׉?4ׁB!בCט  {u׉׉	 7cassandra://3hUQu_MQ5f0W-uTxFLw1060kiyd2Fbqcf4aluipUKZw 3` ׉	 7cassandra://g08vJFU8OofclUyfO5kwBpq3WFUmlIwxEXYVFFGX4bI͂S`S׉	 7cassandra://E3bM-TrUBtHffrYqZzX19mB4v2tvgAMa_9jIhgDd4Jg `̵ ׉	 7cassandra://UPQiBqXnpfKBObyuRmVDb1gBNuzEHLzHugnayz9toTU@C͠arɹpXJZ"ט   {u׈   frJ  ׈EarɹpXJZ׉EBOS & ONTBOSSING
Groeneveldlezing oktober 2021
Beste mensen, vrienden en vriendinnen,
Ik voel me verheugd dat ik vandaag in het centrum mag staan van de belangstelling omdat me de Groeneveld-prijs
is toegekend en hier zoveel mensen aanwezig willen zijn. Ik kan me koesteren in jullie aandacht en dat
nog wel in een mooi kasteel en een fraai park. Ze vormen een inspirerende omgeving, te meer omdat deze plek te
maken heeft met het SBB, instantie die ervoor heeft gezorgd dat Nederland nu ruim tweemaal meer bos bezit dan
rond 1900. Daarom leek het me een goed idee om te spreken over het thema van bos en ontbossing wereldwijd. Ik
doe dat ook omdat bos een grote rol heeft gespeeld in mijn leven en ik meer dan de helft van mijn leven temidden
van bossen heb geleefd. Ik heb dan ook besloten om mijn waarschijnlijk laatste boek aan bomen en bos te wijden.
Deze lezing vandaag is daartoe al een aanzet. Ik zal daarin de spanningsverhouding centraal stellen tussen civilisatie
en bos (woud), waarbij zal blijken dat de geschiedenis van de mensheid sinds minstens 10.000 jaar wordt
gekenmerkt door ontbossing en dat we op dit moment leven in de vierde fase ervan, waarin de ontbossing haar
grootste omvang heeft bereikt en waarin ook het bewustzijn ervan in hoge mate is toegenomen zodat een omslag
in dit fatale proces niet alleen heel dringend maar wellicht ook mogelijk is geworden.
I
Het bos is de bakermat geweest
van de menselijke soort. Alle
primaten leven en gedijen in het
tropische oerwoud, waarin ook
onze voorouders hebben geleefd en
waarin de eerste fasen naar en van
de menswording hebben plaatsgevonden.
Vervolgens hebben de vroege
mensen de beslotenheid van het
woud verlaten en zijn in de savannen
gaan leven om daarna uit te zwerven
over nagenoeg de hele wereld en zelfs
te gaan leven in woestijnen en arctische
streken.
Verreweg de langste tijd van zijn geschiedenis
heeft de mens bestaan
van jacht, visvangst en het verzamelen
van vruchten en wilde planten.
Een dergelijke leefwijze kan alleen
samengaan met een heel geringe
bevolkingsdichtheid; intensivering
van de jacht resulteert op den duur
juist in geringere opbrengsten. Beter
is het dan om zich te verplaatsen.
Desondanks heeft de vroege mens al
een zekere invloed uitgeoefend op de
omgeving, onder andere door het gebruik
van vuur om bv. savannen af te
branden. Vele honderdduizenden jaren
bleven mensen zo, levend in kleine
groepen, een tamelijk zeldzame
soort temidden van de andere dieren.
Totdat ongeveer 10.000 jaar geleden
de revolutionaire stap werd gezet om
gewassen te gaan verbouwen en dieren
te temmen: dus de overgang naar
landbouw en veeteelt te voltrekken.
En mèt de boeren begon de aanval op
het bos.
Het is belangrijk om daarbij een onderscheid
te maken tussen a) een
soort tuinbouw in het bos en b) de
verbouw van granen. In het eerste
geval brandt men een stuk bos af
en plant met een plantstok knolgewassen
(maniok, taro, yam, zoete
aardappel enz.) in de vrijgekomen en
door as verrijkte grond. In het andere
geval wordt een groot oppervlak bos
gekapt en ontgonnen en vervolgens
door een ploeg bewerkt voordat het
graan wordt gezaaid. Het eerste type
landbouw komt voor in tropisch oerwoud
en lijkt nogal grof en verspillend
(‘shifting cultivation’). Want na enkele
jaren is de grond uitgeput en kapt
men een volgend stuk bos. Een grotere
bevolking dan voorheen kan gevoed
worden, maar ze kan niet onbeperkt
toenemen; het bos moet ruim
de tijd krijgen om te regenereren.
Die grens wordt aanzienlijk verschoven
door de graanlandbouw, waarbij
een ploeg wordt gebruikt die de
grond openscheurt nadat de bestaande
vegetatie is verwijderd, dus
ook bos is gekapt. Stronken en wortels
worden eruit getrokken en de akker
die ontstaat vereist aanhoudende
zorg nadat er gezaaid is. Er kunnen
grotere opbrengsten worden verkregen
en de oogst aan graan kan langer
worden bewaard. Dankzij de hogere
productiviteit kan de bevolking toenemen.
