׉?ׁB! בCט  Bu׉׉	 7cassandra://f1368ZguOm7A9KWH5cCi1IpYkXArivIVeEto1L_qQfg `׉	 7cassandra://Kfy3eLjoXLyHay-FJhnqNWpdgv0L2BGD-hWKB_J6K7sd`Q׉	 7cassandra://Lefzy7b7an1mtf-dCG93OXzq4aJ4U3Kq7DaGaEIAcv0%*`̴ ׉	 7cassandra://BPRxDlFpmpOSxtieto8TG9rUh8eVTGvHZt-uEtyGBzU >͠XL\䰆T#׈EXL\䰆T$׉E׉	 7cassandra://Lefzy7b7an1mtf-dCG93OXzq4aJ4U3Kq7DaGaEIAcv0%*`̴ XL\䰆T%XL\䰆T$bBבCט   bBu׉׉	 7cassandra://cxWD-tnviFwlUfyE2rFbUNo9fKt-9iREYURqF6IMWmE `׉	 7cassandra://XrmUGj4cqGTexbqiAhDXauULw1UiI6i3Y5sN3e0XzE8͛`׉	 7cassandra://vVnnIVQmY0pcz4LfCQNia4rBhO8QwWgD41UfmbY73h0-`g ׉	 7cassandra://oB4fRu7HigRjHtGf5L1uNMj_qyjmwL0F6Pj5-4KxrX4@͠	XL\䰆T&נXLd䰆T od̄9ׁHhttp://www.photostique.comׁׁЈנXLd䰆T +L̊9ׁHmailto:op1lijn@hag.unimaas.nlׁׁЈ׉E8Inhoudsopgave
Colofon
Oplage
1950
Hoofd/eindredactie
Babette Doorn
Redactieleden
Henk Goettsch, Hendrik Jan Vunderink,
Ria Lumeij, Sjef Swaans, Luc Gidding,
en Babette Doorn
Doelgroep
huisartsen Limburg en Brabant, afdelingen azM
& overige relaties
E-mail
op1lijn@hag.unimaas.nl
Adres
Vakgroep HAG
Universiteit Maastricht
Postbus 616
6200 MD Maastricht
Ontwerp/druk
Océ Business Services, Maastricht
Fotografie
Eigen bestand
Peter Müllenberg, PHOTOSTIQUE
Maastricht, www.photostique.com
Deadline volgend nummer
23 oktober 2009
Kaft:
Illustratie (1985) door Paul Stalenhoef,
huisarts Maastricht
Algemeen deel
Van de voorzitter – Job Metsemakers
Het zweten der HAG-atleten – onze razende reporter
Visiting professor Aziz Sheikh – persbericht Caphri
The virtual visit (gastcollege) – Yvonne van Leeuwen
Stelt zich voor: aioto – Merijn Godefrooij
Stelt zich voor: onderzoeker – Arianne Theuws
Stelt zich voor: Marjolein Oerlemans
Stelt zich voor: gedragswetenschapper Michel Geelen
Stelt zich voor: Viola Voncken
Buitenlandervaring als onderzoeker – Tineke van Geel
Promotie Arian Plat
Onderzoeksprojecten stand van zaken:
CAPITA
AMUSE-2
WESP projecten eindrapportages:
Meten zorgbehoefte bij verstandelijke beperking – Lonneke Timmermans
Effectiviteit leefstijlzorg bij diabetespatiënten – Rick Bekkers
Werkplekleren in de huisartspraktijk – Vera Hanssen
Cultuurshock Huisartsopleiding in Italië – Ingrid van der Heijden
Stelt zich voor: Isa Houwink
Bijzonder Bekwaam: reizigersadvisering – Hendrik Jan Vunderink
Supervisie deel 2: een ontdekkingsreis voor aios - Harry Muller en Maria Mulder
Aankondiging
Nascholing aan de Maas – Yvonne van Leeuwen
40 jaar bij de zaak: Frans van der Horst
Themadeel Onderwijs
Inleiding op het thema – Laury de Jonge
Stage overzicht
Ervaringen met groepsonderwijs Jaar 3 – Paul Stalenhoef
Duo co: een kans of een gedrocht? – Eveline Hazelaar en Emile Mom
Mijn leven als WESP – Jules Ummels
De bezige WESP – Jonas Göbbels
GEZP: wederzijdse ervaringen – Diederd Kronjee & Tessa Vosveld
De AKO student – Loes Mannesen
Juffrouw staat de koffie klaar? – Marie José Nefkens
De huisartsenpraktijk als leer- en werkplaats – Jonne van der Zwet
De tutor – Piet Portegijs
Coördinator jaar 3 – Johan Evers
Een dag uit het leven van een HAB – Janneke van Drunen
Observatorschap doen: Bekijk het maar! – Jeroen Smeets
Een carrière binnen het onderwijs – Laury de Jonge
Stelt zich voor: kernteam onderwijs Huisartsgeneeskunde
4
5
7
8
9
10
10
11
11
12
13
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
23
25
26
28
29
31
31
32
33
35
36
38
39
40
41
41
43
© Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd,
opgeslagen in een geautomatiseerd bestand of
openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie,
microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder
voorafgaande schriftelijke toestemming van de
uitgever.
2
׉	 7cassandra://vVnnIVQmY0pcz4LfCQNia4rBhO8QwWgD41UfmbY73h0-`g XL\䰆T'׉Eop één lijn 34
2e uitgave 2009
Van de redactie
Laury is een man
Dit is absoluut een rare titel maar hij valt wel op. En dat is
nu net de bedoeling. Het gaat om Laury de Jonge, al was
een N erachter wel handig geweest. Regelmatig wordt hij
aangeschreven of opgebeld als Mevrouw de Jonge. Maar
Laury is een man, altijd al geweest ook.
Meneer Laury de Jonge is huisarts en volgt Paul
Zwietering op als sectorhoofd onderwijs basiscurriculum.
Een goed begin is het halve werk. Vandaar niet alleen
een pakkende titel, maar een pakkend nummer, want ons
zomerthema is ONDERWIJS .
Verwacht deze keer geen klaagzang waarin we onze
opleidertekorten etaleren of erger: dat we helemaal niets
over onderwijs melden. Geen paniek, we praten u deze
keer weer helemaal bij en laten zien wat we doen, wie
het doen, hoe we het doen en hoe u lid kunt worden van
de club. Het themadeel heeft een eigen inleidend artikel
elders in dit blad.
De club is vernieuwd en aangevuld, maar nieuwe
(ster)spelers kan een goed team altijd gebruiken. De
slogan “omdat u het waard bent” (=de laatste zin van
de inleiding op het thema door Laury) riekt wel naar
een mevrouw de Jonge, dus die mag u van mij weer snel
vergeten…
Er zijn meer nieuwe mensen bij de vakgroep, ook zij
stellen zich voor. Of er goede hardlopers tussen zitten
voor het HAG team van 2010 weten we nog niet, maar
dat de ego’s van onze huidige atleten een deukje opliepen
door hun 5e plaats bij Maastrichts Mooiste moge
duidelijk zijn. Wat wel een eervolle vermelding waard is, is
dat van de 61 bedrijventeams, maar liefst 3 teams van de
Universiteit Maastricht, pardon Maastricht University, in
de top 5 eindigden. Niet alleen “Leading in Learning” dus.
Niets mis met het hebben van ambities. De
vakgroep(voorzitter) werkt ook hard aan het formuleren
van nieuwe ambities voor de komende pakweg 5 jaren.
Ik kan u vast verklappen dat de relatie met u, of beter
gezegd het verbeteren van de relatie met u (als klant en
wij als uw vertrouwde partner) hoog in het vaandel zal
staan.
vakgroepblad HAG in 1985
3
Naast een regionale blik hebben we ook altijd een
blik gericht op onze brede buitenwereld. Soms zijn
medewerkers van ons relatief dichtbij (zie het artikel
over de Huisartsopleiding in Trento Italië), soms letterlijk
aan de andere kant van wereld (Tineke in Sydney).
Medewerkers zijn het gezicht van HAG.
Onderzoek zal er altijd zijn en blijven. Deze keer 1
promotie, van Arian Plat. Een mooi voorbeeld van een
idee rondom zorg & genetica dat zijn oorspong vond
in een academische huisartspraktijk in de regio, in
Medisch Centrum West Kerkrade (MCWK). Huisartsen
Frank Soomers en Jelle Stoffers stonden aan de wieg van
dit kindje. Jelle slaat zijn rubriek “Voor u geschreven in
Maastricht” deze keer over. Jelle is/wordt namelijk chief
editor van de European Journal of General Practice (EJGP)
voor 1 dag per week. Tijdens de eindredactiefase van dit
nummer zat hij voor de overdracht van die editor functie
in Stockholm. We feliciteren Jelle met deze belangrijke
nieuwe functie!
Andere onderzoekers zijn nog niet zover dat zij gaan
promoveren, omdat ze nog volop werken aan hun
inclusie en/of omdat ze aan het schrijven zijn. Zij-dieonderzoeken-in-18-weken
heten WESP-en; die zesdejaars
studenten laten dan ook trouw van zich horen.
De redactieleden gaan nu achter elkaar met vakantie en
pakken de draad van Op één Lijn weer op in september.
Het is de bedoeling dat we in de tweede helft van 2009
nog eenmaal uitkomen. Een fijne zomer en op naar het
volgende academische jaar!
Babette Doorn
XL\䰆T(XL\䰆T'bBבCט   bBu׉׉	 7cassandra://K_fILuUk9_MvBAtxEr4cWdrJgja5bQCtjlBj_VIic9Y ` ׉	 7cassandra://isCyNO5Dch4rYTVWOXxhCB_ZEEa_7Yj3_TNNYwTSxmA`׉	 7cassandra://lM9i0xBZGNFGXBwiebnPbw8GsYt-tISPXqDzJIslGXs:`g ׉	 7cassandra://likfGwqMWo3CZFLrg54CBqlUZiEkJ_62tOdGm26UIek͘8͠	XL]䰆T)נXLd䰆T 	9ׁH %mailto:geertjan.dinant@hag.unimaas.nlׁׁЈנXLd䰆T 	?9ׁH &mailto:loes.vanbokhoven@hag.unimaas.nlׁׁЈ׉Eop één lijn 33
2e uitgave 2009
Van de voorzitter
Wat kunnen wij U bieden?
DOOR JOB METSEMAKERS, VAKGROEPVOORZITTER HUISARTSGENEESKUNDE & HUISARTS IN GEULLE
U kent ons, denk ik, eerder als een partij die u steeds iets
vraagt.
We sturen u brieven met het verzoek tot deelname aan
interessante onderzoeksprojecten waarbij u gevraagd wordt
aan patiënten vragenlijsten uit te delen, of patiënten in het
kader van een protocol meerdere keren terug te zien. Soms
betekent deelname aan een wetenschappelijk onderzoek
een directe verandering van de patiëntenzorg zoals het
AMUSE project waarbij het gaat om het diagnosticeren
van trombose of embolie met behulp van een sneltest.
Als uit onderzoek blijkt dat de test de verwachte waarde
heeft in het diagnostisch traject, blijft die ook in uw
directe zorgaanpak zijn plek houden. Uw deelname
aan het onderzoek heeft dus een direct gevolg voor uw
patiëntenzorg. In andere gevallen zal deelname een beperkt
effect hebben omdat eerst veel gegevens verzameld moeten
worden voordat conclusies geformuleerd kunnen worden.
Ik denk hierbij aan het onderzoek “Bloedonderzoek bij
onbegrepen klachten in de huisartsenpraktijk”. Dat
resulteerde in 2008 in het proefschrift van huisarts Loes van
Bokhoven getiteld “Blood test ordening for unexplained
complaints in general practice. The feasibility of a watchful
waiting approach.”* Het doel van de onderzoeken in dat
proefschrift is om het aanvragen van bloedonderzoek bij
patiënten die met onbegrepen klachten op uw spreekuur
komen, te verbeteren. De conclusies van dat proefschrift
moeten omgezet worden in praktische adviezen die u als
huisarts dan moet inpassen in uw dagelijks werk.
We vragen u ook regelmatig om deel te nemen aan
onderwijsprogramma’s zowel in het basiscurriculum of
de huisartsopleiding. En dat zullen we ook in de toekomst
blijven doen om ervoor te zorgen dat studenten een
duidelijk beeld krijgen van de huisartsgeneeskunde en om
genoeg huisartsen goed te kunnen opleiden. Zo zorgen we
er samen voor dat de huisartsgeneeskunde ook toekomst
blijft houden.
In dit nummer van Op één Lijn leest u veel over Onderwijs
en daarin hebben we u ook wat te bieden. Er zijn binnen
het onderwijs veel rollen die voor praktiserende of recent
gestopte huisartsen heel leuk en interessant zijn om te
doen. Veel huisartsen die een onderwijsrol bij ons vervullen
noemen dat een verrijking naast hun dagelijkse werk of
als ze gestopt zijn, een ideale manier om al hun ervaring
beschikbaar te stellen aan de jongere garde.
4
De hoeveelheid tijd die een rol kost varieert sterk. Soms
gaat het om enkele uren per week gedurende een beperkte
periode van 10 weken, soms om een steviger klus van 200
uur in 10 weken, en uiteraard zijn er ook rollen die standaard
2 dagen per week kosten. Afspraken met uw HIDHA die
dan even extra moet aantreden, of meer structureel een
onderdeel van uw takenpakket ervan maken (of van de
HIDHA als die meer zin erin heeft). Het kan allemaal en
het is heel goed voor u. Onderzoek heeft uitgewezen dat
huisartsen die naast hun dagelijkse praktijk ook andere
activiteiten ondernamen zoals onderwijs, minder snel
overbelast en op het vak uitgekeken raakten. Maar vraag uw
collegae die bij ons werken. Zij zijn onze ambassadeurs.
Een wat nieuwer aanbod betreft de kennis die we hebben
op basis van het wetenschappelijk onderzoek die U wellicht
van pas kan komen bij de ontwikkeling van zorgplannen,
keten- dbc’s, transmurale projecten, ed. We kunnen u
wellicht behulpzaam zijn als het gaat om de inhoud van de
zorgplannen wat betreft op te nemen onderdelen. Wat is
nu wetenschappelijk al bewezen? Wat is recent beschreven
over bijvoorbeeld de wijze waarop over risico’s en kansen
met patiënten het beste kan worden overlegd? Wat is nu
Motivational Interviewing waar iedereen het over heeft
en past dat in uw aanpak? We hebben niet alle kennis zelf
in huis maar weten ook goed waar bijvoorbeeld kennis
over beweegprogramma’s voorhanden is. Op deze wijze
kunnen we trachten een brug te slaan tussen de verworven
kennis en de vertaling naar de praktijk. Ook hebben we
intussen enige ervaring met meten van zorg door middel
van nulmetingen en vervolgmetingen. Het geeft u inzicht
in de veranderingen in de dagelijkse zorg en u kunt de
zorgverzekeraar ook voorzien van de gewenste rapportage.
Het zijn geen kant en klare pakketjes die we u aanbieden,
maar meer de mogelijkheid en bereidheid gebruik te maken
van wat wij als kenniscentrum hebben. En eigenlijk zijn dat
uw gegevens want Uw praktijk heeft deelgenomen aan
dat wetenschappelijk onderzoek wat geleid heeft tot deze
kennis.
U weet nu een beetje wat wij u kunnen bieden, en waarom
wij u regelmatig om deelname vragen. U kunt ons dus ook
iets vragen, het aanbod ligt er!
׉	 7cassandra://lM9i0xBZGNFGXBwiebnPbw8GsYt-tISPXqDzJIslGXs:`g XL]䰆T*׉EXop één lijn 34
2e uitgave 2009
*Persbericht UM juni 2009:
Derde bekroning voor proefschrift over patiënten met
onbegrepen klachten bij huisarts
Loes van Bokhoven wint proefschriftprijs Nederlands
Huisartsen Genootschap
Het onderzoek van dr. Loes van Bokhoven uit de
Onderzoekschool CAPHRI van de Universiteit Maastricht,
naar de diagnostiek van onbegrepen (vage) klachten, is voor
de derde keer uitgeroepen tot beste proefschrift van een
huisarts van het afgelopen jaar. Dit keer door haar collega’s
van het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG).
Eerder krijg zij al eerste prijzen voor haar proefschrift van
de Maastrichtse onderzoeksschool voor Public Health and
Primary Care (CAPHRI) van de Universiteit Maastricht en de
Netherlands school for primary care research (CaRe).
Betekenis
De toelichting op de toekenning stelt dat het onderzoek
“niet alleen bijzonder relevant is voor de dagelijkse
praktijk van de huisarts, maar tevens uitmunt in zijn
wetenschappelijke aanpak en de betekenis van de
resultaten voor huisartsen, patiënten en beleidsmakers zoals
richtlijnontwikkelaars en zorgverzekeraars.”
Geheim
Van Bokhoven richt zich in haar bekroonde onderzoek op
de grote groep patiënten met onbegrepen klachten, zoals
moeheid, duizeligheid, spier en gewrichtspijn, gewichtverlies,
buikpijn en jeuk, ondanks zorgvuldige anamnese en
lichamelijk onderzoek door de huisarts. Heel vaak doen
huisartsen bij deze patiënten bloedonderzoek. Maar
bloedonderzoek
leidt doorgaans
niet tot een
heldere diagnose,
waardoor een
vanzelfsprekende
reden om
bloedonderzoek
te doen ontbreekt.
Kosten
Het onderzoek
toont aan dat
huisartsen goed
in staat zijn om
bloedonderzoek
bij deze groep
patiënten uit te
stellen, zonder
dat dit resulteert in een gevoel van onrust bij de patiënt.
Het geheim zit hem in een goede uitleg die huisartsen aan
deze patiënten moeten en kunnen geven. Het onderzoek
liet tevens zien dat het uitstellen van bloedonderzoek ook
andere kosten van gezondheidszorg belangrijk omlaag
brengt.
Voor meer informatie over de inhoud van dit persbericht
kunt u terecht bij de onderzoekers dr. Loes van Bokhoven
(loes.vanbokhoven@hag.unimaas.nl) en prof.dr. GeertJan
Dinant (geertjan.dinant@hag.unimaas.nl) van
Onderzoekschool Caphri, telefoon 043 388 2185!
Maastrichts Mooiste hardloopwedstrijd
Het zweten der HAG-atleten
DOOR ONZE RAZENDE REPORTER, EEN HARDLOPENDE HUISARTS
Na dagen van regen scheen op de zondagochtend van
Maastrichts Mooiste eindelijk de zon, en toen de lopers in
alle vroegte arriveerden lag de stad er schitterend bij. Stil
nog, en verwachtingsvol. Maar de zon scheen niet voor
het 15K (=15 kilometer, red.) team 2009 van de vakgroep
huisartsgeneeskunde.
