxypYdj5nf0R3xYd1btl58xVRZo`̵ W䰸$T3`W䰸$T3`FnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://6pAMVRB5hT04Lq-gczFYB-czjE49Ax32bruXoZ0YwPg `
׉	 7cassandra://FqBd6YXvGwFqyCcLHXqvW97YlT7u7R2e8F1UFLBB-zI,<`T׉	 7cassandra://JgOr9hPvVfa7lxqPrlkDtemrmD0VJFSeOfmBszX5EcU`̵ ׉	 7cassandra://Rbp4G15s369ktYU3OenPKW2474a8DiAzrcyGD3UO-I8 ΃͠W䰸$T3aט # #nu׉׉	 7cassandra://Wf2S-db04_tCR82UaBFpwlyrFEru7DZ92usOwlVcOpw ` 
׉	 7cassandra://JsjbbCAYd2SFquC1sta5r6lRG_W-zN3blvv3dd8TsUEH9`T׉	 7cassandra://0bO3YPIzbUcAChdexdsY1_zpbdabg3VtGu8gBMrAvTMj`̵ ׉	 7cassandra://AMdLeAjeemvblqi3oXxtwoB5XvKjSme3cxMTTRLDj_EH͠W䰸$T3a׉E394
׉	 7cassandra://JgOr9hPvVfa7lxqPrlkDtemrmD0VJFSeOfmBszX5EcU`̵ W䰸$T3a׉E395
9
1
Het bewegingsonderwijs
in de organisatie
9.1
9.2
9.3
Het speellokaal
Jaarplanning bewegingsonderwijs
Zorgverbreding en passend onderwijs
6
Dit hoofdstuk gaat over bewegingsonderwijs met kleuters gezien vanuit het
perspectief van de organisatie van de school.
Het is de verantwoordelijkheid van de directie van de school, in goede samenspraak
met alle leerkrachten, dat het speellokaal en de inrichting ervan
op orde is en de regels met betrekking tot het gebruik daarvan worden
nageleefd en dat er een goede jaarplanning ligt (paragraaf 9.1).
Het is de verantwoordelijkheid van het gehele team inclusief de directie
dat de zorgverbreding bij bewegingsonderwijs goed geregeld is (zie paragraaf
9.2).
Als team kun je bij de inrichting van het totale bewegingsonderwijs met kleuters
dankbaar gebruikmaken van methodes en bronnenboeken. Deze komen
in paragraaf 9.3 aan de orde.
OPENINGCASUS
Paul gaat vandaag gymles aan zijn kleuterklas geven. De juf heeft hem dit
vorige week al gevraagd en hij heeft zich goed voorbereid. Hij heeft precies
bedacht waar de kinderen vooraf moeten zitten, hoe hij de uitleg gaat geven,
welke activiteiten en arrangementsaanpassingen hij allemaal kan doen.
Kortom, hij heeft zich goed voorbereid. Juf Loes komt voordat de dag begint
naar hem toe. ‘Ben je klaar voor de gymles?’, vraagt ze. ‘Ja hoor’, zegt Paul.
De kinderen komen de klas binnen en mogen eerst nog even een werkje
kiezen voordat ze naar de gym gaan. ‘Nou Paul’, zegt de juf om 9.10 uur,
‘dan mag jij het vanaf nu overnemen.’ Paul kijkt, want de kleuters zijn nog
niet omgekleed. Loes ziet de bezorgde blik van Paul. ‘Omkleden hoort ook
bij de gymles, heb je daar nog niet over nagedacht?’, zegt ze. ‘Nee’, zegt
Paul, ‘dat lijkt altijd vanzelf te gaan.’
7
8
9
10
11
12
13
14
2
3
4
5
׉	 7cassandra://0bO3YPIzbUcAChdexdsY1_zpbdabg3VtGu8gBMrAvTMj`̵ W䰸$T3aW䰸$T3aFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://z5XTil-i16AQAOFc9MV3X_acEHnwiqy-Blc71VHSES4 ` 
׉	 7cassandra://zTWs1lxrrWlDM38T6DwebqUifulKU-jNXA84ODP6Nrob`T׉	 7cassandra://O0fQqaHtA7_w8bHfz_RqVh_ji2k8LFoULOD9zt2XPzI`̵ ׉	 7cassandra://D9Bpwbmo3XR8aJKuFecQn4-SAN5hfKSKTDMbIMKpOz0Qfx͠W䰸$T3aט # #nu׉׉	 7cassandra://f7VaB-m1UFQQyqNF1Rj9cnMfsnTXEG3MaWO0L8Iicfs 4`
׉	 7cassandra://WztjN_Ka0aKHPYf4MqJobN-4qyYMRoDbzOOKtp5orQ8b`T׉	 7cassandra://xcPp7as8NdKoJAD9bnd0dhOd2sMTEoTst4LFQ1_hrg8Z`̵ ׉	 7cassandra://XHNztUAFYDciutfYDKw-pE2mWg3YbXOU69zmRjCYeXs 7o͠W䰸$T3aנW䰸$T3a QK9׉Hhttp://www.kvlo.nlGׁׁrנW䰸$T3b( TT9ׁHhttp://www.kvlo.nlׁׁЈ׉E396
§ 9.1
Het speellokaal
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
Middag
11
12
13
14
Tips bij het maken van een rooster:
• Plan alle kleutergroepen achter elkaar. Zo maak je gebruik van dezelfde
opstelling en krijgen alle kleuters hetzelfde aangeboden.
• Als het klaarzetten een grote werkdruk geeft, plan de twee gymmomenten
in de week dan op twee opeenvolgende dagen. Zo kun je het laten
staan. Voor kleuters is herhaling alleen maar prettig en het scheelt veel
gesjouw.
• Maak ook afspraken over wie wanneer wat klaarzet en opruimt. Ook dit
kan in een vast rooster, waardoor de last verdeeld wordt. Zo staat niemand
voor verrassingen en wordt de verleiding om dan toch maar voor
het gemak naar buiten te gaan nagenoeg uitgesloten.
Buitenspelen
TABEL 9.1 Voorbeeld wekelijks rooster beweegmomenten kleuters
Dinsdag
Maandag
Ochtend
Buitenspelen
Spelen in aula,
speellokaal of
klas
Kring en
zangspelen
Buitenspelen
Woensdag
Bewegingsonderwijs
Speellokaal/
gymzaal
Nieuwe
les
Donderdag
Bewegingsonderwijs
Speellokaal/
gymzaal
Herhaling
Buitenspelen
Vrijdag
Spelen
in aula,
speellokaal of
klas
Bewegen op
muziek
Buitenspelen
Vast weekrooster
Oorspronkelijke
bestemming
Vrijwel elke basisschool heeft een inpandig speellokaal. Een ruimte bedoeld
om peuters en kleuters de gelegenheid te bieden om, naast het buitenspelen,
veelvuldig en veelzijdig te spelen en te bewegen; voor de vaste gymlessen
zoals aangegeven op het rooster en de tussendoormomenten, als de
leerkracht merkt dat de groep daar behoefte aan heeft.
In de praktijk worden veel speellokalen ook gebruikt voor andere doeleinden:
als extra lokaal wegens ruimtegebrek in school, als gemeenschapsruimte,
als lokaal voor activiteiten binnen het verlengde dagarrangement of
als opslag voor de kerstspullen en andere spullen die nergens een plek
hebben. Hoewel dit soms heel begrijpelijk is, komt daarmee de oorspronkelijke
bestemming van het speellokaal helaas in gevaar. Een intensief en veilig
gebruik van het speellokaal voor de oorspronkelijke doelgroep vraagt om
een visie en een plan voor bewegingsonderwijs met kleuters. Een plan met
daarin een vast rooster, regels en afspraken over het gebruik en meerjarenplan
voor de inrichting van het speellokaal.
9.1.1 Rooster
Uitgaande van negen beweegmomenten in de week, ieder dagdeel een moment,
bewegen en spelen kleuters veelvuldig. Het lijkt luxe, maar voor kleuters
pure noodzaak. Minimaal twee van deze momenten zijn in het speellokaal
gepland. Door een vast weekrooster te hanteren is het voor iedereen in
het team duidelijk wie wanneer gebruikmaakt van het speellokaal en wanneer
hij eventueel te gebruiken is voor andere doeleinden. En het geeft je
als leerkracht ook meer een stok achter de deur om ook daadwerkelijk te
gaan gymmen met kleuters in plaats van buiten te spelen; ook heel belangrijk,
maar het is zeker niet hetzelfde als een gymles. In tabel 9.1 zie je een
voorbeeld van een weekrooster met beweegmomenten voor een groep 1-2.
׉	 7cassandra://O0fQqaHtA7_w8bHfz_RqVh_ji2k8LFoULOD9zt2XPzI`̵ W䰸$T3a׉EHET BEWEGINGSONDERWIJS IN DE ORGANISATIE
• Als alle materialen al staan is een les van 45 minuten voor kleuters
prima. Als de kleuters nog moeten helpen met klaarzetten, plan dan een
les van 60 minuten. Zo blijft er voldoende beweegtijd over.
9.1.2
Inrichting speellokaal
Zoveel speellokalen, zoveel vormen en maten. De vorm en maat bepalen
voor een heel groot gedeelte de mogelijkheden van de inrichting. Waar komt
het wandrek? Is er een berging of kan ik ergens anders de kleine materialen
kwijt? Hoe deel ik het speellokaal in voor een les in vakken? Waar kan ik
met ballen spelen zonder bang te zijn dat de ramen stuk gaan?
Tips bij het inrichten van het speellokaal:
• Een stuk blinde muur voor het spelen met ballen is zeer wenselijk.
• Afhankelijk van de vorm en maat van het speellokaal kun je kiezen voor
een vast klimrek of een verrijdbaar klimrek.
• Handig: er bestaan kasten waar de kleuters op kunnen klimmen en waar
ook materiaal in kan worden opgeborgen.
• Wil je een stuk afschermen voor kleuters of rondvliegend klein spelmateriaal,
dan is een afscheidingsnet een goede oplossing.
5
6
7
8
9
10
Handig: een afscheidingsnet
11
Bij de inrichting van de speelzaal wordt er onderscheid gemaakt tussen grote
en kleine materialen. Op de site van de KVLO (www.kvlo.nl) is een basisinventarisatielijst
te vinden. Hierin staan de normen en eisen waaraan het
speellokaal, qua materiaal, moet voldoen.
Grote materialen
Onder grote materialen worden alle vaste toestellen verstaan, zoals het
klimrek of bijvoorbeeld de ringen of touwen, maar ook (verrijdbare) losse
toestellen, zoals een kast, een klimladder, de glijbaan, banken of mattenkar.