De grond wordt bemest door
de uitwerpselen van de geiten en
schapen die men houdt. Graanlandbouw
maakt grotere nederzettingen
mogelijk en bevolkingsgroei. I n
tijden van tegenvallende oogsten of
׉	 7cassandra://E3bM-TrUBtHffrYqZzX19mB4v2tvgAMa_9jIhgDd4Jg `̵ arɹpXJZarɹpXJZ{בCט   {u׉׉	 7cassandra://I2eBzXcCw8M7erW9JvOzQiSc5DIT7L0KW6TFZmiAfiE I`׉	 7cassandra://zZ9FDFZkIburDbjj2d1Ze1d_8Ih_1tN6Mt7rFghDFbk̓`S׉	 7cassandra://5Sn4S8imhmAJuueH9NC8H-tjiZE7TOXfzBEPZcbZ7Gw"y`̵ ׉	 7cassandra://WQbWHuc0QyUNrV2gau7wGnXE85fbxIuWALkPPsIL6dw 2͠arɺpXJZ%ט  {u׉׉	 7cassandra://YY2GeHsVa6WE4V0610IbGS9esddr8V-CK-tJnnMwCz0 ` ׉	 7cassandra://zglQNb_9yc5HEka0mJl5sRh8Dmhittxy5Oi6M4Ix1L8̓	`S׉	 7cassandra://ZeGFPIkwA6Sf8DhVdD1h8WOuIevAia-USgbzhhxU3go `̵ ׉	 7cassandra://nAI0SC4gJbXfnRLxbmxQSQmd9OO03s4JfHXVefUsw00>͠arɺpXJZ&נarɺpXJZ) M_9ׁHhttp://bv.geׁׁЈ׉EtTON LEMAIRE
Groeneveldlezing oktober 2021
ziekten moeten soms akkers aan het
bos worden teruggegeven. We zien
dat bv.gebeuren in de Europese middeleeuwen.
In de 12/13de eeuw wordt
veel bos ontgonnen, breidt de bevolking
zich uit en ontstaan er nieuwe
dorpen. Maar twee eeuwen later, ten
gevolge van oorlog en pestepidemieen,
moet weer grond aan het bos worden
prijsgegeven. Er bestaat dus ook
een fluctuatie en een verschuivende
grens tussen bos en akker. Overigens
heeft het bos voor de boer steeds een
complementaire functie gehad vanwege
het sprokkelen van brandhout,
hout voor constructies, vee (eikels
voor varkens), paddestoelen en wild.
Dankzij graanlandbouw kan een surplus
worden geproduceerd en uitwisseling
en handel met andere dorpen
wordt mogelijk. Enkele nederzettingen
ontwikkelen zich tot steden.
In het Nabije Oosten is dit stadium
bereikt in ongeveer het 7de millennium
voor Christus. Spoedig gaan ook
de steden groeien, wordt de samenleving
complexer en breidt de handel
zich uit. Geleidelijk ontstaan een
ongelijkheid en zelfs klassen. Wanneer
irrigatie voor de akkers nodig is,
vereist dit alles een staat, die al gauw
een heerser krijgt die een paleis heeft
en rijkdom accumuleert. Eveneens
de neiging tot expansie en een leger.
Hiermee is het stadium bereikt van
de civilisation, een belangrijke stap in
de culturele evolutie van de mensheid.
Deze
geschetste processen veronderstellen
de graanlandbouw en
brengen onvermijdelijk ontbossing
met zich mee. We naderen hiermee
de geschreven geschiedenis van onze
cultuurkring want die is sterk beïnvloed
door deze culturele evolutie
in het Nabije Oosten, dus de hogere
beschavingen rond de Middell.
Zee. Frappant is dat de mediterrane
kustgebieden overal ontbost zijn geraakt,
gebieden die voorheen dichte
eikenbossen hadden. Die ontbossing
had ook erosie tot gevolg. De filosoof
Plato heeft in een van zijn dialogen,(Critias)
(vierde eeuw voor Chr.), waarin
hij dat signaleert met betrekking
tot Attica, de streek rond Athene: ‘..
wat nog overblijft vergeleken met
wat toen bestond is als een skelet
van een ziek mens, alle vruchtbare en
zachte aarde is verspild en alleen het
geraamte van het land is nog over ..’.
In het Griekenland van zijn tijd was
het vooral vanwege de scheepsbouw
dat men op grote schaal eiken kapte;
geiten en schapen zorgden er verder
voor dat de aanwas van jonge
bomen werd belemmerd.
II Ontbossing en erosie begeleiden
dus de loopbaan van de beschaving.