In de aanloop was alles goed gegaan. Na de fantastische
tweede plaats van vorig jaar was het team vanaf het
moment van inschrijving zonder twijfel favoriet voor
de eindzege. De strategie om snelle lopers via de
huisartsopleiding binnen te halen was volledig geslaagd.
Met 3 atleten die regionaal tot de top 20 behoren
(Robert Willemsen, Jochen Cals, Mark Spigt – volgorde
niet willekeurig) kon ons dit jaar de helicoptervlucht
(=hoofdprijs, red.) niet ontgaan.
De sterke stand-in in de persoon van Nick Zwartjes, de
vaste teamleden Christophe DeMoulin en Sjoerd Hobma
plus teamcaptain Geert-Jan Dinant meenden dat enkel
uitlopen al voldoende was. Wekelijks verzekerden wij elkaar
via de email dat het goed ging komen.
5
XL]䰆T+XL]䰆T*bBבCט   bBu׉׉	 7cassandra://b7cQeFsb_czOFKUV8cS_VQWbqSmMB2GQDKDoDBI1s3Y `׉	 7cassandra://I2fYQSSbHyZnuDwMt8sUBi8PKhypYW4PW5zkMXKiXZM`׉	 7cassandra://fU7cdCuErYgiOXwqasYeHfZkt7Js83gSM7ThDSjUEB4@`g ׉	 7cassandra://xuus_NQ236BN8-bLKMbu11IV5Izj-bri4y-eJfJSSTY<͠	XL]䰆T,׉E
op één lijn 34
2e uitgave 2009
Toen ging het mis. De trainingsopbouw van Mark Spigt
werd doorbroken door een geheimzinnig virus dat hij
tijdens opbouwwerk in Afrika opliep en voor recidiverende
koorts zorgde. Jochen Cals werd ziek tijdens een bezoek
aan Ierland en moest uiteindelijk van deelname afzien.
Nick Zwartjes kon wegens familieomstandigheden niet
in Nederland zijn. En zo lag de druk plotseling op de
schouders van Sjoerd Hobma en Christophe DeMoulin
die in de voorbereiding eigenlijk alles hadden gedaan om
een slecht resultaat neer te zetten. Geert-Jan Dinant wist
kort tevoren het team nog te versterken, en ook tijdens
het laatste uur voor de start werd binnen andere teams
schaamteloos geronseld onder toplopers van andere
teams. Hoewel, schaamteloos: uiteindelijk heeft natuurlijk
alles met huisartsgeneeskunde te maken, van ICT en
telefonie tot accountancy en consultancy. Desondanks was
het zelfvertrouwen op dat moment nog niet geweken en
er werden zelfs nog prikkelende opmerkingen gemaakt
tegen de deelnemers van het enorme UM team dat zich in
een soort voetbalshirts naast het HAG-team verzamelde.
De temperatuur steeg snel in het uur voor de start tot
bijna 30 graden, met een hoge vochtigheidsgraad. Goed
gevoed en gehydrateerd en in functionele hemdjes met de
aanduiding ‘UM vakgroep huisartsgeneeskunde’gekleed,
wachtten wij de start af. Deze werd naar Maastrichtse
traditie een kwartiertje uitgesteld. Dat gaf ons de kans
de tegenstanders te bekijken. Op de t-shirts van onze
tegenstanders lazen we teksten als “Ambitie is onze kracht”
en “No borders, no limits”. Wij waren trots op onze sobere
shirts en opdruk (het was goed dat we hadden afgezien
van de toevoeging: ‘Huisarts, een vak man!’), en nog altijd
voelden we dat onze kansen goed waren.
Het mocht niet baten. Robert Willemsen zette, in
alle stilte maar zeer solide, een tijd neer die van hem
verwacht mocht worden. Zijn marge met Mark Spigt
die teleurgesteld over de finish kwam, was aanzienlijk.
Hij werd gevolgd door een gedesillusioneerde Sjoerd
Hobma en een naar verwachting presterende Christophe
DeMoulin – hun tijden boden echter geen enkele kans op
de helicoptervlucht hoofdprijs.
Inmiddels was het, hoe symbolisch, gaan regenen. Ook
waren er al hinderlijk veel voetbalshirtjes in het finishvak.
Teamcaptain Geert-Jan Dinant zette een prima prestatie
neer maar uiteindelijk was het team kansloos. Een vijfde
plaats op een totaal van 60 teams viel achteraf nog
mee. De teleurstelling werd individueel verwerkt want
de teamleden zwierven ieder nog lang door Maastricht,
zonder elkaar tegen te komen.
Later kwamen we Jonne van der Zwet tegen. Zij bleek niet
alleen gestart te zijn voor de 15 kilometer individueel, zij
heeft hem ook prima gelopen. Zij ging met een ziek gevoel
6
׉	 7cassandra://fU7cdCuErYgiOXwqasYeHfZkt7Js83gSM7ThDSjUEB4@`g XL]䰆T-׉E_op één lijn 34
2e uitgave 2009
en stijve nek (‘ik was net Quasimodo’) van start, maar
zoals ze zelf zei 'het enige wat het goed deed aan mijn lijf
waren mijn benen’ en ‘hierdoor liep ik een best aardige tijd,
slechts 3 minuten langzamer dan mijn tijd van vorig jaar
toen ik fit was en veel meer getraind had'. Inlijven dus deze
dame voor het team van volgend jaar!
Hoe anders verliep het tijdens de 5K die kort daarna
verlopen werd. Hier werd de vakgroep vertegenwoordigd
door Job Metsemakers, Wies van de Meiracker en onze K3
bestaande uit junior onderzoekers Sil Aarts, Ruth Brauer en
Laura Deckx. Het regende, het was druk op het bochtige
en gladde parcours maar één voor één druppelden de
dames vrolijk binnen, zeer tevreden met hun prestatie. Job
Metsemakers zette schijnbaar onbewogen een prima tijd
neer, en was na de finish zo weinig aangedaan dat er voor
een volgende keer zeker een verbetering van een aantal
minuten inzit. Of het nu toeval was of niet, maar zowaar
droogde het op en ging de zon weer schijnen. Tijd om de
balans op te maken.
Leerpunten voor de volgende keer zijn duidelijk. Het 15K
team heeft de potentie te winnen. Bij de volgende editie
kan het team intact worden gelaten of verder worden
versterkt, maar zal tevoren in minstens 1 wedstrijd
vormbehoud moeten worden aangetoond. Daarnaast
moeten 3 maanden voor deelname alle paspoorten en
racefietsen bij teamcaptain Geert-Jan Dinant worden
ingeleverd: zo worden veel problemen voorkomen.
Het 5K team dat dit jaar bestond uit individuele leden,
zal volgend jaar onder leiding van Mark Spigt als
wedstrijdteam deelnemen, zodat gezamenlijk kan worden
genoten van de faciliteiten van de bedrijvenloop. Zo zal
2009 de boeken in gaan als een jaar waarin veel geleerd is.
Volgend jaar zijn we er weer..
Visiting professor Aziz Sheikh van de University of Edinburgh
“We zijn altijd op zoek naar de
best brains”
PERSBERICHT CAPHRI
Niet eerder was visiting professor Aziz Sheikh in
Maastricht. Toch durft hij tijdens zijn eerste bezoek aan
de Universiteit Maastricht al een eerste oordeel uit te
spreken. De universiteit heeft hoge, maar realistische
ambities en werkt goed samen met het academisch
ziekenhuis, vindt hij. “Wat me tijdens de gesprekken
binnen Caphri is opgevallen, is dat mensen openstaan
voor suggesties en echt geïnteresseerd zijn in de
opvattingen van anderen.”
Het is een klimaat waarin Aziz Sheikh zich goed thuis
voelt. “Want samenwerking leidt tot betere inzichten en
uiteindelijk dus tot betere onderzoeksresultaten. Daarom
zijn we in Edinburgh ook altijd op zoek naar de best brains
en leggen we wereldwijd contacten.” Aziz Sheikh werkt
aan de University of Edinburgh in Schotland als professor
of Primary Care Research & Development van de afdeling
General Practice. De komende twee jaar zal hij als visiting
professor regelmatig de Universiteit Maastricht bezoeken.
Helemaal nieuw is het contact met de universiteit niet,
vertelt hij. Zo werkt hij sinds een jaar onder meer samen
met waarnemend wetenschappelijk directeur Onno van
Shayck van Caphri in een onderzoek naar (de preventie
van) astma en allergieën. “Ik kende de universiteit en
Caphri natuurlijk al langer, onder meer van de publicaties
in internationale journals. Op het gebied van primary care
is Caphri heel sterk en heeft het instituut veel potentie.”
In zijn rol als visiting professor wil Aziz Sheikh zich dan ook
toeleggen op het gezamenlijk onderzoek naar de preventie
van astma en allergieën. Internationale samenwerking is
echt nodig op dit terrein, zegt hij. “Want we willen veel
kinderen in verschillende landen langere tijd volgen, zodat
we uiteindelijk het risico op het ontwikkelen van astma en
allergieën kunnen terugdringen.”
Patiëntveiligheid
Nieuwe technologieën spelen ook een grote rol in het
terugdringen van het aantal medische fouten, zegt Aziz
Sheikh. Sprekend over patiëntveiligheid stelt hij dat in de
Verenigde Staten jaarlijks gemiddeld 100.000 mensen
sterven door medische fouten. In Europa is de situatie
vergelijkbaar en zijn fouten eveneens vaak het gevolg
van de wijze waarop de zorg is georganiseerd, stelt hij. “Je
herkent overal dezelfde patronen.”
7
XL]䰆T.XL]䰆T-bBבCט   bBu׉׉	 7cassandra://Fo5mmpZRQnIrzzG693OKaYZD7F_VXUSz1iWaRAeSYV8 4`׉	 7cassandra://Dj_G_4Qr72s0tC_6nkHs0hw1sLmbzWm_KNbKZzd4pQsʹ`׉	 7cassandra://pnQE7jH4FWslzYozHL_fvJjMABf8zPhiGYpAjti2EUk5`g ׉	 7cassandra://jlYCMHEpVmrvbj-MRdEzQSx-S3Plj77b65w9iYB_mYk  ͠	XL^䰆T/׉E׉	 7cassandra://pnQE7jH4FWslzYozHL_fvJjMABf8zPhiGYpAjti2EUk5`g XL^䰆T0׈EXL^䰆T1XL^䰆T0bBבCט   bBu׉׉	 7cassandra://oX7TT28m0DSND9GZaDUfdGO4SIh_SNjesnEIOq0hfAQ `׉	 7cassandra://Y_57CzlpXoO9lgDtUHakjcMwhQMC8A5QL80zKdWfiL8Ͱ`׉	 7cassandra://JbGsxBAWzHVqcrQdXmVS-8SteS55Gl4YajpM7XuXqkY5`g ׉	 7cassandra://rQROXyrrNldAocCbo2MpGImf2SNdyaMEuTnWeKYJZ2o͋zt͠	XL^䰆T2נXLd䰆T 	jÁ̼9ׁH  mailto:mcp.geelen@hag.unimaas.nlׁׁЈ׉E4op één lijn 34
2e uitgave 2009
Arianne Theuws,
onderzoeker
Op 2 juni ben ik bij de vakgroep huisartsgeneeskunde
begonnen als onderzoeker. Het project waaraan ik werk
gaat over kwetsbare ouderen en heeft een financiële
insteek. In veel vernieuwende projecten is financiering een
probleem. Logisch, want de structuren zijn gericht op de
oude situatie, niet op de vernieuwingen. Mijn project heeft
dan ook als doel om financiële onderbouwing te zoeken
voor samenwerkingsinitiatieven tussen de eerste en
tweede lijn in de zorg voor kwetsbare ouderen.
Steeds vaker werken huisartsen samen met andere
disciplines om de zorg voor kwetsbare ouderen te
verbeteren. Het doel is bijvoorbeeld deze ouderen vroeg
op te sporen en ze beter te begeleiden door afstemming
tussen eerste en tweede lijn zorgverleners. Het ministerie
van VWS stimuleert dergelijke initiatieven door het
Nationaal Programma Ouderenzorg. Onder andere
projecten in de regio’s Parkstad, Maastricht en Westelijke
Mijnstreek hebben financiële ondersteuning gekregen
vanuit dit programma.
De activiteiten worden nu op projectbasis gefinancierd.
Om te voorkomen dat continuïteit en samenwerking
na afloop van de projectfinanciering vanuit NPO wordt
bemoeilijkt is mijn project geformuleerd.
Ik hoefde niet lang na te denken of ik geïnteresseerd
was in dit project. Op verschillende manieren heb ik me
de afgelopen jaren beziggehouden met Ouderenzorg.
In de zorg zelf, in beleid en in onderzoek. Ik herken de
problematiek uit de praktijk en realiseer me hoe belangrijk
het is iets te kunnen bijdragen aan een betere zorg voor
kwetsbare ouderen.
Het project wordt gedaan vanuit huisartsgeneeskunde in
samenwerking met andere vakgroepen. Betrokken zijn:
Dr. Sjoerd Hobma (HAG), Prof. Dr. Guy Widdershoven
(voorheen CAPHRI en ACZIO), Dr. Tineke Abma (HES),
Dr. Aggie Paulus (BEOZ) en Dr. Trudy van der Weijden (HAG).
Marjolein Oerlemans,
huisartsonderzoeker
Vorige maand ben ik afgestudeerd als huisarts. Ik riep al
lang dat ik het huisartsenvak in de toekomst wilde gaan
combineren met onderwijs en onderzoek, maar nu heb ik
eindelijk iets gevonden dat bij me past.
Naast mijn werk als huisarts in een gezondheidscentrum
in Eindhoven ga ik anderhalve dag in de week werken
als onderzoeker binnen de huisartsenopleiding. Ik ga me
daar bezig houden met de verdere ontwikkeling van de
videotoets plus.
Een voordeel van de videotoets plus ten opzichte van de
huidige videotoets is, dat er niet alleen naar communicatie
en professionaliteit gekeken wordt, maar dat men ook het
10
klinisch redeneren van de aios beoordeelt. Door een videoopname
gestructureerd na te bespreken kun je meer de
diepte ingaan, waardoor de educatieve waarde mogelijk
nog groter is.
Het leuke van dit onderzoek is dat je betrokken blijft bij de
opleiding van huisartsen, en contacten kunt leggen met
onderwijsexperts in het hele land.
Mijn toekomstplannen? Als het onderzoek goed op gang
komt, zou ik er graag een promotieonderzoek van willen
maken. Daarnaast zou ik over een aantal jaren graag aios
in de praktijk op willen gaan leiden om ze te laten zien hoe
prachtig het huisartsenvak is!
׉	 7cassandra://JbGsxBAWzHVqcrQdXmVS-8SteS55Gl4YajpM7XuXqkY5`g XL^䰆T3׉EIop één lijn 34
2e uitgave 2009
Michel Geelen,
gedragswetenschapper
Mag ik me voorstellen: Michel Geelen, 44 jaar, getrouwd
en 2 kinderen van 13 en 15 jaar.
Vanaf februari jl. ben ik als gedragswetenschapper
gestart in het 3de jaar van het AIOS- curriculum van de
Huisartsopleiding Maastricht. Al langer ben ik betrokken
bij het HAO-curriculum. Momenteel participeer ik in
blok 1 en werk ik samen met Gerard Benthem aan de
implementatie van coaching binnen het curriculum.
Na mijn loopbaan te zijn gestart in de forensische
psychiatrie werkte ik vanaf 1994 t/m 2000 als
gedragswetenschappelijk docent voor de Sociaal
Agogische Opleidingen, Maatschappelijk Werk en
Dienstverlening en Sociaal Pedagogische Hulpverlening.
Daarna keerde ik, als docent/ trainer, terug bij mijn
oude opleiding Geestelijke Gezondheidkunde/
Gezondheidswetenschappen aan de Universiteit in
Maastricht.
Naast mijn activiteiten aan de universiteit ben ik
zelfstandig coach. Hierbij richt ik me op empowerment
en bemiddeling in directe (face-to-face) professionele
communicatie.
In mijn vrije tijd sport en wandel ik graag, coach ik een
gezellig meidenhockeyteam en klus ik af en toe aan onze
oude woonboerderij.
Het moge duidelijk zijn dat “coachend communiceren”
zowel mijn invalshoek als speerpunt in het onderwijs
is. Nog niet echt een geplaveide weg binnen de
huisartsopleiding, maar wel een uitdagende...
Email: mcp.geelen@hag.unimaas.nl
Viola Voncken,
promovenda
Mijn naam is Viola Voncken en ik ben binnen de vakgroep
Huisartsgeneeskunde aan de slag gegaan als promovenda
onder begeleiding van Huibert Tange. De komende vier
jaar ga ik me bezighouden met onderzoek naar het
verbeteren van de leefstijl van COPD patiënten door
middel van het gebruik van een zelfhulpmanagement
programma. Dit computerprogramma geeft adviezen
ZIE OOK PAGINA 19
op maat, over rookgedrag, medicatie inname, voeding
en beweging. Ik heb zelf psychologie gestudeerd,
hier in Maastricht. De Master ‘experimental health
psychology’ die ik heb afgerond, heeft ertoe bijgedragen
dat ik zeer geïnteresseerd ben geraakt in gezondheid en
gedragsverandering.
11
XL^䰆T4XL^䰆T3bBבCט   bBu׉׉	 7cassandra://yB1abZMofkG6Lzx5EHOQGG_RjyxJxvVNZ0jBvSuMAhw `׉	 7cassandra://tWXW9rCS7pZ20euGuHSSLotgxQVZ3OubkrBCA79L4lgͿ`׉	 7cassandra://c5KkV3fIH9eV6xpxDWltc0rrmeUlRzHTRDXGJTulc_Y9`g ׉	 7cassandra://YjbJkpf43Dy5g_JXMsi7b-j7G-nXAwSsih4YJKPyTQk˄h͠	XL^䰆T5׉Eg2e uitgave 2009
Buitenlandervaring
Prima combinatie van
werken, leren en ontspannen
DOOR TINEKE VAN GEEL, ONDERZOEKER
In oktober 2008 ben ik gepromoveerd (aandachtsgebied
osteoporose, red.) aan de Universiteit Maastricht en heb
ik een aanstelling als postdoc onderzoeker (Caphri, bij de
vakgroep Huisartsgeneeskunde) gekregen. Een erg leuke
bijkomstigheid was dat ik voor 4 maanden naar Sydney
mocht gaan. Dit heb ik natuurlijk met beide handen
aangegrepen!
Afgelopen januari zijn mijn vriend en ik vertrokken.
De temperatuur was in het begin wel erg wennen:
van een ontzettende koude winter naar een erg warme
zomer (40°C).
