׉?ׁB!בCט  {u׉׉	 7cassandra://MVUCWjjNs_SccKwGiSdrObJipKf38OsV4IOemnxDbIw ;`׉	 7cassandra://GmkwT2g3_-SVPT_spn7EkzKoTqIE2sSmQ6Ji_Ae1N7Q}#`S׉	 7cassandra://RCGhqu2iXU-GwEt7Om0kM4BbKuWM_BSIqSAle-iQxqM&S`̵ fP:meט   {u׈   }\  נfP:me )̂9ׁH )mailto:laurens.vermeulen@kienhuislegal.nlׁׁЈ׈EfP:me׉EColumn geschreven door:
Laurens Vermeulen,
advocaat bouw- en aanbestedingsrecht
laurens.vermeulen@kienhuislegal.nl
088 - 480 40 61
Het komt geregeld voor dat aannemers in combinatie inschrijven op een opdracht voor het
uitvoeren van een werk. De vraag is in hoeverre het een aannemer, die onderdeel uitmaakt van
de combinatie, vrij staat om zelfstandig met de opdrachtgever in onderhandeling te treden over
het uitvoeren van (onderdelen van) de opdracht op moment dat de combinatie de opdracht
niet gegund krijgt. De Raad van Arbitrage in bouwgeschillen heeft in een onlangs gepubliceerde
uitspraak (nr. 37.733) deze vraag beantwoord.
Mag een combinant onderhandelen met
de opdrachtgever nadat de combinatie
de opdracht niet gegund heeft gekregen?
Feiten
Drie partijen (A, C en F) hebben een
overeenkomst gesloten om in combinatie
in te schrijven op een request for proposal
van een hoofdaannemer voor het uitvoeren
van een werk. In de overeenkomst is
bepaald dat wanneer de combinatie het
werk gegund krijgt, partijen het werk
in samenwerking zullen uitvoeren en
een vennootschap onder firma zullen
oprichten. In de overeenkomst is ook
bepaald dat de overeenkomst eindigt op
moment dat de opdracht aan een derde
partij wordt gegund. Naast de combinatie
schrijft ook een andere combinatie,
combinatie G, in op de opdracht. Na
inschrijving is de hoofdaannemer eerst
met combinatie G in onderhandeling
getreden. Tijdens deze onderhandelingen
is combinant C zonder medeweten van
de andere combinanten zelfstandig
in onderhandeling getreden met de
hoofdaannemer over de inschrijving
die partijen als combinatie hebben
uitgebracht, teneinde het werk alsnog
buiten de combinatie om gegund te
krijgen. Combinant A krijgt daar lucht
van en start een spoedgeschil (kort
geding) bij de Raad van Arbitrage in
bouwgeschillen.
Combinant A vordert kort gezegd
combinant C te verbieden een
overeenkomst met de hoofdaannemer
te sluiten op basis van (onderdelen
van) de inschrijving die de combinatie
Bouwen in het Oosten
15
15
heeft ingediend. Combinant C stelt
zich onder andere op het standpunt
dat de overeenkomst tussen partijen is
‘uitgewerkt’ omdat de hoofdaannemer
de opdracht inmiddels definitief gegund
zou hebben aan combinatie G.
Uitspraak RvA
Dat de hoofdaannemer de opdracht
definitief gegund heeft aan combinatie
G is volgens arbiters niet gebleken.
Door combinant A wordt dit namelijk
betwist. Wel oordelen arbiters dat de
rechtsverhouding tussen combinanten
A en C niet alleen geregeerd wordt door
de overeenkomst, maar ook door de
eisen van redelijkheid en billijkheid.
Deze “dwingende fatsoensnorm” brengt
volgens arbiters met zich mee dat
contractspartijen de gerechtvaardigde
belangen van hun contractuele wederpartijen
in het oog moeten blijven houden
en zich om die reden soms zullen moeten
onthouden van bepaald gedrag, ook als dit
gedrag niet met zoveel woorden door de
overeenkomst zou worden verboden.
Conclusie
Het staat een combinant niet zonder meer
vrij om na het doen van een inschrijving
zelfstandig in onderhandeling te treden
met de opdrachtgever over (onderdelen
van) de inschrijving van de combinatie op
moment dat de combinatie de opdracht
niet gegund krijgt. Ook in dat geval dient
de combinant rekening te houden met de
gerechtvaardigde belangen van de andere
combinanten.
׉	 7cassandra://RCGhqu2iXU-GwEt7Om0kM4BbKuWM_BSIqSAle-iQxqM&S`̵ fP:mefP:me{) !BIHO 2024 4 KIENHUIS LEGAL COLUMNfP:}\