Zoals de Franse schrijver
de Châteaubriand het uitdrukte: ‘de
wouden gaan vooraf aan de volken,
de woestijnen volgen hen op’. Het is
een dramatische manifestatie van de
wet van de ‘onbedoelde en onvoorziene
gevolgen’. We weten dat – veel
later -- ook door overmatig kappen
in Engeland goede eiken schaars werden;
daarom werd al in de 16de eeuw
een wet afgekondigd om de eigen eikenbossen
te beschermen. Eikenhout
was onmisbaar voor de handelschepen
en de marine. In Frankrijk werd
een eeuw later een soortgelijke wet
afgekondigd om dezelfde redenen.
Onze Zeven Provinciën kwam in de
Gouden Eeuw inheems eikenhout
tekort voor haar schepen en betrok
dat uit Duitsland en uit gebieden
langs de Oostzeekust. Venetië, dat in
de 14de en 15de eeuw een bloeiende
stad was, domineerde de Adriatische
Zee, tot Dubrovnik toe. Ook zij
had voor haar schepen en gebouwen
veel eiken nodig, die ze daar vandaan
haalde; daarom zijn de Dalmatische
kusten kaal geworden. Ik concludeer:
overal waar de steden opkomen en
zich uitbreiden laten ze een spoor van
ontbossing en erosie achter.
Ik noemde de eiken maar geef ook
nog het voorbeeld van een andere
imposante boomsoort, de ceder,
die al in de Oudheid befaamd was.
Iedereen kent wel de ‘ceders van de
Libanon’, vooral dankzij de Bijbel
want het is daarin de meest vermelde
boomsoort (75x!). Zijn hout gold als
het beste en mooiste, het is geurig,
hard en duurzaam, werd geassocieerd
met onsterfelijkheid en daarom
ook als doodskist gebruikt. Babyloni׉	 7cassandra://5Sn4S8imhmAJuueH9NC8H-tjiZE7TOXfzBEPZcbZ7Gw"y`̵ arɹpXJZ׉EBOS & ONTBOSSING
Groeneveldlezing oktober 2021
ers, Egyptenaren en joden betrokken
ceders uit Phoenicië ( = de Libanon).
In de negende eeuw voor Chr. liet
koning Salomon de tempel in Jerusalem
bouwen en liet daarvoor duizenden
ceders (en ook cypressen) komen
waarvoor hij een contract sloot met
de heerser van Tyros (1, Kon: 5-7 ff.).
Door dit alles deden de Phoeniciërs
wel goede zaken maar verdwenen
geleidelijk ook de ceders, een soort
die vooral in de bergen groeit. De
hellingen raakten daar ontbost zodat
het huidige Libanon zelfs een lager
percentage bos bezit dan Nederland,
nl. 8%. Van de eertijds uitgestrekte
cederbossen resten slechts een viertal
bosjes, vooral in het berggebied
van het aangrenzende Syrië (waar de
boom ook voorkomt). Ironisch is dat
de ceder nog steeds in de vlag van
de Libanon prijkt, terwijl in het land
zelf slechts een bosje rest met een
honderdtal ceders.
Deze ceder werd al duizend jaar
eerder genoemd in het oudste epos
dat bekend is: het Gilgamesh-epos,
afkomstig van de Sumeriërs, de
voorgangers van de Babyloniërs.
Gilgamesh was koning van de stad
Uruk en leefde rond 2700 voor Chr.,
zijn daden in het epos zijn zeven
eeuwen later opgetekend. In het
vijfde deel ervan wordt verhaald hoe
de koning een tocht onderneemt
naar het noorden om een bezoek
te brengen aan het cederbos aldaar
(dus op de grens van Mesopotamië
en Syrië). We weten dat de Sumeriërs
ceders gingen kappen in dat gebied,
de stammen lieten ze op de rivier
de Euphraat stroomafwaarts drijven.
Gilgamesh wil deze lange tocht
ondernemen naar de ceders, waar hij
de bewaker ervan (Humbaba) doodt
die de heilige centrale ceder/ceders
bewaakt, en ervolgens kapt hij ze (..).
Omdat de tekst daar lacunes vertoont,
is de betekenis van die passage
niet helemaal duidelijk. Veel wijst er
m.i. op dat Gilgamesh wil laten zien
dat hij niet alleen heerst over de stad
Uruk maar ook de baas is over het
cederbos. Het bos is de tegenhanger
van de stad, aan de periferie van de
civilisatie. Het is frappant dat in deze
oudst bekende tekst dus al de oppositie
centraal staat tussen stad en
woud en het kappen van de bomen
een mythische dimensie heeft.
Iets dichter bij huis blijvend herinner
ik eraan dat de stad Rome gesticht
is op beboste heuvels in Latium (cf.
Vergilius’ Aeneïs: VIII, v. 316-320: ‘met
Faunus en zijn Nimfen woonde hier/
in wouden een boomontsproten volk
..’).Naarmate de stad groeide, verdwenen
de bomen en bossen.Weliswaar
kenden de oude Romeinen
oorspronkelijk ook heilige bomen,
bosjes en bosgoden zoals Faunus
en Silvanus (en de nymfen), maar
naarmate hun rijk zich uitbreidde en
de ontbossing voortging werd dat
tot een verre herinnering. Ik signaleer
dat hun vroegere boomverering die
ontbossing niet heeft kunnen voorkomen.