Grote materialen worden veelal ingezet voor leerlijnen als klimmen, balanceren,
springen, over de kop en zwaaien. Ook worden ze gebruikt als afscheiding
van ‘tuintjes’ of als lijdend voorwerp bij overige leerlijnen; van mikken
Toestellen
14
Basisinventarisatielijst
12
13
1
2
3
4
397
׉	 7cassandra://xcPp7as8NdKoJAD9bnd0dhOd2sMTEoTst4LFQ1_hrg8Z`̵ W䰸$T3aW䰸$T3aFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://wzFW54odDgypUlJcd88TrErqqrw4BgkKAFoM2HpJxEI 
l`
׉	 7cassandra://T_ca78V2kqjSOny9jAXLv-lNO4mWSt5f4CWFnsnZk4QT[`T׉	 7cassandra://_p-kJdRacVEz19cNGJ_Xsh089uYwSYIMjAu4BVNPhA8`̵ ׉	 7cassandra://oSNynxeFwwfftOLVRCQlsbsogr_-lrSC9t4nRS9f2qw ͠W䰸$T3aט # #nu׉׉	 7cassandra://1561-NXK9b1i2Dr7r4Dp-z4-B0QnZgZRVmNe-z6Dxb4 53`
׉	 7cassandra://iypwqtFfowQhjvRHnEnvnuwxaNmTG0JX_uO9FhM8v0Ua`T׉	 7cassandra://dF2IZmMBuPz5ocPb_IyGO_OsBP6WpgX8LAXvNxqBlRY`̵ ׉	 7cassandra://SqGJCJkuewNrYwqgjToubaDg4-kf-dwi8nzr8d674G0 ͠W䰸$T3a׉E+398
in de kast tot stuiten in de gaten van een ladder. Of bijvoorbeeld pylonen
mikken van de bank of stuiten met een bal in een minitrampoline.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
Kleurrijk,
uitdagend en
uitnodigend
Onderwijsleerpakket
Alles
een vaste plek; wel zo prettig en veilig
Kleine materialen
De mogelijkheden in aanschaf van kleine materialen zijn enorm en zeer
veelzijdig. Er is een aantal aanbieders die hierin gespecialiseerd zijn. En
hoewel ze onderling ongeveer hetzelfde aanbod hebben, zit er wel verschil in
prijs-kwaliteitverhouding. Er is veel kleurrijk, uitdagend en uitnodigend materiaal
te krijgen. Materialen die zeker kleuters enorm tot de verbeelding spreken.
Met het klein materiaal,ook wel het onderwijsleerpakket genoemd, kunnen
de leerlijnen mikken, jongleren, tikspelen, doelspelen en bewegen op
muziek aangeboden worden.
Het Dorack-systeem van de firma Nijha en de Klimgim-materialen van Schilte
zijn voorbeelden van materialen die op verschillende manieren te koppelen
zijn. Ook bij Rolf en Janssen & Fritsen − Just For kids - kun je heel leuke
en interessante beweeg- en spelmaterialen voor kleuters vinden.
Tips bij de aanschaf van grote materialen:
• Er zijn meerdere aanbieders in grote materialen in Nederland. Sommige
systemen kunnen ook door elkaar heen gebruikt worden, die zijn aan elkaar
te ‘klikken’. Laat je eerst goed informeren en vraag ook na bij andere
scholen wat hun ervaringen zijn.
• Door een financieel meerjarenplan te maken voor de aanschaf van grote
materialen, verdeel je de kosten over de jaren, weet je wanneer materiaal
afgeschreven is en ondervang je vervanging van materialen die worden
afgekeurd.
• Er zijn verschillende mogelijkheden om groot materiaal handig en veilig
op te bergen. Laat je goed informeren en kijkt wat het handigste is voor
jullie speellokaal.
׉	 7cassandra://_p-kJdRacVEz19cNGJ_Xsh089uYwSYIMjAu4BVNPhA8`̵ W䰸$T3a׉EHET BEWEGINGSONDERWIJS IN DE ORGANISATIE
Tips bij aanschaf van kleine materialen:
• Ga eerst voor veelzijdig te gebruiken materiaal zoals ballen, pittenzakjes,
pylonen, lintjes, stokken, blokken en hoepels. In tweede instantie kun je
kijken naar materialen die wel veel uitdaging bieden maar minder gevarieerd
in te zetten zijn, zoals bijvoorbeeld hockeysticks.
• Het is belangrijk dat iedere kleuter eigen materiaal heeft tijdens het oefenen.
Is het budget niet al te groot, begin dan met de aanschaf van klein
materiaal voor een tuintje. Dus bijvoorbeeld zeven grote zachte ballen,
zeven grote basketballen, zeven rackets en foamballetjes en 14 pittenzakjes.
Zo kun je vooruit en schaf je later meer aan voor bijvoorbeeld een
hele groep.
• Veel sportmateriaal is ook in kleuterformaat te krijgen. Badmintonrackets
met een korte steel, kleinere voetballen, kleinere hoepels. Daardoor
wordt het handzamer voor kleuters.
• Geef klein materiaal een vaste plek bij het opruimen. Dat biedt overzicht
voor zowel de kinderen als de leerkrachten. Wat is er allemaal? Je
kunt het zo pakken en je weet direct wanneer iets vervangen moet
worden.
• Denk ook aan ondersteunend materiaal zoals een ballenpomp, een cd/
usb-speler of instrumenten als een handtrom.
399
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
Zorg voor klein materiaal
Veel klein materiaal is gratis te verzamelen of via ouders te verkrijgen. Kranten,
ballonnen, frisbees met het logo van het bedrijf waar een ouder werkt,
kurken (leuk om mee te mikken), lakens om gaten in te knippen voor het
mikken, tapijttegels, emmers of oude fietsbanden. Het hoeft niet allemaal
veel te kosten en het is gemakkelijk te vervangen.
Veiligheid en hygiëne
Veiligheid staat natuurlijk voorop, zowel bij de ruimte als bij de inrichting.
Een uitstekende verwarming of loszittende schroeven kunnen voor nare ongelukken
zorgen. Het is belangrijk dat de ruimte en de toestellen regelmatig
11
12
13
14
׉	 7cassandra://dF2IZmMBuPz5ocPb_IyGO_OsBP6WpgX8LAXvNxqBlRY`̵ W䰸$T3aW䰸$T3aFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://yrDrIFYQfxjHIsd02AJsRhR0PnGaFG8J7SjTL9N1xm8 <h` 
׉	 7cassandra://-LrSXdfh4SDERlwTE4Hjm47oVZUf3hrmTNW4_cZvXKYt` T׉	 7cassandra://rEPoUYfk4U4L9-_L5EpH_To2MC6fo6JNKC324kCTE6Q`̵ ׉	 7cassandra://Gef_LZAhukh7XbLYETRXRXDfigxQXg-yDupTk8FVyEE=͠W䰸$T3aט # #nu׉׉	 7cassandra://9Mxb8gRhOQ9c-4k22GhXqCc-QG0Bp_fUjdR_Xb0GYtI M`
׉	 7cassandra://uaVWP9fNi5W3uvRqR3NjerpfVD2iaZhr6b_yhQ_1AYAel`T׉	 7cassandra://mTqQseNw83iAOdXHgEvJXOOYChPuTXgGe1tTMWR-YwE`̵ ׉	 7cassandra://MvaEzgkXFfct1zP2UaKS2eYOrOnr5HzEnXYGCHltwhU c	͠W䰸$T3a׉Ey400
Keuring van
materialen
1
EHBO doosje
2
Schoonmaakbedrijf
3
4
5
Beheer
6
7
8
9
Op
één lijn
10
11
Autonomie
12
13
14
Aandachtspunten bij het maken van regels en afspraken:
• Mag je naar binnen met je gewone schoenen?
• Wie houdt overzicht over het materiaal en de keuring van het speellokaal?
• Wie houdt de schoonmaak in de gaten?
• Mag er sport- en spelmateriaal gepakt worden uit het speellokaal, zodat
jij mogelijk mispakt als je les moet geven?
• Bedenk wat er afgesproken moet worden om het oorspronkelijke doel van
het speellokaal na te kunnen streven, namelijk: bewegingsonderwijs met
kleuters.
Voordat kleuters kunnen gaan gymmen is het goed om als leerkrachten samen
afspraken te maken over de praktische kant van de lessen in het
speellokaal. Door op één lijn te gaan zitten, schep je helderheid naar de kinderen
en naar de ouders en voorkom je discussies of onduidelijkheden.
Omkleden en gymkleding
Kleuters laten omkleden voordat ze gaan gymmen ‘kost’ tijd, maar levert
ook enorm veel op. Het zelf leren omkleden levert een bijdrage aan de motoriek,
aan het leren plannen van handelingen en aan meer autonomie. Zelf
leren dat je eerst je schoenen uit zal moeten doen voordat je een broek uit
kan trekken, anders zit je in de knoop. Zelf leren knoopjes vastmaken of het
zelf vragen aan je buurman die het al kan. Je kleren netjes op de stoel leggen
met je schoenen onder de stoel en je sokken erin, zodat je het straks
weer gemakkelijk terug kunt vinden. Ze leren zorg dragen voor hun eigen
spullen.
Door kleuters ook een eigen gymtas te geven of te laten meenemen met
daarin een broek en shirt leren ze ook dat je gymt in andere kleding. Je
slaapt in je pyjama, je zwemt in je zwembroek en je gymt in je gymkleren.
Logisch toch. En de investering die je nu doet, levert veel tijdwinst op in
groep 3.
worden gekeurd. Met het bedrijf dat de ruimte heeft ingericht kan een contract
voor periodiek onderhoud worden afgesloten. Het op tijd vervangen
en/of repareren van toestellen, materialen en werkvloer is een kwaliteitseis
ten aanzien van de veiligheid. Daarom is het noodzakelijk dat er jaarlijks
een reservering voor de middelen wordt gedaan zodat vervangen en reparatie
mogelijk is.
Door een eigen EHBO doosje voor het speellokaal te maken, voorkom je dat
je steeds een kleuter naar de concierge of eigen klas moet sturen. Een
doosje met pleisters en jodium is voldoende. Het gaat om de veelvoorkomende
kleine ongelukjes.
Iedere school heeft een schoonmaakbedrijf dat volgens een planning het
schoolgebouw schoonhoudt. Het speellokaal is daar als het goed is ook
onderdeel van. Daarnaast is het geen overbodige luxe om regelmatig met
een veger door het speellokaal te lopen of het stof en zand te lijf te gaan.
9.1.3
Algemene regels en afspraken
Naast een vast rooster, dat duidelijkheid biedt aan alle teamleden, is het
van belang dat er regels en afspraken worden vastgesteld over het gebruik
van het speellokaal. Regels die voor iedereen binnen de school gelden en
waar je elkaar ook op mag aanspreken. Dit kunnen afspraken zijn over het
beheer van de gemeenschappelijke ruimte en over het gebruik ervan, door
zowel de kleutergroepen als overige groepen.