Ik was aangesteld als visiting research fellow aan het
Garvan Research Institute bij ‘The Osteoporosis and Bone
Biology Program’. Deze afdeling wordt geleid door prof.
John Eisman.
Alles wat ik mij van te voren had voorgenomen om te
bereiken is ook gelukt, waaronder het combineren van
de datasets, het gezamenlijk schrijven en beoordelen
van artikelen en subsidievoorstellen. De dataset van het
Garvan institute bestaat uit gegevens van mannen en
vrouwen van 60 jaar en ouder met een eerste fractuur.
De Maastrichtse dataset bestaat uit gegevens van
postmenopauzale vrouwen van 50 jaar en ouder met en
zonder fracturen. Zowel uit de data verzameld in Sydney
als Maastricht bleek dat een tweede fractuur snel na een
eerste fractuur optreedt als patiënten met een fractuur
niet snel behandeld worden. Ruim 20% van alle tweede
fracturen treedt op binnen 1 jaar na de eerste fractuur.
Door het samenvoegen van de datasets kunnen we dit
fenomeen verder onderzoeken. Het samenwerken is
wederzijds zo goed bevallen dat we bezig zijn met het
opzetten van een wereldwijd netwerk en veel nieuwe
ideeën hebben gekregen waarbij we nauw zullen
samenwerken en gebruik zullen maken van elkaars
expertise.
Gelukkig was er ook voldoende tijd om te reizen. Sydney
is een ontzettend mooie en schone stad met parken waar
je uren in kunt wandelen en lekker kunt picknicken.
Iets wat de Australiërs zelf graag doen. In Sydney is altijd
iets te doen, waaronder het muziekfestival en het Open
Air filmfestival. Het aparte van het laatst genoemde
12
festival is dat het ook weer een openluchtfestiviteit is
met een supergroot filmscherm dat dusdanig geplaatst is
dat je tijdens de film een prachtig uitzicht op the Opera
House en Harbour Bridge hebt.
In januari hebben we Melbourne bezocht en zijn we
twee dagen naar het tennis van de Australian Open gaan
kijken. Een week later zijn de branden ontstaan in de
omgeving van Melbourne waarbij bijna 200 doden zijn
gevallen. Complete dorpen zijn van de kaart weggevaagd
en veel mensen zijn alles kwijtgeraakt. De meeste
branden zijn zelfs bewust of onbewust aangestoken, dat
is het gruwelijke van het geheel.
In april zijn we de Great Ocean Road, die na Melbourne
begint en voor Adelaide ophoudt, gaan rijden. Een
van de hoogtepunten die welbekend is, zijn de Twaalf
Apostelen, maar niet alleen deze bezienswaardigheid is
mooi, het hele gebied eromheen is geweldig met allerlei
prachtig gevormde rotsen. De vier maanden zijn werkelijk
omgevlogen.
Kortom: het is een ervaring die ik nooit zal vergeten!
op één lijn 34
׉	 7cassandra://c5KkV3fIH9eV6xpxDWltc0rrmeUlRzHTRDXGJTulc_Y9`g XL^䰆T6׉Eop één lijn 34
2e uitgave 2009
Promotie Arian Plat
PROMOTORES: PROF.DR. C.P. VAN SCHAYCK; PROF.DR. P.W. DE LEEUW.
CO-PROMOTORES: DR. H.E.J.H. STOFFERS; DR. A.A. KROON.
TITEL:
DATUM:
GENETICS AND CARDIOVASCULAR RISK IN A PRIMARY CARE POPULATION. STUDIES FROM THE HIPPOCRATES PROJECT.
VRIJDAG 29 MEI 2009
In de regio Kerkrade komen al jaren veel hart- en
vaatziekten voor. In dit proefschrift is in een eerstelijns
patiëntenpopulatie gekeken of het bepalen van een
aantal genetische kenmerken toegevoegde waarde heeft
bij het vaststellen van het risico op hart- en vaatziekten.
In dit onderzoek is naar zes polymorfismen gekeken.
Eén van de belangrijkste conclusies is dat er wel een
verband bestaat tussen deze polymorfismen en hart- en
vaatziekten maar dat de toegevoegde waarde voor deze
groep eerstelijns patiënten gering is (slechts 1% meer
ten opzichte van de traditionele risicofactoren zoals
cholesterol, hoge bloeddruk en diabetes). Te klein dus
om te gebruiken in de dagelijkse klinische situatie bij de
hele groep. Voor individuele patiënten met specifieke
karakteristieken waren er daarentegen wel aanwijzingen
dat bepaling van sommige polymorfismen een bijdrage
zouden kunnen leveren aan de schatting van het
cardiovasculaire risico.
CAPiTA: inclusie Maastricht blijft helaas achter
Pneumokokkenvaccinatieonderzoek
bij 65+
Inleiding
Afgelopen najaar is het Julius Centrum voor
Gezondheidswetenschappen en Eerstelijnsgeneeskunde,
onderdeel van het UMC Utrecht, gestart met het grootste
vaccinatieonderzoek dat ooit in Nederland is uitgevoerd,
het CAPiTA-onderzoek.
CAPiTA moet uitwijzen of ouderen met een nieuw vaccin
effectief beschermd kunnen worden tegen ziekten
veroorzaakt door pneumokokken.
Hoe het loopt
De werving gaat over het algemeen erg goed. Er zijn
op dit moment 909 geïnteresseerde huisartsen in heel
Nederland. Momenteel wordt er volop gevaccineerd in
de regio Twente en dat gaat erg goed. De werving van
huisartsen in de Maastricht en omgeving gaat helaas
nog steeds erg moeizaam. Op dit moment hebben we 10
geïnteresseerde huisartsen in Maastricht en omgeving.
Dit is erg weinig in vergelijking met de andere regio’s en
daarom zijn nu 2 mensen actief huisartsen aan het werven
in Maastricht.
13
XL^䰆T7XL^䰆T6bBבCט   bBu׉׉	 7cassandra://47mL4XkQ3pEnSwb6udBb8GfKx_sP9Ypr-3XfwNbYkic j` ׉	 7cassandra://utijuq1d1SEzNwP6xt2bcJsufsz4OAZDY9pmXd5lmIoͰb`׉	 7cassandra://3IZPBkQ7d_pArfhFO_lov_zm2Q_FaEaJJHPaLv-qd5g5S`g ׉	 7cassandra://n-2HfsD5LmLvdlFAujn8u8QeaMN4RlGrcYwMYAbpj-A͂͠	XL^䰆T8נXLd䰆T 	?Á̧9ׁHmailto:Amuse-2@hag.unimaas.nlׁׁЈ׉Eop één lijn 34
2e uitgave 2009
Achtergrond
Community Acquired Pneumonie (CAP) en invasieve
pneumokokkenziekte (IPD) zoals pneumokokken-sepsis
en –meningitis vormen wereldwijd een belangrijk
gezondheidsprobleem. In de westerse wereld worden
de hoogste incidenties van pneumonie en IPD gevonden
bij jonge kinderen en ouderen. Kinderen worden om
die reden al sinds 2006 gevaccineerd met een 7-valent
pneumokokken-conjugaatvaccin.
De Gezondheidsraad onderkent het potentieel belang van
vaccinatie bij ouderen, maar eerst dient de effectiviteit
van een pneumokokkenvaccin te worden onderzocht
alvorens opname in het rijksvaccinatieschema. De
CAPiTA studie zal antwoord geven of een nieuw 13-valent
pneumokokken-conjugaatvaccin (13vPnC) effectief is.
Dit nieuwe vaccin lijkt sterk op het 7-valente vaccin
voor kinderen maar is uitgebreid met 6 pneumokokken
serotypen om een betere bescherming bij ouderen te
bereiken.
Opzet van de studie
Het onderzoek wordt uitgevoerd bij 85.000 mensen
van 65 jaar en ouder in een aantal regio’s in Nederland.
De deelnemers ontvangen in speciale door het
Julius Centrum opgezette lokale vaccinatiecentra
de pneumokokkenvaccinatie (of placebo). Dit
gebeurt dubbelblind gerandomiseerd. Daarna zullen
ziekenhuisopnames en sterfte voor pneumokokken-CAP
en IPD gedurende twee jaar worden geregistreerd om de
effectiviteit van vaccinatie te bepalen. In de eerste fase
werd het onderzoeksvaccin samen met het griepvaccin
gegeven en zijn bijna 30.000 deelnemers geïncludeerd.
Het tweede deel zal zonder de combinatie met het
griepvaccin worden uitgevoerd.
Rol van de huisarts
Medewerking van huisartsen is echter cruciaal voor
het onderzoek. Huisartsen wordt gevraagd eenmalig
kandidaat-deelnemers te selecteren op basis van leeftijd
(65 jaar of ouder) en een korte lijst van exclusiecriteria.
Daarnaast dienen alle ernstige ziekten van deelnemers
(zogenaamde serious adverse events, SAE’s) die in de
eerste 28 dagen na vaccinatie optreden door de huisarts
doorgegeven te worden aan het Julius Centrum. En
tenslotte zal gedurende de twee daaropvolgende jaren
gevraagd worden of er deelnemers zijn overleden
of verhuisd. De huisarts krijgt een vergoeding per
geselecteerde patiënt, per geïncludeerde deelnemer
en voor het rapporteren van SAE’s en patiënten die zijn
verhuisd of overleden. Binnenkort zullen we Maastricht
de huisartsen, arts-microbiologen en ziekenhuizen in deze
academische regio (opnieuw) benaderen met de vraag of
zij aan dit belangrijke onderzoek willen deelnemen.
Voor capitahuisartsen@umcutrecht.nl of
www.vaccinatieonderzoek.nl/huisartsen.html.
Wilt u als huisartspraktijk deelnemen, dan vindt u op
deze website ook een aanmeldingsformulier. U kunt zich
ook per email aanmelden.
Update Amuse II
Diagnostiek van longembolie
door de huisarts
In vorige nummers van ‘Op 1 lijn’ heeft u kunnen lezen
over de Amuse-II studie. In Amuse-II wordt onderzocht
of het in de huisartsenpraktijk mogelijk is om veilig
longembolie uit te sluiten met behulp van de klinische
beslisregel van Wells en een Point-of-Care D-dimeertest.
De inclusie van Amuse-II loopt nog steeds. Regio Zuidoost
Nederland heeft regio Amsterdam al ingehaald! Hier de
laatste stand van zaken m.b.t. de inclusie.
Momenteel hebben we landelijk 444 patiënten ingesloten
in Amuse-II. Hiervan heeft Maastricht 124 patiënten
geïncludeerd, Amsterdam 105 en Utrecht 215. Van al deze
patiënten behoort ongeveer 44,8% tot de laag risico
groep met een Wells score ≤ 4 & een negatieve Point-ofCare
D-dimeertest. Tot nu toe heeft van de patiënten met
complete follow-up ongeveer 10,1% een longembolie.
In totaal zullen we nog zo’n 300 patiënten nodig hebben
om iets te kunnen zeggen over het veilig uitsluiten van
longembolie door de huisarts. De inclusie loopt nog tot
begin 2010.
14
׉	 7cassandra://3IZPBkQ7d_pArfhFO_lov_zm2Q_FaEaJJHPaLv-qd5g5S`g XL^䰆T9׉Eop één lijn 34
2e uitgave 2009
600
500
400
300
200
100
0
MUMC+ totaal
AMC totaal
UMC totaal
Totaal
Gewenste aantal
Blijft u denken aan Amuse-II tijdens uw
consulten in de praktijk! We hebben elke
inclusie hard nodig!
Namens het hele onderzoeksteam AMUSE:
Petra Erkens, Marion de Mooij, Jelle Stoffers,
Hugo ten Cate, Martin Prins
Amuse-2@hag.unimaas.nl / tel. 043-3882324
WESP: Wetenschaps Participatie
Het meten van de medische
zorgbehoefte bij mensen met
een verstandelijke beperking
DOOR: LONNEKE TIMMERMANS
BEGELEIDERS: WIL BUNTINx EN HENNY LANTMAN
Het doel van mijn WESP was het opzetten van een
instrument dat de medische zorgbehoefte bij mensen met
een verstandelijke beperking meet. Dit instrument moest
zo valide en betrouwbaar mogelijk zijn. Het uitgangspunt
van dit instrument was de SIS (Supports Intensity Scale),
die in 2005 door the American Association of Mental
Retardation werd gepubliceerd. De SIS is een vragenlijst
bestaande uit 3 subschalen die de totale zorgbehoefte
meet bij mensen met een verstandelijke beperking.
Een van die subschalen is de medische zorgbehoefte,
andere subschalen gaan over de zelfredzaamheid,
belangenbehartiging en gedragsproblematiek.
15
sept ’07
nov ’07
jan ’08
mrt ’08
mei ’08
juli ’08
sept ’08
nov ’08
jan ’09
mrt ’09
mei ’09
XL^䰆T:XL^䰆T9bBבCט   bBu׉׉	 7cassandra://L6taZYO3J8nyeOydEm-GcBZ_6DZymVDzwuTgV0WGWaA 	` ׉	 7cassandra://haaPF0DzXmKdgfP4cg_x7daAVdNJcl2Swx-_0jeyI-U@`׉	 7cassandra://8P7OOYZa2GS15H-n3odJTRura2HnwySGZcWjGY4Vw4I=`g ׉	 7cassandra://K4ttSJvbxzgzBnjwfpPljuite18mKLr9ONUskI-tj8I͏T͠	XL_䰆T;׉Eop één lijn 34
2e uitgave 2009
Uit onderzoeken naar betrouwbaarheid en validiteit van de
SIS blijkt onder andere dat de interne consistentie van de
subschaal medische problematiek het laagst is. Naarmate
de vragenlijst meer gebruikt werd in de praktijk kwam er
tevens meer commentaar op de inhoud en de vormgeving,
vooral op subschaal medische problematiek.
Om de originele schaal te verbeteren, hebben we gewerkt
volgens een stappenplan waarbij het eerste deel bestond
uit een stuk kwalitatief onderzoek. Een panel bestaande
uit 14 AVG’s (Arts Verstandelijk Gehandicapten) werd
samengesteld om de meningen van experts te horen.
Zij kregen een lijst voorgelegd met alle originele items
van de SIS, aangevuld met volgens de literatuur, essentiële
onderwerpen betreffende de medische verzorging.
De artsen gaven veel goede tips en nuttige informatie.
De tweede stap was het verspreiden van de nieuwe
lijst in instellingen voor mensen met een verstandelijke
beperking. 192 lijsten werden ingevuld na het interviewen
van 78 begeleiders die werkzaam waren op de instellingen.
Het resultaat van dit veldonderzoek was deels kwantitatief
(de ingevulde vragenlijsten) en deels kwalitatief (tips en
commentaar van de begeleiders). Opnieuw dus weer een
hoop informatie om te verwerken.
Zo is de stand van zaken op dit moment. Een stuk statistiek
is reeds achter de rug. Nu moet de vragenlijst nog
dusdanig worden aangepast zodat deze voldoende
betrouwbaar en valide is om hem gaan te gebruiken in
de praktijk. Hopelijk kunnen we eind dit jaar een artikel
publiceren over onze bevindingen.
Bij het onderzoek is het duidelijk geworden dat het meten
van de zorgbehoefte van belang is voor meerdere partijen:
de verzorging, het management
van de instellingen, de overheid
en natuurlijk de patiënt zelf.
Wanneer instrumenten worden
gebruikt om zorg te plannen
en in te schalen, dan moeten ze
ook goed getest en onderzocht
zijn. Ik hoop daarom met deze
WESP stage een stukje te hebben
bijgedragen aan het ontwikkelen
van de nieuwe schaal.
Effectiviteit leefstijlzorg bij
patiënten met diabetes mellitus
DOOR: RICK BEKKERS
BEGELEIDERS: MARK SPIGT, JORIS LINMANS EN LUC GIDDING
Tijdens mijn wetenschapsstage
heb ik onderzoek gedaan naar de
effectiviteit van leefstijlzorg in de
eerste lijn voor patiënten met type
2 diabetes mellitus. Leefstijlzorg
refereert aan alle activiteiten die
zorgverleners kunnen uitvoeren
om de leefstijl van patiënten
te beïnvloeden. Uit diverse
gerandomiseerde studies blijkt dat
leefstijl-interventies effectief zijn voor de preventie en de
behandeling van type 2 diabetes mellitus. De incidentie
is tot de helft te reduceren in een populatie die at risk is
voor het ontwikkelen van diabetes (gestoorde glucose
tolerantie). Daarnaast leidt gewichtsverlies en toegenomen
fysieke activiteit tot een betere glycemische controle en
kan diabetesgerelateerde medicatie verminderd worden.
Het is echter de vraag of de resultaten uit deze gerandomiseerde
gecontroleerde trials ook in usual care kunnen
worden gehaald. Hiervoor is een goed registratiesysteem
16
nodig van leefstijlindicatoren. Het gewicht, het BMI en het
beweeggedrag dienen regelmatig te worden geregistreerd
bij diabetespatiënten.
Binnen de SGE (Stichting Gezondheidscentra Eindhoven)
worden deze leefstijlindicatoren bij diabeten geregistreerd
in het HIS. De SGE bestaat uit 10 gezondheidscentra welke
zorg dragen voor in totaal circa 60.000 patiënten. Met
een uitspoel van leefstijlgerelateerde gegevens heb ik
onderzoek gedaan naar de effectiviteit van leefstijlzorg in
de SGE.
Het gaat hierbij voornamelijk om de vraag of alle
inspanningen die geleverd worden om leefstijl te
verbeteren leiden tot een lager gewicht en een verbeterd
beweeggedrag bij patiënten met type 2 diabetes. In de
huidige zorg wordt veel aandacht besteed aan leefstijl.
Patiënten gaan naar de diëtist, krijgen adviezen van de
huisarts en praktijkondersteuner diabetes en soms worden
ze begeleid door een beweegconsulent, om meer te gaan
bewegen.
׉	 7cassandra://8P7OOYZa2GS15H-n3odJTRura2HnwySGZcWjGY4Vw4I=`g XL_䰆T<׉E=op één lijn 34
2e uitgave 2009
Ik heb een database gecreëerd waarin gegevens over
gewicht, BMI en beweeggedrag van ruim 2000 diabetespatiënten
werden samengevoegd. De observatieperiode
duurde bijna 2 jaar, van juni 2007 tot april 2009.
Analyse van de data laat zien dat het gewicht bij diabeten
in de tijd niet verandert. De gemiddelde lijn van het
gewichtsverloop bij diabeten is nagenoeg horizontaal. Uit
een subanalyse blijkt dat dit ook het geval is wanneer we
alleen patiënten bekijken die overgewicht of (morbide)
obesitas hebben. Deze laatste groep betreft overigens ruim
80% van de totale type 2 diabetes populatie.