In dat licht is de vergelijking
interessant tussen het Romeinse
Rijk en Germanië. Wat de Romeinen
namelijk trof bij hun kennismaking
met Germanië waren vooral de
uitgestrekte wouden daar, die in Italië
al grotendeels waren verdwenen. Ze
vonden die wouden somber, dreigend,
onheilspellend en waren er niet
op hun gemak, zoals in de Ardennen/’Hercynische’
woud (een naam
die ze gebruikten ook voor de Eifel).
Het is dan misschien niet toevallig
dat ze daar hun grootste nederlaag
hebben geleden in het Teutoburger
woud, waar drie Romeinse legioenen
(onder Varus) verpletterend werden
verslagen door de Germanen terwijl
ze door een holle weg trokken in een
dicht bos (in 9 na Chr.).
In de Germaanse samenleving
fungeerden toen nog volop heilige
bossen en bomen (cf. Tacitus’ Germania,
§ 9). Een belangrijk verschil
met Italië was dat er nog geen echte
steden bestonden. De processen van
verstedelijking, staatsvorming en
hun hele nasleep waren er nog niet
begonnen. Door hun nederlagen in
Germanië besloten de Romeinen
af te zien van verdere verovering
en de Rijn als grens te houden, met
vergaande consequenties voor het
latere Duitsland. Dit werd later geromaniseerd
en ook gekerstend met
gevolg dat bossen en bomen er veel
langer een bijzonder, sacraal statuut
konden behouden. Zo weten we dat
de heilige Bonifatius in 723 in Hessen
een heilige eik liet kappen. Toen
hij twintig jaar later hetzelfde wilde
doen in Friesland (bij Dokkum) werd
hij vermoord. Het was overigens voor
de missionarissen gebruikelijk om de
heilige bomen van de heidenen om
te hakken. Net als de joden hadden
de christenen volledig gebroken met
enige natuurverering; hun god was
een verre, transcendente hemelgod
die voortdurend waarschuwde tegen
de bijgelovigheid van de polytheïstische
buurvolken. De God van het
monotheïsme plaatste zich buiten
en boven de natuur. De natuur was
ondergeschikt aan de mens, die het
enige wezen was dat ‘naar Gods
beeld’ zou zijn geschapen. In de mate
waarin de christelijke godsdienst
׉	 7cassandra://ZeGFPIkwA6Sf8DhVdD1h8WOuIevAia-USgbzhhxU3go `̵ arɹpXJZarɹpXJZ{בCט   {u׉׉	 7cassandra://zePe87aZ9boX8afToNIVUPg2_dkSMycETXnQwQH5Vzg ` ׉	 7cassandra://hvvJCyl8sGLPtAnz7H3E9Lz2i-jmAikiNsG-DPtyUhAs`S׉	 7cassandra://NqppBlz5dHUJIddc92ynkU8v4tXMU2e4hjiqY57wC20Q`̵ ׉	 7cassandra://BBT_lZVP-K7YPoGpDe2NCfK_Daqb1RddwuhkIP9b1LY<A͠arɺpXJZ*ט  {u׉׉	 7cassandra://4J-HLvdM9xH-a9fETdazlaNRno6cXYdydpAA2vhM6D8 )'` ׉	 7cassandra://59Fb9fvyx7oBySBDuIug2dBTSF12w3jJu8ejPwnz9yAͅ`S׉	 7cassandra://qTDliifh2NUxRIcz4xD2Ik7RwwPaKY24VP2YLNJk4vA `̵ ׉	 7cassandra://uodttnOqG53rx_2HKia1TH9YUs8tbSw_WfqurAlWkk8?\͠arɺpXJZ+׉ETON LEMAIRE
Groeneveldlezing oktober 2021
zich verbreidde, werden de sporen
van heidense gebruiken, ‘bijgeloof’,
uitgewist of kregen een nieuwe betekenis,
zoals door het plaatsen van
een kruis of Mariabeeldje in of bij een
oude boom.
III Wellicht dat iemand zich
afvraagt wat deze hele geschiedenis
nog voor ons nu kan betekenen.