׉	 7cassandra://rEPoUYfk4U4L9-_L5EpH_To2MC6fo6JNKC324kCTE6Q`̵ W䰸$T3a׉E	HET BEWEGINGSONDERWIJS IN DE ORGANISATIE
401
1
2
Zelf leren omkleden en hulp vragen als het nodig is
3
Tips bij gebruik van gymkleding:
• Leer kleuters een vaste volgorde aan. Wat trek je eerst uit en wat daarna?
• Laat snellere kleuters andere kinderen helpen.
• Vraag ouders op ‘gymdagen’ hun kind kleding aan te trekken die ze gemakkelijk
zelfstandig aan en uit krijgen.
• Geef gymkleren aan het eind van de week mee naar huis, dan kan het
gewassen worden.
Gymschoenen
Wel of geen gymschoenen voor kleuters is een discussie die op bijna alle
scholen wel een keer wordt gevoerd. Wat is nou beter voor de voeten? Hoe
zit het dan met hygiëne? Over een ding is iedereen het eens: laat kleuters
niet op sokken gymmen. De kans op uitglijden is te groot. Gymmen op blote
voeten is goed voor de ontwikkeling van de voeten. De kleuters worden niet
gehinderd door stugge zolen en kunnen ‘grijpen’ met hun tenen. Blote voeten
draagt bij aan lichaamsbesef, het ontdekken van materiaal op een tactiele
manier en heeft voordelen bij het aan- en uitkleden. Ook geeft het jou
als leerkracht de mogelijkheid om de ontwikkeling en stand van de voeten
in de gaten te houden.
Sommige scholen kiezen echter niet voor blote voeten in verband met hygiene
en veiligheid. Een gymschoen geeft bescherming aan de voet en geeft
houvast en stevigheid.
Tips voor afspraken over schoeisel:
• Kies voor wel of niet. Als je het vrij laat, is de kans groot dat kinderen
met schoenen op de tenen trappen van kinderen op blote voeten. Of
allemaal wel of allemaal niet.
• Adviseer ouders schoenen die kleuters zelf gemakkelijk aan en uit kunnen
doen. Bijvoorbeeld schoenen met klittenband of turnschoentjes.
• Liever geen schoeisel, dan slecht zittend schoeisel dat te klein, te groot
of niet geschikt voor een gymles is. Dat belemmert kinderen in hun
ontwikkeling.
Sieraden, lang haar en brillen
Ook kleuters die gymmen moet je hun sieraden af doen. Dat is de meest
veilige situatie voor henzelf en de andere kinderen en het kan niet kapot
gaan. Dit geldt ook voor een diadeem of grote spelden in het haar. Mocht
een kleuter een shirt aan hebben met een capuchon, zorg er dan voor dat
die naar binnen wordt gestopt bij de nek. Hier kunnen ze achter blijven
hangen bij bijvoorbeeld het klimmen.
4
5
6
Blote voeten
7
8
9
10
11
12
13
14
׉	 7cassandra://mTqQseNw83iAOdXHgEvJXOOYChPuTXgGe1tTMWR-YwE`̵ W䰸$T3aW䰸$T3aFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://nX6reJr1aoYf4_wJIKyZyxMvAfKlNacHTcXmPc-vmwQ O` 
׉	 7cassandra://SpHgijtTSgXXKqXkaO-yd0HYI5ii9WNQXB1vMJU0_2Uw` T׉	 7cassandra://iMA1XTVehdx4wUaMqRjn7yN36n710NhKaxgJ9uJFPAE`̵ ׉	 7cassandra://ZEnebGFSTaX_UmFX-DGmr9Zxqmj1dRlu0UyWODB5lqk?͠W䰸$T3aט # #nu׉׉	 7cassandra://kx0bDhqLMXZ5QebEVbz9bFJpVH6kNkCF2WTbz3sYZHE Y:` 
׉	 7cassandra://ZX0VgbkA0kQhYPrfagafMzjqTcnw-86uzyn8kQIaC9gT{`T׉	 7cassandra://EUGnaVfB7s-EBdhj_s49GEvGAcjVDY5jpjaUac97DhM`̵ ׉	 7cassandra://Si2go2Zj--7wNPVYmkVDs7uUIg5u0GEzmrWjzIDTToUHP͠W䰸$T3a׉E402
Veiligheid
1
2
3
4
5
Extra
mogelijkheden
6
Ook nadelen
7
8
9
§ 9.2
10
11
12
13
10 weken maal 4
14
Gevarieerd en
compleet aanbod
Een vast rooster en gemeenschappelijke regels en afspraken bieden al veel
houvast voor de lessen bewegingsonderwijs. Door ook van tevoren met elkaar
een jaarplanning te maken is het voor iedereen vooraf duidelijk wat er
die week op het programma staat. Dat maakt dat de voorbereiding in de
week zelf vlotter verloopt. Zo hangt het aanbod niet af van de waan van de
dag en krijgen de kleuters een gevarieerd en compleet aanbod voorgeschoteld
(Van der Loo, 2009).
9.2.1
Een simpele rekensom
Het schooljaar bestaat uit 40 weken. Uitgaande van de vier beweegtuinen
en de herhaling die kleuters nodig hebben om vaardigheden eigen te maken,
kun je beginnen met een jaarplanning van 10 weken. Deze cyclus kun je vier
keer in willekeurige volgorde of combinaties herhalen, waardoor kleuters voldoende
mogelijkheden krijgen om op eigen tempo, manier en niveau te oefenen.
Basisvaardigheden als klimmen, mikken en jongleren komen hierin wekelijks
of om de week terug, zodat kleuters deze veelvuldig kunnen oefenen.
Zorg dat kleuters met lang haar een staart hebben. Loshangende haren
werken belemmerend met betrekking tot het zicht en de veiligheid.
Brildragende kleuters zetten deze meestal af tijdens de gymles. De vraag is
of dit handig is. Door een bril af te zetten, verliest de kleuter zicht en ziet hij
voorwerpen of andere kinderen minder goed aankomen. Dit wil nog wel eens
tot ongelukjes of botsingen leiden. Ook een afgeplakt oog tijdens gym is
niet handig. Het kind verliest dan het zicht op diepte, wat maakt dat sommige
vaardigheden erg lastig eigen te maken zijn. Het leren van vaardigheden
als balanceren of werpen en vangen verloopt veel moeizamer.
Tips voor de overige afspraken:
• Zorg voor een bakje met extra elastiekjes.
• Overleg met ouders over het gebruik van een bril bij de bewegingsles.
• Laat een bril wel afzetten bij stoeiactiviteiten.
• Spreek met ouders af dat het dragen van een oogpleister zo gepland
wordt, dat het af kan met de gymles.
9.1.4
Kleuters in de grote gymzaal
Op sommige scholen is er genoeg ruimte in het rooster van de gymzaal dat
kleuters daar ook gebruik van kunnen maken. Een gymzaal biedt een aantal
extra mogelijkheden die in een speellokaal over het algemeen niet haalbaar
zijn. Zwaaien in de touwen en ringen, heel hard rennen of spelen op de dikke
mat kan meestal niet in een speellokaal. Door de grootte van de zaal zitten
kleuters elkaar minder op de lip, zeker tegen het eind van het schooljaar
als de klassen goed gevuld zijn. Toch kleven er ook nadelen aan een grote
gymzaal. De ruimte kan voor kleuters ook te overweldigend zijn. Zeker jongere
kleuters kunnen het gevoel van veiligheid missen en zich verloren voelen
in zo’n grote ruimte. Daarnaast is de temperatuur voor kleuters in een
gymzaal vaak ook te laag, wat niet bijdraagt aan een positieve beleving. Iets
om als leerkracht rekening mee te houden.
Liever net te lang in een speellokaal gymmen en duidelijk merken dat je het
als kleuter ontgroeid bent, dan te vroeg naar de gymzaal gaan en een onveilig
gevoel ervaren.
Jaarplanning bewegingsonderwijs
׉	 7cassandra://iMA1XTVehdx4wUaMqRjn7yN36n710NhKaxgJ9uJFPAE`̵ W䰸$T3a׉E
1HET BEWEGINGSONDERWIJS IN DE ORGANISATIE
TABEL 9.2 (Jaar)planning lessen bewegingsonderwijs kleuters
Week
1
Klimtuintje
Klimmen/klauteren
+ glijbaan
2
3
4
5
6
7
8
9
10
Klimmen/klauteren
+ diepspringen
Klimmen/klauteren
+ touwklimmen
Klimmen/klauteren
+ over de kop gaan
Klimmen/klauteren
+ diepspringen
Klimmen/klauteren
+ trampolinespringen
Klimmen/klauteren
+ balanceerbalk
Klimmen/klauteren
+ duikelstang
Klimmen/klauteren
+ diepspringen
Speeltuinles of
kermisles
Speltuintje
Tikspel
Overlooptikspel
Doelspel
Keeperspel
Stoeien
Bal afpakken
Acrogym
Leskaarten +
yogakaarten
Tikspel
Huizentik
Doelspel
Lummelspel
Stoeien
Hotdog
Tikspel
Annemaria
Koekoek
Vrij spel
Met hoepels,
touwtjes, of ...
403
Trucjestuintje
Springen
Diepspringen
Balanceren
Balanceerbaan
Over de kop gaan
Lengte rol/koprol
Schommelen/
zwaaien
Indien mogelijk
Springen
Trampoline springen
Balanceren
Balanceerbaan
Over de kop gaan
Koprol/duikelen
Balanceren
Wipwap
Springen
Steunspringen
Mik­ en jongleertuintje
Mikken
Ballen handen rollen
Jongleren Racket +
ballon
Mikken
Pittenzakjes
handen tegen
Jongleren
Grote ballen handen
3
Mikken Tennisballen in
Jongleren
Voetballen voet/ hoofd
Mikken
Ballen handen door
Jongleren
Verschillende ballen
handen of voeten
Mikken
Ringen/hoepels over
5
6
7
Zodra je als school activiteiten mist in een dergelijke jaarplanning is het gemakkelijk
aan te vullen tot bijvoorbeeld 15 of 20 ingevulde weken. Ook die
kun je dan herhalen en onderling anders combineren, waardoor het jaar gevuld
is. Als je er als school voor kiest om twee verschillende lessen in de
week aan te bieden, geeft dit uiteraard nog veel meer mogelijkheden in een
gevarieerd aanbod. Het schema in tabel 9.2 is slechts een voorbeeld van
hoe je een jaarplan kunt invullen.
Tips bij het maken van een jaarplan:
• Vul eerst de leerlijnen in en dan de bewegingsthema’s. Bedenk daar later
activiteiten bij. Zo weet je zeker dat er een gevarieerd en compleet aanbod
is.
• Houd rekening met de beschikbare materialen en mogelijkheden van het
speellokaal. Als zwaaien geen optie is, vervang het dan door een andere
leerlijn.
• Methodes en bronnenboeken bieden ideeën. Maak foto’s van jullie eigen
opstellingen en arrangementen. Voeg deze toe aan jullie eigen jaarplan.
Dit helpt bij het klaarzetten als deze activiteit weer aan bod komt.