Verder is gebleken dat het beweeggedrag bij het grootste
deel van de diabeten niet verandert (60%), voor een kleiner
deel verslechtert (25%) en dat er slechts een hele kleine
groep is die het beweeggedrag heeft verbeterd gedurende
de observatieperiode (15%). Het is daarnaast opvallend
dat ruim 90% van de patiënten niet aan sport doet en dat
amper 40% voldoet aan de gestelde ‘Nederlandse norm
gezond bewegen’.
Hoewel het niet toenemen van gewicht ook als een effect
van leefstijlinterventies kan worden beschouwd, heb ik
geconcludeerd dat de huidige leefstijlzorg in elk geval
nog ‘onvoldoende effectief’ te noemen is. Dit kan voor
een gedeelte verklaard worden door een onvolledige
registratie en het feit dat het huidige zorgprogramma
diabetes, met nieuwe functies en verantwoordelijkheden,
nog niet zo lang wordt gehanteerd en zich nog verder
moet ontwikkelen. De resultaten uit de eerder verrichte
studies worden nu in de Eindhovense usual care nog niet
benaderd. Echter worden de komende jaren deze analyses
herhaald, waarbij we verwachten dat de (zichtbare)
effectiviteit zal toenemen.
Welke factoren zijn het meest van invloed op de ervaren leerzaamheid van het coschap
huisartsgeneeskunde?
Werkplekleren in de huisartsenpraktijk
DOOR: VERA HANSSEN
BEGELEIDERS: JONNE VAN DER ZWET, PAUL ZWIETERING & JOB METSEMAKERS
Er is veel literatuur over hoe artsen
en coassistenten leren op hun
werkplek. Deze onderzoeken zijn
voornamelijk uitgevoerd in de
klinische setting, het ziekenhuis.
Hieruit blijkt dat verschillende
factoren, zoals het heersende
leerklimaat, de kwaliteit van
de begeleiding en toenemende
zelfstandigheid het leren op de
werkplek beïnvloeden. Wij vroegen ons af welke factoren
het leren in de huisartsenpraktijk beïnvloeden. Wat zijn
de verschillen en overeenkomsten ten opzichte van de
kliniek?
Mijn onderzoek maakt deel uit van het promotietraject
van Jonne van der Zwet. Tijdens mijn WESP ben ik aan
de slag gegaan met reeds ingevulde vragenlijsten van
studenten die in 2007 het coschap huisartsgeneeskunde
gelopen hebben. In deze vragenlijst staan items over
de houding en kwaliteit van de huisartsopleider (HAO),
de mate en kwaliteit van observaties en feedback,
de kwaliteit en kwantiteit van de patiëntcontacten,
de hoeveelheid tijd gespendeerd aan het coschap, de
werksfeer, organisatie en leerzaamheid van het coschap.
We hebben een aantal van deze items door middel van
een factoranalyse samengevoegd waardoor er nieuwe
variabelen zijn ontstaan; kwaliteit van begeleiding
door de huisartsopleider, kwaliteit en diversiteit van
patiëntmix en faciliteiten die tot meer zelfstandigheid
leiden. Onze uitkomstmaat was de ervaren leerzaamheid.
Door middel van een regressieanalyse zijn we erachter
gekomen dat de kwaliteit van de begeleiding door de
HAO het meest van belang is voor een positief ervaren
leerzaamheid. Ook de kwaliteit en diversiteit van het
patiëntenaanbod is significant van invloed op deze
leerzaamheid. Faciliteiten die tot meer zelfstandigheid
leiden zijn in dit onderzoek niet uit de bus gekomen als
significante beïnvloedende factor, wat we eigenlijk wel
verwacht hadden gezien eerder onderzoek op dit gebied.
Ook in focusgroepen die nu worden uitgevoerd onder
coassistenten worden deze punten als erg belangrijk
betiteld. De overige resultaten waren in overeenstemming
met eerder verschenen literatuur. Hieruit concluderen
we dat de kliniek en de huisartsenpraktijk qua factoren
die van invloed zijn op de ervaren leerzaamheid, sterk
overeenkomen. Aanbevelingen voor de praktijk zijn dan
ook om deze drie pijlers te optimaliseren om zo de goede
kwaliteit van het coschap te blijven waarborgen. Hiervoor
is het noodzakelijk om de betekenis van deze factoren
specifiek voor de huisartsenpraktijk in beeld te krijgen.
17
XL_䰆T=XL_䰆T<bBבCט   bBu׉׉	 7cassandra://ftMmVWuce0IE8vU1BfVs_njz1cOcFT02AqmJaXQZW4Y `׉	 7cassandra://LAE4CGkRUoHJpliD_cVsg3FNdHYk98EUTGjjpWAE9EM`׉	 7cassandra://H8CEDkjLGFmJK43qzkhqZZv5ZpWElr3RuiikaNKHQ9o;`g ׉	 7cassandra://Rw1rGmy4WegBUJAHr9buTf21hnCz3L-BWfTFFYadzyw;Gd͠	XL_䰆T>׉Eop één lijn 34
2e uitgave 2009
Wat leren we hiervan?
• De Supports Intensity Scale (SIS) meet de totale
zorgbehoefte bij mensen met een verstandelijke
beperking door middel van subschalen zoals
de medische zorgbehoefte, zelfredzaamheid,
belangenbehartiging en gedragsproblematiek.
• Uit betrouwbaarheid- en validiteitonderzoek
blijkt onder andere dat de interne consistentie
van de subschaal medische problematiek het
laagst is en dat er veel commentaar op inhoud en
de vormgeving is, vooral op subschaal medische
problematiek.
• De noodzakelijke verbetering van de SIS wordt
door het onderzoeksteam met behulp van 14 AVG’s
aangepakt. Eind 2009 verwachten we de eerste
bevindingen.
• Leefstijlinterventies gericht op bv gewichtsverlies
en meer fysieke activiteit kunnen een belangrijke
rol spelen in de preventie en behandeling van
diabetes mellitus.
• Om de effectiviteit van dit soort interventies goed
te kunnen onderzoeken in de praktijksituatie, dient
de registratie van gewicht en mate van beweging
goed en uniform geregistreerd worden in de
praktijken.
• Analyse laat zien dat het gewicht van diabeten en
het beweeggedrag van de meeste diabeten in de
tijd niet verandert.
• De huidige leefstijlzorg is nog ‘onvoldoende
effectief’ te noemen maar zal wel naar verwachting
de komende jaren toenemen.
• In het coschap Huisartsgeneeskunde is de kwaliteit
van de begeleiding door de HAO het meest van
belang voor een positief ervaren leerzaamheid. Ook
de kwaliteit en diversiteit van het patiëntenaanbod
is significant van invloed op de leerzaamheid.
Aanbevelingen voor de praktijk zijn dan ook om
deze drie pijlers te optimaliseren om zo de goede
kwaliteit van het coschap te blijven waarborgen.
• Ook in focusgroepen met coassistenten worden
deze drie punten als erg belangrijk betiteld. De
klinische coschappen in het ziekenhuis en de
huisartsen-praktijk komen qua factoren die van
invloed zijn op de ervaren leerzaamheid, sterk
overeen.
Cultuurverschil IN de opleiding
Cultuurshock krap 1000 kilometer
van de Huisartsopleiding Maastricht
DOOR INGRID VAN DER HEIJDEN, JUNIOR HUISARTSSTAFLID
Eind 2008 bezocht een delegatie van de huisartsopleiding
Maastricht (Paul Ram, Bas Maiburg, Gerard Benthem
en Ingrid van der Heijden) op hun uitnodiging de
huisartsopleiding van Trento in Italië.
Wij spraken daar op hun eerste landelijke huisartsopleiders
congres over de organisatie en inhoud van de Nederlandse
huisartsopleiding, het curriculum van huisartsopleiders en
over toetsing en beoordeling.
Wij kregen van onze gastheren een uitvoerige presentatie
over de nadrukkelijke positie van ‘schone kunsten’
en het gebruik hiervan als onderwijsvorm binnen de
huisartsopleiding van Trento.
Zo heeft de huisartsopleiding Trento bijvoorbeeld
een huisarts in dienst die zich heeft toegelegd in
18
cinematografie. Maandelijks wordt er gezamenlijk een film
bekeken en geanalyseerd.
Aios bezoeken periodiek een museum en krijgen een
aantal uur onderwijs verzorgd door een socioloog.
Ze hebben –gedeeltelijk ook buiten officiële opleidingstijdeen
toneelvoorstelling (‘Doctor Knock’ van Jules Romain)
voorbereid en hebben meerdere voorstellingen in de
stadsschouwburg gegeven. De DVD van de voorstelling
werd ons getoond.
Als eerste huisartsopleiding van Italië, maakt de
huisartsopleiding van Trento gebruik van simulatiepatiënten-contacten,
welke op video worden opgenomen.
Groot verschil met de Nederlandse situatie is dat de
spreekkamer een leslokaal is en dat de overige aios in een
׉	 7cassandra://H8CEDkjLGFmJK43qzkhqZZv5ZpWElr3RuiikaNKHQ9o;`g XL_䰆T?׉E	>op één lijn 34
2e uitgave 2009
grote groep rondom de arts en simulatiepatiënt staan. Er
mogen medisch inhoudelijke suggesties gegeven worden,
maar slechts beperkt persoonlijk gericht commentaar en
zeker geen interpretaties.
Het bezoek aan de huisartsopleiding in Trento heeft ons
vooral geconfronteerd met een groot cultuurverschil.
Dit werd ons duidelijk door bijvoorbeeld de gebruikte
onderwijsmethodiek (urenlang frontaal onderwijs) en
omgangsvormen.
De onderwijsvorm lijkt een weerspiegeling te zijn van
hoe je met elkaar omgaat in de spreekkamer en in de
maatschappij.
Het bezoek heeft ons geprikkeld na te denken over
de impact van de onderwijsinhoud en- vorm op de
uitkomstmaat en de culturele determinanten hierin.
Binnen Huisartsopleiding Nederland en HVRC lijkt er
weinig aandacht te bestaan voor de rol van de eigen
cultuur op de onderwijsinhoud en- vorm.
Gesterkt door onze eigen ervaring in Trento, realiseren we
dat we (vooral bij allochtone aios) de bestaande impliciete
introductie in onderwijsvormen en onderwijsfilosofie
–de zogenaamde regels voor het sociale spel binnen de
huisartsopleiding- beter moeten expliciteren.
Verder concluderen we dat cultuur in engere zin (m.a.w.
‘kunst’) de kracht heeft om inhoudelijke verdieping van
reflectie te bieden en actief verbindingen weet te leggen
met ervaringen en reflecties. Kunst weet te inspireren en
intrinsiek te raken en biedt daarmee een verrijking van de
opleiding.
De collega’s van de huisartsopleiding Trento zijn uitgenodigd
voor een tegenbezoek om de culturele verschillen binnen
de huisartsopleiding nader uit te diepen.
De gastheren en vrouwen van de huisartsopleiding Trento flankeren Nederlandse delegatie
Isa Houwink, onderzoeker
Ik ben in 2008, na het afronden van mijn opleiding
huisartsgeneeskunde in Maastricht, begonnen als
onderzoeker aan de VU in Amsterdam.
Sinds 1 januari van dit jaar is ons promotieproject gestart
naar het ontwikkelen van een onderwijsprogramma over
genetica en genomics voor eerstelijns medewerkers.
Dit project is een samenwerking tussen de VU in
Amsterdam ( 1e promotor Prof. Dr. Martina Cornel,
hoogleraar Community genetics) en
Huisartsgeneeskunde in Maastricht
(2e promotor Prof. Dr. Geert Jan Dinant).
Dit project doe ik parttime naast mijn
werk als huisarts (HIDHA in Heerlen en
Maastricht) en als moeder,
dus ik verveel mij niet snel!
19
XL_䰆T@XL_䰆T?bBבCט   bBu׉׉	 7cassandra://5gpeVfMkOptLRFY2fuHokggKomPkGnE4An9GK8E7BZk T~` ׉	 7cassandra://SMlWE-lqTBS2jf7Dso04QCCLDv8beXDjfo7Dkylv02c#`׉	 7cassandra://3vVIaMbXD5zkOw9cO92CGGgyyRKVuL5-lqwE_nkv7s06`g ׉	 7cassandra://yj6SA0zIQ76UCKJ-1VL5oKKWdtR1ij2yerDMspRIm3YzL͠	XL_䰆TA׉EAop één lijn 34
2e uitgave 2009
Wie verre reizen maakt kan veel verhalen, dus...
Inpakken en wegwezen!
DOOR HENDRIK JAN VUNDERINK, REDACTIE EN HUISARTSBEGELEIDER
Uit het ruime aanbod op internet vond ik binnen een
minuutje een schitterende
8-daagse reis naar Gambia, logies-ontbijt, voor slechts
399 euro per persoon, vertrek 26 juni a.s.
Over 9 dagen vanaf het moment, dat ik dit stukje schrijf.
Weinig tot geen tijd daardoor om nog ergens anders aan
te denken dan aan het leegwerken van het bureau en de
aanschaf van gepaste kledij en andere zonneattributen.
Dit soort last-minute aanbiedingen is één van de
oorzaken van de toename van tropische ziekten en de
gevolgen daarvan waarmee de huisarts in Nederland
geconfronteerd wordt. Zo is het aantal aangiften van
malaria bijna vertwintigvoudigd van 16 in 1970 tot 313 in
1995, dat van buiktyfus van 23 tot 63 in dezelfde periode.
Jaarlijks reizen ruim 1,5 miljoen Nederlanders voor
hun vakantie of werk naar verre bestemmingen.
Risicogebieden voor infectieziekten liggen echter niet
alleen in (sub)tropische landen zoals in Azië, Afrika of
Midden-Zuid Amerika. Ook dichtbij in Turkije, Egypte
of Marokko en zelfs in enkele Oost-Europese landen
kunnen de hygiënische omstandigheden slecht zijn en
een bedreiging vormen voor de gezondheid. Het risico op
infectieziekten is zodoende niet alleen afhankelijk van de
bestemming, maar ook van wat men doet of overkomt
tijdens een reis.
Meer dan 50% van de reizigers is hiervan niet op de
hoogte en gaat zonder advies op reis. Verbetering van
de toegankelijkheid voor reizigersadvisering is dan ook
belangrijk. De huisarts staat dicht bij de Nederlandse
bevolking en kan mensen, door het geven van een
reizigersadvies, goed voorbereid op reis laten gaan. Bij
adequate immunisatie, eventueel chemoprofylaxe en
inachtneming van geadviseerde maatregelen worden
ernstige gezondheidsproblemen op reis en daarna
immers voorkomen.
Als logisch gevolg hiervan is het CHBB-register
Reizigersadvisering ingesteld, want de beroepsgroep wil
zelf de kwaliteit borgen van de hierin actieve huisartsen
en hun praktijkvoering.
Reizigersadvisering door de huisarts is ‘bijzonder
aanbod’ en veronderstelt extra training boven
de kennis en vaardigheden zoals genoemd in de
“Eindtermen van de huisartsopleiding”. Daarnaast
stelt het extra eisen aan de praktijkvoering. Het NHG
heeft hiervoor in de Praktijkwijzer Preventie een
onderdeel over reizigersadvisering opgenomen. Verder
betreft reizigersadvisering primaire preventie en een
systematische aanpak van de advisering blijkt effectief.
Om reizigersadviserend huisarts te worden, moet
de huisarts de basisopleiding Reizigersadvisering
van Travel Alert, PAOH of NSPOH hebben afgerond.
Voor de actualisering van het kennisdomein zijn de
huisartsen vooral aangewezen op het LCR (Landelijk
Coördinatiecentrum Reizigersadvisering) en de daaraan
gelieerde GGD-en, die voor actuele informatie zorgen.
Ook Travelalert is een informatieaanbieder.
Tijdens het reisconsult dienen de volgende elementen in
ogenschouw te worden genomen:
• Reis- en persoonsgegevens
• Preventie en voorlichting
• Immunisatie
• Malaria en dengue
• Bijzondere reiziger dan wel bijzondere reis
• Ziekte tijdens de reis
• Na de reis
Na de basisopleiding en het aanpassen van de
praktijkvoering aan het bijzonder aanbod moet de
huisarts voor het behoud van zijn registratie per 5 jaar
minstens 50 reisadvies-consulten begeleiden en minstens
20 uur relevante nascholing volgen.
Reizigersadvisering is dus een echte Bijzondere
Bekwaamheid. Voor mij een aantrekkelijke, want is het
niet fijn om tussen de rhinovirussen van alledag door
even meegevoerd te worden naar verre landen en de daar
voorkomende microflora en –fauna?
En wat nu met mijn reis naar Gambia over 1½ week?
Vlug een afspraak maken bij één van de inmiddels 205
geregistreerde huisartsen, want ik moet gevaccineerd
20
׉	 7cassandra://3vVIaMbXD5zkOw9cO92CGGgyyRKVuL5-lqwE_nkv7s06`g XL_䰆TB׉Eop één lijn 34
2e uitgave 2009
worden tegen Gele koorts, DTP en Hepatitis A, moet
aan de malariaprofylaxe (welke?) en heb ook advies
nodig over de risicopreventie t.a.v. Hepatitis B, TBC,
Meningococcenmeningitis, Rabiës, Bilharzia en Denguë.
Volgens mij allemaal veel te kort dag, voor mijn eerste
malariapil ben ik zeker al te laat.
Ik denk, dat ik maar naar Noorwegen ga: ook veel
muggen, maar in ieder geval zonder één of andere
Plasmodiumvariant.
En dan hoor ik de mooie verhalen wel van de patiënt
die straks niet zongebruind, maar kanariegeel op mijn
spreekuur verschijnt!
Deel 2 uit de reeks
Supervisie:
een ontdekkingsreis voor aios
DOOR HARRY MULLER EN MARIA MULDER, SUPERVISOREN HUISARTSOPLEIDING MAASTRICHT
In deel 1 van deze reeks1 over supervisie tijdens de
opleiding tot huisarts is het kader ervan en de beginfase
van supervisie geschetst. Nu krijgt de ontdekkingreis
zijn vervolg in de middenfase: het leerproces van de
supervisanten wordt verbreed en verdiept. Hun leer- en
aandachtpunten worden in daden omgezet en getoetst
aan de realiteit: het werken en leren in combinatie met
elkaar. De reis eindigt met de afrondingsfase:
de eindevaluatie van de supervisie.
De middenfase van supervisie
Elke supervisiebijeenkomst hebben één of twee
supervisanten inbreng aan de hand van een
praktijkervaring. Een dergelijk voorval wordt schriftelijk 2
à 3 dagen tevoren aan allen toegestuurd. De supervisor
en de medesupervisanten stellen vragen aan de inbrenger
om inzicht te krijgen in wat is feitelijk is gebeurd.