Nu, ik meen vrij veel. Ik wijs er om
te beginnen op dat in Duitsland nog
altijd 30% procent van het oppervlak
bebost is, in Oostenrijk zelfs 40%
en in Zwitserland 31%. Bovendien
is Duitsland sterk ‘bosgezind’, heeft
een echte ‘Waldgesinnung’ vergeleken
met Nederland. ‘Wald’ heeft nog
voor Duitsers een diepere klank dan
voor Nederlanders; het neemt een
bijzondere plaats in in het collectieve
geheugen. Het heeft/had de bijbetekenis
van plek van oorsprong, horend
bij het ‘authentieke’ Duitsland, nauw
geassocieerd met het volk en zijn
‘Heimat’. Niet toevallig interesseerde
de Duitse Romantiek zich zowel sterk
voor het woud als voor de volkstraditie,
het volkslied, het volksverhaal en
de sprookjes. Klopstock, een van de
eerste romantische dichters, schreef
een ode (in 1767) waarin hij zijn
voorkeur uitsprak voor het ‘heilige
bos van Teutonië’ boven de ‘heuvel
van de Griekse Muzen’. Enkele jaren
erna richtte een aantal studenten in
Göttingen een bond van dichters op
onder de naam ‘Der Hain’ (= ‘het heilige
bos’). Kortom: het antieke thuisland
van de Muzen verhuisde van de
Parnassus en het zonnige zuiden naar
de donkere wouden van Germanië,
symbolisch voor de romantische heroriëntatie;
men neemt afstand tot de
antieke mythologie en rehabiliteert
die van de noordelijke volken. Zo ook
wendt men zich in de 19de eeuw tot
het onderzoek van de volksverhalen
en sprookjes, zoals door de gebroeders
Grimm. Dezen hadden daarbij
ook als doel aan de Duitse natie haar
eigen verleden (terug) te geven. Opvallend
is dat veel van die sprookjes
zich afspelen in het bos. Daar wonen
de kabouters en reuzen, de heksen
en tovenaars, de elfen en dwergen,
daar leven Klein Duimpje, Hans en
Grietje etc.
Wanneer je de geschiedenis in dit
perspectief van ‘de lange duur’
beschouwt, kun je daarin nog andere
onderwerpen plaatsen, zoals het
verschil in kerkhoven in noordwest
Europa en in de Romaanse en zuidelijke
landen. In het laatste geval doen
ze denken aan kleine stadjes, met
veel zerken in de vorm van huisjes
en grafkamers, vaak beelden en met
weinig bomen en groen, gewoonlijk
cypressen en enkele taxussen. In
Duitsland, Engeland, Nederland zijn
ze veel groener, met meer bomen
en relatief minder steen en gebouwtjes;
ze lijken meer op parken. Het is
vermoedelijk geen toeval dat pm.15
jaar geleden in UK een nieuw soort
begraafplaats is ontstaan: midden in
het bos, in de volle natuur, dus tussen
de bomen met een minimale aanduiding
op de graven (zonder zerk). Ook
in Nederland bestaan er al een tiental
en het aantal breidt zich snel uit. In dit
verschil in kerkhof manifesteert zich
mijns inziens een andere grondhouding
tot de natuur/bos als in Zuid-Europa,
een andere verhouding dus van
natuur/cultuur.
IV Dankzij de industriële revolutie
werd de 19de eeuw de eeuw van
de Vooruitgang: de bevolking en de
steden breidden zich uit, de natuur
werd steeds meer bedwongen, de
landbouw geïntensiveerd en gemechaniseerd
enz. Daardoor werd de al
oude tegenstelling
bos/beschaving
verscherpt. Bossen en wildernis golden
als een obstakel voor de vooruitgang;
ze waren oorden voor wilde
mensen en wilde beesten, gevaarlijk
en afstotend; ontbossing was dus een
bijdrage tot de Vooruitgang. Maar
daardoor (het verlies, de schaarste)
werden sommigen zich ook bewust
van wat er verloren ging. Rond 1850
begon zich een omslag af te tekenen
in dit proces en kregen in enkele kringen
wildheid, wildernis en woud juist
een positieve betekenis. De Amerikaan
Thoreau vertegenwoordigt bij
uitstek die bewustwording. Ik citeer
een karakteristieke passage: ‘Als een
man halve dagen door de bossen
wandelt omdat hij van ze houdt, loop
hij kans als een lanterfanter te worden
beschouwd; maar als hij zijn hele
dag doorbrengt als een speculant en
die bossen kapt en de aarde vroegtijdig
kaal maakt, wordt hij gewaardeerd
als een nijver en ondernemend
burger. Alsof een stad geen ander belang
in haar wouden had dan om ze te
kappen’ (Walden).
Ook in Europa kwam er een geleidelijke
omslag in de verhouding tot
woud en wildernis, zeker in Engeland
en Duitsland. Ik neem als voorbeeld
de bosbouw in Duitsland. In de 19de
eeuw werd de druk sterker om de
bosbouw te moderniseren om een
zo groot mogelijk rendement op te
leveren, gezien de toenemende behoefte
aan hout. Einde 18de en begin
19de eeuw werden in veel steden
daarom ‘Forsthochschulen’ gevestigd
die tegemoet kwamen aan de rati׉	 7cassandra://NqppBlz5dHUJIddc92ynkU8v4tXMU2e4hjiqY57wC20Q`̵ arɹpXJZ׉EBOS & ONTBOSSING
Groeneveldlezing oktober 2021
onalisering van het bosbeheer. Veel
beroepsmensen pleitten voor een
economische en dus meer utilitaristische
omgang met het Duitse woud.
Die moderne mentaliteit moest wel
botsen met de traditionele, door
romantici verdedigde instelling tot
het bos: het woud dat een speciale
plek zou hebben in de ziel van het
Duitse volk. Vandaar dat vooral in de
tweede helft van de 19de eeuw felle
discussies werden gevoerd tussen
de voorstanders van de nuchtere,
economische benadering en van de
meer esthetische en ecologische.