Uiteraard is het aan de kennis, kunde en creativiteit van de leerkrachten
hoe gevarieerd het jaarplan eruit komt te zien. Voor wie zich hier nog niet
voldoende kundig acht, zijn er meerdere methodes voor bewegingsonderwijs
met kleuters op de markt.
Foto’s maken
13
14
8
9
10
11
12
4
2
1
׉	 7cassandra://EUGnaVfB7s-EBdhj_s49GEvGAcjVDY5jpjaUac97DhM`̵ W䰸$T3aW䰸$T3aFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://HNI4p7rCBRXMYJ-X9ASzI5g0ukNvIWXdh-ng-Tv9Y2o k`
׉	 7cassandra://VmUyv2GWbEfjsWhS3J3-3vmhvYDLc0e8j2KkPttTdA8Ol`T׉	 7cassandra://Xq0dTBpRrFGxRgVym19iBviHFFRlBzMQbEf4f-la2QQ`̵ ׉	 7cassandra://19SQqzSQggstQgmHCI9swpOF527tVPrG53OdklJxChw c͠W䰸$T3aט # #nu׉׉	 7cassandra://G_amcv_TZbCrPCeEcxKElJnm7-Hm5wHPHnhu29SF5pI X` 
׉	 7cassandra://0MboqaDWQgFyvpfzGDE3y7vA7zyoY6_FxXN8lZZ5UMEW` T׉	 7cassandra://_xtv_jffiKrEP2FdSWyw8kvxjAlMUUOnqhRYZAo73Dk`̵ ׉	 7cassandra://IMHmNDOcJU2VMarRVHh39wAFlKYpl1T73_Ya3ge66d4Jq͠W䰸$T3a׉E428
׉	 7cassandra://Xq0dTBpRrFGxRgVym19iBviHFFRlBzMQbEf4f-la2QQ`̵ W䰸$T3a׉E429
10
Bewegen in de brede
context
10.1 De brede context begrensd
10.2 Het schoolplein nader bekeken
10.3 Sport- en spelactiviteiten schoolbreed
In de loop van het schooljaar zijn er heel wat momenten waarop bewegingsactiviteiten
worden aangeboden buiten de reguliere lessen bewegingsonderwijs.
Als groepsleerkracht ben je, naast verantwoordelijk voor je eigen klas,
ook betrokken bij activiteiten voor de overige leerlingen. Ook stagiaires nemen
vaak al deel aan werkgroepen of commissies voor het organiseren van
allerlei sportieve activiteiten. Dan is het handig om te weten waar het bewegen
in de brede context plaats kan vinden. De brede context omvat alle vormen
van bewegen en sportieve activiteiten die buiten de gymzaal plaatsvinden.
Welke
ruimtes of accommodaties heeft een school tot zijn beschikking? Dit
wordt besproken in paragraaf 10.1. Daarnaast wordt er in paragraaf 10.1
ingezoomd op de psychomotorische ontwikkeling van de groepen 3 tot en
met 8. Hoe ontwikkelen de kinderen zich motorisch na de kleuterperiode?
En wat kun jij met deze kennis bij bijvoorbeeld het buitenspelen?
Het schoolplein neemt een belangrijke plek in binnen de brede context.
Iedere groep komt buiten tijdens de pauzes of tussendoor. Het plein wordt
ook vaak gebruikt voor extra activiteiten. Welke overwegingen zijn er voor de
inrichting en het gebruik van het schoolplein? Het zou mooi zijn als het plein
een verlengstuk van het geleerde in de gymzaal kan zijn. Zowel de materialen
als de vaardigheden kunnen vertaald worden naar het plein (paragraaf
10.2). Naast de gymlessen zijn er vele soorten activiteiten in en rondom de
school die voor extra sport- en spelaanbod zorgen. De partijen en initiatieven
die hierin een rol kunnen spelen komen in de laatste paragraaf, paragraaf
10.3, aan bod.
OPENINGSCASUS
Bij het eerste gesprek dat Paul met de directrice en Loes had, kwamen ook
zijn hobby’s ter sprake. Paul is sportfanaat. Zelf doet hij aan wielrennen,
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
׉	 7cassandra://_xtv_jffiKrEP2FdSWyw8kvxjAlMUUOnqhRYZAo73Dk`̵ W䰸$T3aہW䰸$T3aځFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://i7di2DT5z_Gj9N-1dWE-k4UAOmf-4ibQOdE6Z1qub3g ` 
׉	 7cassandra://S9XalHrYbaAGAeX3y5Iy6ktsWJoRtKz73L-tEO3ljeYX~`T׉	 7cassandra://8yTCR2Ntshlu5P9ua3fABm_ydadDeqcrQozukfCua64`̵ ׉	 7cassandra://HGNzuIgoVqiiAIsFCaL7qLT0FmW2QGfhHv2ELj3RtQc9͠W䰸$T3aט # #nu׉׉	 7cassandra://NG1YE2yWo5B1J8URloPFyhc-oMr9ielSiXRMKSxNEdk â`
׉	 7cassandra://NPnw3AMcjuINGsaCqTCfKrifzC5MzsJ_RFUUWJ-UsH4fI`T׉	 7cassandra://tCGIu3X_vBARDQQ_-dWw-v3ML0ir3TWDZv6y_8BgCFU`̵ ׉	 7cassandra://41A4QibS81Q7ERqg_Bvc76j-uRvMPChcLxdNpcGrI24 h͠W䰸$T3a׉E	430
maar vindt alles wat met sport te maken heeft leuk. In het gesprek kon hij
ook goed verwoorden wat het belang is voor kinderen om dagelijks iets aan
bewegen en ontspanning te doen. Hanneke, de directrice, was onder de in1
2
3
4
§
10.1
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
De brede context begrensd
Bewegen in de brede context heeft diverse invalshoeken. Het betreft alle
vormen van bewegen en sportieve activiteiten die zich buiten de gymzaal,
dus in de brede context afspelen. Zonder de intentie te hebben compleet te
zijn, worden acht categorieën bewegingsruimtes benoemd waar basisschoolkinderen
gebruik van maken. De ruimtes zijn zowel in als om school te vinden.
Bij de beschrijving van de verschillende ontwikkelingen richt dit boek
zich op de kinderen binnen het (speciaal) basisonderwijs, tot de leeftijd van
12, 13 jaar.
10.1.1 Bewegingsruimtes in en rond de school
Het speellokaal en de gymzaal zijn uiteraard de meest voor de hand liggende
ruimtes voor bewegingssituaties binnen de onderwijssetting. Toch is er
meer mogelijk in en rondom de school. Door creatief met de ruimte en
soms ook de tijd om te gaan, lenen vele plekken in en rondom de school
zich voor beweegactiviteiten. Voorbeelden van deze ruimten buiten het
speellokaal en gymzaal zijn:
1 gebouw
2 klaslokaal
3 schoolplein
4 buurtspeelplein
5 sportcomplex
6 zwembad
7 park, bos, strand, water, natuurijs,
8 ijsbaan, skibaan, skatepark, adventurepark
Ad 1 Gebouw
Kinderen hebben behoefte aan beweging. Binnen het gebouw wordt deze
behoefte vaak aan banden gelegd, omdat er veel activiteiten van andere
aard plaatsvinden die rust en concentratie vereisen en rennen op de gang
is uit den boze. Voor een creatief leerkrachtenteam met een visie op de bewegingsbehoeften
van kinderen in relatie met de inrichting van het schoolgebouw
liggen er kansen. Er zijn scholen die speciale renroutes op de gang
hebben gemaakt. Ruimte kan er gecreëerd worden waar nog meer mogelijkheden
tot bewegen zijn. In deze ruimten spelen kinderen tafeltennis, tafelbiljart,
sjoelen, tafelvoetbal of met bijvoorbeeld jongleerspullen. Dit kunnen
druk van zijn enthousiasme en visie op bewegen en kwam met een voorstel.
‘Als je het leuk vindt, voegen we je toe aan de sport- en spelcommissie’,
legt Hanneke uit. ‘De leden van deze commissie vergaderen een keer per
maand en zij kijken samen aan welke activiteiten, die de school aangeboden
krijgt, we meedoen. Ze organiseren ook de sportdag en het ouder-kindtoernooi.’
De ogen van Paul gaan glunderen. Het zal pittig worden naast zijn
stage en opleiding, maar ook een leuke kans om de school nog beter te
leren kennen en zelf ook nog meer ervaring op te doen. ‘Ja graag, leuk!’,
antwoordt Paul. ‘Wie zitten nog meer in de werkgroep?’ ‘Loop maar even bij
Trees langs, die kan je alles vertellen’, antwoordt Hanneke.
׉	 7cassandra://8yTCR2Ntshlu5P9ua3fABm_ydadDeqcrQozukfCua64`̵ W䰸$T3a׉EiBEWEGEN IN DE BREDE CONTExT
activiteiten zijn die tijdens het overblijven worden aangeboden, maar ook gedurende
de schooldag zijn er momenten te bedenken waarop groepjes of
individuele kinderen hiervan gebruikmaken. Wie, wat, wanneer en hoelang,
valt onder verantwoordelijkheid van de leerkrachten. Even vijf tot tien minuten
ontspannen kan voor veel kinderen een bijdrage leveren aan een betere
concentratie tijdens de andere vakken.
431
Even ontspannen
1
2
3
4
5
6
Een spannend potje in de hal
Ad 2 Klaslokaal
Naast de algemene ruimtes in het gebouw is er ook in het klaslokaal de mogelijkheid
om tegemoet te komen aan de behoefte aan beweging. Het handelend
motorisch leren heeft allang zijn intrede gedaan binnen de instrumentele
vaardigheden zoals rekenen, lezen, taal. Alvorens te abstraheren
wordt er handelend ervaren en geleerd. Kinderen maken gebruik van concreet
materiaal zoals rekenblokjes, rekenstaafjes, meetopdrachten met
maatbekers, hanteren schrijfschuurletters, tekenen en schrijven in zand. Of
er wordt bewogen bij ‘schrijfdans’ (Qussoren, 2012), waarbij de schrijfbewegingen
worden ondersteund door passende muziek. Binnen de klas zijn er
ook momenten van verplaatsen, looproutes, verandering van opstellingen
mogelijk of dat kinderen gebruikmaken van andere werkruimten. Kinderen
zitten niet de hele dag op een werkplek, maar hanteren een zekere mate
van geleide bewegingsvrijheid.
Op advies van een fysiotherapeut wordt soms geadviseerd bepaalde kinderen
te laten zitten op een zitbal of fysiobal om aan de bewegingsdrang tegemoet
te komen en spierspanning op te bouwen. Vanuit deze invalshoek is er
door een aantal fysiotherapeuten de methode De klas beweegt (Sijthoff,
2013) ontwikkeld met korte beweeginitiaties voor in de klas, uitgebeeld op
posters. Diverse sites en boeken bieden attractieve en actieve tussendoortjes
en energizers voor in de klas. Met Just Dance kun je dansen op het digibord
laten zien waarbij iedereen meedanst. Er zijn ook leerkrachten die een
beweeghoek in de klas hebben ingericht met klein-motorische behendigheidsspelletjes,
zoals mikado of bijvoorbeeld een knikkerdoolhof.