• Wat is er precies gebeurd?
• Wat betekent dit voor jou en de andere betrokkene(n)?
Pas als de inbrenger deze vragen heeft beantwoord
komen onderstaande vragen aan de orde.
• Zou je deze situatie ook anders kunnen bekijken?
Hoe dan?
• Hoe zou je dit anders willen aanpakken?
• Wat heb je daarvoor nodig?
Het leren in supervisie is gebaseerd op reflecteren. Dit
gebeurt aan de hand van bovenstaande vragen. De kern
is dat de supervisant vanuit een ander gezichtspunt een
nieuwe betekenis toekent aan zijn ervaring. Bijvoorbeeld:
een patiënt volgt een goed bedoeld advies van de
huisarts niet op en de patïent reageert geïrriteerd.
De vragen stimuleren de supervisant met andere ogen
naar dit voorval te kijken. Vervolgens ontdekt hij dat hij
zijn ervaring ook anders kan uitleggen en dit advies op
een andere manier kan geven. Dit leidt tot een (meer)
bewust en nieuw handelen, waarover hij opnieuw kan
reflecteren. In deze beschrijving is de leercirkel van Kolb
herkenbaar.
Om de ingebrachte voorvallen te analyseren en uit te
diepen maken supervisoren gebruik van verschillende
referentiekaders. Te denken valt aan: de Roos van Leary,
het kernkwaliteitenkwadrant van Ofman, handreikingen
voor assertief reageren, de Rationele Emotionele Therapie
van Ellis, enz.
Van elke bijeenkomst maken de supervisanten een
reflectieverslag (soms gebeurt dit minder frequent).
Hierin ordenen zij hun ervaringen, gedachten en
gevoelens. Dit verslag is een hulpmiddel om zelfstandig
te leren denken over zichzelf en het werk. De supervisor
kan zo volgen hoe zij aan hun leerdoelen werken en wat
er aan hun handelen verandert.
De volgende punten komen in dit verslag aan de orde:
• wat heb ik geleerd?
• wat was belang en wat niet?
• tot welk nieuw inzicht ben ik gekomen?
• wat is de betekenis voor mijn houding en gedrag?
Dit verslag wordt aan het begin van de volgende
bijeenkomst besproken.
1 Het eerste deel verscheen in Op éën lijn, nummer 33, voorjaar 2009
21
XL_䰆TCXL_䰆TBbBבCט   bBu׉׉	 7cassandra://axvwcztCNsTILyJWWJcivOdOOddh_lQpG4pOh4Aftt0 =(` ׉	 7cassandra://m8XupLmYDgS2gzy3BKZ4dS7SaHzbzYbaRgaMjrfkXGc͸h`׉	 7cassandra://w8GVSm-_LY-Ra8fZFVbPzlGrdBXQHHzR8epv3D3LqgA7`g ׉	 7cassandra://HvCH-SBMjfgGxk7ovmBHXU3lEK0XBzzKdnK_-IluE7k .L #͠	XL`䰆TD׉E׉	 7cassandra://w8GVSm-_LY-Ra8fZFVbPzlGrdBXQHHzR8epv3D3LqgA7`g XL`䰆TE׈EXL`䰆TFXL`䰆TEbBבCט   bBu׉׉	 7cassandra://5PHtEdvPBsxiGb79JyrK3s2AZOsaFjAZcbetN_J-hI4 `׉	 7cassandra://_sN4oEgr2u6GBG4HAbPnxUhwmgVLy3lX7ODzCiW2wZA͸`׉	 7cassandra://cflz53r_HXhox41tx9a-2hqSIINqJsjBODTcgNupGWI=`g ׉	 7cassandra://paxdUMpiYo8GNer0UKRAdW_HbbAA-0qpn35jB062jUY @̬͠	XL`䰆TG׉E *op één lijn 34
Themadeel
'Onderwijs'
24
׉	 7cassandra://cflz53r_HXhox41tx9a-2hqSIINqJsjBODTcgNupGWI=`g XL`䰆TH׉Eop één lijn 34
2e uitgave 2009
Inleiding op het thema
Uitnodiging
DOOR LAURY DE JONGE, SECTORHOOFD ONDERWIJS BASISCURRICULUM
Huisartsen die in hun werk ook coassistenten of
huisartsen-in-opleiding opleiden, zijn van alle huisartsen
in Nederland het meest tevreden over hun werk. Dat
blijkt uit onderzoek dat Irene van Ham deed bij de
vakgroep Huisartsgeneeskunde van het Universitair
Medisch Centrum Groningen, en waarop zij in 2006
promoveerde onder de titel “De arbeidssatisfactie van de
Nederlandse huisarts”.
Deze Op één lijn heeft als thema “Onderwijs”. Om een
bijdrage te leveren aan uw arbeidssatisfactie, wil ik u van
harte uitnodigen om deel te nemen aan het onderwijs
dat de vakgroep Huisartsgeneeskunde verzorgt aan het
basiscurriculum van de Universiteit Maastricht.
In het huidige curriculumjaar 2008-2009 werd maar
liefst ruim 18.254 uur onderwijs aangeboden door
onze vakgroep, wat overeenkomt met ruim 11 FTE. Dit
wordt ingevuld door circa 40 personen. Het overgrote
deel van dit onderwijs bestaat uit uitvoerende rollen,
waarvan die van Huisartsbegeleider van coassistenten
misschien het meest bekend is. Andere rollen in de
geneeskundeopleding zijn bijvoorbeeld die van tutor
van een onderwijsgroep of begeleider van sociale
vaardigheidstrainingen.
Naast uitvoerende rollen is er ook een aantal
coördinerende rollen die door medewerkers van onze
vakgroep met verve vervuld worden. Het door de
vakgroep Huisartsgeneeskunde gegeven onderwijs
wordt in de studentbeoordelingen bovengemiddeld goed
geëvalueerd.
Om onze uitnodiging kleur en achtergrond te geven
neem ik u graag in vogelvlucht mee door dit nummer van
“Op één lijn”.
Welke praktijkcontacten bieden we ook al
weer aan?
U kent ongetwijfeld de student die een gedeelte van zijn/
haar stage doorloopt in uw praktijk. Naast een beknopt
overzicht van de eigenschappen van de stages in de
verschillende jaren kunt u ook lezen hoe de studenten zelf
hun stages ervaren hebben, en dat zij hierbij niet alleen
medisch inhoudelijk kennis hebben opgedaan.
U kent de coassistent, maar wist u ook dat er praktijken
zijn die uitstekende ervaring hebben met het opleiden
van duo’s coassistenten? Er is al veel geschreven over de
nieuwe 6e jaars studenten, de WESP en GEZP, maar hoe
ervaren zij deze stages binnen de Huisartsgeneeskunde?
En hoe ervaart een doktersassistente nu eigenlijk al die
naar onderwijs hunkerende studenten?
Welke onderwijsrollen zijn er?
Huisarts Jeroen Smeets beschrijft zijn ervaringen in
zijn rol als observator bij de vaardigheidstoets, terwijl
collega Janneke van Drunen op persoonlijke wijze de
rol van Huisartsbegeleider van een groep coassistenten
beschrijft. Over de meer coördinerende rollen schrijft
Johan Evers in zijn bijdrage over zijn ervaringen met de
coördinatie van het 3e jaar, u weet wel, van de jaar 3
praktijkcontacten.
Er staat nog veel meer over onderwijs in dit
themanummer. Het Onderwijssecretariaat
Huisartsgeneeskunde is bij de meesten van u bekend
als vraagbaak bij onderwijsvraagstukken. Daarnaast
beschikt onze onderwijscoördinator Lilian Aarts over
uitgebreide informatie over inhoud, urenvergoeding
en functievereisten van de meeste rollen. U kunt altijd
contact via haar met ons opnemen indien u interesse
heeft, ook als u nog geen concrete gedachten over uw
mogelijkheden/capaciteiten heeft. Voor onderwijs is
altijd formatie of geld beschikbaar, en we hebben altijd
behoefte aan praktiserende huisartsen.
Wij werken hard aan een compleet, eenvoudig en
overzichtelijk portfolio van alle beschikbare rollen en
functies. Een portfolio dat niet alleen een opsomming is
van louter teksten, maar wat ook antwoord geeft op de
vraag “welke rol heeft u voor mij op een dinsdagmiddag?”,
of: “ik wil best meedoen, maar ik kan maar in één
bepaalde periode: heeft u dan wel iets voor mij?”.
Kortom: wij willen u van harte uitnodigen om zelf deel te
nemen aan onderwijs, hetzij in uw praktijk, dan wel op de
Universiteit.
Onderwijs, omdat u het waard bent!
25
XL`䰆TIXL`䰆THbBבCט   bBu׉׉	 7cassandra://lA5FZLKvLQcYZINkBDtS_oL9JFjXx_wauRwKUN0U1Ks E`׉	 7cassandra://fZGMxIpDB8pjS4-Qcz35iWeAqV0_z6fFIY5mEPxK4Foa`׉	 7cassandra://teLdjZRfSBE910JrTjSINELWCs5Ryw0oCVHrscHOKmU`g ׉	 7cassandra://f_CZPXkrS8i6ZDwAuchvxrADu7QG03LTz4vQxMR8xc4 $ ͠	XLa䰆TJ׉E׉	 7cassandra://teLdjZRfSBE910JrTjSINELWCs5Ryw0oCVHrscHOKmU`g XLa䰆TK׈EXLa䰆TLXLa䰆TKbBבCט   bBu׉׉	 7cassandra://jHNqK2h0uxwdCwhr9zcLNpX8iIa-Qwdhnh1DhjAnof0 &`׉	 7cassandra://WvidbPPoKjPy-NMVrlf7YK-LgwxDeZmu0mVQ8h97szY`׉	 7cassandra://P-6pw1Z6CW3AJq5E1r4zAsJpGt0sgji5M9YFJS4LcMY8$`g ׉	 7cassandra://qjbDTR1KE4dgWrqv9R_cdPIjUQpjSz-UhuKxJ3jO6w8ͷn̤͠	XLa䰆TM׉Ewop één lijn 34
2e uitgave 2009
Ervaringen met groepsonderwijs jaar 3
Blijft het bij experimenteren?
DOOR PAUL STALENHOEF, ACADEMISCH HUISARTS IN GC DR. VAN KLEEF
Het begin van het groepsonderwijs in jaar 3 in het
gezondheidscentrum Dr van Kleef ligt in september 2007.
Na 2 jaar ervaring is het tijd om de balans op te maken.
Het is begonnen na een gesprek met de toenmalige
coördinator Jaar 3 Ramon Ottenheijm, huisarts in het
gezondheidscentrum Geulle, die het groepsonderwijs jaar
3 als pilot heeft uitgevoerd in zijn eigen praktijk en daar
positief over was.
Het groepsonderwijs in de praktijk is dus ontstaan als een
experiment en gezien als een mogelijke oplossing voor
het tekort aan participerende huisartsen.
De vraag is dan:
“Is het mogelijk om met groepsonderwijs efficiënter te
werken met minder opleiders, waarbij het aanbod van
problemen en de kwaliteit van het onderwijs voldoende
zijn gewaarborgd?”
Andere vragen zouden (los van logistieke noodzaak)
kunnen zijn:
“Heeft het groepsonderwijs in deze vorm ook an sich
voordelen? Is het inspirerend? En wat is de meerwaarde?”
De studenten in jaar 3 volgen onderwijs in 4 clusters van
elk 10 weken:
1. Buikklachten/Abdomen
2. Bewegingsapparaat
3. Geestelijke gezondheidsproblemen en
4. Hartvaatziekten/longen.
Studenten bezoeken 2 keer per cluster de huisartspraktijk,
waarbij het nadrukkelijk de bedoeling is dat zij op
de bezoekdag contact hebben met patiënten die een
probleem of een aandoening hebben, die past binnen het
cluster.
Het groepsonderwijs vindt plaats in een “Carrousel”
formule, waarbij de studenten in duo’s een uitgenodigde
patiënt een anamnese afnemen en een gericht onderzoek
doen. Daarbij is het van belang dat de docent feedback
geeft. Per cluster bezoeken zij 2 middagen de praktijk en
in totaal zien zij dus totaal 6 patiënten per cluster.
Voorwaarden zijn: de aanwezigheid van 3 patiënten met
een aandoening of probleem wat het cluster betreft en
wat betreft locatie: 3 spreekkamers en een groepskamer.
Eén duo studenten heeft steeds gedurende een half uur
28
contact met één patiënt, daarna rouleren zij en gaan ze
naar de volgende patiënt in een andere spreekkamer.
Na 1,5 uur komen de studenten en de begeleider weer
bijeen in de onderwijs-groepskamer, waar de patiënten
uitvoerig worden nabesproken. Hierbij wordt gebruik
gemaakt van een laptop en een beamer, waarmee de
belangrijkste zaken uit het elektronisch medisch dossier
kunnen worden getoond. De huisarts geeft aan het eind
van ieder cluster een beoordeling aan de student dat
wordt meegewogen in het eindoordeel.
Kunnen we het experiment als geslaagd beschouwen?
Welke voordelen zijn er, en welke nadelen kleven er aan
dit onderwijsproject? Zijn er verbeteringen in te voeren?
Hierbij is ook het studentenoordeel van belang.
Voordelen: er wordt gericht gewerkt, omdat op
één middag 3 patiënten worden uitgenodigd met
problematiek die rechtstreeks te maken heeft met het
cluster. Het werken in duo’s heeft het voordeel dat
studenten elkaar kunnen aanvullen bij de anamnese
en het lichamelijk onderzoek en dat zij van elkaar
feedback krijgen. De huisarts is aanwezig bij anamnese
en lichamelijk onderzoek en begeeft zich van kamer
naar kamer om de studenten te observeren. In de
nabespreking is gelegenheid voor discussie en het stellen
van vragen aan elkaar en aan de begeleider. Per patiënt
worden leerdoelen geformuleerd voor verdere verdieping,
waarop de volgende bijeenkomst wordt teruggekomen.
Dit werkt goed naar mijn gevoel. Ook de studenten
zijn tevreden over het rendement en vinden vooral de
nabespreking, waarin zij persoonlijk feedback krijgen op
hun functioneren inspirerend.
Nadelen zijn, dat de student niet meer zoals voorheen
een dagje meeloopt en ook nog een aantal andere
indrukken opdoet van het werk van de huisarts. Dat
wordt door de studenten als een nadeel ervaren. Door de
studenten is de suggestie gedaan, dat zij ieder naast de
onderwijsmiddagen ook nog een dag aanwezig kunnen
zijn in de praktijk om meer zicht te krijgen op het werk
van de huisarts. Dit betekent voor de huisarts 6 extra
onderwijsdagen verspreid over het jaar. Een ander aspect
is dat het voor de patiënt vermoeiend is op één middag
׉	 7cassandra://P-6pw1Z6CW3AJq5E1r4zAsJpGt0sgji5M9YFJS4LcMY8$`g XLa䰆TN׉Eop één lijn 34
2e uitgave 2009
3 maal een sessie te hebben met steeds 2 studenten. Een
ander moeilijk punt is de beoordeling, die vaak gebaseerd
is op te weinig indrukken van de student en dan blijft
hangen in een vage formulering of aanbeveling aan het
adres van de student.
Mijn totaalindruk is toch positief. Er zijn wel soms
wat logistieke problemen op praktijkniveau (er zijn
geen 3 spreekkamers beschikbaar) of een patiënt belt
een uur van tevoren af of komt niet opdagen. Ook op
studentniveau kan het mis gaan, als ze bijvoorbeeld
andere dringende verplichtingen hebben al dan niet
verband houdend met het cluster.
Voor mij persoonlijk is het wel belastend. Vooral het
steeds weer vragen van patiënten is wel eens een
probleem. Ook dient de praktijk te zijn afgestemd op deze
onderwijsvorm. Een ieder die worstelt met beschikbare
spreekkamers voor praktijkondersteuners, psycholoog in
de eerste lijn, 2e lijnsverpleegkundigen, etc zal zich dit
kunnen voorstellen.
Toch overheerst het gevoel dat dit zinvol, huisartsgeoriënteerd
onderwijs is.
Bovendien denk ik dat het onder genoemde voorwaarden
een oplossing kan zijn voor het tekort aan opleidende
huisartsen en dat het zeker meerwaarde heeft met
betrekking tot de leeropbrengst, daarbij de nadelen in
acht genomen.
Als je een enthousiaste huisarts bent, je lol hebt
in onderwijs geven, je beschikt over voldoende
spreekkamers en een groepskamer, je het niet vervelend
vindt steeds weer patiënten uit te nodigen voor onderwijs
in de praktijk, dan is dit misschien iets voor jou…
Het is een uitdaging, en je blijft scherp in je vak.
Tekening van Paul in het HAGblad uit 1985 is nog steeds
actueel
Coschappen
Duo co: een kans of een gedrocht?
DOOR EVELINE HAZELAAR EN EMILE MOM, HUISARTSEN WMC BOCHOLTZ
Toen wij in 2005 verhuisden vanuit de noodbouw naar
ons nieuwe gezondheidscentrum kwam al snel de vraag
vanuit de academie om weer te gaan deelnemen aan de
coschappen huisartsgeneeskunde. Vanuit onze praktijk
wilden wij dat graag doen, maar dan wel op onze wijze.
Eigenwijs als wij zijn hadden we een idee uitgewerkt
om het co schap op een andere wijze in te vullen. Niet
meer klassiek via de een op een leerling/ leermeester
methode maar graag wat meer interactie. Ons idee is om
29
XLa䰆TOXLa䰆TNbBבCט   bBu׉׉	 7cassandra://3Rzc-_3nnPNJXzm6CC081egzhQKLUrBv59Q2Mo4GbPw `׉	 7cassandra://ImUz3wRf7X6cA5zXmbK5SiqZ1RLUbR_FbZq6Wy9JVrwҾ`׉	 7cassandra://Ta4cmlK8ZxepS2Pi1IpNufQT9mfXTm8ywMQPkdOTjD0<6`g ׉	 7cassandra://-v0RbUrPNfLlGMe2bvBxicfs2CPWTiKVdew-YAe1ERw͠	XLa䰆TP׉Eop één lijn 34
2e uitgave 2009
2 studenten tegelijk in de praktijk op te nemen, iedere
student gekoppeld aan 1 opleider. De patiënt contacten
vinden echter gezamenlijk plaats, de 2 studenten zien
samen 1 patiënt, waarbij er wel een duidelijke rolverdeling
is afgesproken. Tijdens het patiëntcontact heeft 1 student
de rol van arts en de ander de rol van observator.
De observator bedient ook de aanwezige video camera.
Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat de studenten
samen een consult gaan doen, wel kan de arts student
aan het eind van de anamnese de observator vragen
of er nog relevante informatie vergeten is. Beide rollen
vergen dus een actieve inzet tijdens het patiëntcontact.