Idealiter zou een zodanige omgang
met het bos moeten ontstaan, dat
tegemoet kon worden gekomen aan
de houtproductie èn tevens aan de
beleving van natuur en landschap,
aan het belang van recreatie enz. Het
resulteerde in een poging tot harmonisering:
beide zouden het meest
gediend zijn met een benadering
van het bos als levensgemeenschap,
waarin alles met alles samenhangt,
een bos dat grote continuïteit vertoont
– een ‘Dauerwald’ – en dat als
het ware ‘niet zou mogen merken
dat er gekapt wordt’. Volstrekt uit
den boze wordt dan de gebruikelijke
kaalkap, waarbij grote oppervlaktes
volledig worden gekapt.
Thoreau’s houding is een symptoom
van de nieuwe sensibiliteit die
baanbreekt en die een rehabilitering
inhoudt van woud en wildernis.
Let wel: de expansie van de steden
met de begeleidende ontbossing is
de historische voorwaarde voor de
bewustwording van het belang en
de waarde van wat verloren gaat en
voor het zoeken naar compensatie
daarvoor. Omstreeks 1875 worden de
eerste natuurparken en natuurreservaten
ingesteld (Yellowstone!). In de
grotere steden worden parken aangelegd,
alsof men inderdaad het oord
van onze herkomst niet wil vergeten
en binnen bereik wil hebben. Sommige
steden hebben het geluk gehad
dat zich niet ver van hun grenzen nog
een oud bos (vaak een voormalig
landgoed) heeft kunnen handhaven.
Ik noem Brussel met zijn Zoniënwoud,
Parijs met het Forêt de Fontainebleau,
Londen met de New Forest,
Berlijn met Grünewald, Frankfurt met
haar Stadtwald en Wenen met haar
Wienerwald. In Amsterdam is een
nieuw bos aangeplant, het Amsterdamse
bos (p.m. 1938), dat inmiddels
al een echt bos is geworden.
in wat ik de vierde fase wil noemen inV Intussen zijn we aanbeland
de al lange geschiedenis van de oppositie
civilisatie/stad en woud. Dit is
de tijd van de megalopolen, nu meer
dan de helft van de mensheid in steden
woont die alsmaar groter worden.
Dat houdt in dat de werking van
de wereldmarkt, de steeds groeiende
wereldbevolking en de stijgende
welvaart zorgen voor een dramatisch
voortschrijdende ontbossing, alsof de
mensheid haar laatste grote aanval
op het woud heeft ingezet. Dankzij
de moderne communicatiemiddelen
zijn we goed op de hoogte waar en
hoeveel bos wordt gekapt. Bovendien
is er vanaf 1970 een bewustzijn
ontstaan met betrekking tot natuur
en milieu waardoor we alerter zijn op
de mogelijke schade eraan. Meer en
meer mensen betreuren het dat er
zoveel bos verdwijnt omdat ze weten
wat dat voor consequenties heeft. Al
in de jaren ‘70 kwam de Chipko-beweging
in de Himalaya (India) in het
nieuws, waarbij mensen een levende
keten vormden om oude bomen
tegen de kap te beschermen. Bij de
aanleg van een brede autoweg (de A
27) door het landgoed Amelisweert
(bij Utrecht) maakte men hutten in
de bomen om het kappen te voorkomen.
Hetzelfde vond plaats in Californië
en Oregon om de enorme
sequioa’s te beschermen. Twee jaar
geleden nog bij Aken in het bos van
Hambach als verzet tegen het winnen
van bruinkool aan het oppervlak. In
het laatste geval werd die acties met
succes bekroond. Maar in het oude
landgoed Amelisweert is de autobaan
er toch gekomen, en nu (2021) zijn er
weer plannen om die ook nog te verbreden.