7
8
9
10
11
12
13
14
׉	 7cassandra://tCGIu3X_vBARDQQ_-dWw-v3ML0ir3TWDZv6y_8BgCFU`̵ W䰸$T3a߁W䰸$T3aށFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://n1BQcHwl-rGpLXgPWA79N75UQy-3XDb5OpGQA6Bw1_I `
׉	 7cassandra://wMBmmb0pPKNy11PWnro6pIECFWzNebIOXXUMKNaL6Z8j:`T׉	 7cassandra://sx7JsHbvgVoTy7pZFS_QiovbKwzPGxF-gY1bDapfoHA `̵ ׉	 7cassandra://7wplbvQ6JH7KOQ5iD1fTdAaMCEEEbLfRyhTLxQPBClc 4͠W䰸$T3aט # #nu׉׉	 7cassandra://sBsO_jzSV54LvbMFH6qu3F4-Gi0O6czO5D3aN1_FIQA 'O`
׉	 7cassandra://j4SEZ6xOLd0Pg0vJyC_4ourFNjmS4RGAYoc_XVw3pmUf`T׉	 7cassandra://fgoSaiUg1mO1JkjBFqa9lvQclASyXrWqSU7yY_zl24c`̵ ׉	 7cassandra://EKygJaY5g7T18EFLmsqLeQFYh2nvnjape6oczSjhmZQ =͠W䰸$T3a׉E432
1
2
3
4
5
6
7
Speelkwartier
8
9
10
11
12
13
14
Verschillende schoolpleinen
Een energizer met meester Ger
Ad 3 Schoolplein
Hier liggen mooie kansen, immers kinderen spelen minimaal 5 × 15 minuten
per week tijdens pauzes op het speelplein. Kleuters brengen nog meer
tijd buiten door. Het buitenspel voor kleuters is een wezenlijk onderdeel van
het kleutercurriculum met specifieke ontwikkelingsdoelen. Tijdens het overblijven
spelen kinderen ook vaak nog 20-30 minuten buiten. Samen met de
tijd voor en na de schooluren overtreft de beweegtijd makkelijk de tijd van
de reguliere lessen bewegingsonderwijs. Als je tijdens het speelkwartier
eens rustig observeert wat kinderen aan beweeggedrag laten zien, dan
heeft de intrinsieke beweegbehoefte van het kind geen betoog nodig. Kinderen
rennen, tikken, stoeien, duikelen, ballen, springen touwtje, dansen, keuvelen,
sjouwen, bouwen of spelen met stokjes in aarde en zand. Kinderen
zijn zelfstandig en ontdekkend vaak bewegend bezig. Ze spelen spelletjes
en leren elkaar trucjes, vaak zonder directe sturing van een leerkracht. Dit
vraagt van ons als leerkracht een goed inzicht in de bewegingswereld van
kinderen. Welke bijdrage kan er geleverd worden aan deze beweegbehoefte
van kinderen op het schoolplein? Verderop in dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan
op de rol die het schoolplein hierin kan hebben en ook hoe je met
de inrichting van het plein hier sturing aan kan geven.
׉	 7cassandra://sx7JsHbvgVoTy7pZFS_QiovbKwzPGxF-gY1bDapfoHA `̵ W䰸$T3a׉E	BEWEGEN IN DE BREDE CONTExT
Ad 4 Buurtspeelplein
Als jouw school een buurtspeelplek, een trapveldje of bijvoorbeeld een voetbalkooi
in de naaste omgeving heeft, is dit natuurlijk een prima plek om de
beweegmogelijkheden van het speelplein uit te breiden tijdens pauzes of andere
momenten. Het is op deze manier mogelijk om kinderen meer te spreiden
in de gezamenlijke pauzes, een keer buiten te gymmen of deze plek te
betrekken bij een grotere sport- of spelactiviteit van de school. Meer faciliteiten
ter beschikking hebben zoals schommels, glijbanen, trapveldjes, klimtoestellen
betekent meer en gevarieerder bewegen.
Omgekeerd kan het schoolplein ook fungeren als buurtspeelplein. Handig is
wel om hier dan goede afspraken over te maken met buurtbewoners over
het gebruik en onderhoud.
433
1
Buitengym
2
3
4
5
6
Een scala aan mogelijkheden
Ad 5 Sportcomplex
Je zult als school vlak bij een plaatselijk sportcomplex staan met bijvoorbeeld
een atletiekbaan en (kunst)grasvelden van een voetbal- of hockeyvereniging.
Dit biedt mogelijkheden om in samenwerking met de gemeente of
de beherende sportorganisatie hier sport- en spelactiviteiten met de hele
school te organiseren. Nagenoeg iedere school heeft jaarlijks een sportdag
of doet mee aan de Koningsspelen. Vele sportverenigingen organiseren
sportclinics voor de basisschooljeugd. Hoe leuk is het om dat op een echt
sportterrein te organiseren?
Ad 6 Zwembad
In veel gemeenten wordt zwemonderwijs voor basisschoolkinderen georganiseerd.
Vaak is het afhankelijk van de populatie van de school of dit als een
‘natte gymles’ wordt ingezet of daadwerkelijk de mogelijkheid voor sommige
kinderen is om richting een diploma te gaan. Niet alle ouders zijn immers
bekend met of overtuigd van het belang van een zwemdiploma in ‘Nederland
waterland’.
Inclusief reistijd is een groep hier al gauw twee uur lestijd mee kwijt. De lessen
worden over het algemeen gegeven door gediplomeerde zwemleerkrachten
in dienst van het zwembad. De groepsleerkracht is (mede)verantwoordelijk
voor deze activiteit, beginnend met het vervoer naar het zwembad, het
omkleden en de overdracht aan de zweminstructeur. In het bad zelf is mede
toezicht op de diverse zwemgroepjes houden logisch, maar het kan zijn dat
gevraagd wordt te ondersteunen bij een zwemgroepje of een individueel
kind. Kinderen die heel angstig zijn of nog in de fase zitten van watervrij
maken hebben baat bij een bekend gezicht. De groepsleerkracht hoort op
11
Natte gymles
12
13
14
7
8
9
Sport­ en
speldagen
10
׉	 7cassandra://fgoSaiUg1mO1JkjBFqa9lvQclASyXrWqSU7yY_zl24c`̵ W䰸$T3aW䰸$T3aFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://GkLhFkDymaU5bqx9wlKvO9GVR42QtzsrkRUfOCB6UAw `
׉	 7cassandra://50xt6Xc15BFHE77BGCdMcqHbaChkBjCkcioi9fmmFbMd`T׉	 7cassandra://DkivqThN_eyYgfJWqv0xhUnmPcxfPtK5ox-5bKrIRbEu`̵ ׉	 7cassandra://7IRQLaMB3vH5YIagOorqCKJKiw4bb9KZYTF4u4T-2ik "͠W䰸$T3aט # #nu׉׉	 7cassandra://b17fs-B6MZddV7zXQRxZ9B4363kvnrnYpNbO9d7HBC0 ;`
׉	 7cassandra://uosrkc55CGaWSb2jdn-uM6M3hi_-FJHowIsGDeqNIW4m`T׉	 7cassandra://-oy9JO_vVRs2MYNUolZkUH5XPPKE4bqE1lpAY2X7yzc`̵ ׉	 7cassandra://GKE01H05pv-aZUdtG7xsi1FQAw3SAmcwr4dRVJhEsUY ͠W䰸$T3a׉E434
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
Het blotevoetenpad
Gratis en voor
niets
de hoogte te zijn van de vorderingen en het welzijn van de kinderen in het
bad. Ouders kunnen tussentijds vragen hebben en worden via de groepsleerkracht
geïnformeerd over de vorderingen van hun kind.
In Nederland is het zwemonderwijs al van jongs af aan mogelijk. Bij het babyzwemmen
en puppyzwemmen gaat het veelal om het watervrij maken en
het plezier samen met een ouder in het water te ervaren. Afhankelijk van
het zwembad is het vaak al mogelijk om vanaf vier jaar, met kleuters, te
gaan oefenen voor het Zwem-ABC.
Op warme zomerdagen is het voor de kleuters natuurlijk een feest als er op
school een ‘waterdag’ wordt georganiseerd. Spelen, chillen, spetteren en
samen badderen met emmers en opblaasbadjes. Het is even wat geregel,
maar ouders staan graag hun opblaasbadje af voor zo’n waterballet.
Ad 7 Park, bos, strand, water, natuurijs, skatepark
Welke beweegmogelijkheden zijn er in de omgeving van jouw school? Geeft
dit leuke ideeën om met de klas of school iets gezamenlijks te doen? Als je
school in de buurt van het bos, een park of strand ligt, is dit prima te integreren
in het spel- en beweegaanbod. Een heus kabouterbos of blote-voetenpad
is een hele ervaring voor jonge kinderen, bosspelen of bijvoorbeeld
slagbal in het park voor de oudere kinderen. Of wat te denken van slootjes
in de buurt die ’s winters dichtvriezen. Maak er gebruik van. Vaak kun je
via externe partijen schaatsen lenen of huren, stel dat kinderen ze zelf niet
hebben. Glijden of schaatsen tijdens de gymles, wie wil dat nou niet? Een
skatepark is ook vaak vrij toegankelijk. Veel kinderen hebben thuis een
skateboard of waveboard. En met kleine fietsjes is zo’n park ook een uitdaging.
Het
strand biedt naast de activiteiten in en op het water natuurlijk ook allerlei
mogelijkheden. Beach volleybal, frisbeeën, acrogym, beach football en
nog legio andere sporten en spellen zijn te bedenken voor de jongere en
oudere kinderen. Gratis en voor niets als het bij jou om de hoek ligt.
׉	 7cassandra://DkivqThN_eyYgfJWqv0xhUnmPcxfPtK5ox-5bKrIRbEu`̵ W䰸$T3a׉E
:BEWEGEN IN DE BREDE CONTExT
Ad 8 IJsbaan, skibaan, adventure park
Niet om even tussendoor onverwachts naar toe te gaan, maar daarom niet
minder de moeite waard is een bezoek aan de ijsbaan, skibaan of adventurepark.
Naast de vele sportverenigingen kent Nederland ook een legio aan
plaatsen waar op commerciële basis aan life­time bewegen gedaan wordt.
Ski- en snowboardhallen, de schaatsbaan, een klimhal of touwenparcours in
een naburig adventure park. De kinderen leren op deze manier hun omgeving
met zijn beweegaanbod beter kennen en breiden de geleerde vaardigheden
in de gymzaal uit. Samen bewegend de omgeving verkennen versterkt
de onderlinge band en biedt de kinderen de mogelijkheid om beweegkeuzes
te maken in hun omgeving. Een mooie bijdrage en aanzet tot een gezonde
leefstijl op korte of langere termijn.