Alvorens een van beide huisartsopleiders erbij geroepen
wordt voor de patiëntgebonden nabespreking, kunnen
de studenten onderling ook al even brainstormen over
diagnose en beleid.
Bij de nabespreking later op de dag ligt de nadruk op
interactie. De arts/student begint met de presentatie van
het soepel verslag, of geeft aan waar de moeilijke punten
bij het consult lagen. De observator wordt vervolgens
ook bij de nabespreking betrokken. De casus kan heel
goed gebruikt worden als kapstok om leerpunten aan
te hangen of te linken naar standaarden die verder
besproken worden of nagezocht dienen te worden. In
deze bespreking is de opleider meer een coach die de
studenten prikkelt om zaken uit te leggen aan elkaar,
of om onderwerpen op te zoeken en later verder te
bespreken. Aangezien er in de praktijk 2 opleiders voor co
assistenten zijn is enerzijds continuïteit gewaarborgd en
anderzijds is de begeleiding voor de studenten divers.
De coassistenten Laury en Elleke is gevraagd hun
ervaringen met dit systeem in het kort aan te geven.
Zij zagen zelf als voordelen van het gevolgde systeem:
-
Je leert van elkaar
• Je ziet hoe je collega het lichamelijk onderzoek
uitvoert
• Leert van elkaars anamnese voering en kunt elkaar
tevens hierover feedback geven.
• Kunt elkaar aanvullen en zo op nieuwe ideeën
worden gebracht.
• Met elkaar discussiëren over (differentiaal)
diagnosen omdat de ene meer weet over een
bepaald vakgebied door een al gelopen coschap en
de ander juist uit een ander deelgebied meer weet.
• Uitwisselen van ervaring over een diagnose of beleid
wat gevoerd is bij een soortgelijke casus in een
eerder coschap.
- Met z’n tweeën een patiëntcontact nabespreken, is een
soort van intervisie om bijvoorbeeld te kijken wat een
patiënt bij je oproept en of dit bij de ander hetzelfde
is, of dat diegene juist het consult heel anders had
aangepakt.
- Naar aanleiding van een casus samen de NHG
standaarden doornemen en bespreken of het juiste
beleid is ingezet.
- Je leert goed communiceren, samenwerken, feedback
geven en rekening houden met je duo partner.
Allemaal eigenschappen die je later in de praktijk van
pas komen.
- Doordat we 2 opleiders hebben, krijgen we een beter
en breder beeld en zien we meerdere aanpakken in
omgang en beleid.
Nadelen:
- Als er één huisarts is en er visites gedaan worden en
we met z’n tweeën mee gaan, is het misschien wat
druk voor de patiënt.
- Soms richt de patiënt zich niet alleen op de ‘arts’ maar
ook op de observator en dat maakt het lastiger om een
één op één gesprek te voeren.
- In het begin toch een beetje eng om continu
geobserveerd te worden.
In onze opvatting leren studenten op deze wijze dus
meerdere zaken die in hun latere carrière belangrijk
blijven, verder denken wij dat de op deze wijze opgedane
kennis beter beklijft en last but not least is het begeleiden
van studenten er voor ons als opleiders leuker door
geworden. Concluderend, het duo co schap is zeker geen
gedrocht, maar een kans voor de toekomst.
vlnr huisarts Eveline Hazelaar en coassistenten Laury
Hurenkamp en Elleke Cremers
30
׉	 7cassandra://Ta4cmlK8ZxepS2Pi1IpNufQT9mfXTm8ywMQPkdOTjD0<6`g XLa䰆TQ׉E|op één lijn 34
2e uitgave 2009
Mijn leven als WESP
DOOR JULES UMMELS, ZESDEJAARS STUDENT GENEESKUNDE
In deze korte uiteenzetting vertel ik over mijn ervaringen
tijdens de wetenschapsstage (WESP) bij de vakgroep
Huisartsgeneeskunde in Maastricht. Ik zal specifiek
ingaan op de begeleiding van deze stage en de verschillen
hiertussen met de coschappen van het vierde en vijfde jaar.
Mijn dagelijkse WESP begeleiders Luc Gidding en Mark
Spigt hebben hun taken goed onderling verdeeld. Luc doet
voornamelijk de dagelijkse begeleiding en Mark heeft het
overzicht over het geheel.
Beide heren hebben, naast de inhoudelijke
stagebegeleiding, ook veel aandacht voor mijn persoonlijke
doelstellingen en mijn ontwikkelingen als mens. Dat is erg
prettig.
Luc heeft plezier in zijn werk en brengt dat stuk
enthousiasme ook over tijdens het begeleiden van
studenten. Een van zijn maffe eigenschappen is dat hij
steeds vooral de positieve kanten van een situatie probeert
in te zien. Een eigenschap die je goed kan gebruiken
bij het bedrijven van wetenschap, en zeker op zijn
onderzoeksgebied: depressieve klachten.
Daarentegen richt ik mijn aandacht meer op situaties
die niet goed gaan, zodat deze ‘tegenslagen’ een grotere
impact op mij hebben dan eigenlijk nodig is.
Maandelijks evalueren wij mijn vooruitgang op
verschillende gebieden. Deze evaluatiemomenten
hebben ervoor gezorgd dat ik meer verantwoordelijkheid
voor dit project ben gaan dragen. Dit heeft mij meer
zelfvertrouwen gegeven en het inzicht gegeven dat
een passieve houding, ontstaan door momenten van
onzekerheid, een stagnerende werking heeft op mijn
persoonlijke ontwikkeling. Juist deze inzichten zijn voor mij
heel leerzaam geweest.
Ik vind het moeilijk om een eenduidig profiel te schetsen
van mijn ervaringen over de begeleiding van mij als
coassistent in het vierde en vijfde jaar. In grote lijnen
ben ik over de medische inhoudelijke begeleiding van
arts-assistenten tevreden. Echter ontbrak vaak de tijd
om samen mijn ontwikkeling te evalueren. Ook vind ik
het jammer dat sommige specialisten met al hun kennis
en ervaring amper een bijdrage hebben geleverd aan
kennisoverdracht naar coassistenten. Gelukkig ben ik
ook veel specialisten tegengekomen, die hun didactische
kwaliteiten wel hebben ingezet om geneeskunde
studenten te inspireren en zodoende hun bijdrage hebben
geleverd aan de kwaliteit van toekomstige artsen.
Kortom, er zijn duidelijke verschillen te merken tussen
begeleiding en sfeer tijdens coschappen en een WESP bij
HAG, waar je nadrukkelijk een teamlid wordt. Dit komt ook
voort uit het feit dat de WESP, met 18 weken, flink langer
duurt dan het gemiddelde coschap maar voornamelijk
door de intensieve en positieve begeleiding.
De bezige WESP
DOOR JONAS GöBBELS, ZESDEJAARS STUDENT GENEESKUNDE
Het begin van mijn WESP vond ik moeilijk, het was erg
wennen om kwalitatief onderzoek te doen. Tot dan toe
hadden we altijd geleerd om hypotheses te toetsen door
middel van kwantitatief onderzoek. Het idee ligt er al, en je
toetst gewoon in hoeverre dit ‘statistisch waar’ is. Nu werd
het anders; er lag een probleem zoals ik beschreven had
in mijn participatieprotocol, en nu dienden de mogelijke
oorzaken en hypothesen nog gevonden te worden.
Door middel van inlezen en het aanschrijven van
huisartsen begon ik mijn stage. Het inlezen lukte aardig.
Het vinden van huisartsen en deze warm maken voor een
interview van ruim een half uur was andere koek. Veel
31
XLa䰆TRXLa䰆TQbBבCט   bBu׉׉	 7cassandra://wOXHfwbzbbNQrPGxsELFvd_da-FhPpr_Cn_9dOgnBlY h` ׉	 7cassandra://Q6Q_pAz5z8gawSV9iLbyxLZQ_yCKEzvH8BjYo_6vff0z`׉	 7cassandra://XFOT91mqrUwRgyvfYrQjVv50Zfy9Lj58Ul7fSfCkBvk9`g ׉	 7cassandra://2LOptiovkCxiHWaHWtW3rCo9fsI4a7RXGLvZ4XuXLC8͙6͠	XLa䰆TS׉Euop één lijn 34
2e uitgave 2009
afwijzingen later dan toch aan negen huisartsen gekomen.
Alle begin is moeilijk maar zeker in de eerste weken vond ik
de organisatorische invulling lastig. Ik kon bij veel mensen
terecht voor vragen, maar wist niet bij wie voor welke
vragen. Mijn eigen begeleider is parttimer. Zeker omdat ik
redelijk ‘zoekende’ was gezien de aard van mijn onderzoek
en nul ervaring én deze manier van werken nog nooit had
meegemaakt, vond ik dit erg lastig. Je bent als student nou
eenmaal gewend dat de lijnen naar je beoordelaar redelijk
kort zijn, en weet in je coschappen redelijk goed bij wie je
wel en niet terecht kunt.
De sfeer binnen de HAG was heel goed. Ondanks dat je
nieuw bent, word je redelijk snel opgenomen en staat
iedereen open voor vragen. Ik denk dat ik meer uit mijn
onderzoek had kunnen halen als ik assertiever was
geweest. In het begin had ik wilde plannen maar die
doofden al snel uit door de teleurstelling in het tempo
waarin onderzoek plaatsvindt.
Gelukkig was ik niet de enige WESP die zo met zijn neus
op de feiten gedrukt werd. Het feit dat je ook anderen
ziet worstelen, is op zich niet leuk, maar het is goed om
met anderen hierover te praten. Daarvoor was de grote
onderzoekskamer met op het hoogtepunt 12 WESPEN wel
erg fijn. Wat minder prettig was, was dat zeker bij warm
weer op een vrijdagmiddag van effectief werken niet heel
veel meer terecht kwam. Twee mensen waren er nodig met
een spannend verhaal om de productiviteit tot een ijskoud
dieptepunt te laten dalen. Ik kijk terug met gemengde
gevoelens; aan de ene kant heb ik meer geleerd dan ik nu
durf toe te geven, aan de andere kant heb ik het gevoel dat
er veel meer in had gezeten. Ik denk dat dit wel inherent
is aan onderzoek doen omdat je van zoveel (f)actoren
afhankelijk bent voor je voortgang. Van praktische zaken,
selectie van huisartsen tot het converteren van resultaten
wordt je tempo bepaald door de langzaamste schakel; en
dat is wennen.
Zorgstage in jaar 6: GEZP
GEZP: wederzijdse ervaringen
DOOR DIEDERD KRONJEE, HUISARTS EN SEMI-ARTSBEGELEIDER
In 2006 is het zesde leerjaar van het nieuwe
Maastrichtse curriculum gestart. In dit jaar
participeert de geneeskundestudent gedurende
18 weken in de gezondheidszorg en gedurende
18 weken in wetenschappelijk onderzoek. De
gezondheidszorgparticipatie wordt afgekort tot GEZP. De
GEZP-student wordt ook wel semi-arts genoemd.
Ik heb eerst ervaring opgedaan als co-assistentbegeleider
en ik zie twee belangrijke verschillen. Ten eerste, de
motivatie van de semi-arts is per definitie goed. Waar de
co-assistent wel eens interesse heeft voor alles behalve de
huisartsgeneeskunde, kiest de semi-arts bewust voor een
stage in de huisartsgeneeskunde. Ten tweede, de semi-arts
functioneert meer zelfstandig. Dat leidt ertoe dat ik als
begeleider ook een ontwikkeling heb doorgemaakt; van
directe supervisie naar supervisie op afstand. Liep ik eerst
bij elk consult de spreekkamer van de co-assistent in, krijg
ik nu meestal een telefonische overdracht van de semi-arts.
Het lijkt mij een goede voorbereiding op het opleiden van
aios.
Tessa Vosveld (26 jaar) heeft gekozen voor de GEZP
huisartsgeneeskunde en is geplaatst in mijn praktijk, het
academisch Medisch Centrum West Kerkrade (MCWK).
Wat was je motivatie voor deze stage?
“Voor mij staat vrijwel vast dat ik de huisartsopleiding
ga volgen. Toch heb ik de kans gegrepen om mij
tevoren verder te verdiepen. Ik heb mijn coschap
huisartsgeneeskunde in een solopraktijk gelopen en ik
denk dat ik daar wat gemist heb, zoals de samenwerking
tussen collegae en met andere disciplines. In een
groepspraktijk als MCWK krijg ik daar een beter beeld van.
Ik denk dat in een groter verband werken meerwaarde
heeft voor de huisarts en voor de patiëntenzorg. Ik hoop
aan het einde van mijn stage een beter beeld te hebben
hoe ik het beroep huisarts zelf zou willen invullen
en wat de mogelijkheden hiertoe zijn in het huidige
gezondheidszorgstelsel.
En ik wil graag ervaren of ik zelfstandig kan functioneren
in de huisartspraktijk. Ik wil antwoord op de vraag of ik
meteen kan solliciteren naar de vervolgopleiding of dat
ik eerst praktijkervaring moet opdoen als bijvoorbeeld
poortarts.”
32
׉	 7cassandra://XFOT91mqrUwRgyvfYrQjVv50Zfy9Lj58Ul7fSfCkBvk9`g XLa䰆TT׉Eop één lijn 34
2e uitgave 2009
Voldoet de stage tot nu toe aan je verwachtingen?
“Ja, ik kan deelnemen aan intercollegiaal en
interdisciplinair overleg en ik kan met elke discipline
meekijken. Ik hoor dan ook veel verschillende visies
over het functioneren van en in een huisartsenpraktijk.
En als ik met een vraag zit naar aanleiding van een
patiëntencontact kan ik bij iedereen aankloppen. Iedereen
in de praktijk is bereid om mij te woord te staan.”
Vond je het spannend om te beginnen aan de stage?
“Ik had vooral veel zin om weer aan de slag te
gaan in de praktijk; zeker na 18 weken WESP
(= wetenschapsparticipatie). Ik hoopte
wel op een leuke stageplek die aansloot
bij mijn verwachtingen. Tijdens het
kennismakingsgesprek voorafgaand aan de
stage werd mij jullie aanbod duidelijk en kreeg
ik er veel vertrouwen in. Het werd mij vooral
ook duidelijk dat ik voor een groot deel zelf
het verloop (of de inhoud) van de stage zou
bepalen aan de hand van vaardigheden, inzet
en interesse. MCWK heeft veel ervaring in het
geven van praktijkonderwijs en iedereen is
bereid om studenten te begeleiden.”
De faculteit verwacht dat de semi-arts groeit
naar zelfstandig functioneren. Voldoet de stage
aan die verwachting?
“Meer dan! Ik voelde mij in het begin wel in
het diepe gegooid, maar tijdens de coschappen
heb ik geleerd mijn grenzen aan te geven.
En door zelfstandig patiëntencontacten en supervisie
op afstand te hebben, leer je heel snel. Het aanbod aan
patiëntencontacten is ook ruim voldoende.”
Als je deze stage niet had kunnen lopen, wat had je dan
gemist?
“Dan had ik nu niet geweten in hoeverre ik kan
functioneren in een huisartspraktijk en was ik minder
voorbereid begonnen met de huisartsopleiding. En ik had
dan minder goed geweten wat de rol is van een huisarts
naast een medisch specialist in het ziekenhuis.”
Opname van consult: supervisie op afstand
Arts-Klinisch Onderzoeker (AKO)
Na 4 jaar Master-onderwijs
arts èn klinisch onderzoeker
DOOR LOES MANNESEN, AKO STUDENT
Ik behoor tot het eerste cohort studenten welke in
september 2007 zijn begonnen met de A-KO-master1.
A-KO staat voor Arts-Klinisch Onderzoeker en ik
heb medio maart een korte verkennende stage bij
Huisartsgeneeskunde gelopen. De A-KO-master is een
4-jarige master waarin studenten met een biomedische
vooropleiding worden opgeleid tot basisarts èn klinisch
onderzoeker.
1
In september 2007 is de A-KO-master voor het eerst
van start gegaan en ieder jaar worden maximaal 30
studenten in Maastricht geselecteerd. Ik heb hiervoor
de bachelor Technische Geneeskunde gedaan op de
Universiteit Twente. Ik heb gekozen voor de A-KO, omdat
ik patiëntencontact erg leuk vond en het niet zeker was
in welke mate ik patiëntencontact zou hebben als ik mijn
master Technische Geneeskunde had afgerond.
formeel bestaat de studie geneeskunde tegenwoordig uit 3 jaar Bachelor en 3 jaar Master studie (BaMa structuur), maar bij regulier ingelote
geneeskundestudenten valt dat onderscheid niet op
33
XLa䰆TUXLa䰆TTbBבCט   bBu׉׉	 7cassandra://Z9QQnBCtlZAJj56jZcGbA9gmJtPppN5cmRNeCBAiFqM ʽ`׉	 7cassandra://dh8RVCH7TCZ_L1RaujTeDX1dwGfaBYeiY_ZVBJuL6mE͹`׉	 7cassandra://8WA_CKhrZgppgXRfN1jWq3eTxTPNtQNQw_PJ8T9mZsk5`g ׉	 7cassandra://vYrXJwwEcCqpQH7RD5y0j3wP3l_rWaVl86FXJrmyL6w͔͠	XLb䰆TV׉Eop één lijn 34
2e uitgave 2009
De A-KO bestaat uit 4 fasen, deze fasen lopen niet gelijk
aan het academisch jaar. In het kort komt het erop neer
dat tijdens fase 1 (40 weken) de ‘normale’ lichamelijke
situatie wordt bestudeerd en in fase 2 (30 weken) de
situatie als het lichaam niet goed functioneert, in fase 3
(60 weken) lopen we dezelfde coschappen als de reguliere
geneeskunde studenten met het verschil dat sommige
coschappen korter zijn (bv coschap Huisartsgeneeskunde
duurt dan 8 weken ipv de reguliere 10 weken) en als
laatste fase 4 (30 weken) welke in het teken staat
van wetenschappelijk onderzoek in de vorm van een
combistage.
De component klinisch onderzoek komt gedurende de
gehele opleiding aan bod en wordt in de praktijk gebracht
tijdens de laatste 4 weken van fase 2, de WIP (Wetenschap
In de Praktijk), en de 30 weken van fase 4 bij één van de
onderzoeksscholen van de Universiteit Maastricht. Na de 4
jaar zijn we zowel basisarts als klinisch onderzoeker.
Medio maart 2009 ben ik begonnen met mijn
WIP-stage bij Huisartsgeneeskunde, samen met 2
medestudenten: Céline Geboers en Mark Kiemenije.
De doelstellingen vanuit de opleiding waren erg breed
gedefinieerd, belangrijkste doel was dat de stage een
voorbereiding moest zijn voor de combistage in fase 4
en dat het een kennismaking was met de betreffende
onderzoeksomgeving.