Hoewel
het bosareaal van Nederland
sinds 1900 (toen slechts 4%) meer
dan verdubbeld is (tot ruim 10%) en
er jaarlijks ca 1 miljoen m3 rondhout
wordt geoogst, is dat slechts één
tiende van ‘s lands behoefte aan
hout. De rest moet worden geïmporteerd,
al dan niet reeds verzaagd
en bewerkt. Zeven procent daarvan
is tropisch hardhout (zoals meranti,
merbau, teak). Een groot deel van het
tropisch hardhout dat wordt verhandeld
is illegaal (waarschijnlijk wel
30% tot 50%), ook al zijn er steeds
meer beschermende wetten en keurmerken
om de tropische wouden te
beschermen. Op allerlei manieren
ziet men kans die te ontduiken en
hardhout is zeer gezocht en dus duur
(zoals teak voor luxe jachten, voor
tuinmeubels, voor kozijnen). Al met
al draagt de EU voor circa 16% bij
tot de ontbossing wereldwijd. De
oerwouden van West- en Centraal
Afrika, Madagascar (eens een sterk
bebost eiland met meerdere endemische
soorten dat grotendeels
ontbost is, zodat de lemuren er – pri׉	 7cassandra://qTDliifh2NUxRIcz4xD2Ik7RwwPaKY24VP2YLNJk4vA `̵ arɹpXJZarɹpXJZ{בCט   {u׉׉	 7cassandra://EKXF-khGS_Nk67EiR81555IK2jBOm6-FMI-6oTjAuVI /`׉	 7cassandra://doDA2kOgSwGAnJCy-htEyZDrSY3_Bzpf2VMh5_1ckII͐`S׉	 7cassandra://PeAb08oiU89aGtl6VVZnQDacJuJDKp7fOyoK_mby9hc'`̵ ׉	 7cassandra://bK4sE9a17zAJ4UbhQGHcUYngRarn7OBArTyEZdWc5po ͠arɺpXJZ.ט  {u׉׉	 7cassandra://juC1hnn0vFuziX8kugyUfdqRFTdM09my8atJBuh3YR8 ` ׉	 7cassandra://oSdsPZ1p_I7ewDbZXfQIi-mpcEmVdAvLpkn9Ex1a-YU}`S׉	 7cassandra://SZ5OxYj6mHF8AGluhzUIBOkVFAjL_9rGh9uKnnBv3qo`̵ ׉	 7cassandra://HOYCR3rnwKwvtCYjXQTTsh-SPVCkPSPSXhuumHB3i-g9m͠arɺpXJZ/נarɺpXJZ1 ue9ׁHhttp://Ned.GuׁׁЈ׉ETON LEMAIRE
Groeneveldlezing oktober 2021
mitieve primaten – ernstig bedreigd
worden), Maleisië en Indonesië en
Zuid-Amerika (Amazone!) worden
aldus geplunderd. Elk jaar worden
tussen 15 en 20 miljoen ha tropisch
bos op de aarde gekapt (ter vergelijking:
Nederland heeft een oppervlak
van 4.14 miljoen ha). Al met al zijn er
wereldwijd sinds 1990 ca 400 miljoen
ha bos voorgoed verdwenen, dwz.
veranderd in weide, akker, woongebied
en industrieterrein of weg, dus
deels geasfalteerd en gebetoneerd
en deels savanne of woestijn geworden.
De
opkomende wereldmacht China
is verantwoordelijk voor 24% van
de ontbossing op de wereld. Ze kapt
hoofdzakelijk in zuidoost Azië, maar
ook in de Siberische taïga (Rusland).
Indonesië dat na Brazilië het grootste
bosareaal ter wereld had, heeft
de laatste 50 jaar ruim 70% ervan
verloren. De laatste decennia betrekt
China ook veel van haar hout
uit Sumatra, Borneo/Kalimantan
en Irian Jaya (voorm. Ned.Guinea).
Vooral in het laatste gebied wordt
enorm veel, vaak illegaal, gekapt.
Jarenlang werd er elke maand alleen
al 300.000 m² merbau verscheept
naar China. Ook Borneo heeft al een
groot deel van haar bosbedekking
verloren, waardoor ook met name de
orang oetans dramatisch bedreigd
worden. Wat betreft zuidoost Azië
moeten we niet vergeten dat door de
Amerikanen in Vietnam grote oppervlakten
bos zijn ontbladerd om de
Vietcong te bestrijden. Kennedy gaf
in 1961 toestemming om te starten
met de vernietiging met chemische
middelen van het bos daar. Tien jaar
lang sproeide het Amerikaanse leger
72 miljoen liter herbiciden, gefabriceerd
door de inmiddels beruchte
firma Monsanto, over ca 2 miljoen
ha bos en aangrenzende rijstvelden.
Ook 150.000 ha tropisch. bos in het
aangrenzende Cambodja en 160.000
ha in Laos zijn getroffen. De schadelijke
gevolgen ervan zijn nog steeds
merkbaar aan het bos en de mensen.
Het is trouwens de eerste keer dat
een land chemische oorlog voerde
(en dit in flagrante schending van het
protocol van Genève uit 1925).
׉	 7cassandra://PeAb08oiU89aGtl6VVZnQDacJuJDKp7fOyoK_mby9hc'`̵ arɹpXJZ׉EBOS & ONTBOSSING
Groeneveldlezing oktober 2021
VI Waarschijnlijk het meest
dramatisch is de situatie in het Amazonegebied,
vooral in Brazilië. Dit
is het rijkste ecosysteem ter wereld
waarin bovendien enkele honderden
groepen Indianen leven die van het
woud afhankelijk zijn. Enkele ervan
zijn waarschijnlijk nog nooit met de
moderne samenleving in contact geweest.
Alleen al in 2019 verdween 1.4
miljoen ha van primair tropisch bos.