435
Commerciële
basis
1
Beweegaanbod
omgeving
2
3
4
5
6
Ervaringen voor het leven
10.1.2
7
Tot en met groep 8
De brede context in dit boek is zo breed als groep 1 tot en met groep 8 samen.
De overgang van kleuter naar basisschoolkind is kenmerkend vanuit
psychomotorisch perspectief. Het kind maakt een forse ontwikkeling door
op het motorische, cognitieve en sociaal-emotionele vlak. De kleuterperiode
is een belangrijke periode om fundamentele vaardigheden eigen te maken.
Als er gekeken wordt naar de andere leeftijdscategorieën binnen de basisschool
is een duidelijk onderscheid te maken in de verdere psychomotorische
ontwikkeling van het kind. Uiteraard is dit niet voor alle kinderen exact
hetzelfde, maar een gemene deler is, zowel in theorie als in de praktijk,
zeker te ontdekken.
Psychomotorische ontwikkeling in theorie
Op Wikipedia is te lezen: ‘Psychomotoriek is de bewuste, vanuit de hersenen
gestuurde beweging. Uit het Grieks psyche (geest) en motoriek betekent
het vrij vertaald: het samengaan van ‘geest’ en ‘bewegen’.
Een kind ontwikkelt vanaf de geboorte bewegingen en gebaren. Zijn manier
van bewegen, waarnemen, begrijpen, communiceren en spelen verandert in
de loop van de basisschoolleeftijd. Al deze ontwikkelingen staan in verbinding
met elkaar: je kunt de psychologische en de motorische ontwikkelingen
dan ook niet loskoppelen van elkaar. Dat is ook de reden waarom gesproken
wordt over ‘psychomotoriek’, twee termen die onlosmakelijk met elkaar
verbonden zijn. Tijdens de basisschoolperiode ontwikkelen kinderen zich in
rap tempo. Er zijn grote verschillen te zien tussen de kleuters, kinderen uit
de middenbouw en het bovenbouwkind. De ontwikkeling bij kinderen verloopt
niet stapsgewijs, maar gaat vaak met sprongen.
8
9
Gemene deler
10
11
12
13
14
׉	 7cassandra://-oy9JO_vVRs2MYNUolZkUH5XPPKE4bqE1lpAY2X7yzc`̵ W䰸$T3aW䰸$T3aFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://KUxvDtkvVjM5YUaXAhp-QqstnPyIhs3Xu_CaTr6kKJ8 X'` 
׉	 7cassandra://xe1XaZ2JC43PqdobPTCmgOmjdJivyXk-QFAUrSwJYRò` T׉	 7cassandra://Uw4EWBKshCmlSkswXpgKrq1w0l5PsKatlgfxNN9uL3s~`̵ ׉	 7cassandra://T9kQbeAWf4nGF7oY1KVwSDYScIc8r3oCnB2Ce8PLG5Y>(͠W䰸$T3aט # #nu׉׉	 7cassandra://jZDADq497RZCQdssSZs5nHTaDZ2Q6Go91OMpeMZDT9g k` 
׉	 7cassandra://FrNCvtgdgP6vSk_ZKtiPu40l--98Uta8ODM0TaLA6ycͅ` T׉	 7cassandra://IGbMvKuq_SFdcPltbGC1IFWWyLt9JzmSISPjz1B0KyI`̵ ׉	 7cassandra://OXdH2QcisvMrWLLCkKDksW6pfKNRvgxfG9SIr4PpqGs;͠W䰸$T3a׉E=436
Ontwikkelingstaken
1
2
3
4
5
6
7
Scharnierleeftijd
8
9
10
11
12
13
14
Vier-
tot zesjarigen leren tijdens de kleuterperiode lichamelijke sensaties onder
woorden brengen en emoties herkennen en erkennen. Het ontwikkelen
van lichaamsbesef en ruimtelijke oriëntatie zijn twee belangrijke ontwikkelingstaken
voor kleuters. Verder worden ze zich bewust van sociale verhoudingen,
ontwikkelen een eigen sociale identiteit en hebben een groeiende
interactie met groepsgenoten.
Net als de kleuters hebben ook de overige groepen op de basisschool ontwikkelingstaken
te vervullen die passen bij hun leeftijdsgroep. Binnen de te
onderscheiden domeinen wordt uitgegaan van een gemiddelde ontwikkeling,
maar uiteraard zijn hier individuele verschillen te ontdekken. Geen kind is
immers hetzelfde (Hammink, 2003).
Groep 3 en 4
Naarmate een basisschoolkind ouder wordt, vergroot ook zijn wereld. Naast
het ouderlijke huis en vriendjes op school, gaan kinderen in de leeftijd van
6, 7 jaar op een sportclub of krijgen ze een andere hobby. Kinderen op deze
leeftijd gaan hun lebensraum vergroten. Ze mogen een keer een boodschap
halen in de winkel. Ze gaan op zwemles, leren fietsen en willen steeds meer
van hun eigen omgeving ontdekken. Ze leren nieuwe plekken kennen en ontmoeten
nieuwe mensen. Het denken en het voelen van het kind verandert.
Het besef van wie ze zijn is niet alleen meer gebaseerd op hun fysieke voorkomen,
maar ook op wat ze denken en voelen. Het kind is geïnteresseerd in
de effecten van zijn eigen handelen op objecten en gebeurtenissen in de
wereld om hem heen. Het besef van oorzaak en gevolg groeit.
Naast de letterlijke wereld die steeds verder verkend wordt, wordt de wereld
ook groter doordat kinderen op deze leeftijd leren lezen en schrijven. Taal
wordt meer dan praten en luisteren. De cognitieve vakken nemen toe. De
leeftijd van 7 jaar wordt dan ook beschouwd als een scharnierleeftijd
(Delfos, 2007). Het leven van het kind voor en na deze leeftijd is fundamenteel
verschillend. Zodra een kind kan lezen en schrijven, komt hij in de wereld
van de volwassenen terecht. Het denken van een kind verandert behoorlijk:
hij kan nu abstract denken waardoor hij anders naar het leven en
de wereld gaat kijken.
Fantasie en dromen worden van de werkelijkheid onderscheiden. Het kind
gaat zich realiseren dat dood zijn ook echt definitief is en niet een tijdelijke
afwezigheid van iemand. Hij leert keuzes maken en eigen beslissingen nemen.
Welke kleren doe ik vandaag aan? Ga ik op voetbal omdat mijn vriendjes
erop zitten of toch liever basketballen omdat ik het zo leuk vind. Het lukt
al beter om met uitstel en frustratie om te gaan. Het kind kan steeds beter
impulsen controleren en zijn persoonlijkheid wordt stabieler.
Zes-, zevenjarigen leren omgaan met anderen. Ze spreken af met vriendjes,
leren delen en leren ruzies op te lossen. Ook kunnen ze zich steeds beter
inleven in de gevoelens van anderen. De vriendschappen ontstaan met
name door gezamenlijke interesses. Deze vriendschappen zijn nog redelijk
flexibel en de groepjes die in de klas ontstaan zijn nog gemakkelijk te beïnvloeden
door de leerkracht.
Om overdag optimaal te kunnen functioneren hebben kinderen uit groep 3
en 4 ongeveer 12 uur slaap nodig per dag. In deze periode wordt ook definitief
duidelijk wat de voorkeurskant is van het kind. Wat overigens niet wil
zeggen dat de kant van de voorkeurshand ook automatisch de kant van het
voorkeursbeen is. Armen en benen worden langer en het gezicht raakt het
babyvet kwijt. Het gezicht krijgt andere trekken. Melktanden gaan uitvallen
en worden vervangen door ‘grote mensen’-tanden. Het lichaamsschema
׉	 7cassandra://Uw4EWBKshCmlSkswXpgKrq1w0l5PsKatlgfxNN9uL3s~`̵ W䰸$T3a׉EBEWEGEN IN DE BREDE CONTExT
wordt ook realistischer. Poppetjes die getekend worden krijgen schouders
en een hals.
Rond deze leeftijd leren de meeste kinderen fietsen en gaan ze op zwemles.
Twee vaardigheden die nogal wat coördinatie vereisen. Ook twee vaardigheden
waarbinnen grote verschillen te zien zijn. Sommige kinderen fietsen zo
weg, waar anderen lange tijd met zijwieltjes aan het tobben zijn. Niet iedere
zesjarige is motorisch gezien al toe aan zwemles. Met name de schoolslag
vraagt coördinatief veel van een kind. Soms is het aan te raden om even
een half jaar te stoppen en het dan weer op te pakken. Kinderen in groep 3,
4 ontwikkelen het imitatiespel en het symbolische spel. Binnen sport- en
spelactiviteiten worden spelregels als zeer belangrijk ervaren. Dit is hoe
we het spelen en niet anders. ‘Juf, hij staat niet in de hoepel als hij gooit.’
‘Meester, hij heeft pas twee keer gescoord maar hij heeft al drie lintjes
gepakt.
Groep 5 en 6
In groep 5 en 6, rond de leeftijd van 8-9 jaar, krijgen kinderen steeds meer
vrijheid en daarmee ook meer verantwoordelijkheden. De wereld wordt
steeds groter en ouders komen wat meer aan de zijlijn te staan. Kinderen
mogen bij vrienden blijven eten, zelfstandig naar school gaan en daarmee
zelfstandig deelnemen aan het verkeer. Naast het verder ontwikkelen van de
eigen ik, gaan kinderen van acht, negen jaar zich ook druk maken over problemen
in de wereld. Ze gaan zich bezighouden met vraagstukken als het
klimaat, kinderen in ontwikkelingslanden en dierenleed.
Vanaf groep 5 hoor je als leerling bij de bovenbouw. Er komen meer vakken
bij en de inhoud wordt steeds ingewikkelder. Op deze leeftijd kunnen kinderen
samengestelde opdrachten uitvoeren en is het van belang ze taakjes en
verantwoordelijkheden te geven die bij hun leeftijd passen.
Op deze leeftijd gaan ze zich steeds meer bezighouden met wie ze zijn. Ze
worden steeds minder afhankelijk van hun ouders en leerkrachten. De leerlingen
worden ouder en eisen meer avontuur en onafhankelijkheid. Toch vragen
ze aan de andere kant ook nog de veiligheid en geborgenheid om
steeds bij terug te keren. Als het gaat om zelfredzaamheid, dan zijn ze ook
wel weer heel jong.
Acht-, negenjarigen gaan op zoek naar hun sociale identiteit: hoe zien anderen
mij? Bij welk groepje hoor ik? Vriendschappen worden steeds belangrijker.