Hierdoor heeft iedereen zijn eigen invulling gegeven
aan deze stage. Ik heb me vooral beziggehouden met
het sneltesten onderzoek waar Janaica Grispen en
Martine Ickenroth op gaan promoveren. Mijn begeleider
was Geert-Jan Dinant. Omdat ik zelf nog nooit (buiten
literatuuronderzoek) betrokken ben geweest bij
klinisch onderzoek, vond ik het belangrijk dat deze
stage ook een oriënterend karakter had. Ik heb dan
ook, naast de doelstellingen van de opleiding en het
sneltestenonderzoek, gekeken welk onderzoek nog
meer gebeurt binnen Huisartsgeneeskunde, wie hierbij
2
Het coschap Huisartsgeneeskunde voor AKO’s start voor het eerst
in mei 2010; deze studenten zullen vooral in de academische
huisartspraktijken geplaatst worden opdat de AKO’s ook tijdens
hun coschappen zoveel mogelijk in aanraking komen/blijven bij
wetenschappelijk onderzoek
betrokken zijn, en of Huisartsgeneeskunde een plek is om
mijn fase 4 bij te doen.
Dit verschilt van Céline en Mark. Céline heeft zich
bezig gehouden met de NicVax studie en heeft een
pilotonderzoek gedaan om een vragenlijst naar de
verwachtingen van rokers op NicVax te valideren, zodat zij
de resultaten van deze vragenlijst kan gebruiken voor haar
onderzoek in fase 4. Mark heeft zich beziggehouden met
de AMUSE-II studie en heeft een tussentijdse analyse van
de tot dan toe bekende resultaten gemaakt.
Na een paar dagen werd mij al duidelijk dat het doel om
in kaart te brengen welk onderzoek wordt verricht binnen
Huisartsgeneeskunde te hoog gegrepen was, aangezien
wonderbaarlijk genoeg bijna niemand wist welk onderzoek
er precies werd uitgevoerd binnen Huisartsgeneeskunde
en wie hierbij betrokken waren. Ik heb daarom met veel
mensen gesproken en gevraagd met welk onderzoek
zij bezig waren en wat hierin hun rol was en aan de
hand hiervan heb ik verschillende organogrammen
gemaakt. Verder heb ik meegelopen met het sneltesten
onderzoek en heb ik, nadat ik mezelf SPSS eigen had
gemaakt, geholpen met het selecteren van personen voor
vervolgonderzoek en het benaderen van deze personen per
mail.
Ik vond het een leuke en leerzame stage. Aangezien het
doel van mijn stage niet eenduidig was, heb ik veel mensen
kunnen spreken en veel dingen gezien. Hierdoor heb ik
voor mezelf een duidelijker beeld gekregen wat onderzoek
doen in de praktijk inhoudt en welk onderzoek momenteel
gebeurt binnen Huisartsgeneeskunde. Tevens ben ik
erachter gekomen dat ik graag terugkom om mijn fase 4
binnen Huisartsgeneeskunde uit te voeren. Op dit moment
vind ik het sneltesten onderzoek nog steeds erg leuk en
interessant, maar ik heb nog even de tijd om te beslissen
want mijn fase 4 begint pas eind 2010/begin 2011. Eerst ga
ik coschappen2 lopen, wie weet tot dan!
2
34
׉	 7cassandra://8WA_CKhrZgppgXRfN1jWq3eTxTPNtQNQw_PJ8T9mZsk5`g XLb䰆TW׉E
3op één lijn 34
2e uitgave 2009
Wat vinden assistentes van (al) die studenten?
“Juffrouw staat de koffie klaar?”
DOOR MARIE JOSé NEFKENS, ASSISTENTE VAN HET GC WITHUIS IN VENLO
Allereerst kort hoe wij in het G.C. Withuis in Venlo de
praktijkplek aanbieden aan de vele derdejaars studenten.
De studenten komen in groepjes van vier, twee keer
per blok naar onze praktijk. Ze zien dan in tweetallen
een patiënt voor ongeveer een uur zonder huisarts
en dan wisselen ze van patiënt. Na afloop worden de
bevindingen besproken met de huisarts.
Maar nu de interessante details over de studenten vanuit
het gezichtspunt van de doktersassistenten in G.C.
Withuis.
Er is altijd een student van het groepje van vier die het
voortouw neemt en telefonisch contact opneemt met
de assistente van het G.C. Withuis voor het maken van
een afspraak. Je ziet grote verschillen in flexibiliteit van
de studenten: de ene groep komt met een lijstje met
optionele data en houdt rekening met de mogelijkheden
van de artsen en de andere groep deelt mede dat ze op
die en die data ons komen vereren met een bezoekje en
of de koffie dan aub klaar kan staan.
Dat de groep geneeskunde studenten (logischerwijs) een
heterogene groep mensen betreft qua karakterstructuur
wordt meteen duidelijk bij het eerste ‘live’ contact met de
studenten wanneer zij zich de eerste morgen melden aan
de balie bij de assistenten in het G.C. Withuis.
De ene student staat er als een verlegen vogeltje bij,
terwijl je bij de andere student twijfelt of je toch niet te
maken hebt met een zelfverzekerde artsenbezoeker?!
Het ene ’type’ student staat netjes te wachten op een
rondleiding door het Withuis met hun jas en rugzakje in
de hand en het ‘andere type’ heeft zichzelf al een plekje
aan de werknemerskapstok ‘toegeëigend’ en zit met een
kopje koffie aan de koffietafel.
En zo zie je ook studenten die graag een praatje maken
met de assistenten tijdens de koffiepauze en gezellig
meepraten over ‘het weer’ en belangrijke ‘vrouwenzaken’
en studenten die de communicatie in de pauze beperken
tot hun ‘eigen soort’ (medestudenten) en waar je vrijwel
geen contact mee krijgt.
De student die zich bij elke aanwezigheid weer
enthousiast meldt bij de balie en de student van wie je
enkel door de eerste kennismaking weet dat hij ‘echt’
bestaat, maar je daarna nooit meer hebt gezien.
Al met al een diverse groep studenten die wij (over het
algemeen…) met veel plezier begeleiden in de korte
periode dat ze bij ons zijn!
Een mooi voorbeeld van hoe om te gaan
met krapte in je praktijk en optimaal
gebruik van de ruimtes
35
XLb䰆TXXLb䰆TWbBבCט   bBu׉׉	 7cassandra://JaxG_Uxp7cfJY8OD6KH0hXVA0D4hIVGdqGPyr5Oa1HU :`׉	 7cassandra://fcg0VFkKxVPb6uyI4yzV7l2YHYysuXTddreke9GAuDUͶ`׉	 7cassandra://yxUEEW_UiRK_hjejYplDeaVx_NOxRUzHlRkckYLamqE4`g ׉	 7cassandra://nclWylSdIeYTxmAVE-6TiI7i9kIKfwBpXkAsE3omHfk͉̨͠	XLb䰆TY׉Eop één lijn 34
2e uitgave 2009
Lijdzaam zitten op een krukje of voor het eerst echt zelf dokteren?
De huisartsenpraktijk
als leer- en werkplaats
DOOR JONNE VAN DER ZWET, ARTSONDERZOEKER
Sinds anderhalf jaar doe ik promotieonderzoek naar
werkplekleren in de huisartspraktijk. In eerste instantie
deed ik dat in combinatie met de huisartsopleiding, maar
tegenwoordig richt ik mij volledig op het onderzoek,
waarover ik hieronder meer zal uitwijden.
Maar eerst het volgende: In het licht van nog niet
publiceerbare resultaten van lopend onderzoek heb ik
een wetenschappelijk minder verantwoorde doch zeer
informatieve poll gehouden onder afgestudeerde artsen.
Ik vroeg hen wat zij zich herinnerden van de leerzaamheid
van hún coschap huisartsgeneeskunde.
“
Tijdens het coschap huisartsgeneeskunde kreeg ik
voor het eerst meer verantwoordelijkheid waardoor ik
me al veel meer dokter in spe voelde. Een patiënt voor
het eerst alleen zien en alleen supervisie op afstand;
dat was heel spannend ook al ging het om
een voetschimmel!
”
“
Ik wist toen ik mijn coschap huisartsgeneeskunde
liep één ding zeker: zo’n huisarts wil ik nooit worden!
Patiënten includeren in onderzoeken waar ze geen weet
van hadden en continu proberen overal een financieel
slaatje uit te slaan en ondertussen op wintersport, om
verwerpelijke redenen gesponsord door de farmaceut.
Patiënten die antibiotica voorgeschreven kregen toen
ze het woord alleen al in de mond namen, bang om
impopulair te worden, en ondertussen met 80 km/
uur door de bebouwde kom rijden naar de visites. Over
rolmodellen gesproken!
”
“
Een echte huisarts lijkt zijn autoriteit misschien te
ontlenen aan de manier waarop hij tot de patiënt
doordringt; namelijk gewoon via de achterdeur. Ook
ontleent hij zeggingskracht aan een hoed, die na
zijn entree sierlijk op het nachtkastje van de patiënt
landt. Als een dergelijke huisarts spreekt, luisteren de
patiënten. Maar oh wee als het niet meer klopt wat hij
zegt. Dan mag hij voortaan aanbellen en blij zijn als er
nog open gedaan wordt. En zo mag (mocht) het zijn,
want de klassieke dorpsdokter transformeert de laatste
36
“
jaren in een patiëntenmanager die alles bijhoudt en
van alle markten thuis is. Tijdens het coschap vond die
transformatie door een wat conservatief ingangsbeeld
ook versneld in mijn hoofd plaats. Eigenlijk was het
wel moeilijk afscheid nemen van die oude, mannelijke
éminence grise en moest ik dus wennen aan de
alleskunnende voorhoedespeler/-speelster (!) die hem
verdrong. Maar na een paar weken coschap zou ik al
niet meer anders willen.
”
“
Toen ik na de tweede dag van mijn coschap
huisartsgeneeskunde naar huis fietste, wist ik het
zeker; dit wordt het! Ik had al langer het idee dat
huisartsgeneeskunde wel iets voor mij zou zijn, maar
dit was de absolute bevestiging. Leuke en interessante
patiëntcontacten met voldoende tijd voor zowel de
agenda van de patiënt als die van mij als junior dokter.
En een hele leuke dorpspraktijk met een prima team en
goede begeleiding.
”
In de huisartspraktijk waar ik stage liep, leerde ik dat
je als huisarts patiënten krijgt die bij je passen.
Het was bijzonder om te zien hoe twee huisartsen die
in hetzelfde pand op een totaal verschillende manier
werkten, allebei tevreden patiënten naar huis lieten
gaan.
”
“
Ik herinner me hoe een 16-jarige puber op het spreekuur
van mijn huisarts kwam. Hij liep wat sloom een keek
de huisarts niet aan. Z’n moeder had hem gestuurd
omdat zijn hoest maar niet over ging. Nadat de huisarts
naar zijn longen had geluisterd, legde hij de jongen
iets uit over hoesten. Interessant was dat de huisarts
de mechaniek van een brommer als beeld van de
longen nam. Later begreep ik dat de jongen sinds het
recente overlijden van zijn vader zich volledig op het
sleutelen aan brommertjes te hebben gestort. Dat een
arts door de ‘verpakking’ van zijn verhaal in iemands
belevingswereld kan komen, was een echte eye-opener
voor mij. Ik realiseerde me ook hoe belangrijk het kan
zijn om als arts de gezinssituatie van de patiënt te
kennen.
”
׉	 7cassandra://yxUEEW_UiRK_hjejYplDeaVx_NOxRUzHlRkckYLamqE4`g XLb䰆TZ׉Eop één lijn 34
2e uitgave 2009
“
De huisartsstage was het eerste coschap waarbij
ik voelde hoe het is om dokter te zijn. Man komt bij
de dokter (ik dus!) met klachten van hoesten, bang
voor longontsteking. Met mijn stethoscoop luister
ik nauwkeurig over alle longvelden zoals ik dat in het
Skillslab geleerd heb. En ja hoor, ik kan de theorie in
praktijk brengen. Vesiculair ademgeruis over alle velden
met wat weghoestbare ronchi, sonore percussie.
Ik stel mijn diagnose: waarschijnlijk een onschuldige
verkoudheid en stel de patiënt gerust.
Ik voel me trots dat ik met minimale middelen, kennis
van de theorie en trainingen in het Skillslab een patiënt
heb kunnen helpen.
”
“
Ik herinner me de eerste week; het lijdzaam zitten
op een krukje, je zo verdekt mogelijk opstellen om
maar niet in de weg te zitten. En mijn mond houden,
zodat ik vooral niets zou missen van de woorden van
mijn wijze leermeester. Als ik wel wat zei, werd een
veelzeggende blik mijn kant op geworpen. Gelukkig
kreeg ik na die eerste week mijn eigen spreekuur met
goede begeleiding en werd het een leerzame stage. Het
meest leerzame was dat hij als hobby kleine chirurgie
had. Een oeroude operatietafel, een operatieset en
sterilisatieoventje werden iedere dinsdagmiddag
ingezet voor het verwijderen van fibromen, lipomen,
nagelextracties en andere kleine ingrepen.
”
Deze greep uit herinneringen van voormalige
geneeskundestudenten aan onze universiteit geeft al
aan hoe divers het palet van (aan?) leerervaringen is.
De huisartsenpraktijk met zijn relatief kleine en soms
traditionele setting geeft ruimte aan activiteiten en
interacties die uiteindelijk moeten leiden tot een leerzame
stage. En de huisartspraktijk lijkt inderdaad een goede
plek om te leren: over het algemeen wordt deze stage
goed beoordeeld en wij zouden tevreden achterover
kunnen leunen. Maar dat doen wij niet. Want wát leren
onze studenten nu eigenlijk? En hóe? Hoe kunnen wij de
leerzaamheid verbeteren? Bovenstaande herinneringen
geven weer wat er onder andere beklijft van het coschap
huisartsgeneeskunde. Het mag duidelijk zijn dat deze
leerervaringen niet allen beschreven staan als doelen in
het curriculum, maar ze geven wel weer hoe een leerproces
in een dergelijke setting plaats kan vinden.
Zoals jullie elders in deze uitgave kunnen vernemen
van WESP-student Vera Hanssen, zijn er verschillende
factoren (én actoren) die het leren in de huisartsenpraktijk
beïnvloeden. Dit eerste deelonderzoek is onderdeel van
het onderzoek waar ik mij de komende jaren mee bezig
zal houden onder begeleiding van Paul Zwietering, Cees
van der Vleuten en Albert Scherpbier. Ik richt mij op de
leerzaamheid van het coschap en hoe de mate en aard van
de participatie van de studenten, en de interactie tussen
student en huisarts, hieraan bijdragen.
37
Momenteel houd ik bijvoorbeeld focusgroepen
(groepsinterviews) met studenten in een van de laatste
weken van hun coschap. Het is ontzettend interessant
en leerzaam om te horen hoe zij de stage ervaren, hoe zij
leren en welke zaken dat leerproces beïnvloeden. Later zal
ik kwalitatief onderzoek verrichten onder de huisartsen en
andere stakeholders, en in de praktijk zelf “een kijkje gaan
nemen”.
Het uiteindelijke doel is om het theoretisch kader rondom
werkplekleren in het medisch onderwijs te verfijnen en een
interventie te ontwikkelen in het kader van optimalisering
van het onderwijs op deze werkvloer. In ieder geval voor
de huisartsenpraktijk, en wie weet valt er ook lering uit te
trekken voor de kliniek.
Overigens, de personen die bovenstaande citaten hebben
aangeleverd zijn inmiddels met veel plezier werkzaam als
huisarts in opleiding (3x), verpleeghuisarts in opleiding
(1x), anios arts voor verstandelijk gehandicapten en anios
psychiatrie.
Het komt hoe dan ook goed.
XLb䰆T[XLb䰆TZbBבCט   bBu׉׉	 7cassandra://mTUbQNr0o1zokQPr0ayqE059FUzAbKJb9kXSGgu141I y` ׉	 7cassandra://R-iiXOrtAbDVD5tQPO6c2EqQ4qSbg8i0Cz7riYHFF80ګ`׉	 7cassandra://MEr2ENhcG98zmcTgGp67HkRcnqf0I2YwjJ8_-aLycns=N`g ׉	 7cassandra://3-XC6JQDbZRmVHPeh_WSvydrF97vCQ9BG8h5Q8Bkk0gͬ̸͠	XLb䰆T\נXLd䰆T 	b9ׁH !mailto:Johan.Evers@hag.unimaas.nlׁׁЈ׉E0op één lijn 34
2e uitgave 2009
Begeleiden van een onderwijsgroep studenten
De tutor
DOOR PIET PORTEGIJS, UNIVERSITAIR DOCENT HUISARTSGENEESKUNDE
De onderwijsgroep vormt de spil van het Maastrichtse
probleemgestuurde onderwijssysteem (PGO). Het is aan
de tutor om te zorgen dat die spil goed draait.
Een onderwijsgroep bestaat uit ongeveer 10 studenten
en een tutor. In de eerste twee studiejaren komt de
onderwijsgroep tweemaal per week (maandag en
donderdag) twee uur bij elkaar. In de onderwijsgroep
wordt het ene probleem afgerond (nabespreking), en
de volgende gestart (voorbespreking). Het proces is
geordend volgens de ‘Zevensprong’. Eerst wordt de
nieuwe taak/probleem gelezen.
Dan volgt de zevensprong:
1. Moeilijke woorden: verduidelijken aan elkaar
2. Probleemstelling: Wat is de essentie van het probleem?
3. Brainstorm: ideeën genereren, hoeft niet
gestructureerd
4. Ordenen
5. Leerdoelen. Hiermee eindigt de voorbespreking
6. Zelfstudie
7. Rapportage en integreren van nieuwe informatie. En is
het probleem hiermee opgelost?
Bij toerbeurt vervullen de studenten de rollen van
gespreksleider en notulist. In principe hoeft de tutor dus
niet zoveel te doen. Als de discussie stil valt, probeert
hij met een vraag of suggestie het weer in beweging te
krijgen. Als de groep afdwaalt, probeert hij bij te sturen.
Via zijn feedback aan de groepsleden probeert hij het
functioneren te bevorderen.
Als inhoudelijke ondersteuning heeft hij de tutorinstructie,
met achtergrondinformatie, beoogde
leerdoelen en literatuursuggesties.
In mijn ervaring lopen onderwijsgroepen meestal redelijk,
soms is het een waarlijk genoegen om een enthousiaste
groep elkaar te zien uitdagen en aanvullen, en heel soms
trek ik aan een dood paard.