Ruim een vierde van het A.woud is
bezig savanne te worden. Terwijl onder
het bewind van de presidenten
Lulu en Roussef de ontbossing enigszins
was verminderd, is met de komst
van Bolsonaro het tempo weer omhoog
gegaan. Deze ‘tropische Trump’
toont geen enkel respect noch voor
de natuur noch voor de inheemse
bevolking. Hij doet zijn best om het
hele gebied in versneld tempo uit
te leveren aan grootgrondbezitters,
multinationals, houtkapmaatschappijen,
gouddelvers en mijnbouw. Geweld,
rechteloosheid, misdaad zijn
chronisch geworden. De toestand
lijkt op die van het Wilde Westen in
de VS midden 19de eeuw, het kapitalisme
in zijn meest brute vorm heerst
er; in naam van Vooruitgang en modernisering
gaat de meedogenloze
plundering van het woud door. Bovendien
hebben in 2020 in het Amazonegebied
lange tijd grote branden
gewoed (deels zeker moedwillig aangestoken),
evenals trouwens in Australië,
Canada, de VS en in Siberië en
dat miljoenen ha bos zijn verbrand,
alsof de kap nog niet erg genoeg is.
Waar het woud is verdwenen, komen
weidegrond voor het vee, eindeloze
akkers met soja en (in Indonesië)
plantages snelgroeiende palmolie- of
eucalyptusbomen. Ook Nederland
draagt bij tot deze destructie van het
bos door zijn import van hout, vlees
en soja (o.a. als veevoeder). Voor deze
ecologische ramp van planetaire proporties
die zich bezig is te voltrekken,
een ware silvicide -- een ecocide van
de bossen – is ook de Europese Unie
medeverantwoordelijk -- dus wij allen.
VII
Op
het einde van mijn
voordracht resumeer ik de doorgelopen
weg. Ik heb laten zien hoe een
bepaalde omgang met het bos de
mensheid van begin af aan heeft begeleid.
De landbouw en de boeren
hebben de eerste grote aanval op het
bos ingezet. De tweede fase is bereikt
met de grote civilisaties van het Nabije
Oosten en het Romeinse Rijk als
laatste verschijningsvorm. De derde
zette in met de Industriële revolutie
in het moderne Westen. Ten slotte
is afgelopen eeuw de vierde fase
begonnen met de globalisering, de
wereldmarkt, de opkomst van megalopolen
enzovoorts. In elke fase
is de wereldbevolking gegroeid en
hebben de exploitatie en vernietiging
van het bos een grotere omvang
bereikt, is op grotere schaal en met
steeds krachtiger machines uitgevoerd.
Tegenwoordig rijden enorme
machines door de bossen (zelfs in de
zomer), plukken dikke takken af alsof
het twijgjes zijn, zagen of ontwortelen
bomen en voeren ze weg terwijl het
bos achterblijft als een slagveld in de
oorlog. De al in de prehistorie begonnen
aanval op het woud wordt voortgezet
met de modernste middelen,
meedogenloos en grootschalig alsof
de natuur onze vijand is. Alles bijelkaar
lijkt deze silvicide die wereldwijd
plaatsvindt inderdaad op een oorlog
die de mensheid voert tegen de aarde.
Terwijl
de ontbossing een schaalvergroting
heeft ondergaaan, is ook de
bewustwording van het verlies steeds
scherper en dramatischer geworden.
Meer en meer wordt men zich ervan
bewust dat de vernieling van de natuur
op de spits wordt gedreven en
wordt de urgentie sterker om op radicale
manier daar iets aan te doen.
Vroeger werd van mensen die leden
onder het verlies van gekapte bomen
en bos nog soms smalend gezegd dat
ze sentimenteel of conservatief waren.
Maar inmiddels wordt evident dat
de mensheid alleen al uit zelfbehoud
haar destructieve gedrag rigoreus
moet beheersen en veranderen. Een
verder ontboste aarde is ecologisch
sterk verarmd en nog kwetsbaarder
voor klimaatveranderingen. We hebben
er alle belang bij om vooral het
tropisch oerwoud te beschermen
omdat dat de hoogste biodiversiteit
ter wereld bezit. Weliswaar is ‘Homo
sapiens’ een slimme en inventieve
soort, maar ook een zeer destructieve.
We moeten nog steeds bewijzen
dat we ook een verstandige en wijze
soort zijn die behalve een experiment
van de evolutie ook een blijvertje is.
T. Lemaire, october 2021.
׉	 7cassandra://SZ5OxYj6mHF8AGluhzUIBOkVFAjL_9rGh9uKnnBv3qo`̵ arɹpXJZarɹpXJZ{בCט   {u׉׉	 7cassandra://NE8BzMvTELv1CDDrjWgrEJ04UmxzIhZ7n5S7cxHHwvA U`׉	 7cassandra://WjexbGUAuOyV0ryJ9gJW-dutRya02TRtgCVzi53zaFI_`S׉	 7cassandra://ln-_p9jCEiC4uUroiXN5oYPPGkMA_2aaSuAmTAp7RJo"`̵ ׉	 7cassandra://4sB2QJPm0y8ADBHx-gZ_bzgsIzOoFrhDTpcu-yTOPAI ͠arɺpXJZ2׉E *TON LEMAIRE
Groeneveldlezing oktober 2021
׉	 7cassandra://ln-_p9jCEiC4uUroiXN5oYPPGkMA_2aaSuAmTAp7RJo"`̵ arɹpXJZ ׈EarɹpXJZ!arɹpXJZ {)Groeneveldlezing 2021 )Groeneveldlezing Ton Lemaire oktober 2021arɸfrJ§