Er ontstaan hechte vriendschappen waarin loyaliteit een belangrijke rol
speelt. Er wordt belang gehecht aan de waardering van klasgenoten en
groepsprocessen gaan een grotere rol spelen. Er is sprake van groepsregels
en codes waar je je als kind aan moet houden, anders lig je eruit. Met de
toenemende groepsdruk ligt ook pestgedrag op de loer. Om bij de groep te
blijven horen, kan het kind ervoor kiezen zijn eigen principes aan de kant te
schuiven. Vaak vinden kinderen van deze leeftijd het andere geslacht maar
stom. Een meisje heeft meestal een paar goede vriendinnen, met wie ze
emoties en geheimen deelt. Een jongen heeft vaak een groepje vrienden om
zich heen met wie hij zich op lichamelijk gebied meet.
In deze leeftijdsfase groeit een kind snel. Als een kind zo’n groeispurt doormaakt,
kan het af en toe klagen over groeipijn. 10 tot 12 uur slaap is per
nacht nodig om overdag optimaal te kunnen functioneren en presteren. Het
uithoudingsvermogen is sterk vergroot. De stabiliteit, spiersterkte en coördinatie
is inmiddels goed genoeg ontwikkeld dat er echt gesport kan worden.
1
2
3
4
5
Zelfstandiger
6
7
8
9
Sociale identiteit
10
11
Toenemende
groepsdruk
12
13
14
437
׉	 7cassandra://IGbMvKuq_SFdcPltbGC1IFWWyLt9JzmSISPjz1B0KyI`̵ W䰸$T3aW䰸$T3aFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://d8jthurcupZEAgQIzHDEyNgo4QwhfOl1lId_Szs2M68 W` 
׉	 7cassandra://12v0DUcUW3urIMAy9_FmDhyXrIW8zf6302oLTb-8Ihś` T׉	 7cassandra://9RX-WTrSymbfSZcdMnOUKMYNzpPOmjZcFzyyatFrxZ4`̵ ׉	 7cassandra://KTEpACxNLyjpQju_MBvd3ETpwUC5QkCfpeIOtv8qWN8D͠W䰸$T3aט # #nu׉׉	 7cassandra://Z3UhVEsDzAaThpNsqqaNYcz-NSRiBTsZEST2TGMl0e8 ` 
׉	 7cassandra://fRajliNAdT9iPHBCt0Lf8BzrWmmznSc89PesMYkKaWQx` T׉	 7cassandra://ix94ZdUrBgLDimlLyrnFxDokL_90RcErrBIGeubpl0s`̵ ׉	 7cassandra://H66U_PdTxZyjdgu0RclDAgDcb0ErP_ceoK5S9ClS-C4B͠W䰸$T3a׉E&438
1
2
3
4
Eigen keuzes
maken
5
Pre­puber
Eigen weg
6
7
8
9
10
11
12
13
14
Het zijn handige bewegers die snel nieuwe vaardigheden oppikken. Basisvaardigheden
als bijvoorbeeld rollen, mikken, balanceren en sprinten worden
beheerst en bewegingen kunnen gecombineerd en complexer gemaakt worden.
Een bovenhandse strekworp met de voorkeurshand mag je op deze
leeftijd verwachten van het kind. Dit is ook de leeftijd waarop kinderen spelinzicht
krijgen en spelregels gaan leren begrijpen. Een kind van deze leeftijd
is klaar om een teamsport te gaan doen. Ze snappen wat het inhoudt om
onderdeel te zijn van een team en wat dat van jou als sporter vraagt, namelijk
teamgeest. Binnen wedstrijden of een competitie zijn ze nog wel bezig
met het zichzelf neerzetten en bewijzen ten opzichte van de ander. Vaak
kunnen ze nog slecht tegen hun verlies en respectvol winnen is ook nog lastig.
Spelregels worden nageleefd. Niet zozeer omdat ze er anders straf voor
krijgen, maar gewoon omdat het zo hoort.
Groep 7 en 8
Met 11, 12 jaar gaat een kind zich voorbereiden op een nieuwe fase in zijn
leven. Straks gaat hij de basisschool achter zich laten en richting het voortgezet
onderwijs. Hij denkt na over zijn toekomst en moet keuzes gaan maken
die van invloed zijn op zijn leven. Aan de ene kant worden deze pre-pubers
een stuk mondiger, aan de andere kant kunnen het ook nog echt
kinderen zijn. Ze willen hun eigen weg gaan en eigen keuzes maken, maar
hebben ook zeker nog hulp en aanmoediging nodig. Ze zijn steeds meer in
staat tot zelfreflectie en gaan ook meer hun eigen verantwoordelijkheid
aanvaarden bij keuzes die ze maken. Hun gedrag is aan het veranderen. Ze
worden brutaler en zijn bezig met het aftasten van grenzen, zowel thuis als
op school. Elfjarigen brengen overdag nog maar zo’n 35 procent van de tijd
door binnen het eigen gezin. De virtuele wereld gaat ook een steeds grotere
rol spelen. Social media neemt een belangrijke plek in. Likes worden
gezien als waardering. Facebook friends als echte vrienden. Contacten worden
gelegd via het internet, wat niet wil zeggen dat je ook altijd weet met
wie je te maken hebt. Door twitter leren mensen je beter kennen en foto’s
worden te pas en te onpas gepost. Een boeiende, maar vaak ook ongrijpbare
wereld.
Op cognitief gebied leert een leerling van deze leeftijd steeds abstracter
denken. Ze kunnen zich een voorstelling maken van wat er in een bepaalde
situatie zou kunnen gebeuren. Ze hoeven niet meer alles lijfelijk mee te maken.
Meiden kunnen zich op deze leeftijd over het algemeen al beter concentreren
en hebben ook meer plezier in werkjes. Leerprestaties zijn van belang
voor de ontwikkeling van de persoonlijkheid van het kind. De fysieke
verschijning is op deze leeftijd ook belangrijk voor het zelfbeeld. Wat zie ik
als ik in de spiegel kijk? Hoe anderen mij zien, kan veel invloed hebben op
het zelfvertrouwen. In groep 7, 8 gaan sommigen leerlingen al puberen. Ze
kunnen wat dwarser, negatiever, labieler of lustelozer worden. Doordat ze
zich wat meer naar binnen gaan keren, wordt het voor anderen wat lastiger
om ze te bereiken.
Rond 11 jaar heeft een leerling al aardig wat zelfkennis en empathisch vermogen.
Bij een groepje horen is belangrijk. Het helpt bij het ontwikkelen van
een sociale identiteit. Er ontstaan vaste groepjes die veel minder flexibel
zijn dan in de lagere groepen. Hechte vriendschappen ontstaan en zijn met
name seksegebonden. Gezien worden met iemand van het andere geslacht
betekent dat je kan rekenen op opmerkingen over verkering en verliefd zijn.
Er wordt energie gestoken in het ontwikkelen en onderhouden van vriend׉	 7cassandra://9RX-WTrSymbfSZcdMnOUKMYNzpPOmjZcFzyyatFrxZ4`̵ W䰸$T3a׉ECBEWEGEN IN DE BREDE CONTExT
schappen. Bij meisjes is die vriendschap meer gericht op de relatie en de
zorg voor de ander. Jongens zoeken meer aansluiting door fysieke krachten
te meten. Ze zoeken aansluiting bij alle andere jongens vanuit competitie en
rechtvaardigheid.
Op deze leeftijd heeft een kind nog zo’n acht tot tien uur slaap nodig per
nacht. De hormoonhuishouding gaat flink veranderen. Grote verschillen tussen
leeftijdsgenoten ontstaan. In lengte kunnen twee klasgenoten wel meer
dan een kop schelen. Seksualiteit en lichamelijke veranderingen gaan een
rol spelen. Meiden krijgen meer belangstelling voor jongens. Jongens krijgen
meer belangstelling voor seksualiteit. Jongens die zich al vroeg lichamelijk
ontwikkelen zijn hier over het algemeen blij mee en stijgen in aanzien
in de groep, wat weer leidt tot een positiever zelfbeeld. Bij meiden werkt dit
vaak precies andersom. In groep 7 of 8 de lengte inschieten, borsten krijgen
of al gaan menstrueren, draagt over het algemeen niet bij aan meer
zelfvertrouwen.
Rond het elfde jaar beheerst een leerling zijn motoriek nagenoeg volledig.
Hij krijgt steeds meer verschillende sporten onder de knie. De coördinatie
van zijn motoriek en de toenemende spierkracht spelen hierbij ook een rol.
De fijne motoriek is inmiddels ook zo goed als volledig ontwikkeld. Wel kunnen
de kinderen die in een flinke groeispurt zitten, weer wat meer moeite
hebben met die coördinatie. Het lijf lijkt niet meer mee te werken en kan
wat slungelig en ongecontroleerd ogen. De kracht is soms te weinig voor het
toenemende gewicht, waardoor hard rennen of klimmen opeens voor problemen
kan zorgen. Tijdens spelletjes worden opgelegde regels veel minder als
zwart-wit ervaren. Er ontstaat ruimte voor discussie en daarmee dus een
grijs gebied. Kinderen van deze leeftijd zijn in staat regels te relateren aan
de situatie en omstandigheden.
Pychomotorische ontwikkeling in de praktijk
De psychomotorische ontwikkeling van kinderen wordt omgezet in veranderend
motorisch beweeggedrag. Beweeggedrag met haar eigen karakteristieken
en kenmerken dat zichtbaar wordt in de verschillende leeftijdsgroepen
en de manieren waarop kinderen activiteiten met elkaar spelen en
beleven.
Wat merk jij als leerkracht in de klas, op het speelplein of tijdens de gymles
van deze ontwikkelingen?
Groep 3 en 4
Leerlingen uit groep 3 en 4 zijn in de gymzaal net kinderen in een snoepwinkel.
Ze kijken hun ogen uit en vinden alles leuk wat je aanbiedt. Het samen
spelen met de andere jongens en meisjes in een ruimte, als toevalligheid,
verandert zichtbaar in echt samen met elkaar spelen. Ze zijn gretig in
het leren van nieuwe vaardigheden en vinden het ook fijn om basisvaardigheden
langer te kunnen oefenen. De behoefte aan competentie groeit en
ze willen dit heel graag laten zien. ‘Kijk eens wat ik kan!’, ‘Juf, kijk naar
mij!’ Competitie met andere kinderen in de klas wordt ook belangrijker.
‘Zullen we een wedstrijdje doen?’ Het vergelijken met de ander gaat een
rol spelen. ‘Kan ik ook hoor!’ ‘Kan ik allang!’ ‘Makkie man!’ Kleine wedstrijdjes
kunnen al gespeeld worden zoals (bal)spelvormen met meer regels.
Doordat de leerlingen al iets langer kunnen stilzitten en luisteren,
kan een uitleg iets uitgebreider, waardoor er wat meer accenten gelegd
kunnen worden.