Het Probleem Gestuurd Onderwijs mag dan een heel
goed systeem zijn om je kennis echt eigen te maken, in
de ogen van een student is dat soms niet zo, of liggen
38
prioriteiten elders. En misschien is het inderdaad niet het
meest efficiënte systeem als je efficiëntie af wil meten
aan toetsresultaat gedeeld door tijdsinvestering.
Het is dus nodig om de studenten een probleem aan
te bieden dat alleen kan worden opgelost als zij de
beoogde kennis verwerven. Die problemen (meestal
patiëntencasus) staan in het blokboek.
Iets leren gaat veelal makkelijker als je die kennis direct
kunt gebruiken (dus ergens voor nodig hebt), dan
wanneer het leren zelf het doel is. En het gaat makkelijker
als de nieuwe kennis wordt ingevlochten in het netwerk
van eerder verworven kennis. Dit invlechten is nodig om
het geleerde later te kunnen oproepen.
Wellicht kunt u zich van uw eigen studietijd herinneren
hoeveel gemakkelijker het was om te bedenken dat bij
ziekte x symptoom Y hoort, dan om te bedenken dat
symptoom Y mogelijk verklaard kan worden door ziekte
x. De meeste studieboeken zijn (terecht) geordend per
ziektebeeld. Hoe goed een college of boekhoofdstuk
is geordend, en hoe goed de links worden gelegd naar
andere onderwerpen, het zijn de relaties die de docent
legt. Terwijl het gaat om de relaties die de student legt,
naar zijn (/haar) voorkennis. Op de student komt het
gemakkelijk over als platte tekst, een verzameling weetjes
die hij/zij moet zien te leren voor de toets.
Ik denk dat het voor een praktiserend huisarts
gemakkelijker is om een onderwijsgroep die niet
lekker loopt weer vlot te krijgen, dan voor mij als
wetenschapper.
Voetnoot redactie:
Een actieve huisarts heeft een voorbeeldfunctie en
kan putten uit praktijkervaring. Daarbij is het goed
dat studenten verschillende soorten huisarts(en) zien
en kennismaken, zowel met die personen als met het
vak. Deelname van praktijkmensen aan het onderwijs
door zichtbaar te zijn in zoveel mogelijk jaargangen en
verschillende rollen is goede PR voor het vak en voorkomt
dat er een verkeerd beeld ontstaat. De ingebrachte kennis
uit de praktijk blijft op die manier ook up to date.
׉	 7cassandra://MEr2ENhcG98zmcTgGp67HkRcnqf0I2YwjJ8_-aLycns=N`g XLb䰆T]׉Eop één lijn 34
2e uitgave 2009
Ervaringen in het basiscurriculum geneeskunde
Nieuwe coördinator Jaar 3:
Johan Evers
Sinds mei 2007 ben ik met veel plezier werkzaam als
docent binnen het basiscurriculum geneeskunde vanuit
de vakgroep huisartsgeneeskunde. Ik was dan ook blij
verrast toen ik hoorde dat er een nummer van Op één
lijn zou komen met als thema onderwijs. Graag wil ik
van de gelegenheid gebruik maken om u iets meer te
vertellen over hoe ik in het medisch onderwijs terecht ben
gekomen en over mijn huidige functie als coördinator jaar
3 huisartsgeneeskunde.
In 1996 ben ik gestart met de opleiding geneeskunde
aan de UM (destijds Rijksuniversiteit Limburg) en ik heb
deze afgerond in 2002. Nadat ik een jaar werkzaam ben
geweest als arts-assistent longziekten ben ik in 2004
begonnen met de opleiding tot huisarts. Tijdens mijn
werk als arts-assistent en de opleiding tot huisarts
merkte ik al dat onderwijs mij aansprak. Toen ik vlak
na het beëindigen van mijn opleiding in maart 2007
de mogelijkheid kreeg om werkzaamheden te gaan
verrichten binnen het basiscurriculum geneeskunde voor
de vakgroep huisartsgeneeskunde, heb ik dan ook direct
ja gezegd.
Mijn eerste grote onderwijsrol bestond uit het begeleiden
van een groep van 11 coassistenten die hun 10-weekse
coschap huisartsgeneeskunde liepen. Dit was een hele
uitdaging aangezien begrippen zoals CPL (Chroniciteit,
Preventie en Levenseinde) en KvZ (Kwaliteit van Zorg)
nog niet tot mijn alledaags jargon behoorden. Dit zijn
opdrachten die de coassistenten maken tijdens hun
coschap.
Mede dankzij de goede ondersteuning van mijn collega´s
binnen de vakgroep heb ik dit coschap tot een goed einde
kunnen brengen.
Vanaf september 2007 ben ik werkzaam geweest als
tutor in jaar 1 en 2, coach en SPO-begeleider jaar 3 en
als huisartsbegeleider ten behoeve van het coschap
huisartsgeneeskunde. Kortom ik heb kennis kunnen
maken met een groot aantal uitvoerende taken binnen het
medisch curriculum.
Naast deze uitvoerende taken in het onderwijs vervul
ik sinds half februari van dit jaar voor anderhalve
dag in de week de functie van coördinator jaar 3
huisartsgeneeskunde. Binnen deze functie ben ik
onder meer bezig met de praktijkcontacten jaar 3 in de
huisartspraktijken. Studenten gaan gedurende jaar 3 van
hun opleiding 8 keer -dat wil zeggen 2 keer per clusternaar
een huisarts aan wie zij gekoppeld worden aan het
begin van het jaar. Tijdens deze praktijkcontacten zien zij,
onder supervisie van hun huisartsopleider, patiënten met
problematiek die wordt behandeld in het cluster dat zij op
dat moment lopen. De thema´s van de clusters in jaar 3
zijn abdomen, bewegingsapparaat, circulatie en longen en
psychomedische problemen en GGZ.
Binnen de basisgroep van het cluster worden de
praktijkcontacten voor- en nabesproken. Ik ben onder
meer aanspreekpunt voor zowel de studenten als de
stageverlenende praktijken (Johan.Evers@hag.unimaas.nl).
Tevens ben ik bezig met de opdracht chroniciteit die
de studenten gedurende jaar 3 maken. Deze opdracht
bestaat uit 2 onderdelen. Het onderdeel ´zorgbehoefte
en zorgplan´ wordt begeleid door de vakgroep
huisartsgeneeskunde. Het onderdeel ´ervaringsverhalen
en reflectie´ door de vakgroep HES (Health, Ethics and
Society), de vakgroep die voorheen Zorgwetenschappen
heette. De studenten kiezen aan het begin van het jaar
samen met hun opleider een patiënt met een chronische
aandoening van wie zij de zorgbehoefte beschrijven en
een zorgplan opstellen. Bij vragen over deze opdracht
kunnen studenten bij mij terecht. Ik zorg dat de inhoud
van de opdracht up to date is. Regelmatig heb ik contact
met een collega van de vakgroep HES. Onlangs hebben
we het toetsplan aangepast en opnieuw ingediend. En
zo zijn er nog veel meer zaken waarmee ik in aanraking
kom als coördinator. Een veelzijdige functie dus met veel
uitdagingen.
39
XLb䰆T^XLb䰆T]bBבCט   bBu׉׉	 7cassandra://EEAllXVf4IoIFMKjmKT1xUv9QPvpXjGfKTBbJa3OPng G` ׉	 7cassandra://JoeOS1H-iRzhXJFOxyBC3bYvemSW2jIiuXWz0tw8mKUѽ`׉	 7cassandra://PCesfk9CqG7d3rf1qQeeg8KDpKBTR5NU3OrQ2SG3pcQ:u`g ׉	 7cassandra://f7IZOdg2JeTQNFys4cn8dI-xwKXEaD4HQMpylMfsAxś̴͠	XLb䰆T_׉EFop één lijn 34
2e uitgave 2009
Huisartsbegeleider zijn van een groep co assistente
Een dag uit het leven
van een HAB
DOOR JANNEKE VAN DRUNEN, HUISARTS
Woensdagochtend. Na mijn dochter weer veilig op het
kinderdagverblijf te hebben afgeleverd, arriveer ik net op
tijd op de UNS 60. “Mijn” co assistentengroep staat al te
popelen voor de deur. Een nieuwe terugkomdag breekt
aan. Een dag waarop ervaringen worden uitgewisseld,
vragen worden gesteld en het vak huisartsgeneeskunde
weer meer gaat leven. Ik heb net mijn derde co
assistentengroep weer met veel plezier afgerond. 10
weken samen ontdekken wat huisartsgeneeskunde nu
echt inhoudt. Ze kennis laten maken met de veelzijdigheid
van het vak. Met de moeilijke afwegingen die je soms
moet maken. Met de grappige anekdotes van alle dag.
Met telkens weer iets nieuws. Met de bezorgde patiënt,
de ingewikkelde patiënt, de amicale patiënt, de ouden
van dagen en degenen die net uit het ei gekropen zijn.
Bespreken wat dat met ze doet. Ervaringen, meningen en
emoties delen. Ik vind het leuk om te zien hoe de groep
in de loop van de weken steeds meer één wordt. Het is
best een vol programma voor de studenten. Zo wordt hun
farmacologische kennis opgefrist en bijgespijkerd. Leren ze
waarom je als huisarts voor een bepaald middel kiest en
hoe belangrijk het is om op interacties te letten. Ze maken
kennis met kwaliteit van zorg. Ieder maakt in zijn of haar
praktijk een analyse van een bepaald probleem, waarom
is iets op een bepaalde manier georganiseerd, wat zijn
hiervan de sterke punten en wat kan er verbeterd worden.
Ze leren de kwaliteitscirkel te doorlopen. Vaak wordt hun
verbeterplan ook daadwerkelijk ter harte genomen. Erg
leuk. Daarnaast houden ze elk een casuspresentatie en een
referaat. Ook worden in groepjes Chroniciteit, Preventie en
Levenseinde thema’s uitgewerkt. Juridische en ethische
aspecten komen aan bod. De rol van de verschillende
hulpverleners wordt belicht. Soms wordt er aan de hand
van stellingen gediscussieerd. Studenten kunnen zich in
deze opdracht helemaal uitleven en doen dat vaak ook. Dit
levert vaak interessante gesprekken op.
Ik begin de dag vaak met intervisie. Vertellen wat ze
hebben meegemaakt. Spannende gebeurtenissen op de
post, frustraties over het niet boven water krijgen van
de hulpvraag, ervaren hoe leuk het is als een patiënt je
komt bedanken voor je goede zorg. Niet alleen worden
ervaringen gedeeld, er wordt ook van geleerd en bij
ingebrachte onderwerpen dieper stilgestaan. Daarna
even koffiepauze en tijd voor individuele vragen. Dan
40
een interessante casuspresentatie over bv de Mexicaanse
groep, waarbij ook de standaard influenza wordt besproken
en een referaat over de zin en onzin van antibiotica bij
een tonsillitis. ’s Middags wordt bv in het kader van het
thema Preventie de baarmoederhalsvaccinatie met de
achtergronden, hypes, wetenschappelijke onderbouwing
bediscussieerd en de meningen in de groep gepeild. Naast
de begeleiding op de terugkomdagen kijk je ook SOEPEL
verslagen na. Een SOEPEL wordt gemaakt aan de hand
van een patiëntcontact en is een leermiddel voor de co
assistent. Ze leren te vragen naar de hulpvraag (waarom
komt iemand nou met een snotneus naar het spreekuur?),
te ervaren wat een patiënt bij ze oproept en waarom
en hoe dat hun consultvoering kan beïnvloeden (Sa1), te
denken in differentiaal diagnoses, gericht lichamelijk en
aanvullend onderzoek te verrichten en een plan op te
stellen. Ik merk dat studenten moeite hebben met het
formuleren van een Sa1. Wat doet iemand nu met mij?
Waarom is dat belangrijk? Gaandeweg gaat het ze steeds
beter af (via voorbeelden) en krijgen ze er ook steeds meer
lol in.
Ook bezoek je als HAB de praktijken waar de co assistenten
verblijven en praat je met de opleiders over hun voortgang.
Wat ik leuk vind van HAB zijn? Het begeleiden van een
groep, ze enthousiast maken over het vak, laten zien hoe
veelzijdig het is, hoe je bepaalde afwegingen maakt, hoe
het verschilt met de eerste lijn. Ze leren dat het belangrijk
is te kijken naar de mens achter de klacht en de gevolgen
van een bepaalde klacht voor deze patiënt in diens
psychosociale context. Het laten zien dat je kritisch mag
zijn, vooral wat het beoordelen van wetenschappelijke
artikelen betreft. Het met ze meeleven en merken hoeveel
ze in 10 weken leren. Ik vind het heel leuk dat ik ze wat bij
mag brengen over het vak.
Ik kan het iedereen aanraden.
׉	 7cassandra://PCesfk9CqG7d3rf1qQeeg8KDpKBTR5NU3OrQ2SG3pcQ:u`g XLb䰆T`׉Enop één lijn 34
2e uitgave 2009
Observatorschap vaardigheden Skillslab
Bekijk het maar!
DOOR JEROEN SMEETS, HUISARTS GC HEER IN MAASTRICHT
Alle geneeskundestudenten krijgen tijdens hun studie
vaardigheden aangeleerd. Deze vaardigheden bestaan
uit o.a. communicatie vaardigheden (het voeren van een
consult, de anamnese afnemen) en medisch technische
vaardigheden (lichamelijk onderzoek zoals buikonderzoek,
onderzoek van hart en longen, onderzoek van het
bewegingsapparaat, reanimatie en het hechten van een
wond). Aan het eind van een academisch jaar worden
alle tot dan toe geleerde vaardigheden getoetst in de
stationstoets. Voor de studenten een zeer stressvolle toets,
omdat ze niet weten wat er precies wordt getoetst. Ze
moeten alle tot dan geleerde vaardigheden beheersen
en hiervan wordt slechts een selectie - onder tijdsdruk -
getoetst.
Studenten volgen een circuit van 4 tot 6 opeenvolgende
stations. De stations duren meestal 10 tot 20 minuten.
Als observator bij een station beoordeel je aan de hand
van een criterialijst in hoeverre de student laat zien over
de vaardigheid te beschikken (score: goed/voldoende/
matig/onvoldoende/slecht/niet). De criterialijsten zijn
gedetailleerd en worden voorafgaand aan de toets
uitgebreid besproken, zodat alle observatoren zoveel
mogelijk “op één lijn” zitten met scoren.
De stationstoets wordt afgenomen in jaar 1, 2, 3 en 6 van
de basisopleiding geneeskunde.
In jaar 1 worden er over het algemeen kortere
vaardigheden getoetst (zoals bloed prikken, een wond
verbinden) en in jaar 6 steeds meer ingewikkeldere
problemen (zoals een patiënt met galstenen of een patiënt
met plasklachten en pijn in de rug).
Als observator word je meestal voor een dagdeel gevraagd
(ochtend of middag) en je observeert dan één station. Er
komen zo’n 10 tot 20 studenten aan je voorbij. De toets
wordt strak georganiseerd, zo klinkt er aan het eind van de
tijd van het station een bel, studenten moeten dan direct
stoppen en naar het volgende station gaan.
Het observeren zelf is niet moeilijk. Ik heb tot nu toe
geobserveerd bij stations over schouderklachten, geelzucht
na een reis in het buitenland, galstenen, darmkanker,
huidziekten en gynaecologie.
Ik vind het een uitdaging om te kijken hoe ver de student
kan komen, wat weet hij wel en wat niet. Opvallend is dat
elke keer als ik observeer ik er zelf ook weer iets van leer.
En natuurlijk is het een hoop lol met alle zin en vooral ook
onzin die de studenten er soms uitgooien.
Zo riep een student laatst een keer over een injectie in de
schouder dat er macaroni (marcaïne) in de schouder werd
gespoten...
Observeren: een aanrader!
Een carrière binnen het onderwijs
DOOR LAURY DE JONGE, SECTORHOOFD ONDERWIJS BASISCURRICULUM EN ACADEMISCH HUISARTS IN ELSLOO
Sinds 1 mei 2009 vervul ik de functie van Sectorhoofd
Onderwijs Basiscurriculum Huisartsgeneeskunde.
Als sectorhoofd ben ik, in nauwe samenwerking met
onderwijscoördinator Lilian Aarts, verantwoordelijk voor de
organisatie en aansturing van de onderwijsprogramma’s
waarin medewerkers van de vakgroep
huisartsgeneeskunde betrokken zijn.
De functie van sectorhoofd was niet een functie die ik
primair ambieerde, maar die wel perfect aansloot bij mijn
onderwijscarrière. Voor een gedeelte berust dit op toeval
aangezien mijn voorganger Paul Zwietering een andere
baan kreeg. Daarnaast geldt dat onderwijs en het geven
hiervan als een rode draad door mijn leven loopt.
41
XLb䰆TaXLb䰆T`bBבCט   bBu׉׉	 7cassandra://PcQChorIbKveRI7pXE3lSbyZa71X88dHp9w_p2ZTTD8 ap`׉	 7cassandra://Z2jr9rYGjpYwEC9BllX31OVUa3D0mjRbJ7ycl0XoWYU`׉	 7cassandra://cFbfdjQwyScIXtv69FvioQ4Z1iIMQuRZfZGcl6G8hyM=`g ׉	 7cassandra://cAxfIzQgzQhrZHHlJvxOHHgBnZ0yTHWPP4B6dbOl3Dg ٜ ͠	XLc䰆Tb׉E׉	 7cassandra://cFbfdjQwyScIXtv69FvioQ4Z1iIMQuRZfZGcl6G8hyM=`g XLc䰆Tc׈EXLc䰆TdXLc䰆TcbBבCט   Bu׉׉	 7cassandra://kKh6DBShIbTAO54ijyuxkqj_Iq_3ZrCSXAUBfJkeQgw `׉	 7cassandra://K5V35HE9XaX9DyD-riiQG55nEbkSmsj41J7Bab9Xq_0+`Q׉	 7cassandra://Bb2RIAehLDCw7yn4c9ON7hL7-FxFVg908eAAesjgr20`̴ ׉	 7cassandra://d5R-VoE2WW4NZMNjacIDX_7OC6IkNpexUo9i7cNGWho9<͠XLc䰆TeנXLd䰆T O̊9ׁHmailto:op1lijn@hag.unimaas.nlׁׁЈ׉EOp één lijn is een uitgave van:
Vakgroep Huisartsgeneeskunde FHML
Universiteit Maastricht
Postbus 616
6200 MD Maastricht
op1lijn@hag.unimaas.nl
Based in Europe, focused on the world. Maastricht University is
a stimulating environment. Where research and teaching are
complementary. Where innovation is our focus. Where talent
can flourish. A truly student oriented research university.
׉	 7cassandra://Bb2RIAehLDCw7yn4c9ON7hL7-FxFVg908eAAesjgr20`̴ XLc䰆Tf׈EXLc䰆TgXLc䰆TfbB,Op één Lijn 34XLUq*