In de gymzaal
1
Seksualiteit
2
3
4
5
Groeispurt
6
7
8
9
10
11
12
13
14
439
׉	 7cassandra://ix94ZdUrBgLDimlLyrnFxDokL_90RcErrBIGeubpl0s`̵ W䰸$T3aW䰸$T3aFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://hxMgov4JbZS2TCXGfFCF7Gy8ufd2bp6_vTXEikqz0AA `
׉	 7cassandra://eA73O-YoTtOzU8klZ-OLMZlLdxMuoahtUWinRPfLR3Ic`T׉	 7cassandra://j0vOHpe0aoBIa5PKy_c3adpZDhrCRI8cNWpxKao5rhU=`̵ ׉	 7cassandra://KbCaOGGFWCYuLAB-4lD9EaDF4Qg5_KMdL-jJCbg-01c m͠W䰸$T3aט # #nu׉׉	 7cassandra://Tg8sP5wfyboP3fyql5Wns48rvuaeAmIOS2kQ9mUeKiY 8`
׉	 7cassandra://UI3UtdbBmIMMSpRVeSP3rP5BnGVWhM8ep0cNNldNDOA_/`T׉	 7cassandra://CkGKw5u1B6xSYoow3hxj2FzEyrzvuWvbTOKa71BvpBcG`̵ ׉	 7cassandra://BuIMNArUHZbsU3Hxa5G96HH1DdLczpeN15OvyswwLi8 ͠W䰸$T3a׉E440
In de klas
1
2
3
4
5
6
7
8
Kan ik ook, hoor
9
Op het
speelplein
10
11
12
13
14
De overgang van spelend leren bij de kleuters naar veel zitten achter een
tafeltje is voor kinderen best een grote stap. Op het speelplein zie je duidelijk
de behoefte aan beweging terug. Letterlijk even helemaal los gaan is
een must. Binnen die vrije situatie bieden de vaste regels de veiligheid en
structuur die ze nodig hebben. Het geeft houvast waarmee ze anderen op
gedrag kunnen aanspreken, voor ze naar de pleinwacht stappen. En het
biedt ook de duidelijkheid in oorzaak en gevolg. Als je dit doet, dan gebeurt
er dat. Logisch en rechtvaardig.
Als leerkracht help je de kinderen in deze fase door:
• regelmatig tegemoet te komen aan hun bewegingsdrang
• de groep duidelijke regels en afspraken te geven en deze ook samen met
hen na te leven
• het kind te complimenteren bij pogingen tot oplossen van ruzies of problemen.
Leg uit welk gedrag niet wenselijk is, bied alternatieven en geef
zelf het goede voorbeeld
• de kinderen veel ruimte te geven voor herhaling van basisvaardigheden in
de gymzaal
• de kinderen keuzes te leren maken en zelf beslissingen te laten nemen
• het bespreekbaar maken van oorzaak en gevolg van hun eigen handelen
In de klas zie je een groot verschil met de kleuterperiode. Ieder kind heeft
een eigen tafeltje en de setting is veel ‘schoolser’ dan het jaar ervoor. De
grove en fijne motoriek hebben zich rond deze leeftijd zodanig ontwikkeld
dat je kunt spreken van voldoende motorische schrijfvoorwaarden. Hoewel
dit voor een aantal kinderen, veelal jongens, nog te vroeg komt. Ook is voor
de meeste kinderen de juiste schrijfhouding aan te reiken. De leerlingen laten
zien steeds beter tegen uitgestelde aandacht te kunnen. De juf kan immers
niet alle kinderen tegelijk helpen. Soms is er individuele aandacht nodig
of wordt er gewerkt in niveaugroepjes. Als het stoplicht op rood staat,
moet je het echt even zelf oplossen. Dat is de afspraak.
׉	 7cassandra://j0vOHpe0aoBIa5PKy_c3adpZDhrCRI8cNWpxKao5rhU=`̵ W䰸$T3a׉E8BEWEGEN IN DE BREDE CONTExT
Groep 5 en 6
In de gymzaal zie je duidelijk dat in deze fase de leerlingen bewegingsvaardiger
worden. De conditie en de motorische mogelijkheden nemen toe. Hierdoor
kun je meer vragen van de kinderen, met als resultaat dat de leerlingen
meer complexe en samengestelde vaardigheden aankunnen. Ze zijn
gretig, heel enthousiast en vinden vrijwel alles leuk dat je in de gymzaal
aanbiedt. De intrinsieke motivatie om te bewegen maakt ze heel ontvankelijk
voor het aanleren van nieuwe vaardigheden. De motoriek wordt steeds
verfijnder. Ook zie je dat het spelinzicht zich ontwikkelt en vergroot, waardoor
echte sportspelen mogelijk worden. Een wedstrijdje tennis, een tegen
een, is pas leuk als je allebei voldoende vaardigheid hebt om er een gelijkwaardig
spel van te maken. Met wedstrijden komen er ook winnaars en verliezers.
Zelf verliezen is lastig te verkroppen, maar verliezen met een team
zo mogelijk nog lastiger. De verleiding om anderen de schuld te geven is
erg groot.
Leerlingen hebben in deze fase behoefte aan meer ruimte van de leerkracht
en willen graag meer eigen verantwoordelijkheden in de klas. Wat
niet wil zeggen dat ze die verantwoordelijkheden ook altijd even goed aankunnen.
De volwassene blijft nodig om op terug te vallen en van te leren.
Doordat vriendschappen hechter worden en kinderen loyaler naar elkaar
worden, kunnen en zullen ze niet altijd de waarheid spreken over iets wat is
gebeurd. Je vriend verklikken is een lastige. Dan nog liever zelf de straf krijgen,
of samen.
Ook de groepsdruk speelt een grote rol. Door je ogen goed de kost te geven
op het schoolplein zie je als pleinwacht veel van de groepsdynamiek uitvergroot.
441
In
de gymzaal
1
2
3
4
In de klas
5
6
Op het
schoolplein
7
8
9
10
11
12
Subgroepjes zijn herkenbaar
Leerkrachten die zeggen dat er in hun klas niet gepest wordt, zien over het
algemeen veel signalen over het hoofd. In een vrije situatie, zoals op het
speelplein, wordt heel duidelijk hoe de verhoudingen in de groep liggen. Hoe
de rollen in de groep verdeeld zijn, welke subgroepjes er zijn en wie er ‘uit
13
14
׉	 7cassandra://CkGKw5u1B6xSYoow3hxj2FzEyrzvuWvbTOKa71BvpBcG`̵ W䰸$T3aW䰸$T3aFnבCט   #nu׉׉	 7cassandra://m7ogPIYYOqVPsUo5z_x-UtGU8NyKG66FiQDRAOdR0d4 'Y` 
׉	 7cassandra://B8X_RlnbmJslwSyKpoXzT9x-ct0zHT0BCxywDdE_ies^`T׉	 7cassandra://xLNiZzmkh9HYNTLX-eubXwLOEHNbG6B4fM2RiG-VV4cS`̵ ׉	 7cassandra://s1Tn7HawwLLmWMzP9fGk8hFaNqOBKBn61vS_2Vmydx0N͠W䰸$T3b׉E
i504
Over de auteurs
Mariska Beenhakker (CIOS Goes ‘95 en ALO Tilburg ‘97) werkt sinds jaar
en dag in en voor het bewegingsonderwijs op basisscholen. In het verleden
werkte zij voor Jeugd in Beweging en later zowel voor Lekker Fit! Rotterdam
als vanuit haar eigen bedrijf, Thema, spelen met gedrag. Mariska geeft al
jaren wekelijks ‘bewegingsonderwijs met kleuters’. De kennis en kunde die
zij daar heeft opgedaan deelt ze de laatste jaren door cursussen en trainingen
met studenten, leerkrachten en vakcollega’s.
Ger Gorissen (pabo Heerlen, ALO Sittard / Tilburg, MRT Haarlem) werkte als
vakleerkracht Bewegingsonderwijs en MRT-er op een basisschool en was docent
LO voortgezet onderwijs.
Hij is nu docent Bewegingsonderwijs op De Nieuwste Pabo te Sittard en bij
Fontys SportHogeschool bij de leergang Vakbekwaamheid bewegingsonderwijs
via pabo (= post-hbo) Eindhoven.
Theo de Groot studeerde aan de Academie voor Lichamelijke Opvoeding in
Arnhem en daarnaast psychologie. Naast bewegingsonderwijs aan het jonge
kind verzorgt hij diverse deskundigheidsbevorderingstrajecten op het grensvlak
tussen bewegen en psychologie. Vanuit zijn eigen bedrijf Thema, spelen
met gedrag is hij als externe opleidings- en masterdocent verbonden aan
verschillende (post-)initiële- en masteropleidingen.
Renske Pals (ALO Tilburg 2004, MRT te Tilburg 2006, pabo Breda 2008, Orthopedagogiek
Universiteit Utrecht 2012) heeft lessen bewegingsonderwijs
verzorgd op regulier en speciaal basisonderwijs. Op dit moment is zij werkzaam
op de pabo Avans Hogeschool als docent bewegingsonderwijs en pedagogiek.
Door de verschillende ervaringen en achtergronden heeft zij een brede
kijk ontwikkeld op het geven van lessen bewegingsonderwijs met kleuters.
Rolf Touwen (ALO Tilburg in deeltijd, daarvoor pabo en Onderwijskunde
aan de Universiteit van Twente). Vier jaar als groepsleerkracht gewerkt op
een basisschool. Werkt sinds 1999 op de Fontys Hogeschool Kind en
Educatie, Pabo Tilburg en aan de paboTilburg als docent bewegingsonderwijs
en onderwijskunde. Rolf heeft al die jaren de kleutermodules en brede
contextmodules verzorgd en de minor bewegingsonderwijs, bestaande uit
blok 1 van de post-hbo-opleiding: Leergang vakbekwaamheid bewegingsonderwijs
via pabo.
Marco van Soest studeerde aan de Haagse Academie voor Lichamelijke
Opvoeding. Naast het geven van bewegingsonderwijs aan het jonge kind op
diverse scholen in het primair onderwijs verzorgde hij negen jaar lang lessen
MRT aan kinderen van 4 tot 9 jaar. Op dit moment is hij werkzaam op de
Hogeschool Utrecht als docent bewegingsonderwijs. Marco is een van de
opstellers van de eerste kennisbasis bewegingsonderwijs.
׉	 7cassandra://xLNiZzmkh9HYNTLX-eubXwLOEHNbG6B4fM2RiG-VV4cS`̵ W䰸$T3b׈EW䰸$T3bW䰸$T3bFn)ׁ2ׁ>-7> ׁ3Qa -   $Beter bewegen en spelen met kleuters>Werken met kleuters is een vak apart en bewegingsonderwijs is een apart vak. Die twee gecombineerd verdienen een eigen boek. Een bundeling van veel bestaande theorie over kleuters, over het hoe en waarom van bewe- gingsonderwijs en vooral over het vakkundig bewegen met kleuters.
De oorspronkelijke vraag voor dit boek komt bij de pabo’s vandaan, waar iedere student die afstudeert bevoegd is om gym te geven aan kleuters. Eindelijk een boek met de kennisbasis als uitgangspunt en aangevuld met basiskennis in een boek samengevoegd: Beter spelen en bewegen met kleu­ters.W3Tւ